Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945 (Ministerie van OCW)

Type Archiefselectielijst
Publication 2005-01-15
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 oktober 2004, nr. arc-2004.01462/3);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument arbeidsvoorzieningsbeleid vanaf 1945

Overzicht gebruikte afkortingen

ABU: Algemene Bond Uitzendbureaus

ABW: Algemene Bijstandswet

ADAPT: Aanpassing van de werknemers aan de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven

ANS: Arbeidsbureau Nieuwe Stijl

b.w.: Buitenwerking

BBA: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen

BSD: Basis Selectiedocument

BVJ: Bijdrageregeling Vakopleiding Jeugdigen

CBA: Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening

CBB: Centrum voor Beroepsoriëntatie en beroepsuitoefening

CCSB: Centraal Comité van Samenwerking inzake Beroepskeuzevoorlichting

COA: Contactcentrum Onderwijs-Arbeidsmarkt

CoCo: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen

CoCoHan: Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau

COW: Coördinatiecommissie voor Openbare Werken

CVV: Centrum voor Vakopleiding Volwassenen

DIA: Dienst Inspectie Arbeidsverhoudingen

DUW: Rijksdienst Uitvoering Werken

EAJ: Experimentele arbeidsprojecten voor jeugdige werklozen

EC: Europese Commissie

EP: Europees Parlement

EU: Europese Unie

EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

EOGFL: Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw

ESC: Economisch en Sociaal Comité

ESF: Europees Sociaal Fonds

GAB: Gewestelijk Arbeidsbureau

IAB: Internationaal Arbeidsbureau

IAC: Internationale Arbeidsconferentie

ILO: International Labour Organisation

JOB: Jeugdontplooiingsbanen

KVP: Katholieke Volkspartij

LTD: Loontechnische Dienst

NED: Nederlandse Emigratiedienst

NVB: Nederlandse Vereniging van Beroepskeuze-adviseurs

OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

PBM: Plaatsingsbevorderende Maatregel

PEP: Praktijkervaringsplaatsen

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

PTT: Post, Telegraaf en Telefoon

PV: Permanente Vertegenwoordiging

RAB: Rijksarbeidsbureau

RBA: Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening

RIO: Rapport institutioneel onderzoek

SAMEN: Wet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden

SBKV: (Rijks)subsidieregeling beroepskeuzevoorlichting

S&O: Speur- en ontwikkelingswerk

SER: Sociaal Economische Raad

SOB: Samenwerking tussen Overheid en Bedrijfsleven

START: Stichting Uitzendbureau Arbeidsvoorziening

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TAP: Regeling Tijdelijke Arbeidsplaatsen

VN: Verenigde Naties

WAADI: Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs

WAZ: Werkgroep Arbeidsvoorziening Zeevarenden

WBEAA: Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen

WJW: Werkgelegenheidsprojecten voor jeugdige werklozen

WVM: Werkgelegenheidsverruimende Maatregel

1. Inleiding

Het PIVOT-rapport, Arbeidsvoorzieningsbeleid. Een institutioneel onderzoek naar de actoren en handelingen op het beleidsterrein der arbeidsvoorziening, 1940–2000 vormt de grondslag voor dit basisselectie-document. Het rapport beschrijft het handelen van de rijksoverheid ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening gedurende de periode tussen 1940 en 2000 en geeft een overzicht van de actoren die zich op het terrein bewegen.

Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) implementeren de Algemene Rijksarchivaris en de vertegenwoordigers van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de afspraken die bij convenant van 21 januari 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gemaakt. De eerste stap van de implementatie is de waardering van de neerslag van de handelingen, op basis waarvan bepaald kan worden welke neerslag voor permanente bewaring in het Algemeen Rijksarchief in aanmerking komt, en welke neerslag op termijn vernietigd kan worden. Deze eerste stap is in het basisselectiedocument (BSD) vastgelegd.

Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling.

Het BSD bestaat uit:

De verschillende actoren moeten het BSD ieder voor een deel vaststellen en wel voor die handelingen, waarbij zij of (een van) hun rechtsvoorgangers als actor genoemd wordt.

2. Hoofdlijnen van het handelen op het terrein van het arbeidsvoorzieningsbeleid

Het arbeidsvoorzieningsbeleid is gericht op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt en beoogt de inpassing van beroepsbeoefenaren in het arbeidsproces, waarbij zo goed mogelijk wordt voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften van het bedrijfsleven. Hierbij streeft men naar een doelmatige en rechtvaardige allocatie op de arbeidsmarkt. Doelmatigheid wil hierbij zeggen dat met een goed functionerende arbeidsmarkt een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de economische structuur en aan de bevordering van de economische groei; met rechtvaardigheid wordt bedoeld dat de positie van zwak arbeidsaanbod wordt versterkt. De arbeidsvoorzieningsinstrumenten kunnen daarom zowel vraag- als aanbodsgericht zijn, maar beogen in eerste instantie de werknemer (de aanbieder) geschikt te maken of te houden voor de arbeidsmarkt, waarvan in tweede instantie de werkgever (de vrager) meeprofiteert.

Het instrumentarium kan worden gegroepeerd in vier hoofdcategorieën:

In de periode kort na de oorlog lag het zwaartepunt van het arbeidsvoorzieningsbeleid bij de voorzieningen ter bestrijding van de werkloosheid. Hierbij waren de arbeidsbemiddeling, scholing en tewerkstelling van werklozen (op projecten van aanvullende werkgelegenheid) de voornaamste instrumenten. Later verschoof het accent naar voorzieningen die tot doel hadden het ontstaan van werkloosheid zoveel mogelijk te voorkómen. Met een medische metafoor werd deze wijziging aangeduid als de overgang van curatief naar preventief beleid. De instrumenten hiertoe waren beroepskeuzevoorlichting en scholingsfaciliteiten.

Per 1 januari 1991 trad de Arbeidsvoorzieningswet in werking en werd de zorg voor het beleidsterrein ‘arbeidsvoorziening’ opgedragen aan het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA).

De beschreven handelingen vinden voor een aanzienlijk deel hun basis in de wet- en regelgeving en de verschillende beleidsdocumenten, zoals rapporten, nota’s en werkplannen. Aanvullende informatie is verkregen uit gesprekken met en opmerkingen van medewerkers van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

3. Actoren

Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. In het kader van het institutioneel onderzoek zijn met name die actoren van belang die (landelijke) overheidsorganen zijn en handelingen verrichten ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening.

De zorg voor een samenhangend arbeidsvoorzieningsbeleid in Nederland en voor de internationale afstemming daarvan berust in de periode van 1945–2000 grotendeels bij de Minister van Sociale Zaken en de onder hem ressorterende diensten en instellingen. Daarnaast kunnen ministers van andere departementen en diverse adviesorganen als actor worden aangewezen.

Hierna wordt een overzicht gegeven van de actoren die in dit Basisselectiedocument zijn opgenomen.

Het departement van Sociale Zaken is in 1933 opgericht. Ook Volksgezondheid ressorteerde eronder, hetgeen tussen 1951 en 1971 tot uitdrukking werd gebracht in de naam Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Vanaf 1981 heet het Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de bewindsman verantwoordelijk is voor de coördinatie van het overheidsbeleid inzake de werkgelegenheid.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er in Nederland geen Minister van Sociale Zaken; zijn taken werden overgenomen door de secretaris-generaal.

De Duitse rijkscommissaris voor het bezette Nederland, Seyss-Inquart, machtigde de secretarissen-generaal om op hun beleidsterreinen de openbare orde te handhaven (Verordeningen van 29 mei en 21 juni 1940). Hiertoe werden ze bekleed met wetgevende en uitvoerende bevoegdheden. Nadat Secretaris-Generaal van Sociale Zaken A.L. Scholtens in augustus 1940 gedwongen was te vluchten, werd zijn post tot de bevrijding bekleed door R.A. Verwey, die een vaste benoeming weigerde en zich tevreden stelde met de post van waarnemend secretaris-generaal.

De Minister-President heeft een rol in arbeidsvoorziening in noodsituaties. Op de eerste plaats bij de voordracht van de afkondiging van de noodtoestand aan de Koningin en het bekendmaken van deze afkondiging. Daarnaast dient hij een voorstel van wet (houdende de inwerkingtreding van hoofdstuk II van de Noodwet Arbeidsvoorziening) in bij de Staten-Generaal en roept deze in buitengewone zitting bijeen.

Tot 1959 bestonden er twee afzonderlijke ministeries, te weten het Ministerie van Oorlog en Marine.

In 1959 werden de afzonderlijke ministeries samengevoegd tot het Ministerie van Defensie. De Minister van Defensie is in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid betrokken bij het regelen van de samenstelling en de werkwijze van het interdepartementaal Coördinatiecollege voor Openbare Werken.

In de oorlogsjaren heette het departement van Economische Zaken nog Handel, Nijverheid en Scheepvaart; tijdens het kabinet Schermerhorn-Drees (1945–1946) Handel en Nijverheid, en sinds juli 1946 draagt het de huidige naam.

Het belang van dit departement voor het arbeidsmarktbeleid ligt erin dat het probeert de economische structuur – en daarmee de werkgelegenheid – zoveel mogelijk te versterken. De werkgelegenheidseffecten zijn dus indirect. Alleen in het geval van de sinds 1973 voorkomende steunverlening aan individuele bedrijven, en bij een aantal regionale economische instrumenten wordt beoogd de werkgelegenheid rechtstreeks te bevorderen.

De Minister van Economische Zaken adviseert zijn collega van Sociale Zaken over verzoeken om verplaatsingskosten voor werknemers van bedrijven die zich elders vestigen.

De Minister van Financiën kan met behulp van begrotingspolitiek de werkgelegenheid beïnvloeden. Onder andere kan gebruik worden gemaakt van het wijzigen op korte termijn van de fiscale maatregelen die van invloed zijn op investeringsgedrag of koopkracht.

Een meer rechtstreekse betrokkenheid bij het arbeidsvoorzieningsbeleid is de taak van deze minister bij het houden van financieel toezicht op het Emigratiebestuur.

Over het algemeen is de bijdrage van het departement van Onderwijs en Wetenschappen aan het arbeidsvoorzieningsbeleid slechts indirect. Door het bevorderen van scholing wordt de kwaliteit van het aanbod op de arbeidsmarkt vergroot, en de wijze waarop mensen worden geschoold speelt een rol bij de aansluiting met het werkgelegenheidspotentieel. Scholing bevordert dus de inpassing van een beroepsbeoefenaar in het arbeidsproces, zonder dat dit laatste de eerste doelstelling van het beleid is. Een meer rechtstreekse bemoeienis met de arbeidsvoorziening had de Minister van Onderwijs en Wetenschappen toen hij in 1984 samen met de Staatssecretaris van Sociale Zaken de Interdepartementale stuurgroep studie- en beroepskeuzevoorlichting instelde.

Het Organisatiebesluit Arbeidsvoorziening (1954) machtigde de Minister van Binnenlandse Zaken om aanwijzingen te geven aan het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening met betrekking tot de samenwerking met andere overheidslichamen. Hij is ook betrokken bij de voordracht van enkele algemene maatregelen van bestuur met betrekking tot het gehandicaptenbeleid.

De Minister van Landbouw en Visserij heeft in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid een rol in het kader van het aanwijzen van leden van de interdepartementale stuurgroep beroepskeuzevoorlichting en van de Commissie van Advies voor de Dienst uitvoering van Werken.

Vóór zijn huidige naam heeft dit ministerie in de loop van de tijd de volgende namen gekend:

Met het aantreden van het kabinet Schermerhorn-Drees in juni 1945 werd ook de functie gecreëerd van Minister van Openbare Werken; deze was verantwoordelijk voor onder meer de Rijksdienst Uitvoering Werken (DUW). Het departement veranderde in de loop der jaren vaak van naam, waarmee de veranderingen in het beleidsterrein werden weergegeven. Vanaf juli 1946 stond het bekend als Openbare Werken en Wederopbouw, maar zeven maanden later heette het al Wederopbouw en Volkshuisvesting. In 1956 beschouwde men de wederopbouw als voltooid, en veranderde de naam in Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Deze naam hield het negen jaar uit; sinds 1965 heette het departement Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. In 1982 werd daaraan Milieubeheer nog toegevoegd.

Het beleid van dit ministerie is niet gericht op werkgelegenheid, maar de beleidsdoelstellingen kunnen daarvoor wel grote betekenis hebben. Zo raakt het beleid inzake de bouwnijverheid de werkgelegenheid rechtstreeks, terwijl het ruimtelijke beleid zich ook richt op de regionale verdeling van de werkgelegenheid. Het huur- en het subsidiebeleid hebben invloed op het bestedingspatroon en raken dus indirect de werkgelegenheid.

De Minister van Volkshuisvesting adviseert zijn collega van Sociale Zaken over verzoeken om verplaatsingskosten voor werknemers van bedrijven die zich elders vestigen.

Deze commissie is ingesteld in 1949 (Stcrt. 1949, 49) en stond onder voorzitterschap van A.A. van Rhijn. Ze had een coördinerende en adviserende functie en diende maatregelen voor te bereiden ter bestrijding van de conjuncturele werkloosheid, waarbij ze in nauw verband stond met het bedrijfsleven (Stichting van de Arbeid), de provinciale commissies voor de werkgelegenheid en het Centraal Planbureau. In samenwerking met laatstgenoemde instelling stelde de commissie globale werkgelegenheidplannen op die daarna werden uitgewerkt tot gedetailleerde plannen. De commissie rapporteerde in april 1954.

Het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening ontstond in 1954 door een fusie van het Rijksarbeidsbureau en de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken. Het was de centrale ambtelijke organisatie voor het arbeidsvoorzieningsbeleid, en het had een enorme reeks taken. Een selectie:

Onder bijzondere omstandigheden (met name oorlog) kon de directeur-generaal optreden als Hoofd Arbeidsvoorziening; hij zou dan bevoegd zijn mensen werkzaamheden te laten verrichten, bijvoorbeeld als burgerwacht.

In 1990 werden de werkzaamheden van het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening ondergebracht bij het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, dat sinds 1991 functioneert.

In 1995 (Stcrt. 1995, 172) is door de Minister van Sociale Zaken het Comité van Toezicht voor uitvoering van ESF-subsidieregelingen ingesteld. Dit comité heeft tot taak om de uitvoering te bewaken van de ESF-subsidieregelingen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt.

In 1997 (Stcrt. 1997, 249) is door de Minister van Sociale Zaken het Comité van toezicht ‘doelstelling 3’ ingesteld.

Dit comité heeft tot taak om de uitvoering te bewaken van operationele programma’s met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds ter verwezenlijking van doelstelling 3 (het bestrijden van langdurige werkloosheid). Deze operationele programma’s worden, gelet op de in 1991 gesloten overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gesloten overeenkomst m.b.t. aangelegenheden betreffende het ESF, uitgevoerd door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en door rechtspersonen die terzake van die uitvoering van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie subsidie ontvangen.

Het toezicht op de wetten vallende binnen het terrein van de arbeidsvoorzieningsorganiastie is opgedragen aan de Arbeidsinspectie. Aldus heeft de Arbeidsinspectie een toezichthoudende taak bij een aantal wetten (ondermeer Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden. De Arbeidsinspectie vindt zijn grondslag in de Arbeidswet 1919. In 1909 werd ter bevordering van de coördinatie van de districten een Centrale Dienst der Arbeidsinspectie ingesteld (Stb. 1909, 289) met aan het hoofd de directeur-generaal. Sinds 1962 is deze Dienst samengevoegd met de afdeling arbeidersbescherming en geworden tot het directoraat-generaal van de Arbeid.

De organisatie van de Arbeidsinspectie is uitgewerkt in de organisatiebesluiten (sinds 1920). Als hoofd van de dienst is aangewezen een directeur-generaal van de Arbeid, belast met de leiding van en het toezicht op de dienst. Aan het hoofd van de districten staan de districtshoofden, toegevoegd zijn verschillende gespecialiseerde ambtenaren die in gevallen hun toezicht houdende taak uitvoeren naast het districtshoofd.

Begin 1994 (Stcrt. 1994, 83) is een nieuwe dienst opgericht; de ‘Dienst voor inspectie en informatie (I-SZW)’. In de loop van 1996 (Stcrt. 1996, 128) is de naam van I-SZW weer gewijzigd in Arbeidsinspectie.

Sinds de naamswijziging in I-SZW in 1994 staat de dienst onder leiding van een algemeen directeur. Deze geeft leiding aan de directeur van het centraal kantoor en aan de directeuren van de (6) regionale kantoren (de voormalige districtshoofden).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.