Regeling van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1614, houdende regels met betrekking tot de subsidiering van het Actieplan BBI-Matra 2005–2008 en tot wijziging van de Regeling diverse subsidieplafonds en aanvraagperioden LNV

Type Ministeriële regeling
Publication 2008-02-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Op de voet van deze regeling kan de minister op aanvraag subsidie verstrekken in de kosten van projecten die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het Actieplan.

Artikel 3

Voor subsidie komen in aanmerking in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen naar Nederlands publiekrecht, waarvan de doelstelling past binnen het doel van de subsidieverstrekking en die naar het oordeel van de Minister voldoende kunnen aantonen dat zij in één of meer van de doellanden samenwerken met en ondersteuning bieden aan lokale organisaties.

Artikel 4

Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend voor projecten met de volgende thematische invalshoeken, bedoeld in het Actieplan:

Artikel 5
1.

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking projecten die:

2.

Een project dat betrekking heeft op Wit-Rusland komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien in het kader van het project niet wordt samengewerkt met de centrale overheid van dat land.

Artikel 6

Geen subsidie wordt verstrekt voor:

Artikel 7
1.

Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende met het project verband houdende kosten:

2.

De subsidie kan worden verhoogd met een opslag voor algemene kosten, van ten hoogste 7,5% van de in het eerste lid genoemde kosten.

Artikel 8
1.

In afwijking van artikel 7, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt op basis van een door de minister goed te keuren dagtarief.

2.

Ingeval subsidie wordt verleend op basis van een dagtarief, is artikel 7, tweede lid, niet van toepassing.

Artikel 9

De subsidie bedraagt 100% van de overeenkomstig artikel 7 dan wel 8 berekende kosten.

Artikel 10
1.

Indien voor een project uit anderen hoofde ten laste van ’s Rijks kas subsidies worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag op grond van deze regeling verstrekt, dat de som van de subsidies het in artikel 9 genoemde percentage niet overschrijdt.

2.

Indien voor een project subsidies door een ander bestuursorgaan dan de minister of financiële middelen door niet-bestuursorganen worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag op grond van deze regeling verstrekt, dat de som van de subsidies of de financiële middelen niet meer bedraagt dan 100% van de totale kosten van het project.

Artikel 11
1.

Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2008: € 2.550.500,–.

2.

In het jaar 2008 komen projecten waarvan de aangevraagde subsidie meer bedraagt dan € 220.000 niet voor subsidie in aanmerking.

§ 2. Subsidieverlening

Artikel 12

De aanvraagperiode wordt voor het jaar 2008 vastgesteld op de periode 4 februari tot en met 17 maart 2008.

Artikel 13
1.

Een aanvraag tot subsidieverlening wordt in de Nederlandse of de Engelse taal gericht aan de minister en ingediend bij Dienst Regelingen op een daartoe door de directeur van Dienst Regelingen vastgesteld formulier.

2.

Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:

3.

Het projectplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in ieder geval het volgende:

4.

Het projectplan wordt in de Nederlandse of de Engelse taal opgesteld.

Artikel 14
1.

De minister rangschikt de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen zodanig dat een project of een programma hoger gerangschikt wordt naarmate het:

2.

De minister houdt bij de rangschikking van de aanvragen rekening met een evenwichtige verdeling van de middelen over de thematische invalshoeken, genoemd in artikel 4, over de doellanden en over projecten.

3.

Voor de aanvraagperioden in de jaren 2007 en 2008 worden projecten met de volgende thematische invalhoeken of in de volgende doellanden hoger gerangschikt:

4.

De minister maakt het in het derde lid genoemde besluit bekend in de Staatscourant.

Artikel 15
1.

De minister geeft een beschikking omtrent subsidieverlening binnen vijf maanden na afloop van de desbetreffende aanvraagperiode.

2.

De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

Artikel 16

Subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 3. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 17

De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op een eenvoudige wijze alle kosten van het project kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 7 onderscheiden kostenposten.

Artikel 18
1.

De subsidieontvanger voert het project of programma uit overeenkomstig het projectplan, behoudens door de minister goedgekeurde wijzigingen.

2.

Ter verkrijging van goedkeuring, als bedoeld in het eerste lid, wordt een daartoe strekkend verzoek gericht aan de minister en ingediend bij Dienst Regelingen.

3.

Goedkeuring, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet verleend voor zover het wijzigingen ten aanzien van de doelstelling betreft.

4.

De minister deelt de subsidieontvanger mede of en in welke mate de wijzigingen van het project of programma gevolgen heeft voor de verleende subsidie of voor de bij de verlening van de subsidie vastgestelde verplichtingen. De wijzigingen hebben geen verhoging tot gevolg van het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld.

Artikel 19

De subsidieontvanger is verplicht om binnen een periode van twaalf maanden na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening te beginnen met de uitvoering van het project en het project uiterlijk 1 juli 2011 af te ronden.

Artikel 20
1.

In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.

2.

Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de waarde van de met de subsidie verkregen eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat, in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen, wordt uitgegaan van het bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt. Indien het een onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door een door de minister aan te wijzen onafhankelijke deskundige.

3.

Toepassing van het eerste lid blijft achterwege, indien het project, na toestemming door de minister, door een andere rechtspersoon wordt voortgezet en de activa om niet aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.

4.

Toepassing van het eerste lid blijft eveneens achterwege, indien bij de subsidievaststelling ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat de met het project ontwikkelde activiteiten na de subsidievaststelling tenminste drie jaar worden voortgezet door de subsidieontvanger of, na toestemming door de minister, door een andere rechtspersoon en de activa om niet aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.

5.

Ter verkrijging van de toestemming, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt een daartoe strekkend verzoek gericht aan de minister en ingediend bij Dienst Regelingen.

§ 4. Bevoorschotting

Artikel 21
1.

De minister kan de subsidieontvanger voorschotten verstrekken van ten hoogste 80% van het bedrag vermeld in de beschikking tot subsidieverlening.

2.

Ingeval subsidie is verleend voor meerdere aaneengesloten jaren, kan per jaar één voorschot worden verstrekt, met dien verstande dat het in het eerste lid genoemde percentage naar rato wordt verdeeld over de onderscheiden jaren.

3.

Een verzoek om een voorschot wordt uiterlijk 30 juni van het desbetreffende jaar ingediend.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.