Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën periode vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

Type Archiefselectielijst
Publication 2005-06-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/4);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument

Lijst van afkortingen

1LK: 1e Legerkorps

ACE: Allied Command Europe

ADA: Adviesraad Defensie Aangelegenheden

AID: Algemene Inspectiedienst

AMVB: algemene maatregel van bestuur

AVV: Adviesraad Vrede en Veiligheid

BLS: Bevelhebber der Landstrijdkrachten

BSD: Basis selectie document

Bv: Bijvoorbeeld

CCIS: Command, Control and Information Systems

CDS: Chef Defensiestaf

CHYD: Chef der Hydrografie

COCOM: Coördinatiecommissie voor Multilaterale Strategische Exportcontrole

cpx: commando post exercise

CSBM: Confidence and Security Building Measures

CSE: Conventionele Strijdkrachten in Europa

CVSE: Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa

CW: Chemisch Wapenverdrag

DGM: Directoraat-Generaal Materieel

DGEF: Directoraat-Generaal Economie en Financiën

DGSM: Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken

DP: defensie Publicaties

DPKM: Directie Personeel KM

IAEA: International Atomic Energy Agency

IFR: Instrument Flight Rules

INF: Intermediate-range Nuclear Forces

JCG: Joint Consultative Group

KB: Koninklijk Besluit

KL: Koninklijke Landmacht

KLu: Koninklijke Luchtmacht

KM: Koninklijke Marine

KMar: Koninklijke Marechaussee

KNMI: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

LVR: Luchtvaartreglement

MBFR: Mutual and Balanced Force Reductions

Mbt: Met betrekking tot

MP: Ministeriële Publicaties

MTCR: Missile Technology Control Regime

NATO: North Atlantic Treaty Organization

NAVO: Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

NBC: Nucleair, bacteriologisch, Chemisch

NL: Nederland(s)

OPS BLS: Operationele Staf Bevelhebber der Landstrijdkrachten

PIVOT: Project Implementatie Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

SAR: Search and Rescue

STANAG: Standardization Agreement (NATO)

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

Tbv: Ten behoeve van

UNSCOM: United Nations Special Commission

VFR: Visual Flight Rules

VN: Verenigde Naties

VVHO: Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties

VVKM: Verzameling van Verordeningen voor de Koninklijke Marine

VROM: (ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

VS: Voorschriften voor de Koninklijke Landmacht

WEU: West-Europese Unie

WU: Westerse Unie

Inleiding

Het PIVOT-rapport Te land, ter zee en in de lucht. Een institutioneel onderzoek naar taken en handelingen op het beleidsterrein militaire operatiën van het ministerie van Defensie en voorgangers, 1945–1993 is in 1998 gereed gekomen. Het rapport is het resultaat van institutioneel onderzoek bij het Ministerie van Defensie en behandelt de periode 1945–1993. De selectielijst die is gebaseerd op dit rapport werd vastgesteld bij beschikking van 26 april 2002 (Stcrt. 2002/14).

In de periode mei–augustus 2002 werd door het ministerie van Defensie een aanvullend rapport opgesteld over de periode 1994–2002.

Dit basis selectie document (BSD) is daarvan het product Het BSD geldt als de selectielijst zoals bedoeld in artikel 5 van het Archiefbesluit (KB 15 december 1995, Stb. 671), ter uitvoering van de Archiefwet 1995 (28 april 1995, Stb. 276). Het BSD maakt het mogelijk het handelen van de rijksoverheid op het beleidsterrein militaire operatiën te beoordelen en omvat de resultaten, met afwegingen, van het selectieproces.

De grondslag voor de overheidstaken op het gebied van de Nederlandse defensie is gelegen in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin ondermeer wordt verklaard dat ‘de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk’ een aangelegenheid van het Koninkrijk is. De Grondwet stelt vervolgens: ‘tot bescherming der belangen van de staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en dienstplichtigen’ en ‘de regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht’. 1Artikel 3, lid 1, Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden 1954 (Stb. 503), zoals gewijzigd in 1975 (Stb. 617) en 1985 (Stb. 148 en 452). Artikel 98, lid 1 en 2, Grondwet 1987 (Stb. 458).De feitelijke afschaffing van de opkomstplicht noopte tot een herziening van de Grondwet die in 19952Stb. 1995, nr. 401. haar beslag kreeg. Artikel 98, eerste lid luidde voortaan: Tot bescherming van de belangen van de staat is er een krijgsmacht die bestaat uit vrijwillig dienenden en mede kan bestaan uit dienstplichtigen.

Op grond van de in het Statuut en de Grondwet neergelegde bepalingen kan de hoofddoelstelling op het taakgebied defensie geformuleerd worden als het met militaire middelen handhaven van de in- en uitwendige veiligheid van het Koninkrijk der Nederlanden. Om deze hoofddoelstelling en de daaruit voortvloeiende taken uit te kunnen voerden namens de regering tot 1959 de ministers van Marine en van Oorlog het gezag uit over de krijgsmacht; sinds 1959 is dit de Minister van Defensie. Het ministerie van Defensie beschikt over een krijgsmacht, die bestaat uit drie (krijgsmacht)delen: de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht (alsmede de Koninklijke Marechaussee). Deze organisatie schept het kader voor militair personeel om effectief gebruik te maken van militair materieel.

De opbouw en instandhouding van militair personeel en materieel is echter geen doel op zich, maar vormt een randvoorwaarde om tot de uitvoering van de hoofddoelstelling te komen. De beleidsterreinen militair personeel en militair materieel, alsmede andere taakvelden die als randvoorwaarden kunnen worden beschouwd, zijn reeds beschreven in andere institutionele onderzoeken (zie 1.2).3In Geef acht (PIVOT-rapport nr. 25), 103 en 129, wordt in verband met opleidingen en ontwikkeling, sport en ontspanning bij de KL gesteld dat deze in het RIO van het beleidsterrein militaire operatiën zouden worden beschreven. Er is inmiddels besloten om dit, in het kader van het onderhoud van het BSD militair personeel, daar op te nemen. Het beleidsterrein militaire operatiën behelst de daadwerkelijke uitvoering van de handhaving van de in- en uitwendige veiligheid van het Koninkrijk der Nederlanden, en een deel van de voorbereiding daarvan. Het wordt onderverdeeld in vier subdoelstellingen, de zogenaamde taakvelden:4Deze deeltaakvelden zijn enigszins anders geformuleerd dan de ‘officiële’ subdoelstellingen zoals weergegeven in 1.2, om ze beter aan te laten sluiten op de titels van de hoofdstukken waarin ze worden behandeld.

Deze taakvelden overlappen elkaar gedeeltelijk, zeker wat de beleidsvoorbereiding en -evaluatie betreft. Een aantal handelingen die hieruit voortvloeien zijn voor alle vier taakvelden hetzelfde, zoals bijvoorbeeld het voorbereiden en bepalen van het Defensiebeleid, het instellen, wijzigen, verplaatsen en opheffen van organisatie-onderdelen of het voorbereiden van het overleg met en het informeren van de Staten-Generaal. In plaats van al deze handelingen apart op te nemen in de hoofdstukken die de taakvelden beschrijven is gekozen om ze op te nemen in een aparte lijst met algemene handelingen (3.3.4). De handelingen die voor de respectievelijke taakvelden overblijven zijn voornamelijk gerelateerd aan wet- en regelgeving en de uitvoering van beleid door de (afdelingen van) de krijgsmachtdelen.

Taakveld I beslaat kortgezegd de verdediging van het Nederlandse territorium en dat van de Nederlandse Antillen. De territoriale verdediging van Nederlands-Indië, Nieuw-Guinea en Suriname is in dit institutioneel onderzoek buiten beschouwing gelaten – afgezien van de beleidsmatige voorbereiding daarvan – daar de onderhavige archieven (die ten dele al reeds zijn bewerkt) niet aan een PIVOT-onderzoek zullen worden onderworpen, gezien hun specifieke karakter en het feit dat het beschrijven van handelingen voor toekomstige archiefselectie niet meer van toepassing is op deze gebieden.

Naast de beschrijving van het wettelijke kader voor de uitoefening van het militair gezag onder oorlogsomstandigheden en aanverwante maatregelen en bevoegdheden, komt in hoofdstuk 4 voornamelijk de (voorbereiding van de) uitoefening van de territoriale verdediging aan de orde. In vredestijd worden militairen geoefend en voorbereid op hun taken, en wordt gezorgd voor een optimale mobiliteit, communicatie en veiligheid. Randvoorwaarden die ook in dit hoofdstuk zijn opgenomen zijn ceremoniële en protocollaire aangelegenheden die verband houden met de traditie en het gezicht van de krijgsmacht, en het verwerven van en toezicht houden op militaire (oefen)terreinen en het aanleggen van strategische verdedigingswerken die buiten het beleidsterrein rijkshuisvesting (zie 1.2) vallen. Deze aspecten komen alle terug in de territoriale verdediging van de Nederlandse Antillen, waar zich echter ook enige specifieke aspecten voordoen met betrekking tot de militaire taken aldaar.

Taakveld II behelst de Nederlandse inbreng binnen de bondgenootschappelijke verbanden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), de Westeuropese Unie (WEU) en aanverwante organisaties. In hoofdstuk 5 wordt de geschiedenis en opzet van deze organisaties beschreven. De toetreding van Nederland in deze organisaties had beduidende gevolgen voor de ontwikkeling van het Defensiebeleid, de taken van de krijgsmacht (die gedeeltelijk of geheel onder bondgenootschappelijk bevel werden geplaatst en soms in het buitenland werden gestationeerd) en het strategische concept van de territoriale verdediging van Nederland. De positie en taken van Nederland in de NAVO en WEU worden weergegeven, alsmede de planning in deze organisaties. De handelingen die in dit kader worden verricht vallen alle onder de algemene handelingen.

Taakveld III betreft internationale vrede en veiligheid, en valt in twee delen uiteen: de Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties en de Nederlandse bemoeienis met wapenbeheersing. In hoofdstuk 6 komt de rol van Nederland in organisaties zoals de Verenigde Naties (VN), de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en het International Atomic Energy Agency (IAEA) aan bod. De deelname van Nederlandse militairen aan peacekeeping en peace-enforcing (en eveneens vredesoperaties) komt doorgaans slechts tot stand na intensief internationaal overleg, waarna de militairen eventueel worden voorbereid op hun specifieke taken onder vaak buitengewone omstandigheden; naderhand vindt er evaluatie en verantwoording plaats. Het Nederlandse beleid inzake wapenbeheersing wordt hier ook als een militaire operationele aangelegenheid beschouwd, ook uit deze zich niet in de (voorbereiding van de) uitvoering van taken onder oorlogsomstandigheden, maar door het inbrengen van standpunten in internationale overlegorganen en het sluiten en ratificeren van verdragen.

Taakveld IV is eerder beschreven in Laurens Verbeek, In voorkomend geval. Een institutioneel onderzoek op taakveld IV van het beleidsterrein militaire operatiën: militaire bijstand en steunverlening, 1945–1993 (’s-Gravenhage 1995). Dit deelrapport is als hoofdstuk 7 in dit RIO opgenomen, omdat het ook onder militaire operatiën valt. Hiervoor is het stuk waar nodig redactioneel en inhoudelijk aangepast. Het gaat bij bijstand en steunverlening om aanvulling van civiele middelen wanneer deze tekortschieten, zoals bij ordeverstoringen en rampenbestrijding. Tevens heeft het ministerie van Defensie een aantal taken toebedeeld gekregen op grond van traditie, wettelijke verordeningen en afspraken, zoals verantwoordelijkheid voor explosievenopruiming, het opsporen en redden van drenkelingen op zee en het loodswezen. In alle gevallen staat het militaire apparaat ten dienste van de civiele maatschappij.

Bij militaire bijstand wordt defensiepersoneel onder bevel van een civiele autoriteit geplaatst, bijvoorbeeld de burgemeester, de Commissaris van de Koningin of de Minister van Binnenlandse Zaken. Hierbij wordt het ingezet ten behoeve van de politie of van crisisbeheersing, en de daaruit voortvloeiende handelingen vallen onder die beleidsterreinen. Bij militaire steunverlening is het defensiepersoneel verantwoording schuldig aan de Minister van Defensie, en hun inzet kan beschouwd worden als onderdeel van hun militair-operationele taken.

Bij alle vier taakvelden wordt het beleid op vrijwel identieke manier voorbereid. Hiervoor heeft het ministerie van Defensie een organisatie die zich richt op de voorbereiding van de operationele taakuitvoering in algemene zin. Deze organisatie, zowel bij de krijgsmachtdelen (de staven en hun afdelingen) als op centraal niveau (de Defensiestaf), wordt in de volgende paragraaf beschreven. Daarna volgt de beschrijving van de manier waarop de planning en evaluatie van het beleid in de organisatie plaatsvindt, inclusief de lijst met de algemene handelingen. De inspecties, gericht op de evaluatie van de uitvoering van het beleid bij militaire eenheden, worden tenslotte apart opgenomen, daar dit een uitgebreide context-beschrijving behoeft en van een algemeen karakter is die boven de vier taakvelden staat.

In januari 1999 presenteerde de minister de Hoofdlijnennotitie voor de Defensienota 2000. In deze Hoofdlijnennotitie worden de uitgangspunten en richtlijnen beschreven voor de Defensienota die, uitgaande van het Regeerakkoord, gestalte zal geven aan de krijgsmacht voor de komende tien jaar.

De notitie geeft reeds de aanzet voor een accentverschuiving te zien van een algemene verdedigingstaak naar nationale en internationale vredes- en hulpverleningsoperaties. Voor vredesoperaties en verdediging zijn parate, snel inzetbare eenheden nodig. Een speerpunt in de Hoofdlijnennotitie vormt dan ook de vergroting van de inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht. De Defensienota – het vervolg van de in januari verschenen Hoofdlijnennotitie – verschijnt eind 1999 en omschrijft de omvang en structuur van de krijgsmacht voor de komende tien jaar en geeft financiële verschuivingen aan voor een bedrag van tien miljard gulden.

De Defensienota 2000 schets de internationale veiligheidssituatie; immers, hierop wordt het Nederlandse veiligheidsbeleid gebaseerd. De defensienota presenteert een paratere, meer flexibele en beter inzetbare landstrijdkrachten en marinierseenheden, maar ook wordt het vermogen van de krijgsmacht verbeterd om eenmaal in gang gezette militaire operaties voort te zetten. De Nederlandse krijgsmacht dient te berusten op de modulegedachte: de krijgsmacht is een samenstel van modules die deel kunnen uitmaken van multinationale militaire verbanden. Zij moeten inpasbaar zijn in door de Navo, de VN, de (W)EU of een ad hoc coalitie geleide verbanden.

De krijgsmacht moet volgens de Defensienota 2000 in staat zijn tot:

algemene verdediging in bondgenootschappelijk kader waarbij ook mobilisatie van reserve-eenheden plaatsvindt;

deelname van beperkte duur in een vredesafdwingende operatie met een brigade of het equivalent daarvan: een maritieme taakgroep, drie squadrons jachtvliegtuigen, of een combinatie van deze eenheden

deelname gedurende lange tijd aan maximaal vier vredesoperaties met bijdragen van bataljonsgrootte of equivalenten daarvan, zoals een squadron jachtvliegers of twee fregatten

nationale militaire taken, zoals de bewaking en beveiliging van het eigen grondgebied, de kustwateren en het luchtruim

civiele overheidstaken, zoals politietaken, door de Koninklijke Marechaussee (grensbewaking, mobiel toezicht vreemdelingen en veiligheidszorg op burgerluchtvaartterreinen) en assistentie bij de uitvoering van een groot aantal civiele overheidstaken

het waarborgen van de territoriale integriteit van de Nederlandse Antillen en Aruba en het uitvoeren van civiele taken zoals kustwacht en drugsbestrijding.

Het belang van flexibiliteit is onderstreept in het Strategische concept van de NAVO. De NAVO wil, kort samengevat, beschikken over strijdkrachten die:

het bondgenootschap in staat stellen de territoriale verdediging van het Navo-grondgebied te waarborgen en tevens een scala aan operaties daarbuiten uit te voeren (flexibel, meervoudig inzetbaar);

snel inzetbaar zijn en over grote afstanden kunnen worden verplaatst (paraat, mobiel);

over voldoende gevechtskracht en beschermingsmiddelen beschikken (robuust);

gedurende lange tijd kunnen optreden (voortzettingsvermogen);

goed inpasbaar zijn in wisselende multinationale verbanden (interoperabel);

beschikken over hoogwaardig personeel en materieel (kwaliteit);

beschikken over voldoende ondersteunende eenheden;

beschikken over reserve-eenheden voor het geval zich in de toekomst een grote dreiging voordoet tegen het Navo-verdragsgebied.

De maatregelen ter vergroting van de paraatheid en de inzetbaarheid leveren een belangrijke bijdrage aan het voortzettingsvermogen. Ook wordt de structuur van de krijgsmacht beter ingericht op de uitzendingssystematiek voor vredesoperaties. Daarbij is uitgangspunt dat steeds drie vergelijkbare eenheden beschikbaar zijn: één eenheid bereidt zich voor op uitzending, één is beschikbaar voor uitzending of is uitgezonden en één recupereert. Deze benadering is niet alleen gekozen bij de landstrijdkrachten.

In 2000 werden alle bepalingen in de Grondwet betreffende de verdediging en de krijgsmacht vervangen. Naast een bepaling over het oppergezag over de krijgsmacht en een algemene omschrijving van de taak van de krijgsmacht wordt er de samenstelling van de krijgsmacht en de dienstplicht bepaald.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.