← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 10 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid)

Geldende tekst a fecha 2010-10-10

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juni 2004, nr. PRO 2004/67265, Directoraat-generaal Veiligheid, project PRO;

Gelet op richtlijn nr. 94/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319), richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 010), richtlijn nr. 2002/59/EG inzake de invoering van een communautair monitorings- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart (PbEG L 208) en richtlijn nr. 1999/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PbEG L 138) alsmede de artikelen 5, 28, 54, 56, tweede lid, 59, derde lid, 67, 68, 77, 78 en 96, eerste lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid;

De Raad van State gehoord (advies van 2 september 2004, nr. W04.04.0254/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 december 2004, nr. PRO 2004/78765;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsomschrijving

Artikel 1
1.

In dit besluit wordt verstaan onder:

2.

Onder een luchtvaartongeval wordt mede verstaan een gebeurtenis die samenhangt met het gebruik van een onbemand luchtvaartuig en plaatsvindt tijdens de periode vanaf de start tot en met de landing en waarbij de in het eerste lid onderdeel d onder 1 tot en met 3 genoemde gevolgen zich hebben voorgedaan.

§ 2. Toepasselijkheid

Artikel 2
1.

Op voorvallen niet in verband met een spoorweg, waarbij geen andere zaak of persoon is betrokken dan een zaak of persoon in gebruik bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een functie ten behoeve van Onze Minister van Defensie of bij een buitenlandse krijgsmacht, dan wel ten behoeve van een organisatie waarvan het beheer is opgedragen aan Onze Minister van Defensie, zijn de artikelen 3 tot en met 5, 8, 9, eerste lid, onderdelen a tot en met k, en tweede lid, en 10 tot en met 23 niet van toepassing.

2.

Indien bij een voorval als in het eerste lid bedoeld tevens een andere zaak of persoon is betrokken dan in dat lid bedoeld, zijn de artikelen 3 tot en met 5, 8, 9, eerste lid, onderdelen a tot en met k, en tweede lid, en 10 tot en met 23 slechts van toepassing voorzover het die andere zaak of persoon betreft.

3.

De artikelen 4, 5, 11a en 11b zijn niet van toepassing op scheepvaartongevallen, waarbij uitsluitend zijn betrokken:

4.

Het bepaalde bij of krachtens dit besluit ten aanzien van de staat van de exploitant is slechts van toepassing indien:

§ 3. Onderzoeksverplichtingen

Artikel 3
1.

De raad stelt een onderzoek in naar luchtvaartongevallen, niet zijnde een luchtvaartongeval als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en ernstige luchtvaartincidenten, betreffende:

2.

De raad kan het onderzoek naar een luchtvaartongeval of een ernstig luchtvaartincident met een ander dan een Nederlands luchtvaartuig geheel of gedeeltelijk overlaten aan een andere staat indien deze naar zijn oordeel op voldoende deskundige wijze het onderzoek zal verrichten en deze met het instellen van een onderzoek instemt. Indien het luchtvaartongeval of een ernstig luchtvaartincident heeft plaatsgevonden op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie kan het onderzoek waarbij een Nederlands luchtvaartuig is betrokken worden overgedragen aan een andere lidstaat.

Artikel 4
1.

De raad stelt een onderzoek in naar een zeer ernstig scheepvaartongeval waarbij een zeeschip is betrokken, indien:

2.

Bij een ernstig scheepvaartongeval doet de raad een voorafgaande beoordeling om te besluiten of er een onderzoek wordt verricht. Wanneer de raad op basis van het voorafgaand onderzoek besluit geen onderzoek te doen, dan zendt de raad dit besluit aan de Europese Commissie.

Artikel 5
1.

Wanneer de raad onderzoek doet naar een scheepvaartongeval of -incident, waarbij een zeeschip is betrokken, en waarbij een andere staat een aanmerkelijk belang heeft, dan voert de raad het onderzoek uit in samenwerking met die staat, tenzij die staat daaraan geen medewerking verleent.

2.

Wanneer de raad onderzoek doet naar een scheepvaartongeval of -incident, waarbij een zeeschip is betrokken, en dat plaats heeft gevonden in wateren onder andere dan Nederlandse jurisdictie, wordt het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met de tot die wateren bevoegde staat of, indien Aruba, Curaçao of Sint Maarten ten aanzien van die wateren bevoegd zijn, met Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, tenzij die andere staat, Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten daaraan geen medewerking verlenen.

3.

In geval van samenwerking met een andere staat overlegt de raad met de daartoe bevoegde instantie van de staat of staten met een aanmerkelijk belang wie de leiding van een onderzoek op zich neemt. Totdat een andere staat de leiding overneemt, is de raad verantwoordelijk voor het onderzoek en de coördinatie met andere staten die een aanmerkelijk belang hebben.

4.

Het onderzoek naar een scheepvaartongeval, waarbij een ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig is betrokken en waarvoor de raad een onderzoeksverplichting heeft, wordt in ieder geval door de raad geleid, totdat de raad met het daartoe bevoegde onderzoeksorgaan van de staat of staten met een aanmerkelijk belang overeenstemming bereikt welke staat de leiding van het onderzoek overneemt.

5.

Indien de raad de leiding heeft over een onderzoek naar een scheepvaartongeval, is samenwerking met een onderzoeksinstantie van een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie uitsluitend mogelijk onder de voorwaarden, gesteld in Richtlijn nr. 2009/18/EG van het Europees parlement en van de Raad van Europese Unie van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 131).

6.

Indien een onderzoeksinstantie van een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie de leiding heeft over het onderzoek naar een scheepvaartongeval, is samenwerking door de raad met die onderzoeksinstantie uitsluitend mogelijk wanneer het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de regels, gesteld in de Code of the International Standards and Recommended Practices for a Safety Investigation into a Marine Casualty or Marine Incident zoals vastgesteld bij resolutie MSC.255(84) van de International Maritime Organisation van 16 mei 2008.

Artikel 6
1.

De raad stelt een onderzoek in naar luchtvaartongevallen en ernstige luchtvaartincidenten waarbij luchtvaartuigen zijn betrokken die in gebruik zijn bij een krijgsmacht van twee of meer staten, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, op of boven het grondgebied van Nederland, met inbegrip van de territoriale zee, en schepen die in gebruik zijn bij Onze Minister van Defensie.

2.

De raad laat het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, over aan de staat waarbij het luchtvaartuig in gebruik is, indien deze dit wenst, tenzij er overwegende redenen zijn om dit niet te doen.

3.

Indien een luchtvaartuig is betrokken dat in gebruik is bij een andere staat dan de staat die daarvan eigenaar is, kan deze laatste verlangen voor de toepassing van het tweede lid te worden aangemerkt als staat waarbij het luchtvaartuig in gebruik is.

Artikel 7
1.

In geval de raad een onderzoek instelt naar een voorval waarbij materieel, personeel of voorzieningen van een krijgsmacht van één van de andere staten, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, zijn betrokken, treedt de raad in overleg met de buitenlandse onderzoeksinstantie. De raad bepaalt in overleg met die instantie op welke wijze het onderzoek van het voorval wordt ingericht. Bij dit onderzoek neemt de raad binnen het kader van de rijkswet de op dit onderzoek van toepassing zijnde, in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie tot stand gebrachte voorschriften in acht, voorzover deze door Nederland zijn aanvaard.

2.

De raad kan in overleg met de betrokken staat de in het eerste lid bedoelde procedure en voorschriften eveneens toepassen ten aanzien van het onderzoek van een voorval waarbij een krijgsmacht is betrokken van een staat die niet is aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie.

Artikel 8
1.

De raad stelt onverwijld een onderzoek in naar een zwaar ongeval als bedoeld in richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 010).

2.

De raad is niet gehouden een in het eerste lid bedoeld onderzoek in te stellen indien één van de uitsluitingen, genoemd in artikel 4 van de in het eerste lid genoemde richtlijn, van toepassing zijn.

§ 4. Meldingsplichten

Artikel 9
1.

Tot het melden aan de raad van voorvallen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de rijkswet, zijn gehouden:

2.

In geval internationale verdragen of regelingen Onze Minister wie het aangaat verplichten tot het melden van een voorval aan een andere staat, de Commissie van de Europese Gemeenschappen of een internationale organisatie, geeft de raad de ontvangen melding terstond door aan Onze Minister wie het aangaat.

§ 5. Onderzoek

Artikel 10
1.

De gegevens die zijn verzameld of verkregen tijdens het onderzoek worden effectief gebruikt en naar behoren geanalyseerd.

2.

In geval van een onderzoek naar een scheepvaartongeval worden de bevindingen van het onderzoek zo spoedig mogelijk na afsluiting van het onderzoek bekendgemaakt.

Artikel 11

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het toezenden van het rapport in concept aan andere staten, Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor commentaar en over de voor het geven van commentaar te stellen termijn.

§ 6. Informatiemateriaal

Artikel 12

Indien, in geval van een luchtvaartongeval, door de staat van registratie, de staat van de exploitant, de staat van ontwerp of de staat van vervaardiging een verzoek wordt gedaan om het luchtvaartuig, zijn inhoud of enig ander bewijsmateriaal ongestoord te laten, hangende het onderzoek door een vertegenwoordiger van de verzoekende staat, neemt de raad alle benodigde maatregelen om aan dit verzoek tegemoet te komen, voorzover dit redelijk uitvoerbaar en verenigbaar met de juiste uitvoering van het onderzoek is en met dien verstande dat het luchtvaartuig mag worden verplaatst om er personen, dieren, post en kostbaarheden uit te halen, om vernietiging door vuur of andere oorzaken te voorkomen of om gevaar of hinder voor de luchtvaart, ander transport of mensen te voorkomen en het niet een overmatige vertraging van het weer in dienst nemen van het luchtvaartuig tot gevolg heeft.

§ 7. Toezenden rapport aan derden

Artikel 13

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het in daarbij aangewezen gevallen toezenden van het rapport, aan een buitenlandse staat, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Europees Spoorwegbureau, genoemd in artikel 1 van verordening nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van Europa van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau («Spoorwegbureauverordening») dan wel een internationale organisatie.

§ 6. Informatiemateriaal

Artikel 14
1.

Indien een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident buiten Nederland, de territoriale wateren daaronder begrepen, een Nederlands luchtvaartuig betreft of een luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd of waarvan Nederland de staat van ontwerp of vervaardiging is, geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zo spoedig mogelijk aan de staat van het voorval alle relevante informatie over het betrokken luchtvaartuig en zijn bemanning.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, deelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de staat van het voorval ook mede of Nederland een vertegenwoordiger aanwijst. Indien Nederland dit doet, geeft bedoelde minister ook de naam van de vertegenwoordiger, bijzonderheden hoe met deze in contact kan worden getreden, alsmede de verwachte datum van aankomst van de vertegenwoordiger door.

Artikel 15

Indien een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident buiten Nederland, de territoriale wateren daaronder begrepen, een luchtvaartuig betreft waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zo spoedig mogelijk, met behulp van de meest geschikte en snelste middelen die beschikbaar zijn, de staat van het voorval en de staat van registratie op de hoogte van bijzonderheden inzake gevaarlijke stoffen aan boord van het luchtvaartuig.

Artikel 16
1.

Indien een onderzoek terzake van een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident met een ander dan een Nederlands luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd of waarvan Nederland de staat van ontwerp of vervaardiging is, wordt ingesteld door de staat van registratie, geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat desverzocht aan deze staat alle relevante informatie betreffende het betrokken luchtvaartuig en zijn bemanning.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, deelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de staat van registratie, ook mee of Nederland een vertegenwoordiger aanwijst. Indien Nederland dit doet, geeft bedoelde minister ook de naam van de vertegenwoordiger, bijzonderheden hoe met deze in contact kan worden getreden, alsmede de verwachte datum van aankomst van de vertegenwoordiger door.

Artikel 17

Indien de staat die een onderzoek verricht terzake van een luchtvaartongeval met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg dat in Nederland is ingeschreven, waarvan de exploitant in Nederland woont of waarvan Nederland de staat van ontwerp of vervaardiging is, verzoekt om deelneming door Nederland, wijst Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een vertegenwoordiger terzake van het onderzoek aan.

Artikel 18

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de aanwijzing door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van vertegenwoordigers als bedoeld in de artikelen 14, tweede lid, 16, tweede lid, en 17.

Artikel 19
1.

De raad kan aan een onderzoek buiten Nederland, dat door een andere staat wordt ingesteld, deelnemen, voorzover die staat daarvoor toestemming geeft.

2.

In geval de raad overeenkomstig het eerste lid aan een onderzoek deelneemt, meldt hij dit vooraf aan Onze Minister wie het aangaat.

3.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan de raad opdracht geven deel te nemen aan een onderzoek naar een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident in een andere staat.

4.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan de raad opdracht geven deel te nemen aan een onderzoek dat door een andere staat wordt ingesteld naar een voorval met een Nederlands zeeschip.

Artikel 20

Op verzoek van de staat die een onderzoek terzake van een luchtvaartongeval of luchtvaartincident verricht, verschaft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat alle relevante informatie die hij beschikbaar heeft.

Artikel 21
1.

Indien voorafgaand aan een luchtvaartongeval of luchtvaartincident gebruik is gemaakt of normalerwijze gebruik zou moeten zijn gemaakt van faciliteiten of diensten in Nederland en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat informatie heeft die wezenlijk is voor het onderzoek, verschaft hij deze aan de staat die het onderzoek verricht.

2.

Indien een onderzoek een luchtvaartongeval of luchtvaartincident betreft met een luchtvaartuig dat in Nederland is ingeschreven of waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, verschaft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op verzoek van de staat die het onderzoek verricht, de wezenlijke informatie waarover hij beschikt, over elke organisatie waarvan de activiteiten direct of indirect de vlucht van het vliegtuig kunnen hebben beïnvloed.

Artikel 22
1.

Ingeval sprake is van een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident met een Nederlands luchtvaartuig of een luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, en het luchtvaartuig in een andere staat landt dan die waarin het ongeval of het incident zich heeft voorgedaan, verschaft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, op verzoek van de staat die het onderzoek verricht, aan deze staat de opnamen van de vluchtrecorder en, indien nodig, van de verbonden vluchtrecorders.

2.

In geval sprake is van een ongeval met een Nederlands zeeschip op zee in onder jurisdictie van een andere lidstaat van de Europese Unie vallende wateren en die andere lidstaat naar het ongeval een onderzoek instelt, stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de gegevens die zijn verzameld met de reisgegevensrecorder ter beschikking van die andere lidstaat.

Artikel 23
1.

Op verzoek van een andere lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte die een onderzoek naar een luchtvaartongeval, naar een ernstig luchtvaartincident of naar een luchtvaartincident leidt, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de raad opdragen, binnen de grenzen van zijn mogelijkheden, kosteloos bijstand te verlenen.

2.

Ingeval een luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden in volle zee in de nabijheid van Nederland, geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan de staat die het onderzoek verricht alle mogelijke bijstand.

3.

Op verzoek van Aruba, Curaçao of Sint Maarten kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de raad opdragen, binnen de grenzen van zijn mogelijkheden, bijstand te verlenen aan een vanwege de autoriteiten van een van die landen verricht onderzoek betreffende een scheepvaartongeval.

§ 9. Verhouding tot onderzoek met het oog op het opleggen van sancties

Artikel 24
1.

Ter bevordering van de coördinatie en het overleg maken de raad en het openbaar ministerie in Nederland, binnen een half jaar na inwerkingtreding van de rijkswet, afspraken over de samenwerking en informatie-uitwisseling in de gevallen waarin zowel de raad een onderzoek instelt naar een voorval als ook ten aanzien van hetzelfde voorval een opsporingsonderzoek wordt ingesteld met het oog op het opleggen van een strafrechtelijke sanctie. De afspraken behoeven de goedkeuring van Onze Minister en Onze Minister van Justitie.

2.

De afspraken over samenwerking en informatie-uitwisseling worden neergelegd in een samenwerkingsprotocol en omvatten in ieder geval:

3.

Indien in een concreet geval zowel de raad een onderzoek instelt naar een voorval als een onderzoek wordt ingesteld met het oog op het opleggen van een strafrechtelijke sanctie, plegen de raad en het openbaar ministerie in Nederland, met inachtneming van het samenwerkingsprotocol, overleg over de inrichting van beide onderzoeken. In het overleg worden in ieder geval afspraken gemaakt over de inhoud van de te verrichten onderzoekshandelingen, de planning van deze onderzoekshandelingen in de tijd, de inbeslagneming van zaken en de instelling van een periodiek afstemmingsoverleg gedurende beide onderzoeken. De raad en het openbaar ministerie in Nederland kunnen zich bij het overleg laten vertegenwoordigen door personen onderscheidenlijk opsporingsdiensten die de feitelijke leiding hebben bij de onderzoeken.

Artikel 25

Ter bevordering van de coördinatie en het overleg maken de raad en Onze Minister wie het aangaat, binnen een half jaar na inwerkingtreding van de rijkswet, afspraken over de samenwerking en informatie-uitwisseling in de gevallen waarin zowel de raad een onderzoek instelt naar een voorval als ook ten aanzien van hetzelfde voorval het opleggen van een bestuurlijke sanctie wordt overwogen. Artikel 24, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 10. Slotbepalingen

Artikel 26

Wijzigt het Besluit Politieregisters.

Artikel 27
1.

Behoudens het bepaalde in het tweede lid, treedt dit besluit in werking op het krachtens artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van de rijkswet vastgestelde tijdstip.

2.

Wat betreft het onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip, niet zijnde een oorlogsschip, marinehulpschip of ander schip dat in gebruik is voor de uitvoering van de militaire taak, treedt dit besluit in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 28

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 8a
1.

De raad stelt onverwijld een onderzoek in naar een ernstig ongeval in verband met een spoorweg.

2.

Indien niet kan worden vastgesteld of een ongeval als bedoeld in het eerste lid in Nederland of een ander land heeft plaatsgevonden, of indien het heeft plaatsgevonden op of vlakbij een grensinstallatie van Nederland en een ander land, worden tussen de raad en het bevoegde onderzoeksorgaan in het andere land afspraken gemaakt wie het onderzoek gaat verrichten of wordt afgesproken dat gezamenlijk onderzoek wordt verricht. Ingeval het onderzoek wordt verricht door de raad, wordt het orgaan in het andere land uitgenodigd aan het onderzoek deel te nemen en volledig over de uitkomsten van het onderzoek ingelicht.

§ 4. Meldingsplichten

§ 5. Onderzoek

§ 6. Informatiemateriaal

§ 7. Toezenden rapport aan derden

§ 8. Onderzoek door een ander land

§ 9. Verhouding tot onderzoek met het oog op het opleggen van sancties

§ 9. Verhouding tot onderzoek met het oog op het opleggen van sancties

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9a
1.

Bij een besluit van de raad als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de rijkswet, om onderzoek te doen naar een scheepvaartongeval of incident, houdt de raad rekening met:

2.

De raad start het onderzoek naar een scheepvaartongeval of -incident zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen twee maanden, nadat het ongeval of incident plaatsvond.

Artikel 11a

De raad voert het onderzoek naar een scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip is betrokken, uit overeenkomstig de methodologie, bedoeld in artikel 2, onder e, van de Verordening nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PbEG L 208). Afwijking van deze methodologie is mogelijk, voor zover de onderzoeker dit noodzakelijk acht voor het bereiken van de onderzoeksdoelstellingen.

Artikel 11b

Bij een onderzoek naar een scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip is betrokken, wordt voor aangelegenheden die niet reeds in de rijkswet en de daarop berustende bepalingen expliciet geregeld zijn, de Code of the International Standards and Recommended Practices for a Safety Investigation into a Marine Casualty or Marine Incident zoals vastgesteld bij resolutie MSC.255(84) van de International Maritime Organisation van 16 mei 2008 in acht genomen.

§ 7. Toezenden rapport aan derden

§ 8. Onderzoek door een ander land

§ 10. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.