Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Drinkwatervoorziening over de periode 1913–1983: neerslag handelingen Minister van Verkeer en Waterstaat
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 november 2004, nr. arc-2004.01692/4);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Drinkwatervoorziening over de periode 1913–1983’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
Basis selectie document rijksinstituut voor drinkwatervoorziening 1913–1983
Lijst van afkortingen
ARA: Algemeen Rijksarchief → nu: Nationaal Archief
AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BSD: Basisselectiedocument
BUGM: Bijdragenbesluit uitvoering gemeentelijk milieubeleid
BWL: (Laboratorium voor) Bodem, Water en Lucht
CAS: Centrale Archief Selectiedienst
CoGroWa: Commissie Grondwaterwet Waterleidingbedrijven
COGS: Commissie Opslag Gevaarlijke Stoffen
Cowabo: (Permanente) Commissie inzake de Wateronttrekking aan de Bodem
EZ: (Ministerie van) Economische Zaken
IRC: International Reference Centre for community water supply → nu: IRC International Water and Sanitation Centre
IVA: Instituut voor Afvalstoffenonderzoek
KB: Koninklijk Besluit
KIWA: Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen N.V. → nu: Kiwa
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
NA: Nationaal Archief; voorheen: Algemeen Rijksarchief
PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PWC: planologische werkcommissie
RAD: Rijksarchiefdienst
RID: Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening
RIO: Rapport institutioneel onderzoek
RIV: Rijksinstituut voor de Volksgezondheid
RIVM: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne → nu: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RIZA: Rijksinstituut voor Zuivering van Afvalwater
(tegenwoordig Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling)
Stb.: Staatsblad
Stcrt: Staatscourant
VEWIN: Vereniging van Waterbedrijven in Nederland
VoMil: Minister / Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
VOGM: Vervolg-bijdrageregeling ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid
VROM: Minister / Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS: Minister / Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WHO: World Health Organization
WVC: Minister / Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
Verantwoording voor selectie in het algemeen
Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht hun drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als de overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCenW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn kan komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst.
Het doel en de werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt besproken in het zogenaamde driehoeksoverleg tussen het ministerie van VWS, het Nationaal Archief en het KNHG en vervolgens voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de minister van OC&W) en de betrokken zorgdrager(s).
BSD RID
In het geval van dit BSD is een en ander niet volgens de gebruikelijke gang van zaken verlopen. Een aantal handelingen van het RID is inmiddels ‘meegenomen’ in het rapport institutioneel onderzoek ‘Milieubeheer’, zoals opgesteld door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
Omdat niet alle handelingen in dit RIO zijn opgenomen, is, na overleg met het Algemeen Rijksarchief (later: Nationaal Archief), in de periode 2001–2002 gewerkt aan dit basis selectiedocument voor het RID voor de periode 1913–1983. De lijst is een omwerking van het ‘Bewerkingsplan archief Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening’ uit 1995. Bij deze omwerking zijn noch de in jaren ’90 vastgelegde selectiebeslissingen, noch de toentertijd vastgelegde vernietigingstermijnen gewijzigd.
Met materiaal uit het BSD en het bewerkingsplan is daarna pas het RIO samengesteld.
Juist omdat dit BSD deels organisatiegericht is, zijn ook bedrijfsvoeringshandelingen opgenomen. Daarvoor zijn o.a. de BSD’s op het gebied van Overheidspersoneel geraadpleegd.
Overigens zijn er geen vernietigingslijsten op dit beleidsterrein geweest of vernietigingsprocedures toegepast.
De definitie van het beleidsterrein
Het beleidsterrein omvat alle handelingen die zich richten op het tot stand brengen, het in stand houden en het coördineren van de drinkwatervoorziening in Nederland.
Het beleidsterrein heeft zich gedurende het bestaan van het bureau/instituut ontwikkeld. Tot in de eerste helft van de jaren zestig concentreerde het zich rond de totstandkoming van een landelijk net voor openbare drinkwatervoorziening, hoofdzakelijk in de vorm van provinciale en regionale drinkwatermaatschappijen, dat in de jaren zestig definitief wordt afgerond.
Vanaf de tweede helft van de jaren zestig draait het ook om de voorbereiding van basisplannen ten behoeve van structuurplannen voor de drink- en industriewatervoorziening. Richtte men zich in eerste instantie op het binnenland, na 1968 houdt men zich ook bezig met projecten in de Derde Wereld.
De afbakening van het beleidsterrein
Een raakvlak van de beleidsterreinen drinkwatervoorziening en waterstaat bleek nauwelijks te bestaan. Van de Minister van Verkeer en Waterstaat of van Rijkswaterstaat zijn dan ook geen handelingen opgenomen. Zij hebben voornamelijk een adviserende/voorwaardenscheppende rol gehad op het gebied van de drinkwatervoorziening, naar andere overheden en waterzuiveringsbedrijven toe. Het ministerie heeft nooit eigen beleid gehad specifiek gericht op drinkwatervoorziening of -kwaliteit.
Het Rijksinstituut voor Zuivering van Afvalwater (RIZA; tegenwoordig Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling) was op dit terrein wel actief. Het was het onderzoeks- en adviesinstituut van Rijkswaterstaat op het gebied van zoetwater in Nederland en een vooraanstaand internationaal kenniscentrum voor integraal waterbeheer. Het viel voor de oorlog onder de voorganger van VWS (tot 1947), na de oorlog onder het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het verrichte onderzoek en gaf de minister advies met betrekking tot rioolzuivering, drinkwatervoorziening en het huishoudelijk gebruik van water.
In elk geval zijn in RIO ‘Waterstaat’ , dat voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is opgesteld, geen handelingen opgenomen ten aanzien van de drinkwatervoorziening.
Het RID ging zich gedurende de tijd meer richten op breder milieu-onderzoek, waarbij bodem- en grondwateronderzoek de belangrijkste invalshoek bleef. De totstandkoming van EG-richtlijnen op het gebied van milieu en de ontdekking van verontreinigde grond onder woningen in Lekkerkerk vormden eind jaren zeventig en begin jaren tachtig aanleiding tot een intensievere samenwerking tussen het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (RIV; in 1934 tot stand gekomen door een fusie van het Centraal Laboratorium met het Rijks-Serologisch Instituut en de Rijks Controledienst Sera en Vaccins), het RID en het Instituut voor Afvalstoffenonderzoek (IVA, opgericht in 1952). Daarbij ressorteerden de instituten op dat moment onder het ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne.
In 1984 is het RID, samen met het RIV en het IVA opgegaan in het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM).
Het BSD Milieubeheer is gepubliceerd in Staatscouranten 2003, 155 t/m 158, maar niet vastgesteld namens VWS. De handelingen die uit het BSD Milieubeheer zijn overgenomen, worden middels het voorliggende BSD vastgesteld.
De afbakening van het onderzoeksgebied
Het BSD is in eerste instantie voor het RID bedoeld. Daarom richt het grootste deel van het BSD zich op de handelingen van het RID op het beleidsterrein drinkwatervoorziening. Het RID heeft bestaan van 1913 tot 1984. Dat is dan ook de periode waarvoor dit BSD is opgesteld.
Zeer bepalend voor het opnemen van handelingen van een bepaalde actor zijn de archiefinventaris en het bewerkingsplan van het RID geweest. Om die reden zijn de handelingen waarvoor ministers zelf verantwoordelijk waren, en niet het RID, niet opgenomen.
Het RID handelde onder de eindverantwoordelijkheid van de Minister van WVC en voorgangers. Het RID heeft zelf commissies ingesteld. De handelingen van die commissies zijn niet afzonderlijk genoemd, omdat ze vallen onder de handelingen van het RID.
Ook de Minister heeft commissies ingesteld op het beleidsterrein. De handelingen van deze commissies zijn wel in dit BSD opgenomen.
De doelstelling(en) van de overheid op het beleidsterrein
Het ministerie heeft het RID in 1913 opgericht uit het oogpunt van het realiseren van technisch-hygiënische voorzieningen ten behoeve van de bestrijding van besmettelijke ziekten. Het RID moest zorgen voor een goed functionerende openbare voorziening in gezond drinkwater.
Dat is lang zo gebleven. Pas in de jaren zestig verschoof het accent van de bescherming van de burgers tegen schadelijke producten en stoffen naar het terrein van het milieu. Men onderkende het belang van een schoon milieu voor de volksgezondheid.
De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in dit BSD zijn opgenomen
Het RID handelde onder de eindverantwoordelijkheid van de Minister van WVC en voorgangers. Het heeft zelf commissies ingesteld. De handelingen daarvan zijn in dit BSD opgenomen
Ook de Minister heeft commissies ingesteld. De handelingen daarvan zijn ook in dit BSD opgenomen.
Tevens is een handeling opgenomen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (RIV), dat samen met het RID en het IVA is opgegaan in het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM). Ten slotte is een handeling, RIZA, een adviesorgaan van Rijkswaterstaat, opgenomen.
Selectiedoelstelling
Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Tijdens de behandeling van de ontwerp-Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer verwoordde de Minister van WVC op 13 april 1994 deze doelstelling als volgt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.
Selectiecriteria
Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Deze criteria zijn door het Convenant van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening (PCDIN) en het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG).
Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.
De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het NA.
De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.
Overigens verlangt art. 5, onder e van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd:
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag worden van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingenbetreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
Algemeen selectiecriterium
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.