Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)
Artikel 2.28
Vervallen
Afdeling 5. Experimenten
Artikel 2.29
Vervallen
Artikel 2.30
Vervallen
Artikel 2.31
Vervallen
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 3. Oudercommissie
Artikel 3.1
De inschrijvingen van de voorzieningen, bedoeld in artikel 1.48, eerste en tweede lid, die op 1 januari 2014 in het register buitenlandse kinderopvang staan opgenomen vervallen van rechtswege met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 3.2
Onze Minister verwerkt de gegevens van de personen die op basis van de artikelen 9a en 9b van het Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang onder de continue screening vallen vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 1.48d tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip in het personenregister kinderopvang. Deze personen kunnen bij hun inschrijving gebruik maken van hun bestaande verklaring omtrent het gedrag.
Bij de personen, bedoeld in het eerste lid, en bij de overige personen die op grond van de artikelen 1.50, derde lid, 1.56, derde lid en 1.56b, derde lid, in het bezit dienen te zijn van een verklaring omtrent het gedrag, worden in verband met de verwerking van hun gegevens in het personenregister kinderopvang tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip geen kosten in rekening gebracht.
Artikel 3.4
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.6, zevende lid, 1.7, tweede tot en met vierde lid, 1.8, 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, 1.56b, tweede lid, en 1.87 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 3.5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de in hoofdstuk 1 van deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 3.6
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang.
Artikel 3.7
Afdeling 2 van hoofdstuk 1 en artikel 1.86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h en i, die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de artikelen 74 van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a, 34 tot en met 37, 45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
Artikel 3.8
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 3.9
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/253.
De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders wordt ingetrokken.
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Artikel 3.10
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.
De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
Artikel 3.11
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.6, zevende lid, 1.7, tweede tot en met vierde lid, 1.8, 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, 1.87, en 2.29 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 3.12
Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag uit over de werking ervan.
Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de genoemde wet.
Artikel 3.13
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de in hoofdstuk 1 van deze wet geregelde onderwerpen regels worden gesteld voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 3.14
Vervallen door vernummering.
Artikel 3.15
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.6a
Vervallen
Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen
Paragraaf 7. Overige bepalingen
Afdeling 3. Kwaliteit kindercentrum, voorziening voor gastouderopvang en gastouderbureau
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Paragraaf 2. Eisen
Afdeling 4. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Afdeling 4. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 6. Experimenten
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Paragraaf 2. Eisen
Afdeling 3. Handhaving
Afdeling 5. Experimenten
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Paragraaf 2a. Geschillen
Artikel 3.14a
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
De artikelen 1, onder b, 3°, 2, negende lid, tweede volzin, 2a, tweede lid, en 3c, van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.8a
Voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 blijft deze wet, zoals die luidde op 31 december van dat berekeningsjaar, van toepassing op de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.8b
Het college blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
Het college dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.22, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
In een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid, blijft het college partij en staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
Artikel 3.8c
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen blijft bevoegd een beslissing te nemen op een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.29, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013, voor zover nog niet onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat een besluit in verband met een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.29, zoals dat luidde op 31 december 2012, voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
In een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit als bedoeld in het tweede lid, blijft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen partij en staat hoger beroep in verband met deze besluiten open.
Artikel 3.8d
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Ra en Rb, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 1.50, derde lid, werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum respectievelijk van een gastouderbureau voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
Artikel 3.8e
Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ub, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 2. Eisen
Afdeling 3. Handhaving
Afdeling 5. Experimenten
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Paragraaf 2a. Geschillen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 2. Kinderopvangtoeslag
Artikel 1.3
De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Dienst Toeslagen.
Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing met uitzondering van artikel 5 van die wet op wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat:
- a. in afwijking van artikel 4, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een kind voor wie de pleegouder een vergoeding ontvangt op grond van de Jeugdwet, geacht wordt door die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden;
- b. in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, een ouder over de berekeningsjaren 2014 en volgende geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als bedoeld in de artikelen 1.5 en 1.5a over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden gelegen is voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Dienst Toeslagen.
Artikel 1.4
Met het oog op het toekennen van een kinderopvangtoeslag verstrekt de ouder, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, aan de Dienst Toeslagen het unieke nummer, bedoeld in artikel 1.47b, derde lid.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking.
Paragraaf 3. Financiële middelen tot dekking van kinderopvangtoeslag
Paragraaf 3. Financiële middelen tot dekking van kinderopvangtoeslag
Artikel 1.11
De kinderopvangtoeslag blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.
Artikel 1.12
Het college stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn partner dan wel het kind van de ouder een geïndiceerde persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel k of l, en in welke mate uit dien hoofde, voor zover andere voorzieningen geen passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de zin van deze wet noodzakelijk is.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij het college van de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Alvorens te besluiten, wint het college ten behoeve van de vaststelling van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld in het eerste lid advies in van een onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid.
Het besluit van het college vermeldt de geldigheidsduur van de indicatie.
Het college kan periodiek herindicatie verrichten van personen als bedoeld in het eerste lid. De herindicatie vindt plaats overeenkomstig het derde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
- a. nadere regels worden gesteld met betrekking tot de krachtens dit artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze van uitoefening daarvan;
- b. organisaties als bedoeld in het derde lid worden aangewezen, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld omtrent de door die organisaties te hanteren werkwijze.
Artikel 1.13
Het college kan aan een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l, een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
Artikel 1.51a
De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor het personeel of de gastouders een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
Artikel 1.51b
Indien de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau op enigerlei wijze bekend is geworden dat:
- a. een bij zijn onderneming werkzaam persoon; of
- b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt of een van de andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid;
zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een door Onze Minister aan te wijzen deskundige.
Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum of gastouderbureau onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt de houder de deskundige, bedoeld in het eerste lid, hiervan onverwijld in kennis.
Indien een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de onderneming van die houder werkzaam persoon, een gastouder of een persoon van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum of van dat gastouderbureau daarvan onverwijld in kennis.
Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is artikel 1.51c, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
Artikel 1.51c
Indien:
- a. een bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of gastouderbureau werkzaam persoon; of
- b. een gastouder die door tussenkomst van een gastouderbureau gastouderopvang biedt;
op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum of van een gastouderbureau zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene als bedoeld in onderdeel a of b in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 1.51b, eerste lid.
Indien moet worden geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij de onderneming van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, of de gastouder onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.
Artikel 1.54a
De houder van een gastouderbureau informeert de ouders van de kinderen die gebruik maken van gastouderopvang die door zijn tussenkomst plaats vindt en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
De houder van een gastouderbureau informeert over een inspectierapport als bedoeld in artikel 1.63, eerste lid, inzake zijn gastouderbureau of inzake een bij dat gastouderbureau aangesloten voorziening voor gastouderopvang:
- a. de ouders van de kinderen die door zijn tussenkomst gebruik maken van een voorziening voor gastouderopvang,
- b. de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert, en
- c. de gastouders die gastouderopvang aanbieden door zijn tussenkomst.
Het informeren als bedoeld in het tweede lid vindt plaats doordat de houder het inspectierapport zo spoedig mogelijk na ontvangst op zijn website plaatst zodanig dat het rapport voor de ouders, de personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het gastouderbureau exploiteert en de gastouders gemakkelijk vindbaar is, dan wel indien de houder geen eigen website heeft, ter inzage legt op een voor de ouders, de personen werkzaam bij de onderneming en de gastouders toegankelijke plaats.
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een gastouderbureau verplicht is beschikbaar te stellen aan een ouder.
Afdeling 4. Handhaving
Paragraaf 4. Ouderparticipatiecrèches
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 2a. Geschillen
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
Artikel 2.9a
Vervallen
Artikel 2.9b
Vervallen
Artikel 2.9c
Vervallen
Afdeling 3. Handhaving
Paragraaf 2. Eisen
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
Afdeling 4. Sancties
Afdeling 5. Experimenten
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
Paragraaf 4a. Vermelding handhaving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.8f
De inschrijvingen van de voorzieningen, bedoeld in artikel 1.48, eerste en tweede lid, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.48, zesde lid, in het register buitenlandse kinderopvang staan opgenomen vervallen van rechtswege vier jaar na dat tijdstip.
Artikel 3.8g
De houders, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1, de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de artikelen 1.50, derde lid, 1.56, derde lid, en 2.6, derde lid, en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid, die beschikken over een verklaring omtrent het gedrag:
- a. waarvan de datum van afgifte ligt voor 1 juli 2011 overleggen uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van het onderhavige artikel een nieuwe verklaring omtrent het gedrag die op het moment van overlegging niet ouder is dan twee maanden;
- b. waarvan de datum van afgifte ligt in de periode die loopt van 1 juli 2011 tot en met 28 februari 2013 overleggen uiterlijk twee jaar na de datum van afgifte van die verklaring een nieuwe verklaring omtrent het gedrag die op het moment van overlegging niet ouder is dan twee maanden.
De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt door:
- a. de houders, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 aan het college overgelegd;
- b. door de personen werkzaam bij een onderneming als bedoeld in de artikelen 1.50, derde lid, en 2.6, derde lid, en andere personen van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 1.56b, derde lid, aan de houder overgelegd.
Stagiaires, vrijwilligers, uitzendkrachten en ouders als bedoeld in artikel 1.57, eerste lid, die op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige artikel werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal exploiteert, beschikken zes maanden na deze datum over een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee jaar.
Een nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door de stagiair of de uitzendkracht aan die houder overgelegd bij wie hij op dat moment werkzaam is. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden. Bij iedere volgende houder ten behoeve waarvan de stagiair of de uitzendkracht in die periode van maximaal twee jaar werkzaam is, overlegt hij telkens de meest actuele verklaring omtrent het gedrag.
De nieuwe verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, wordt door een vrijwilliger of een ouder als bedoeld in artikel 1.57, eerste lid, overgelegd aan de houder. De verklaring is op het moment van overlegging niet ouder dan twee maanden.
Artikel 3.8h
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
Artikel 3.8h*
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
Artikel 3.8i
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
Paragraaf 4a. Vermelding handhaving
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.47b
Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een landelijk register kinderopvang ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van de kinderopvang alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het landelijk register kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
- a. de vorm van het register;
- b. de in het register op te nemen gegevens;
- c. de vastlegging in, de wijziging van en de verwijdering van gegevens uit het register;
- d. de verstrekking van gegevens;
- e. de openbaarheid van gegevens;
- f. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.
Een kindercentrum, een gastouderbureau en een voorziening voor gastouderopvang worden in het landelijk register kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer.
Indien een gastouderbureau uit het landelijk register kinderopvang wordt verwijderd, blijft een voorziening voor gastouderopvang die bij dat gastouderbureau is aangesloten gedurende een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn in het landelijk register kinderopvang ingeschreven.
Artikel 1.48b
Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register buitenlandse kinderopvang ten behoeve van de rechtszekerheid en de waarborging van de kwaliteit van voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste of tweede lid, alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens artikel 1.48 gestelde regels.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het register buitenlandse kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
- a. de vorm van het register;
- b. de in het register op te nemen gegevens en de duur van de inschrijving;
- c. de vastlegging in, de wijziging van en de verwijdering uit het register van de gegevens;
- d. de verstrekking van gegevens;
- e. de openbaarheid van gegevens;
- f. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.
Voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste en tweede lid, worden in het register buitenlandse kinderopvang ingeschreven onder een uniek nummer.
Artikel 1.48c
Vervallen
Paragraaf 2. Eisen
Afdeling 4. Handhaving
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
Paragraaf 3. Vermelding handhaving
Artikel 2.4b
Vervallen
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Paragraaf 3. Oudercommissie
Afdeling 3. Handhaving
Afdeling 4. Sancties
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 3.8h*
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.61a
Een door Onze Minister aan te wijzen instelling bevordert de kwaliteit en uniformiteit van de uitvoering van de taak door het college op grond van deze afdeling.
Bij beschikking van Onze Minister wordt een financiële vergoeding verstrekt aan de instelling, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Afdeling 6. Experimenten
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
Paragraaf 3. Vermelding handhaving
Artikel 2.19a
Vervallen
Paragraaf 3. Oudercommissie
Afdeling 4. Sancties
Afdeling 3. Handhaving
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 3.8j
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 3. Oudercommissie
Afdeling 3. Handhaving
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Paragraaf 2. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.48d
Onze Minister verwerkt gegevens in het personenregister kinderopvang om te waarborgen dat alle personen die op grond van deze wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken, continu worden gescreend waardoor wordt bijgedragen aan het vergroten van de veiligheid van de opgevangen kinderen.
Met het oog op het in het eerste lid genoemde doeleinde schrijven de personen, bedoeld in het eerste lid, zich in, in het personenregister kinderopvang.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau heeft toegang tot het personenregister kinderopvang voor het leggen van een koppeling met de in artikel 1.50, derde lid, genoemde personen, inclusief hemzelf. De houder van een gastouderbureau legt tevens een koppeling met de in artikel 1.56b, derde lid, bedoelde personen. Voor de koppeling gebruikt de houder het burgerservicenummer, zodat is gegarandeerd dat hij een koppeling legt met de personen die daadwerkelijk aan hem verbonden moeten zijn en om de persoonsgegevens van die personen in het personenregister kinderopvang te kunnen verifiëren.
Inschrijving in het personenregister kinderopvang eindigt:
- a. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient en zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven;
- b. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven en het college het besluit tot verwijdering van alle inschrijvingen van de ingeschrevene, bedoeld in artikel 1.47, heeft genomen;
- c. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven en niet meer op hetzelfde woonadres als een houder van de voorziening voor gastouderopvang – voor zover dit tevens de opvanglocatie is – zijn hoofdverblijf heeft of niet meer zijn hoofdverblijf heeft op het adres waar een kindercentrum is gevestigd;
- d. uiterlijk vier maanden nadat de ingeschrevene zonder koppeling als bedoeld in het derde lid in het personenregister kinderopvang is opgenomen;
- e. uiterlijk vier maanden na het verzoek tot het overleggen van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag vanwege de ontvangst van een melding van nieuwe gegevens in de justitiële documentatie of vanwege de omstandigheid, bedoeld in artikel 1.50, vijfde tot en met zevende lid, en artikel 1.56b, vierde en vijfde lid en de ingeschrevene geen nieuwe verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd;
- f. uiterlijk binnen twee weken na kennisgeving van het overlijden van de ingeschrevene.
Ingeval van beëindiging als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, kan de periode van vier maanden op verzoek van de ingeschrevene eenmaal worden verlengd voor de duur van negen maanden, tenzij er een nieuwe verklaring omtrent het gedrag is verlangd van de ingeschrevene.
Bij het inschrijven in het personenregister kinderopvang kunnen kosten in rekening worden gebracht bij degene die verzoekt om inschrijving. De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:
- a. de gegevens die in het personenregister kinderopvang worden opgenomen;
- b. de start van de continue screening kinderopvang;
- c. de wijze waarop de gegevens uit het personenregister kinderopvang worden verstrekt;
- d. het aanwijzen van een verwerker; en
- e. het verwijderen uit en bewaren van gegevens in het personenregister kinderopvang.
Artikel 1.57b
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft ten behoeve van ouders een regeling voor de afhandeling van klachten over:
- a. een gedraging jegens een ouder of een kind van de houder of van voor de houder of door zijn tussenkomst werkzame personen, en
- b. de overeenkomst tussen de houder en de ouder.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de houder van een kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk vastgelegd en voorziet er in ieder geval in dat:
- a. de ouder zijn klacht schriftelijk bij de houder indient;
- b. de houder de klacht zorgvuldig onderzoekt;
- c. de houder de ouder zoveel mogelijk op de hoogte houdt van de voortgang van de behandeling van de klacht;
- d. de klacht, rekening houdende met de aard ervan, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk zes weken na indiening bij de houder, wordt afgehandeld;
- e. de houder de ouder een schriftelijk en met redenen omkleed oordeel op de klacht verstrekt, en
- f. er in het oordeel een concrete termijn wordt gesteld waarbinnen eventuele maatregelen naar aanleiding van de klacht zullen zijn gerealiseerd.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de regeling, bedoeld in het eerste lid, alsmede wijzigingen daarvan, op passende wijze onder de aandacht van de ouders en handelt overeenkomstig deze regeling.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar in het eerstvolgende kalenderjaar een verslag wordt opgesteld waarin ten minste wordt opgenomen:
- a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid;
- b. de wijze waarop hij die regeling onder de aandacht van de ouders heeft gebracht;
- c. het aantal en de aard van de door hem behandelde klachten per locatie;
- d. de strekking van de oordelen en de aard van de getroffen maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, per locatie, en
- e. het aantal en de aard van de door de geschillencommissie, bedoeld in artikel 1.57c, eerste lid, behandelde geschillen.
Het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt in zodanige vorm opgesteld dat de oordelen niet tot natuurlijke personen herleidbaar zijn, tenzij het de houder betreft.
In het verslag, bedoeld in het vierde lid, worden niet opgenomen:
- a. het woonadres van een gastouder, voor zover op dat adres geen voorziening voor gastouderopvang is gevestigd, en
- b. het woonadres van de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, wanneer die houder een natuurlijk persoon is en voor zover het kindercentrum of gastouderbureau niet op dit adres gevestigd is.
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald vanaf welk kalenderjaar het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt opgesteld.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau zendt het verslag, bedoeld in het vierde lid, voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verslag betrekking heeft aan de toezichthouder, genoemd in artikel 1.61, eerste lid, en brengt het verslag gelijktijdig op passende wijze onder de aandacht van de ouders.
In afwijking van het vierde lid behoeft geen verslag te worden opgesteld indien er in het betreffende kalenderjaar geen klachten bij de houder zijn ingediend.
Artikel 1.57c
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau is aangesloten bij een door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen:
- a. tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en een ouder over een onderwerp als bedoeld in artikel 1.57b, eerste lid;
- b. tussen de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de oudercommissie over de toepassing en uitvoering van artikel 1.60 door de houder.
De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze onder de aandacht van de ouders.
De geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid, informeert het college dat een houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau is aangesloten of niet meer is aangesloten bij de geschillencommissie. Het college verwerkt de gegevens, bedoeld in de eerste zin, in het landelijk register kinderopvang.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voor de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en de ouder en de oudercommissie verbonden verplichtingen aan de geschillenbeslechting.
Bij beschikking van Onze Minister kan een financiële vergoeding worden verstrekt aan de geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1.57d
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de artikelen 1.57b en 1.57c en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Afdeling 4. Handhaving
Artikel 1.66a
De geschillencommissie verricht haar werkzaamheden op basis van een reglement dat ten minste waarborgt dat:
- a. aan de geschillencommissie een geschil kan worden voorgelegd door een ouder:
- 1°. die na de indiening van een klacht bij de houder van een kindercentrum of een gastouderbureau niet tijdig een oordeel heeft ontvangen als bedoeld in artikel 1.57b, tweede lid, onderdeel e;
- 2°. die een klacht in tweede aanleg wil laten beoordelen;
- 3°. voor wie behandeling van een klacht overeenkomstig een schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 1.57b, eerste lid, niet gewaarborgd is door het ontbreken van die regeling of doordat de regeling niet aan artikel 1.57b, tweede lid, voldoet, of
- 4°. van wie in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden een klacht bij de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau indient;
- b. de geschillencommissie bevoegd is over een geschil door middel van een bindend advies een uitspraak te doen;
- c. de geschillencommissie uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak doet;
- d. de geschillencommissie in afwijking van onderdeel c op kortere termijn na voorlegging van het geschil uitspraak doet in gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, is aangewezen;
- e. de geschillencommissie de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar maakt, zodanig dat deze niet tot natuurlijke- of rechtspersonen herleidbaar zijn, en
- f. de geschillencommissie uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter bestaat, en deze leden niet werkzaam zijn voor of bij de houder op wie het geschil betrekking heeft noch anderszins in directe relatie tot de betreffende ouder of houder staan.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot geschillenbeslechting door de geschillencommissie en het reglement, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1.66b
Indien de oudercommissie een geschil met de houder over de toepassing en de uitvoering van artikel 1.60 door de houder aan de geschillencommissie voorlegt, toetst de geschillencommissie uitsluitend of de houder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft gehandeld.
Indien de geschillencommissie de oudercommissie in het gelijk stelt, kan zij in haar uitspraak tevens bepalen dat:
- a. de houder zijn besluit geheel of ten dele intrekt;
- b. een of meer gevolgen van dat besluit ongedaan worden gemaakt.
Indien de houder gebruik maakt van de in artikel 1.58, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid kan, indien deze vorm zich daarvoor leent, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat deze vorm voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 1.57c gelijk wordt gesteld met een oudercommissie. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden.
Indien gebruik is gemaakt van de in artikel 1.58, tweede en derde lid, geboden alternatieve vorm van ouderbetrokkenheid, maar deze vorm zich niet leent voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 1.57c, kan in plaats daarvan een ouder een geschil over de toepassing en uitvoering van artikel 1.60 aan de geschillencommissie voorleggen en zijn het eerste en tweede lid en artikel 1.57c zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 2b. Informatieverstrekking aan de GGD
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges van burgemeester en wethouders
Paragraaf 3. Vermelding handhaving
Artikel 1.81
Indien het college de houder in het kader van het toezicht op de naleving van de verplichtingen op basis van dit hoofdstuk:
- a. een sanctie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht oplegt;
- b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 1.65 geeft,
- c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 1.66 oplegt; of
- d. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72 oplegt;
wordt daarover een vermelding opgenomen in het landelijk register kinderopvang zodra dit besluit onherroepelijk is.
De vermelding, bedoeld in het eerste lid, betreft het karakter van de sanctie of van de maatregel, alsmede een beschrijving van de verplichting die niet is nagekomen.
Op verzoek verstrekt het college een afschrift van het besluit, bedoeld in het eerste lid, waarin de tot natuurlijke personen herleidbare gegevens, geanonimiseerd worden, met uitzondering van het woonadres van de houder wanneer opvang plaats vindt op dat woonadres.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Afdeling 6. Experimenten
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 6. Experimenten
Afdeling 6. Experimenten
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Artikel 2.13a
Vervallen
Artikel 2.13b
Vervallen
Artikel 2.13c
Vervallen
Paragraaf 3. Oudercommissie
Artikel 2.24a
Vervallen
Artikel 2.24b
Vervallen
Afdeling 4. Sancties
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
Artikel 2.28a
Vervallen
Afdeling 4. Sancties
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 3.8k
Artikel 1.57b zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen, blijft van toepassing op de behandeling van klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van die wet zijn ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 1.57b, tweede lid.
Artikel 1.81 inzake de vermelding van sancties en maatregelen in het register kinderopvang is alleen van toepassing op sancties en maatregelen die na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen zijn opgelegd.
Artikel 2.13a zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen, blijft van toepassing op de behandeling van klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van die wet zijn ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 2.13a, tweede lid.
Artikel 2.28a inzake de vermelding van sancties en maatregelen in het register kinderopvang is alleen van toepassing op sancties en maatregelen die na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Z, van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen zijn opgelegd.
Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 2. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.57e
Bij regeling van Onze Minister kunnen kindercentra, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang tijdelijk worden vrijgesteld van een of meer artikelen van deze paragraaf, indien naleving van die artikelen redelijkerwijs niet gevergd kan worden vanwege bijzondere omstandigheden die verband houden met de bestrijding van de epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A1 of een directe dreiging daarvan als bedoeld in de Wet publieke gezondheid. Aan de vrijstelling kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Een vrijstelling geldt voor de duur van ten hoogste drie maanden en kan telkens voor ten hoogste drie maanden bij regeling van Onze Minister worden verlengd.
Afdeling 4. Handhaving
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Afdeling 5. Opsporing en sancties
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges van burgemeester en wethouders
Paragraaf 3. Vermelding handhaving
Afdeling 6. Experimenten
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 6. Experimenten
Afdeling 6. Experimenten
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Afdeling 3. Handhaving
Paragraaf 3. Oudercommissie
Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
Afdeling 4. Sancties
Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges
Afdeling 4. Sancties
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 4a. Vermelding handhaving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.2b
Artikel 1.6, tweede en derde lid, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen C en D, van de Wet van 2 december 2020 tot wijziging van de Wet Kinderopvang in verband met enkele wijzigingen met betrekking tot het recht op kinderopvangtoeslag (Stb. 2020, 518) blijft tot een jaar na dat tijdstip van toepassing, indien de ouder:
- a. op de dag voor dat tijdstip aanspraak had op kinderopvangtoeslag, en
- b. hij of zijn partner op dat tijdstip arbeid verrichtte, niet zijnde tegenwoordige arbeid waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten dan wel inkomen dat hiermee gelijkgesteld wordt op grond van artikel 1.6, vierde lid.
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 1.60b
Voor de ouderparticipatiecrèche geldt een aanloopperiode van 1 jaar en 3 maanden. De aanloopperiode vangt aan op de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie van een ouderparticipatiecrèche.
In afwijking van het eerste lid, vangt geen nieuwe aanloopperiode aan, indien de houder van een ouderparticipatiecrèche opnieuw toestemming tot exploitatie krijgt, in verband met een wijziging van de locatie van de ouderparticipatiecrèche.
In afwijking van artikel 1.47b, derde lid, wordt het unieke nummer van een ouderparticipatiecrèche door het college, kenbaar gemaakt in het landelijk register kinderopvang, nadat de aanloopperiode, bedoeld in het eerste lid, is verstreken.
Artikel 1.60c
In artikel 1.50, eerste en tweede lid, artikel 1.50b, 1.51a, eerste lid, 1.51b eerste en derde lid en 1.51c, eerste lid en de bij of krachtens die artikelen gestelde regels wordt voor de toepassing op een ouderparticipatiecrèche voor beroepskracht, personeel of werkzame persoon gelezen: participerende ouder.
Artikel 1.50, tweede lid, onderdelen b en f, en artikel 1.58, vijfde lid, zijn niet van toepassing op een ouderparticipatiecrèche.
Paragraaf 1. Opsporing
Afdeling 6. Experimenten
Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
Paragraaf 3. Oudercommissie
Afdeling 3. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
Paragraaf 2a. Geschillen
Afdeling 4. Sancties
Afdeling 5. Experimenten
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.6b
Artikel 1.6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een ouder die valt binnen de personele werkingssfeer, bedoeld in de artikelen 30 of 32 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01 van 12 november 2019.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)