Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen Stichting Nederlands Fonds voor de Film op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956

Type Archiefselectielijst
Publication 2004-06-27
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 8 maart 2004, nr. arc-2003.6675/2);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument van het bestuur van de stichting nederlands fonds voor de film op het beleidsterrein kunsten over de periode vanaf 1956

Inzake het handelen van:

1. Inhoudsopgave

(Deze is hier, als niet-functioneel zijnde, weggelaten.)

2. Lijst van afkortingen

Toelichting: de in het woordenboek voorkomende officiële afkortingen zijn niet opgenomen.

AB: ArchiefBesluit

AW: ArchiefWet

BSD: BasisSelectieDocument

Cobo: Coproductiefonds Binnenlandse Omroep

EZ: Economische Zaken

Fine: B.V. Filminvesteerders Nederland B.V.

FNF: Fonds voor de Nederlandse Film

HFP: Holland Film Promotion

NA: Nationaal Archief

NFC: Nederlandse Federatie voor de Cinematografie

NFF: Nederlands Fonds voor de Film

NOS: Nederlandse OmroepStichting

OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OK&W: Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen

PIVOT: Project Invoering Verkorting OverbrengingsTermijn

PNF: Productiefonds voor Nederlandse Films

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stifo: Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

z.d.: zonder datum

z.h.: zonder handtekening

3. Inleiding

3.1. Geschiedenis wetgeving en filmbeleid:

De situatie van de Nederlandse speelfilm was in de jaren na de oorlog niet echt rooskleurig. De eerste jaren was de financiering een geheel particuliere aangelegenheid. In 1947 werd voor het eerst een aanzet gegeven tot het ontwikkelen van een filmbeleid door het reserveren van een bedrag in de begroting van het toenmalige ministerie van OK&W. Maar ook dit bood blijkbaar weinig stimulans want tot 1957 werden er slechts 9 films geproduceerd.

Om hierin verbetering aan te brengen overlegde het Ministerie van OK&W met de NBB. Dit leidde in 1956 tot de oprichting van het PNF. Dit overleg kreeg een permanent karakter door de gezamenlijke instelling van een Overlegorgaan waarbinnen de Raad voor de Kunst, namens de minister, en het PNF overlegden t.b.v. het verkrijgen van een optimale afstemming over de besteding van gelden. De geldmiddelen bestonden hoofdzakelijk uit bijdragen van het Ministerie van OK&W en de NBB. In 1976 adviseerde de Raad voor de Kunst deze twee geldstromen (begrotingspost 1947 en Rijksbijdragen PNF) samen te voegen tot één nieuw fonds. Dit advies werd later uitgewerkt en bijgesteld en in 1979 uitgebracht onder de titel ‘Plan Filmcentrum’. Daarin adviseert de Raad alle geledingen van de Nederlandse film onder te brengen in één samenwerkingsorgaan. Dit gaf veel bezwaren vanuit filmkringen. In 1981 kwam de Raad met een herzien advies om, naast het PNF, een nieuw fonds op te richten. Dit werd het FNF. Het FNF verving het begrotingsartikel ‘Korte kunstzinnige en culturele films’ van 1947.

De wettelijke basis voor de oprichting van het FNF was de in 1981 vastgestelde Fondsenwet Scheppende Kunsten (Stb. 1981, nr. 355). Op grond van de artikelen 2 en 3 van deze wet werd het voor de minister mogelijk om bepaalde taken m.b.t. de uitvoering van het kunstenbeleid over te dragen aan min of meer zelfstandige fondsen. De uitvoering van het filmbeleid werd opgedragen aan het FNF d.m.v. het Besluit ‘Fonds voor de Nederlandse Film’ (Stb. 1983, nr. 558). Bij dit besluit, dat ook de ontwerpstatuten van het FNF omvatte, werd de minister gemachtigd om over te gaan tot oprichting van het FNF.

Omdat tussen het PNF en het FNF de verschillen steeds kleiner werden, waardoor allerlei overlappingen voorkwamen, fuseerden in 1993 het PNF en het FNF tot het NFF.

De invoering van het ‘fondsenmodel’ heeft de volgende effecten gehad:

3.2. Rechtsvoorgangers + NFF

3.2.1. Stichting Productiefonds voor Nederlandse Films (PNF)

Aanleiding voor de oprichting van dit fonds was het ontbreken van een echt continue productie van Nederlandse speelfilms. Maar ook de oprichting van het PNF bracht geen continue productie op gang. Van 1947 tot 1957 werden slechts negen films geproduceerd. Om hierin verbetering aan te brengen overlegden de minister van OK&W en de Nederlandse Bioscoopbond met elkaar. Dit leidde ertoe dat deze twee partijen het PNF oprichtten bij akte/statuten d.d. 8 november 1956.

Artikel 2 van de statuten omschreef de doelstelling als volgt: ‘het bevorderen van de Nederlandse filmproductie in het algemeen en de productie van Nederlandse speelfilms in het bijzonder, in hoofdzaak door het scheppen van financieel gunstige voorwaarden voor de continuïteit van die productie en wat verder voor dit doel bevorderlijk is’. Dit betrof m.n. de bevordering van de ontwikkeling en productie van de lange speelfilm.

Volgens artikel 3 van de statuten bedroegen de geldmiddelen van het fonds:

In het eerste decennium was er een gering aantal aanvragen van filmproducenten om financiële steun. De productie bleef bij ongeveer twee films per jaar.

In de jaren zeventig verbeterde dit maar door de opkomst van de televisie namen de bezoekersaantallen weer drastisch af. Dit leidde ertoe dat de doelstelling verder werd uitgewerkt. Het begrip ‘continuïteit’ werd ruimer opgevat en uitgebreid naar o.a. de creatieve krachten zoals scenarioschrijvers en regisseurs. Ook werd de diversiteit bevorderd door een veelzijdig aanbod van Nederlandse films voor een zo breed mogelijk publiek.

Ook werd de herkenbaarheid van onze cultuur in de film steeds belangrijker gevonden. Dit werd bevorderd door het stimuleren van de creatieve inbreng van filmmakers, acteurs en actrices en het gebruik van de Nederlandse taal. Ook in coproducties, een verschijnsel dat steeds meer voorkwam aan het eind van de jaren zeventig, speelde dit een belangrijke rol.

Ondanks de genoemde intensivering van het beleid bleven aansprekende resultaten uit. De beoogde continuïteit is vooral een zaak van kwantiteit en niet van kwaliteit. Ook bleef de Nederlandse film onrendabel. Oplossingen werden gezocht in samenwerking met de televisie en in internationale coproducties.

In 1983 kwam er een ander fonds bij, namelijk de Stichting FNF. Haar belangrijkste taak was opvang en kweekvijver te zijn voor aankomende cineasten en het bevorderen van diversiteit in de filmcultuur door een categorale indeling van films, b.v. documentair en animatie. De verschillen tussen PNF en FNF werden steeds kleiner. Het belangrijkste verschil was de hoogte van het productieplafond (ƒ 1 miljoen).

Uiteindelijk fuseerde het PNF in 1993 met het FNF.

Het bestuur bestond eerst uit 5 leden. Later werd dat tenminste 6 en ten hoogste 7 leden. De minister van OK&W benoemde 2 leden. Door en uit het hoofdbestuur van de Nederlandse Bioscoopbond werden 3 leden benoemd, t.w. de voorzitter, de vice-voorzitter en de directeur.

M.i.v. 1985 werden alle leden benoemd door de minister van WVC.

Het bestuur van het fonds verleende financiële bijdragen t.b.v. de productie van nationale films enerzijds en later de ontwikkeling van scenario’s anderzijds.

Het fonds ontving subsidie van de minister van Kunsten c.q. Cultuur en opereerde binnen diens beleidskader.

Het fonds was gevestigd te Amsterdam.

Het archief is in beheer bij het Informatiecentrum van het Filmmuseum te Amsterdam. Het is volledig geïnventariseerd inclusief de bestanden ‘Filmprojecten’ en ‘Scenario’s’. De ingang op deze bestanden vormen 3 kaartenbakken die alfabetisch zijn geordend op naam van de productiemaatschappij en van de filmtitel. De inhoud van de kaartenbakken is in Exel gezet zodat ook een digitale ingang beschikbaar is.

In een depot bij het NFF bevinden zich nog, deels in originele deels in duplikaat-/kopievorm, de volgende documenten:

Dit beslaat ongeveer de periode 1956–1982.

3.2.2. Stichting Fonds voor de Nederlandse Film (FNF)

Aanleiding voor de oprichting was om verbetering aan te brengen in de financiering van korte films en van de lange 16 mm-films. Beide categorieën werden tot dan toe door het ministerie van WVC gesubsidieerd. De distributie werd gedaan door de Rijksvoorlichtingsdienst. Subsidiëring en distributie werden overgenomen door het FNF.

Dit fonds werd opgericht en de statuten vastgesteld d.d. 24 november 1983 door de minister van WVC. Volgens art. 2 van de statuten was het doel van de stichting: ‘het bevorderen van de totstandkoming en het gebruiksgereed maken van kunstzinnige films als bijdrage tot de Nederlandse filmcultuur’. Hiertoe verstrekte het fonds financiële bijdragen aan filmproducenten.

Verder stimuleerde het fonds een geschakeerde ontwikkeling van alle filmgenres en de promotie en distributie van films. Ook werd beleid ontwikkeld om te komen tot afspraken met zendgemachtigden over een cofinanciering of een jaarlijkse bijdrage à fonds perdu t.⁠b.⁠v. afzonderlijke filmprojecten.

De geldmiddelen van het fonds bestonden uit:

Het bestuur bestond uit zes leden, benoemd door de minister van WVC. Het bestuur besliste over de verlening van opdrachten en bijdragen na advies van één of meer adviescommissies, waarvan de leden door het bestuur werden benoemd.

Het bestuur diende jaarlijks een werkplan met begroting in bij de minister en legde jaarlijks rekening en verantwoording af aan de minister. Daarnaast deed het bestuur jaarlijks verslag van haar werkzaamheden en het gevoerde beleid. Via de Rijksbegroting werden middelen toegekend. M.i.v. 1988 voerde de minister het instrument in van een meerjaren-Kunstenplan. Hierin werden, voor elk terrein van de kunst, de beleidsvoornemens, activiteiten en middelen opgenomen voor een meerjaarlijkse periode.

De Fondsraad adviseerde het bestuur over het te voeren beleid.

De raad bestond uit zestien leden benoemd door het bestuur.

De samenstelling van de raad was als volgt:

Voor de afstemming tussen PNF en FNF werd een Overlegcommissie ingesteld. Deze had tot belangrijkste taak om te beoordelen bij welk fonds een project thuishoorde.

In 1993 fuseerde het FNF met het PNF waardoor de Stichting NFF ontstond. Het Fonds was gevestigd te Amsterdam.

Het archief was moeilijk te traceren en lijkt incompleet. In Overveen liggen de films opgeslagen. Het papieren archief is verdeeld over een depot in Amsterdam bij het NFF, een depot aan het 24-oktoberplein in Utrecht en een deel bevindt zich in depot bij het Informatiecentrum van het Filmmuseum te Amsterdam.

In het depot bij het NFF bevinden zich, over de periode ca. 1983–1992, de volgende documenten:

3.2.3. Stichting Nederlands Fonds voor de Film (NFF)

Na jaren van versnippering over diverse fondsen is de uitvoering van het Nederlandse filmbeleid in 1993 samengebracht in de Stichting NFF. Dit gebeurde door een fusie tussen het PNF en het FNF. In 1993 werd de Fondsenwet Scheppende Kunsten 1981 vervangen door de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid 1993. Op grond van art. 9 van deze wet werd de minister gemachtigd tot de oprichting van privaatrechtelijke rechtspersonen of het brengen van bestaande fondsen, waaronder het NFF, onder de werking van deze wet.

Volgens het beleidsplan kent het fonds drie functies:

De oorspronkelijke statuten zijn gepasseerd en geregistreerd op 27 mei 1993.

De statuten zijn in 1996 geheel herzien en gepasseerd en geregistreerd op 15 november 1996.

Zetel: Amsterdam

Doel:

Realisatie doelen d.m.v.:

Duur: opgericht voor onbepaalde tijd.

Geldmiddelen:

De stichting kent de volgende organen:

Het bestuur bestaat uit tenminste 3 en ten hoogste zeven leden die door de minister van OC&W worden benoemd. In het bestuur moet generieke deskundigheid op het terrein van de filmwereld vertegenwoordigd zijn. Tevens moet in het bestuur deskundigheid aanwezig zijn op juridisch gebied, op het gebied van de filmindustrie en op het gebied van de internationale infrastructuur, voor zover relevant voor de filmsector.

Het bestuur beslist over het verlenen van financiële steun met inachtneming van het door het bestuur vastgestelde reglement. Het bestuur betrekt het advies van het Adviescollege of de Intendant bij zijn beslissingen omtrent subsidiëring.

Verder stelt het bestuur reglementen vast waarin de werkwijze, de procedures en de criteria worden vastgelegd die het bestuur moet hanteren bij het beslissen op subsidieaanvragen. Deze reglementen moeten door de minister van OC&W worden goedgekeurd.

Het bestuur legt rekening en verantwoording af aan de minister van OC&W.

Dit college adviseert het bestuur, gevraagd en ongevraagd, over de hoofdlijnen of specifieke deelgebieden van het beleid. Verder adviseert ze het bestuur m.b.t. de aanvragen om een bijdrage t.b.v. filmprojecten. Voor specifieke expertise kunnen specialisten op ad hoc-basis bij de advisering worden betrokken.

De leden van het college worden benoemd door het bestuur. Zij dienen een brede kennis op het terrein van de film te hebben.

Deze functionaris adviseert het bestuur m.b.t. ingediende aanvragen om een financiële bijdrage in de categorie ‘commerciële film’. Verder adviseert de Intendant het bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over de hoofdlijnen of specifieke deelgebieden van het beleid aangaande voornoemde filmcategorie.

De intendant is verantwoordelijk voor het stimuleren en begeleiden van de ontwikkeling en het productierijp maken van commerciële speelfilmscenario’s. De Intendant begeleidt de ontwikkeling tot de fase waarin het productierijpe project voor financiering kan worden aangeboden. De Intendant heeft een grote mate van beoordelingsvrijheid. De Intendant heeft direct contact met de aanvragers en functioneert als sparringpartner. De Intendant voert een pro-actief beleid, d.w.z. dat hij zelf scenarioschrijvers en regisseurs kan uitnodigen om een aanvraag in te dienen.

De directeur geeft leiding aan het Fondsbureau.

Het Fondsbureau voert de dagelijkse werkzaamheden uit t.b.v. het bestuur.

Het personeel wordt benoemd door het bestuur. Het bestuur vraagt advies aan de minister van OC&W over de benoeming van de directeur.

De minister heeft d.m.v. de Cultuurnota-procedure zeggenschap over het beleid en het instrumentarium van het Fonds. In de Cultuurnota van de minister wordt voor een periode van vier jaar het beleid en de financiering daarvan vastgelegd. Aan de hand van deze Cultuurnota moet het NFF een beleidsplan indienen en op basis van dit plan wordt vervolgens subsidie toegekend.

Verder heeft de rol van de minister vooral betrekking op het benoemen en ontslaan van bestuursleden, het goedkeuren van regelingen en de eventuele ontbinding van de stichting.

Met beslissingen t.a.v. de individuele subsidie-uitkeringen van het Fonds bemoeit de minister zich niet.

Het NFF vormt met HFP een personele unie. Volgens art. 2 lid c van de statuten fungeert het NFF-bestuur ook als bestuur van HFP. Verder verlenen NFF-secretariaat en -directie bijstand aan HFP.

Zoals de naam al aangeeft verzorgt HFP promotionele activiteiten in binnen- en buitenland. Aangezien deze activiteiten partijen niet in rechte binden en er ook geen bezwaar en beroep mogelijk is tegen de bestuursbesluiten vallen de handelingen van HFP niet onder de Archiefwet 1995.

Dit is een samenwerkingsverband met de NOS en het Stimuleringsfonds t.b.v. de productie van TV-films en bioscoopfilms.

Dit is het Stimuleringsfonds voor Nederlandse Culturele Omroepproducties.

Dit is een organisatie t.b.v. de ondersteuning en stimulering van Europese coproducties. Het NFF neemt hierin (vermoedelijk) deel.

Financiers kunnen, via Fine B.V., tegen aantrekkelijke voorwaarden investeren in filmproducties.

Doel is om coproducties te bevorderen en daarvoor bijdragen beschikbaar te stellen. Het NFF neemt hier direct of indirect in deel of heeft hierin een doorverwijsfunctie.

Het archief dient, na ontbinding van het Fonds, gedurende tien jaar in bewaring te worden gegeven bij een nader door de minister aan te wijzen instantie.

Bronnen:

4. Verantwoording

4.1. Relatie met het beleidsterrein Kunsten

In het kader van PIVOT zijn in het RIO nr. 71 d.d. 1999 ‘Volgens de regelen der kunst, een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein ‘Kunsten’, 1965–1999’ alle handelingen beschreven van het beleidsterrein ‘Kunsten’ met als voornaamste actor de minister van Cultuur. Ook de geschiedenis van het filmbeleid en de handelingen m.b.t. de filmkunst zijn hierin beschreven. Verder is hierin de context beschreven waarbinnen de handelingen werden vastgesteld en uitgevoerd.

Aansluitend zijn in het BSD ‘Kunsten’ de handelingen gewaardeerd aan de hand van de PIVOT-selectiecriteria en is een verantwoording gegeven van de selectiedoelstelling.

4.2. Onderzoek, beschrijving en waardering

Aanvullend op het RIO nr. 71 is nieuw institutioneel onderzoek verricht dat samen met het oorspronkelijke onderzoek in dit BSD is opgenomen. Aansluitend op het laatste volgnummer in RIO nr. 71, nummer 208, zijn de hieruit voortvloeiende nieuwe handelingen genummerd van 209 t/m 259 en opgenomen in dit BSD.

In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden kan worden uitgevoerd. Onder deze archiefbescheiden worden zowel de papieren als de digitale bescheiden verstaan. Gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de AW 1995.

Tevens kan dit BSD desgewenst betrokken worden bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening. Voordeel hiervan is dat vernietiging en overbrenging van informatie dan direct gekoppeld is aan de informatiehuishouding.

Het aanvullend institutioneel onderzoek heeft vele nieuwe handelingen opgeleverd

die in dit BSD beschreven zijn. Sommige nieuwe handelingen vormen een aanvulling op die welke reeds in het RIO nr. 71 zijn beschreven. Dit omdat deze een te algemeen karakter hebben.

Voor zover het mogelijk was om de handelingen van het PNF en het FNF te reconstrueren zijn deze beschreven. Door het ontbreken van bepaalde bronnen fungeert de beschrijving van de handelingen van het NFF als referentiekader voor het PNF en het FNF.

4.3. Doel, functies en werking BSD

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.