Rijkswet van 2 december 2004, houdende instelling van een Onderzoeksraad voor veiligheid (Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid)

Type Rijkswet
Publication 2022-05-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een algemene onafhankelijke raad in te stellen voor het onderzoek van rampen, ongevallen en incidenten teneinde de oorzaken of vermoedelijke oorzaken van het voorval of de categorie voorvallen en van de omvang van hun gevolgen vast te stellen en daaraan aanbevelingen te verbinden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Treedt in werking behoudens ten aanzien van het onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip dat niet in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht. Treedt ten aanzien van de bepalingen over onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip dat niet in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht in werking op 1 januari 2010 (Stb. 2009/563).

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Onder een voorval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt niet verstaan:

3.

Met een Nederlands luchtvaartuig wordt gelijkgesteld een luchtvaartuig dat door een in Nederland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon met of zonder winstoogmerk of overheidslichaam met of zonder rechtspersoonlijkheid wordt geëxploiteerd.

Hoofdstuk 2. De raad

§ 1. Instelling en taak

Artikel 2
1.

Er is een Onderzoeksraad voor veiligheid.

2.

De raad is gevestigd te ‘s-Gravenhage.

3.

De raad bezit rechtspersoonlijkheid.

Artikel 3

De raad heeft, met het uitsluitende doel toekomstige voorvallen te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken, tot taak te onderzoeken en vast te stellen wat de oorzaken of vermoedelijke oorzaken van individuele of categorieën voorvallen en van de omvang van hun gevolgen zijn en daaraan zo nodig aanbevelingen te verbinden.

Artikel 4
1.

De raad is bevoegd een onderzoek in te stellen naar:

2.

De bevoegdheid tot onderzoek strekt zich tevens uit tot:

3.

De raad is overigens bevoegd een onderzoek in te stellen naar voorvallen en het omgaan met de gevolgen van voorvallen, voor zover het betreft voorvallen waarbij betrokken is een zaak of een persoon, in gebruik bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een functie ten behoeve van:

4.

De raad is overigens ook bevoegd een onderzoek in te stellen naar voorvallen en het omgaan met de gevolgen van voorvallen, voor zover het betreft voorvallen waarbij betrokken is een zaak of een persoon, in gebruik bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een functie ten behoeve van een organisatie waarvan het beheer is opgedragen aan Onze Minister van Defensie.

Artikel 5
1.

Bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur wordt bepaald ten aanzien van welke voorvallen de raad verplicht is een onderzoek in te stellen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van nader aan te wijzen voorvallen waarbij ook een andere staat of een ander land betrokken is, regels gesteld over de inrichting van het onderzoek, over het samenwerken met die andere staat of dat andere land bij de uitvoering van het onderzoek en de rol van de raad in deze gevallen alsmede de bij een dergelijk onderzoek in acht te nemen internationale verplichtingen.

§ 2. Inrichting en samenstelling

Artikel 6
1.

De raad kent minimaal drie en maximaal vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen.

2.

Voorts maken buitengewone leden deel uit van de raad.

3.

Buitengewone leden kunnen op verzoek of uit eigen beweging deelnemen aan beraadslagingen van de raad, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

4.

Aan de beraadslagingen van de raad nemen buitengewone leden niet deel voor de toepassing van de artikelen 7, 16, 17, 20, eerste lid, 25, 26 en 65.

Artikel 7
1.

In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen worden de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid, bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.

2.

In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen worden de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, tweede lid, bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, gedaan in overeenstemming met Onze Minister in Nederland wie het mede aangaat, benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.

3.

De keuze van de leden van de raad geschiedt op zodanige wijze dat alle relevante deskundigheid in de raad aanwezig is. In de raad is in ieder geval deskundigheid aanwezig op het terrein van defensie en transport. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld.

4.

De benoeming van de leden van de raad geschiedt voor een periode van vier jaar. De zittingsduur van het lid dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats dit lid is benoemd. De leden van de raad kunnen eenmaalworden herbenoemd.

5.

Onze Minister draagt in overeenstemming met Onze Minister in Nederland wie het mede aangaat, zorg voor openbaarmaking van een vacature in de raad. De raad kan aan Onze Minister een met redenen omkleed voorstel doen voor openbaarmaking van een vacature. Onze Minister informeert de Staten-Generaal over de gevolgde procedure bij de benoeming en de benoemde kandidaat.

6.

Op eigen verzoek wordt aan de leden van de raad ontslag verleend uiterlijk met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de dag waarop Onze Minister het verzoek om ontslag heeft ontvangen.

7.

Onverminderd het zesde lid zijn schorsing en ontslag alleen mogelijk wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen.

Artikel 8
1.

Een van de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt bij koninklijk besluit benoemd tot voorzitter van de raad.

2.

Een van de leden van de raad, bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt bij koninklijk besluit benoemd tot plaatsvervangend voorzitter van de raad.

Artikel 9

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van beëdiging van de leden van de raad.

Artikel 10

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.