Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Type Archiefselectielijst
Publication 2004-10-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument voor het beleidsterrein cultuurbeheer in de periode 1945–2000

Vastgestelde versie: juni 2004

Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer

Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de archieven.

Het culturele erfgoed valt te onderscheiden in:

Het beleid van de overheid ten aanzien van deze collecties is verschillend. Zo is de overheid direct betrokken bij het beheer van de Collectie Nederland. De culturele voorwerpen van het Rijk werden, voor zover niet ingeschreven in de inventaris van de rijksmusea, voorheen beheerd door de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) hetgeen is overgenomen door het Instituut Collectie Nederland (ICN). De voormalige rijksmusea vielen voorheen onder de overheid maar zijn in 1995 verzelfstandigd en tot stichtingen omgevormd. Hierdoor zijn ze met name betreffende de bedrijfsvoering zelfstandig geworden. De financiering van deze stichtingen is echter nog steeds (grotendeels) in handen van de overheid en hun collecties zijn staatsbezit. De overheid is bij de particuliere musea en instellingen veel minder direct betrokken. De financiering gaat (deels) via de Mondriaan Stichting (die weer geld van de overheid krijgt) en verder bemoeit de overheid zich niet met deze instellingen.

Behalve het onderscheid tussen de bovengenoemde categorieën collecties kan er ook een onderscheid gemaakt worden tussen het cultuurbeheer op nationaal en internationaal niveau. Het nationale beleid van de overheid inzake het cultuurbeheer is begonnen als een reactie op de kunstroven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om geroofde stukken gemakkelijker terug te kunnen brengen, werden er internationale afspraken gemaakt, die niet binnen de afbakening van dit onderzoek vallen. De enige naoorlogse regelgeving in Nederland op het gebied van cultuurbeheer bestond uit het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977.1Het Deviezenbesluit 1945 (Stb. 1945/F 222) en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977 (Stcrt. 1977/95) worden in het RIO betreffende deviezenverkeer behandeld. Hierin werd bepaald dat de export van schilderijen met een waarde boven f 20.000 en alle overige kunstschatten met een waarde boven f 80.000 alleen was toegestaan met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Cultuur. De controle hierop was in handen van de ambtenaar der invoerrechten en accijnzen.2M. Mooij-van de Willigen, Wet tot behoud van cultuurbezit. Wet van 1 februari 1984, Stb. 49, houdende vaststelling van de Wet tot behoud van cultuurbezit met aantekeningen, aan de parlementaire stukken ontleend, alfabetisch register en bijlagen. Nederlandse Staatswetten: editie Schuurman & Jordens; 52A (Zwolle 1996), Xff. Toen in 1980 de Wet inzake de financiële betrekkingen met het buitenland werd ingevoerd zijn deze beide besluiten vervallen.3Wet van 28 mei 1980 (Stb. 1980/321). De lacune die hierdoor is ontstaan is door de Wet tot behoud van cultuurbezit (Stb. 1984/49) opgevuld. Deze wet bevat maatregelen die moeten voorkomen dat voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis verloren gaan voor het Nederlandse cultuurbezit. Het gaat hierbij om voorwerpen in bezit van particuliere instellingen en private rechtspersonen. Voorwerpen uit de verzelfstandigde rijksmuseale collecties en voorwerpen in bezit van musea van lagere overheden vallen niet onder deze wet. Deze zijn immers eigendom van de overheid.

Bij de Wet tot behoud van cultuurbezit wordt uitgegaan van een lijst van beschermde cultuurgoederen. 4Er wordt in de diverse wetten en regelgevingen verschillende termen gehanteerd zoals (kunst)voorwerpen, (beschermd) cultuurgoed en beschermde (culturele) voorwerpen. In dit rapport wordt de term die momenteel gehanteerd wordt gebruikt: namelijk beschermd(e) cultuurgoed (eren). Culturele voorwerpen op deze lijst mogen het land niet uit opdat ze voor het Nederlandse erfgoed behouden blijven. Alleen met een vergunning van de overheid kunnen deze tijdelijk naar het buitenland worden gebracht. Voor de eigenaar van beschermde cultuurgoederen betekent plaatsing op de lijst aan de ene kant een beperking van vrijheid van handelen, maar aan de andere kant officiële erkenning van het culturele belang van zijn bezit en grotere kans op teruggave bij diefstal. De wet zal de sterk toegenomen aantallen diefstallen niet kunnen voorkomen, maar de meldingsplicht en de beschrijving die erin zijn voorzien vergemakkelijkt de opsporing van het gestolen voorwerp.

De basis voor het internationale beleid vormt de op 15 maart 1993 ingevoerde richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74). De daarmee samenhangende verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395) is op 30 maart in werking getreden. Deze regels zijn complementair. De verordening beoogt de uitvoer van bepaalde categorieën cultuurgoederen buiten de EU te controleren door middel van een systeem van uitvoervergunningen. De richtlijn regelt de teruggave van goederen die onrechtmatig buiten een Lidstaat zijn gebracht. Met behulp van deze regelingen zijn cultuurgoederen, die onder de Wet tot behoud van cultuurbezit vallen en het grondgebied van Nederland hebben verlaten, op betrekkelijk eenvoudige wijze terug te vorderen. Het voorgeschreven teruggavesysteem geldt uitsluitend tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU).

Om de achterstanden in collectiebeheer en -behoud bij musea en rijksarchieven in te lopen initieerde het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1990 het Deltaplan voor het Cultuurbehoud. Dit had een looptijd van 10 jaar.

Naast het behoud van het cultuurbezit in Nederland is er in de loop van de jaren negentig nog een andere kwestie bijgekomen, namelijk die van selectie. De depots van de archieven en de (rijks)⁠musea zijn vol, waardoor selectie van de collecties noodzakelijk is geworden. De selectie van de overheidsarchieven heeft zijn vorm gekregen in het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT), dat in 1991 van start ging.

Over hoe selectie van de (rijks)⁠museale collecties vorm moet krijgen wordt nog steeds nagedacht en gediscussieerd. Pogingen om te ‘ontzamelen’ of te ‘vervreemden’ van (rijks)museale werken heeft veel weerstand opgeroepen. Een belangrijke kwestie hierbij is het doel waarmee stukken worden afgestoten. Gebleken is dat er werken in de ‘verkoop’ zijn gedaan om met de opbrengst ervan het (rijks)museum op te knappen en niet om een collectie zelf te verbeteren. Een ander probleem is het selectieproces zelf. Een kleine groep bepaalt wat er afgestoten wordt, zij het altijd met de toestemming van de (rijks)⁠museumdirecteur. Deze is namelijk door de Minister van Cultuur gemachtigd te bepalen wat wel en niet in de verkoop mag. Het ICN heeft hiervoor in 1999 een leiddraad opgesteld. Daarnaast heeft de International Council of Museums (ICOM) al in 1987 een (meer algemene) gedragslijn voor museale beroepsethiek ontwikkeld die ook in Nederland gevolgd wordt en waarvan in 1991 een Nederlandse vertaling is verschenen (door de Nederlandse Museumsvereniging NVM).

Actoren op het beleidsterrein cultuurbeheer

De Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen adviseert de Minister van Financiën omtrent verzoeken voor kwijtschelding van successierechten indien kunstvoorwerpen worden overgedragen aan de Staat. Deze verzoeken worden door een (rijks)museale instelling ingediend.

De commissie is per 1 januari 1997 ingesteld op basis van Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 en valt onder de Minister van Financiën. De commissie is gevestigd te Den Haag. Zij bestaat uit 3 leden, waarvan één de voorzitter is. Deze leden worden bij Kb benoemd en worden voorgedragen door de Minister van Financiën en de Minister van Cultuur. De vergaderingen van de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen worden bijgewoond door het hoofd van het ICN, die een raadgevende stem heeft.

De taak van deze commissie (1985–1996) was het adviseren van de Minister van Cultuur bij het beslissen over de toekenning van de subsidie aan een (rijks)museale instelling voor de aankoop van een kunstwerk. Haar taak werd geregeld in de Tijdelijke aankoopsubsidieregeling moderne beeldende kunst ten behoeve van musea (Stb. 1985/104) en de Tijdelijke aankoopsubsidieregeling moderne beeldende kunst ten behoeve van kunstmusea (Stb. 1989/141). Zij was gevestigd in Den Haag.

In 1997 werd de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit ingesteld op basis van de Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378). Deze commissie had als taak het aanbevelen van mogelijke bijstellingen van de Wet tot behoud van cultuurbezit. Zij voerde haar taak uit op basis van een evaluatie van de werking van de Wet tot behoud van cultuurbezit en op basis van verkenningen binnen de sector van het cultureel erfgoed. Hoewel de Raad voor Cultuur het adviescollege voor het cultuurbeleid is, is destijds besloten de evaluatie en herziening van Wet tot behoud van cultuurbezit door een onafhankelijke commissie te laten doen, omdat de Raad voor cultuur ook onder deze wet valt en hij zich anders zelf zou moeten beoordelen.

De adviestaak van de commissie was eenmalig en tijdelijk. Haar eindrapport zou voor 1 juli 1998 aan de Minister van Cultuur moeten worden uitgebracht. In 1998 werd deze datum verlengd tot 1 januari 1999. Daarna is de commissie opgeheven en zijn de archiefbescheiden overgebracht naar het Ministerie waaronder het cultuurbeheer valt.5Inmiddels heeft de Staatssecretaris op 19 juli 2000 een brief ‘Evaluatie van de Wet tot behoud van cultuurbezit’ aan de Tweede Kamer gestuurd. Deze commissie was gevestigd in Amsterdam.

De Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten verplichtte het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds tot overdracht van een deel van het vermogen aan aan de instelling die de taken van het ABP overnam. De overdrachtssom werd bepaald op grond van de aanspraken op ouderdomspensioen die ten behoeve van de personeelsleden waren opgebouwd.

Aan het hoofd van de Rijksarchiefdienst (RAD) staat de algemene rijksarchivaris. Deze dienst heeft als taken:

Met de invoering van de Archiefwet 1962 in 1968 werd de Archiefraad ingesteld. Deze had als taken:

In 1990 ging de Archiefraad op in de Raad voor het Cultuurbeheer, later de raad voor Cultuur. De raad was gevestigd te Den Haag.

De Arrondissementsbank Den Haag speelt een rol bij alle geschillen inzake voorwerpen die onder de Wet tot behoud cultuurbezit vallen. Hiervoor wordt advies ingewonnen van deskundigen.

In dit onderzoek worden hiermee de algemene rijksarchivaris (als beheerder van de algemene rijksarchiefbewaarplaats) en de rijksarchivarissen in de provincie bedoeld. De beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats zorgt ervoor dat de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat gebracht en bewaard worden en stelt ze beschikbaar aan onderzoekers. De Minister van Cultuur draagt als zorgdrager de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor de rijksarchieven.

Bij de instelling van de Raad voor cultuur verzocht de Minister van Cultuur de benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur hem eenmalig te adviseren over de omvang en de samenstelling van de Raad voor cultuur of van commissies van de Raad voor cultuur. Daarna is deze adviestaak overgenomen door de Raad voor cultuur voor de periode 1995 tot 1997. Per 20 november 1996 is de benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur wederom ingesteld met als taak het adviseren van de Minister van Cultuur over de omvang en de samenstelling van de Raad voor cultuur en zijn commissies. De commissie is gevestigd in Den Haag.

Deze in 1993 ingestelde commissie adviseerde de Minister van Cultuur inzake bezwaren tegen de verzelfstandiging van de rijksmusea.

Op grond van het Tijdelijk examenreglement archivistiek (1996) was dit college bevoegd te beslissen op het beroep van een afgewezen kandidaat tegen het besluit van de examencommissie.

Op basis van de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34) zou een commissie worden ingesteld die de Minister van Cultuur zou moeten adviseren over de normen die in acht genomen moesten worden bij de aanwijzing van objecten van (bijzondere) culturele waarde. Daarnaast zou deze commissie de Minister van Cultuur en het hoofd van de RBK adviseren over andere zaken inzake objecten van culturele waarde. Deze commissie heeft echter nooit gefunctioneerd.8Uit: interview met het Hoofd van de Inspectie Cultuurbezit, mevr. Ch. E. Rappart-Boon, d.d. 13 juni 2000.

De Commissie Nota Archiefbeleid werd in 1976 ingesteld door de Directeur-Generaal voor Culturele Zaken van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De opdracht aan de commissie luidde: een nota samen te stellen voor het toekomstig beleid van de rijksoverheid ten aanzien van het archiefwezen, die zou kunnen resulteren in een principiële herziening van de Archiefwet 1962 en het Archiefbesluit. De commissie stelde tal van subcommissies in voor deelstudies. Het werk van de commissie resulteerde in 1982 tenslotte in de Discussienota Archiefbeleid.

De RBK werd bijgestaan door de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst. Deze commissie werd op basis van de Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/91) in 1984 ingesteld om:

In 1997 is de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst opgeheven. De commissie was gevestigd in Den Haag.

Deze in 1999 ingestelde commissie adviseert de Raad voor Cultuur inzake bezwaar- en klaagschriften.

De Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen werd in 1949 ingesteld en ressorteerde onder de Minister van Cultuur. De Commissie stelde richtlijnen voor het in bruikleen geven van verspreide kunstvoorwerpen in bezit van het Rijk vast. Daarnaast bepaalde de commissie welke voorwerpen van het Rijk kunstvoorwerpen waren. Met de instelling van de RBK werd de Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1985 opgeheven.

De Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen werd op basis van het Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1949 ingesteld en ressorteerde onder de Minister van Cultuur. De leiding van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen was opgedragen aan de Rijksinspecteur voor roerende monumenten. Met de instelling van de RBK werd de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1985 opgeheven.

De Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen inventariseerde alle aan het Rijk toebehorende kunstvoorwerpen, die niet in de inventaris van een (rijks)museale instelling waren ingeschreven. Daarnaast gaf de dienst deze voorwerpen in bruikleen en hield zij toezicht op deze voorwerpen. Hieronder vielen ook de voorwerpen die langer dan een jaar in bruikleen waren gegeven en in de inventaris van een rijksmuseale instelling waren ingeschreven.

De Directeur van het Kabinet der Koningin is een zorgdrager in de zin van de Archiefwet. Anders dan voor andere zorgdragers (behalve de Hoge Colleges van Staat) worden de selectielijsten voor het Kabinet der Koningin niet bij ministerieel, maar bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit geschiedt op voordracht van de Minister van Cultuur, in overleg met de directeur van het Kabinet der Koningin.

De examencommissie was op grond van het Tijdelijk examenreglement archivistiek (1996) belast met het afnemen van examens archivistiek A en B.

De Hoge Colleges van Staat zijn zorgdragers in de zin van de Archiefwet. Anders dan voor andere zorgdragers (behalve de directeur van het Kabinet der Koningin) worden de selectielijsten voor het Kabinet der Koningin niet bij ministerieel, maar bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit geschiedt op voordracht van de Minister van Cultuur, in overleg met de betrokken colleges.

De Rijksarchiefinspectie (RAI) bestaat in de huidige vorm sinds 1 september 1997, als onderdeel van de Rijksarchiefdienst. In mei 2000 kreeg de Rijksarchiefinspectie een eigen hoofdinspecteur. De bevoegdheid tot het uitoefenen van toezicht werd door de Algemene Rijksarchivaris aan de hoofdinspecteur gemandateerd. In maart 2001 werd de Rijksarchiefinspectie bij wijziging van de Archiefwet (Stb. 2001, 131) formeel verzelfstandigd, en direct onder de SG van OCW geplaatst.

De Inspectie Cultuurbezit bestaat sinds 1993. Zij is begonnen als een afdeling van de RBK. In 1996 is zij organisatorisch van de RBK losgekoppeld en overgeheveld naar de departementale organisatie. Bij alle taken staat het behoud en de bescherming van het roerend cultureel erfgoed centraal. Zij is gevestigd te Den Haag.

De hoofdtaak van de Inspectie Cultuurbezit is toezicht houden op het behoud en beheer van een groot deel van het Nederlandse roerende cultuurbezit. Daarbij moet met name gedacht worden aan de collecties van de (verzelfstandigde rijks)musea en bepaalde waardevolle kerkelijke en andere particuliere kunstbezittingen in bezit van private rechtspersonen. Haar toezichtstaak bestaat uit:

Voor deze taak legt de Inspectie Cultuurbezit rechtstreeks verantwoording af aan de voor cultuur verantwoordelijke bewindspersoon. Naast deze toezichtstaken voert de Inspectie Cultuurbezit de volgende activiteiten uit:

Het Instituut Collectie Nederland (ICN) is tot stand gekomen in 1997 als een fusie van de RBK, het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap en de Opleiding Restauratoren. Niet alle taken van de RBK zijn door het ICN overgenomen. De inspectietaak van de RBK is namelijk in 1996 overdragen aan de Inspectie Cultuurbezit. De andere taken zoals collectiebeheer, collectiemobiliteit en advies zijn naar het ICN gegaan.

Het ICN heeft hiermee de volgende taken:10Deze informatie is afkomstig van de website van het ICN, URL: www.icn.nl/nederlands. Deze is geraadpleegd op 11 mei 2000 en de Kamerstukken II 1995/1996, 24 247, nr. 5.

Alle activiteiten van het ICN staan in het teken van het ondersteunen van de beheerders van cultureel erfgoed. Het ICN formuleert zijn taken in de volgende doelstelling: ‘Het Instituut Collectie Nederland is het centrale kennisinstituut voor collectiebehoud in Nederland. Het biedt aan alle verantwoordelijken voor openbaar en waardevol cultureel erfgoed op toepassing gerichte kennis en diensten aan, om de kwaliteit en effectiviteit van het materiële behoud en beheer van de Collectie Nederland te bevorderen… het Instituut Collectie Nederland: kennis voor beter beheer en behoud.’ 12ICN, Kennis voor beter beheer en behoud. Beleidsplan 1997-2000 (Amsterdam 1997), p. 10. Het ICN is hiermee met name een kennisinstituut.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.