Besluit van 28 januari 2005, houdende nieuwe regels inzake de financiering van de rechtspraak in verband met het invoeren van een baten-lastenstelsel en het verrekenen van productieverschillen (Besluit financiering rechtspraak 2005)
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 december 2004, Directie Wetgeving, nr. 5323045/04/06;
Gelet op de artikelen 97, eerste lid, en 98, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2005, nr. W03.04.0591/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21 januari 2005, Directie Wetgeving nr. 5331152/05/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. wet: de Wet op de rechterlijke organisatie;
- b. zaak: een door een gerecht te behandelen of afgehandelde gerechtelijke procedure;
- c. productie: het totaal aantal behandelde of afgedane zaken;
- d. landelijke prijzen: de naar productgroep gedifferentieerde bedragen per zaak die worden gebruikt voor de vaststelling van de productiegerelateerde bijdrage aan de rechtspraak;
- e. lokale prijzen: de naar productgroep en gerecht gedifferentieerde bedragen die worden gebruikt voor de vaststelling van de productiegerelateerde bijdrage aan een gerecht;
- f. zaakscategorie: een deel van de productie dat binnen een gerechtscategorie op gelijksoortige wijze wordt behandeld;
- g. productgroep: een aantal samenhangende zaakscategorieën;
- h. gerechtscategorieën:
- 1°. de rechtbanken;
- 2°. de gerechtshoven;
- 3°. het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
- 4°. de Centrale Raad van Beroep.
Hoofdstuk 2. Ondersteunende systemen en modellen
Artikel 2
Er is een systeem van productiemeting voor de rechtspraak. Dit systeem houdt in het meten van het aantal behandelde of afgedane zaken per gerechtscategorie en daarbinnen per afzonderlijk gerecht.
De meting gebeurt op het niveau van afzonderlijke zaakscategorieën, geclusterd in productgroepen.
De Raad beheert de aan de indeling in productgroepen en zaakscategorieën ten grondslag liggende definities en modellen.
Belangrijke wijzigingen in de indeling in productgroepen en zaakscategorieën, alsmede de onderliggende definities en modellen behoeven de instemming van Onze Minister.
Artikel 3
Er is een systeem van prijsmeting voor de rechtspraak. Dit systeem houdt in het toerekenen van kosten aan aantallen behandelde of afgedane zaken voor alle gerechten gezamenlijk en daaruit eenduidig afgeleid de gerechten afzonderlijk.
De meting gebeurt op het niveau van de afzonderlijke productgroepen.
De Raad beheert de aan de prijsmeting ten grondslag liggende definities en modellen.
Belangrijke wijzigingen in de definities en modellen behoeven de instemming van Onze Minister.
Artikel 4
Er is een werklastmetingssysteem voor de rechtspraak. Dit systeem houdt in het meten van de werklast van het personeel bij de gerechten gemoeid met de productie door middel van periodieke tijdschrijfonderzoeken.
De meting gebeurt op het niveau van de afzonderlijke zaakscategorieën.
De Raad beheert de aan de werklastmeting ten grondslag liggende methode van periodieke tijdschrijfonderzoeken.
De Raad doet de opzet van de tijdschrijfonderzoeken alsmede de wijze waarop de onderzoeken worden uitgevoerd toetsen door een externe, onafhankelijke deskundige.
Artikel 5
De Raad houdt aanvullend op de tijdschrijfonderzoeken in het kader van de werklastmeting periodiek vergelijkende onderzoeken naar gerealiseerde prijsverschillen tussen gerechten.
Op verzoek van Onze Minister dan wel eigener beweging houdt de Raad gerichte diepteonderzoeken naar specifieke elementen van de gerealiseerde prijs per zaak.
Artikel 6
De Raad stelt een commissie in die de Raad adviseert over wijzigingen in de productie-, prijs- en werklastmetingssystemen alsmede de opzet van de vergelijkende en diepteonderzoeken, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5.
De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de gerechten.
Een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie neemt als waarnemer deel aan de overleggen van de commissie.
Artikel 7
De Raad en de gerechten ontwikkelen en beheren een kwaliteitssysteem. Aan de hand van het systeem wordt de kwaliteit van de rechterlijke organisatie en meer in het bijzonder het rechterlijke functioneren gemeten.
De Raad doet de opzet van het kwaliteitssysteem toetsen door een externe, onafhankelijke deskundige.
Artikel 8
Onze Minister ontwikkelt en beheert een prognosemodel voor de instroom van zaken. Het model heeft als doel tot objectief gefundeerde uitspraken te komen over de te verwachten instroom van zaken bij de gerechten.
De ontwikkeling en het beheer van het prognosemodel gebeuren in overleg met de Raad.
Onze Minister doet de opzet van het prognosemodel toetsen door een externe, onafhankelijke deskundige.
Hoofdstuk 3. Bijdragetoekenning door Onze Minister aan de Raad
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 9
De jaarlijks aan de Raad toe te kennen bijdrage ten behoeve van de activiteiten van de Raad en de gerechten gezamenlijk is gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de Raad is opgenomen in de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde begroting van het Ministerie van Justitie.
Artikel 10
De aan de Raad toe te kennen bijdrage bestaat uit de volgende onderdelen:
- a. een productiegerelateerde bijdrage;
- b. een bijdrage voor gerechtskosten;
- c. een bijdrage voor overige uitgaven.
Afdeling 2. De aan de Raad toe te kennen bijdrage
Artikel 11
De productiegerelateerde bijdrage wordt bepaald door de voor het desbetreffende jaar geldende landelijke prijzen te vermenigvuldigen met het aantal in de begroting van het Ministerie van Justitie opgenomen zaken per productgroep.
Artikel 12
De landelijke prijzen worden voor drie opeenvolgende jaren vastgesteld en opgenomen in de begroting van het Ministerie van Justitie.
De prijzen zijn gebaseerd op:
- a. de in het verleden gerealiseerde prijs per productgroep;
- b. veranderingen in de verhouding van de aantallen zaken per zaakscategorie binnen de productgroep;
- c. de uitkomsten van de werklastmeting, bedoeld in artikel 4, en de aanvullende onderzoeken, bedoeld in artikel 5;
- d. overwegingen van kwaliteit op basis van informatie uit het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 7;
- e. overwegingen van doelmatigheid.
Jaarlijks worden de prijzen aangepast in verband met algemene loon- en prijsontwikkelingen.
Artikel 13
De Raad baseert in zijn begrotingsvoorstel voor het uitvoeringsjaar en de vier daaropvolgende jaren de raming van het aantal zaken per productgroep op de verwachte instroom van zaken in het begrotingsjaar, de werkvoorraad aan het begin van het uitvoeringsjaar en de gewenste werkvoorraad aan het eind van het jaar.
De Raad hanteert het prognosemodel, bedoeld in artikel 8, voor de raming van de verwachte instroom van zaken. Indien hij voor zijn begrotingsvoorstel afwijkt van door het prognosemodel gegenereerde gegevens, worden de redenen daarvoor opgenomen in het voorstel.
De Raad corrigeert, in voorkomend geval, de raming van de verwachte instroom voor de effecten van wijzigingen in het systeem van de rechtspraak.
Artikel 14
De bijdrage voor gerechtskosten wordt bepaald door de gerechtskosten per zaak te vermenigvuldigen met het aantal in de begroting van het Ministerie van Justitie opgenomen civiele en bestuursrechtelijke zaken.
Onder gerechtskosten per zaak wordt verstaan: de gerealiseerde gerechtskosten in civiele en bestuursrechtelijke zaken in het meest recente aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar gedeeld door het aantal afgehandelde civiele en bestuursrechtelijke zaken in het desbetreffende begrotingsjaar.
Indien het in het eerste lid bedoelde bedrag niet toereikend is, stelt Onze Minister aanvullende financiële middelen ter beschikking van de Raad teneinde de met de gerechtskosten gemoeide uitgaven van de gerechten te bekostigen.
Artikel 15
De bijdrage voor overige uitgaven is gelijk aan het bedrag dat hiervoor is opgenomen in de begroting van het Ministerie van Justitie.
De Raad neemt in zijn begrotingsvoorstel een plan op met daarin een raming van de overige uitgaven voor het desbetreffende begrotingsjaar, een omschrijving van de activiteiten en de daarmee nagestreefde concrete doelstellingen.
In de raming worden incidentele en structurele kosten zichtbaar gemaakt.
Afdeling 3. Aan de bijdragetoekenning te verbinden voorschriften
Artikel 16
De door Onze Minister aan de jaarlijkse bijdragetoekenning te verbinden voorschriften kunnen slechts betrekking hebben op:
- a. de door de gerechten gezamenlijk te realiseren zaaksaantallen per productgroep;
- b. te realiseren doelstellingen zoals opgenomen in het in artikel 15 bedoelde plan;
- c. het realiseren van in arbeidsvoorwaardenoverleg gemaakte afspraken.
Afdeling 4. Vermogen en verrekening van productieverschillen
Artikel 17
Het eigen vermogen van de rechtspraak wordt bepaald door de som te nemen van de eigen vermogens van de gerechten en onder de Raad ressorterende diensten, bedoeld in de artikelen 36 en 39, tweede lid, en het eigen vermogen van de Raad zelf, bedoeld in artikel 18.
In de balans kunnen onder het eigen vermogen van de rechtspraak slechts worden opgenomen:
- a. een exploitatiereserve;
- b. een verplichte reserve, dat wil zeggen een reserve als bedoeld in artikel 2:365 BW, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel en artikel 2:390 BW;
- c. het onverdeelde resultaat.
Het totaal van de exploitatiereserve en het onverdeeld resultaat van de rechtspraak bedraagt ten hoogste 5% van de gemiddelde jaarlijkse baten van de rechtspraak, berekend over de laatste drie jaar.
Het eigen vermogen van de rechtspraak is minimaal nul.
Een positief exploitatieresultaat van de rechtspraak komt tot de in het derde lid bedoelde grens ten goede aan de exploitatiereserve van de rechtspraak. Het meerdere keert de Raad uit aan Onze Minister.
Een negatief exploitatieresultaat van de rechtspraak komt ten laste van de exploitatiereserve van de rechtspraak. In het uitzonderlijke geval dat dit leidt tot een negatief vermogen wordt dit aangezuiverd door Onze Minister en vindt overleg plaats over te nemen maatregelen als bedoeld in artikel 21.
Voor het tegen een financiële vergoeding verrichten van activiteiten die niet in een wettelijke regeling aan de rechtspraak zijn opgedragen voor anderen dan Onze Minister, behoeft de Raad de instemming van Onze Minister.
Artikel 18
De Raad heeft een eigen vermogen bestaande uit een exploitatiereserve, een verplichte reserve en het onverdeeld resultaat.
De exploitatiereserve van de Raad is bestemd om risico’s in de bedrijfsvoering van de rechtspraak als geheel op te vangen.
Onze Minister kan met inachtneming van artikel 17, derde lid, om niet een toevoeging doen aan de exploitatiereserve van de Raad ten einde het eigen vermogen van de Raad te versterken.
Het is de Raad niet toegestaan bijdragen in de vorm van een lening te aanvaarden van anderen dan Onze Minister van Financiën. Bijdragen van anderen worden toegevoegd aan de exploitatiereserve van de Raad.
Artikel 19
De Raad beheert een egalisatierekening voor de rechtspraak.
De egalisatierekening is bestemd om verschillen tussen de overeengekomen en gerealiseerde productie te verrekenen.
De egalisatierekening maakt deel uit van de balans van de Raad.
De gelden op de egalisatierekening worden zonder rente aangehouden op een rekening-courant bij de Rijkshoofdboekhouding van het Ministerie van Financiën.
Een positieve verrekening ten laste van de egalisatierekening kan niet meer zijn dan het totaal beschikbare bedrag op de rekening
Artikel 20
De aan de Raad ingevolge artikel 11 toegekende productiegerelateerde bijdrage wordt verhoogd dan wel verlaagd indien de gerechten meer dan wel minder zaken per productgroep hebben afgedaan dan in de begroting van het Ministerie van Justitie was opgenomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.