Regeling houdende vaststelling van eisen ten aanzien van inrichting, uitrusting en technische eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur en het onderhoud daarvan (Regeling hoofdspoorweginfrastructuur)

Type Ministeriële regeling
Publication 2012-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 35
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 6, eerste lid, onderdeel b, en artikel 7, eerste lid, van de Spoorwegwet en artikel 2 van het Besluit spoorweginfrastructuur;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorweginfrastructuur in werking treedt.

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • actief beveiligde overweg: spoorwegovergang die voorzien is van een treinaankondigingsinstallatie;
  • bewaakte overweg: actief beveiligde spoorwegovergang waarbij de daarnaar toe leidende seinen pas uit de stand ‘stop’ kunnen komen als de overwegbomen gesloten zijn;

§ 2. Algemene kenmerken

Artikel 2
1.

Behoudens hoofdspoorwegen waarover minder dan eenmaal per week een spoorvoertuig rijdt, zijn openbare niet-actief beveiligde overwegen voorzien van:

  • b. aan weerszijden van de weg geplaatste schrikhekken.
Artikel 3
1.

Openbare actief beveiligde overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting, tevens voorzien van:

  • a. een tenminste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood of wit licht;
  • b. bellen;
  • c. aan weerszijden van de weg geplaatste informatieborden.
2.

De in het eerste lid genoemde overwegen kunnen tevens voorzien zijn van overwegbomen, waarvan de werking en inrichting zodanig is dat weggebruikers de overweg op een veilige manier kunnen verlaten of zich veilig kunnen opstellen.

3.

De in het tweede lid genoemde overwegbomen zijn:

  • a. ter hoogte van de rijbaan voorzien van verlichting en reflectiemateriaal;
  • b. ter hoogte van brom-/fietspaden en voetpaden voorzien van reflectiemateriaal.
Artikel 4
1.

Openbare bewaakte overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting tevens voorzien van:

  • a. een ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood licht;
  • b. overwegbomen die de overweg voor het wegverkeer afsluiten met daaraan gemonteerd hangwerk die het betreden van de overweg onmogelijk maakt;
2.

In de inrichting van de in het eerste lid genoemde overwegen is een technische schakeling aanwezig waardoor het sein, dat het rijden over de overweg toestaat, niet eerder kan worden bediend dan nadat de overwegbomen zijn gesloten.

Artikel 5

Hoofdspoorweginfrastructuur is buiten overwegen voorzien van een afscherming waarvan de inrichting wordt vormgegeven op basis van een door de beheerder opgestelde locatiespecifieke risico-analyse.

§ 3. De spoorbaan

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorweginfrastructuur in werking treedt.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hoofdspoorweginfrastructuur.

Artikel 8
1.

Voor de hoofdspoorweginfrastructuur geldt dat:

  • a. de boogstraal van sporen niet kleiner is dan R=190 m bij een snelheid van ten hoogste 40 km/u;
  • b. de boogstraal van sporen niet kleiner is dan R=630 m bij een snelheid hoger dan 40 km/u;
  • c. de verkanting kleiner of gelijk is aan 150 mm;
  • d. het verkantingstekort bij snelheden tot 200 km/u kleiner of gelijk is aan 120 mm;
  • e. het verkantingsoverschot niet groter dan 70 mm op een goederenbaanvak en niet groter dan 90 mm op een reizigersbaanvak;
  • f. de kantelsnelheid niet groter is dan 28 mm/s;
  • g. de toename van het verkantingstekort niet groter is dan 25 mm/sec;
  • h. de scheluwte in een spoor zonder verkanting, gemeten over een lengte van 6 m, voldoet aan onderstaande maximale waarden in mm waarbij de toegelaten snelheid van het spoorvoertuig V is:
  • 1°. V ≤ 50 km/u: 20 mm;
  • 2°. V = 60 km/u: 18 mm;
  • 3°. V = 70 km/u: 16 mm;
  • 4°. V = 80 km/u: 14 mm;
  • 5°. V = 90 km/u: 12 mm;
  • 6°. V ≥ 100 km/u: 10 mm;
  • i. de scheluwte in een spoor met verkanting, gemeten over een lengte van 6 meter, voldoet aan onderstaande maximale waarden in mm, waarbij de toegelaten snelheid van het spoorvoertuig V is:
  • 1°. V ≤ 70 km/u: 16 mm;
  • 2°. V = 80 km/u: 14 mm;
  • 3°. V = 90 km/u: 12 mm;
  • 4°. V ≥ 100 km/u: 10 mm;
  • j. de beschikbare tijd voor stabilisatie van spoorvoertuigen na een richtingverandering ten minste 2 seconden is;
  • k. de verticale versnelling van spoorvoertuigen in bogen niet groter is dan 0,3 m/sec;
  • l. de helling niet groter is dan 1:200;
  • m. de helling van opstelsporen niet groter is dan 1:1000;
  • n. de verticale boogstraal van top- en dalbogen niet kleiner is dan R=2000 m;
  • o. bij heuvelen de verticale boogstraal van de topboog niet kleiner is dan R=250 m en de verticale boogstraal van de dalboog niet kleiner is dan R=300 m.
Artikel 9

De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een draadloos communicatiesysteem van het type ‘GSM-Rail’ dat voldoet aan EIRENE FRS versie 6.0 en EIRENE SRS versie 14.0.

§ 4. Overwegen

Artikel 10
1.

Behoudens hoofdspoorwegen waarover minder dan eenmaal per week een spoorvoertuig rijdt, zijn openbare niet-actief beveiligde overwegen voorzien van:

  • b. aan weerszijden van de weg geplaatste schrikhekken.
Artikel 11
1.

Openbare actief beveiligde overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting, tevens voorzien van:

  • a. een tenminste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood of wit licht;
  • b. bellen;
  • c. aan weerszijden van de weg geplaatste informatieborden.
2.

De in het eerste lid genoemde overwegen kunnen tevens voorzien zijn van overwegbomen, waarvan de werking en inrichting zodanig is dat weggebruikers de overweg op een veilige manier kunnen verlaten of zich veilig kunnen opstellen.

3.

De in het tweede lid genoemde overwegbomen zijn:

  • a. ter hoogte van de rijbaan voorzien van verlichting en reflectiemateriaal;
  • b. ter hoogte van brom-/fietspaden en voetpaden voorzien van reflectiemateriaal.
Artikel 12
1.

Openbare bewaakte overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting tevens voorzien van:

  • a. een ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood licht;
  • b. overwegbomen die de overweg voor het wegverkeer afsluiten met daaraan gemonteerd hangwerk die het betreden van de overweg onmogelijk maakt;
2.

In de inrichting van de in het eerste lid genoemde overwegen is een technische schakeling aanwezig waardoor het sein, dat het rijden over de overweg toestaat, niet eerder kan worden bediend dan nadat de overwegbomen zijn gesloten.

§ 5. Veiligheids- en beschermingsinstallaties

Artikel 13
1.

Hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een installatie, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die waarborgt dat sprake is van van elkaar gescheiden rijwegen van spoorvoertuigen.

2.

De veilige berijdbaarheid van die rijwegen wordt aan de bestuurder van een trein kenbaar gemaakt door middel van seinen of signalen in de cabine.

3.

Indien hoofdspoorweginfrastructuur niet is voorzien van een installatie als bedoeld in het eerste lid, wordt de veilige berijdbaarheid, bedoeld in het tweede lid, kenbaar gemaakt door middel van een spreekverbinding tussen de bestuurder van de trein en de treindienstleider of treindienstleider niet centraal bediend gebied.

Artikel 14
1.

De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van baanapparatuur van het treinbeïnvloedingssysteem, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die informatie doorgeeft aan spoorvoertuigen:

  • a. over de voor die spoorvoertuigen geldende seinbeelden;
  • b. die ten minste is ingedeeld in de volgende snelheidstrappen:
  • 1°. 40 km/u;
  • 2°. 60 km/u;
  • 3°. 80 km/u;
  • 4°. 130 km/u;
  • 5°. 140 km/u.

§ 6. Energievoorziening

Artikel 15
1.

Het ontwerp en de constructie van de bovenleiding voldoen aan NEN-EN nr. 50119.

2.

Het raakvlak van de bovenleiding met de stroomafnemers voldoet aan NEN-EN nr. 50367: 2004.

3.

Fasescheidingen en systeemscheidingen voldoen aan NEN-EN nr. 50367: 2004.

Artikel 16

De beschermende maatregelen van de bovenleiding en de tractie-installaties met betrekking tot elektrische veiligheid voldoen aan NEN-EN nr. 50122-1.

Artikel 17

De vrije ruimte tussen bovenleiding en overwegbevloering, waarvan het niveau gelijk is aan de BS-hoogte bedraagt:

  • a. minimaal: 5,10 m bij 1500 V gelijkstroom of 5,20 m bij 3000 V of hoger;
  • b. nomimaal: 5,50 m.
Artikel 18

De minimale afstand tussen spanningsvoerende geleiders en een kunstwerk voldoet aan NEN-EN nr. 50119.

Artikel 19

De spanning aan een stroomafnemer voldoet aan NEN-EN nr. 50163.

Artikel 20
1.

De bovenleiding is geschikt voor een maximale stroomafname bij stilstand overeenkomstig EN nr. 50367.

2.

De rijdraad van de bovenleiding is geschikt voor een maximale temperatuur bij stroomafname ter plaatse van de stroomafnemer van 150ºC.

3.

De maximale toelaatbare kortsluitstroom tussen bovenleiding en het spoorvoertuig voldoet aan EN nr. 50388.

4.

De bovenbouw is geschikt voor het transport van de retourstroom.

5.

De spoorweginfrastructuur is geschikt voor het terugleveren van energie aan het energienetwerk of aan andere gebruikers van de spoorweginfrastructuur.

§ 7. Emissie van immuniteit voor elektromagnetische velden

Artikel 21
1.

De emissie van elektromagnetische velden naar de omgeving voldoet aan NEN-EN nr. 50121, delen 1, 2, 4 en 5.

2.

De immuniteit van de hoofdspoorweginfrastructuur voor elektromagnetische velden van de spoorvoertuigen en van de omgeving voldoet aan NEN-EN nr. 50121, delen 1, 2, 4 en 5.

§ 8. Onderhoudseisen voor bestaande hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 22

Hoofdspoorweginfrastructuur, die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 6 van de Spoorwegwet in werking treedt, wordt gebruikt, voldoet ten aanzien van het onderhoud bij voortduring ten minste aan de volgende eisen:

  • a. artikel 6 voor wat betreft de spoorwijdte;

§ 9. Uitzonderingsbepalingen

Artikel 23
1.

Op hoofdspoorweginfrastructuur of onderdelen daarvan waarin nieuwe technologieën of concepten zijn verwerkt zijn de artikelen 6, 7, tweede lid, 8, 9 en 14 niet van toepassing, mits voldaan wordt aan artikel 8 van het besluit.

2.

Op delen van de hoofdspoorweginfrastructuur dat gebruikt wordt voor grensoverschrijdend spoorverkeer zijn de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, onderdeel e, en 14 niet van toepassing mits voldaan wordt aan artikel 8 van het besluit.

Artikel 24
1.

De Minister kan in ieder geval ontheffing verlenen van:

  • a. de artikelen 13 en 14 ten behoeve van het uitvoeren van proefritten;
  • c. artikel 8, eerste lid, onderdeel l, voor het aanleggen van spoorviaducten en tunnels mits gewaarborgd wordt dat spoorvoertuigen in beladen of onbeladen toestand een steilere helling kunnen berijden;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)