Wet van 16 juni 2005, houdende regels met betrekking tot het in gebruik geven van grond ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen aan wegen in beheer bij het Rijk (Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen)

Type Wet
Publication 2025-02-12
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomsten voor het gebruik van grond ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen aan wegen in beheer bij de Staat door middel van een veiling toe te wijzen, teneinde aldus de prijsconcurrentie op de markt van motorbrandstoffen langs wegen in beheer bij het Rijk te vergroten, de toetredingsmogelijkheden tot die markt te verruimen, en de Staat een vergoeding te bieden voor zijn bijdrage aan het tot stand brengen van die markt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Paragraaf 1. Definities

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze wet is slechts van toepassing op locaties die zijn gelegen op een verzorgingsplaats

Paragraaf 2. De huurovereenkomst

Artikel 3
1.

De Staat geeft een locatie in gebruik door middel van een huurovereenkomst. Onverminderd het bepaalde in artikel 217, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek heeft aanbod en aanvaarding van de huurovereenkomst slechts plaats op de door deze wet bepaalde wijze.

2.

De volgende leden zijn uitsluitend van toepassing op huurovereenkomsten die overeenkomstig artikel 5 tot stand zijn gekomen.

3.

De huurder is bevoegd op de locatie gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen, te wijzigen en te verwijderen. Hij draagt er zorg voor dat gebouwen, werken en beplantingen, voorzover aanwezig, in goede staat zijn.

4.

De huurovereenkomst heeft een duur van ten hoogste vijftien jaren. Zij kan uitdrukkelijk noch stilzwijgend worden verlengd voorzover door de verlenging de overeenkomst een duur krijgt van meer dan vijftien jaren. Indien evenwel na een veiling de huurovereenkomst met degene die op de veiling het hoogste bod heeft uitgebracht niet tot stand komt ingevolge artikel 5, vijfde lid, kan de huurovereenkomst die ten tijde van de veiling van kracht was voor een korte duur worden verlengd, ongeacht de duur die die overeenkomst door die verlenging krijgt.

6.

De huurder is bevoegd om met betrekking tot de locatie, die voorwerp is van de door hem gesloten huurovereenkomst, een overeenkomst te sluiten met een exploitant. Een zodanige overeenkomst eindigt in ieder geval op het moment waarop de huurovereenkomst eindigt. In afwijking van artikel 300, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is daartoe geen opzegging vereist. Indien de overeenkomst met de exploitant een huurovereenkomst is in de zin van artikel 201 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op die huurovereenkomst niet van toepassing. Indien het aan de exploitant verhuurde voldoet aan de omschrijving van bedrijfsruimte in artikel 290, tweede en derde lid van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is, onverminderd de tweede en derde volzin van dit lid, afdeling 6 van titel 4 van dat boek op de huurovereenkomst met die exploitant van toepassing.

7.

In afwijking van de eerste volzin van het eerste lid kan de Staat op verzoek van degene, met wie overeenkomstig artikel 5 een huurovereenkomst is gesloten, de locatie aan hem in gebruik geven door vestiging van een recht van erfpacht. Het recht van erfpacht vervangt de huurovereenkomst. Het verzoek wordt uiterlijk gedaan op de derde werkdag na de veiling, bedoeld in artikel 5. Alle kosten en lasten van de erfpacht zijn ten laste van de verzoeker. Op de erfpacht onderscheidenlijk de erfpachter zijn de bepalingen van deze wet inzake de huurovereenkomst onderscheidenlijk de huurder van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 3, vijfde lid. Artikel 98 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is op de erfpacht evenmin van toepassing.

Artikel 4

Na afloop van de huurovereenkomst die overeenkomstig artikel 5 tot stand is gekomen vergoedt de Staat aan de huurder de waarde van de gebouwen, werken en beplantingen, die de huurder op de locatie heeft achtergelaten. Deze waarde is gelijk aan de gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken, berekend krachtens artikel 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Paragraaf 3. De veiling

Artikel 5
1.

De Staat sluit een huurovereenkomst met betrekking tot een locatie met degene, die op een door de Staat uitgeschreven, openbare veiling het hoogste bod heeft uitgebracht.

2.

De opbrengst van de veiling komt ten goede aan de Staat.

3.

Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden terzake van de veiling en de toelating tot de veiling nadere regels gesteld. Onze Minister kan daarbij bepalen, dat toegang tot de veiling slechts tegen betaling wordt verleend.

4.

Voorafgaande aan een veiling wordt aan belangstellenden tegen betaling een biedboek ter beschikking gesteld, waarin de betrokken locatie en de daarbij behorende huurovereenkomst worden beschreven.

5.

Indien de Staat niet binnen twee weken na de dag van de veiling het geboden bedrag heeft ontvangen, komt de huurovereenkomst niet tot stand, onverminderd de verplichting van degene die het hoogste bod deed tot vergoeding van de schade die de Staat door diens handelen lijdt. In het geval er geen huurovereenkomst tot stand komt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuwe veiling uitgeschreven.

6.

Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de Staat, in afwijking van het eerste lid, een huurovereenkomst met betrekking tot een locatie sluiten zonder een veiling uit te schrijven.

7.

Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het zesde lid is uitsluitend sprake, indien:

Paragraaf 4. Overgangsbepalingen

Artikel 6
1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

2.

Overeenkomsten die het recht geven een locatie te gebruiken ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen, gesloten met de Staat als gevolg van een veiling voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, zijn geen bestaande overeenkomsten in de zin van deze wet.

3.

Aanvaarding van een toezegging als bedoeld in artikel 18, eerste lid, leidt niet tot een bestaande overeenkomst.

Artikel 7
1.

De Staat schrijft met betrekking tot een locatie die voorwerp is van een bestaande overeenkomst een veiling uit als bedoeld in artikel 5 volgens een tijdschema, dat door Onze Minister jaarlijks wordt vastgesteld voor een periode van zeven en een half jaar, volgend op het moment van vaststelling. Het tijdschema wordt bekend gemaakt in de Staatscourant voor het eerst bij het inwerkingtreden van deze wet en vervolgens telkens in de laatste maand van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin volgens het schema de eerstvolgende veiling plaats heeft.

2.

Een bestaande overeenkomst met betrekking tot een locatie, die na een veiling als bedoeld in het eerste lid in gebruik wordt gegeven, eindigt op het tijdstip waarop de huurovereenkomst, die ingevolge de veiling tot stand komt, in werking treedt.

3.

De opbrengst van de veiling, bedoeld in het eerste lid, komt ten goede aan de wederpartij bij de bestaande overeenkomst die ingevolge het tweede lid eindigt. Heeft die wederpartij op grond van de bestaande overeenkomst recht op een vergoeding, dan komt de opbrengst van de veiling slechts aan haar ten goede voor zover die opbrengst de vergoeding te boven gaat.

4.

Indien op de veiling, bedoeld in het eerste lid, het hoogste bod is uitgebracht door de wederpartij bij de overeenkomst die ingevolge het tweede lid eindigt, komt, in afwijking van het derde lid, van de opbrengst een bedrag ten goede aan de Staat ter grootte van het verschil tussen het hoogste en het naast hoogste bod, maar niet meer dan 30 procent van het hoogste bod. Onze Minister kan de hoogte van het percentage lager vaststellen.

Artikel 8

De huurder vergoedt aan de wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst de waarde van gebouwen, werken en beplantingen, die de wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst na de eerste veiling van de locatie overeenkomstig artikel 5 op die locatie heeft achtergelaten.

Artikel 9
1.

Het biedboek, dat ter beschikking wordt gesteld voorafgaand aan een veiling met betrekking tot een locatie die voorwerp is van een bestaande exploitatieovereenkomst, vermeldt het gemiddelde netto winstaandeel van de exploitant indien de veiling plaats heeft voor 1 januari 2018.

2.

Het gemiddelde netto winstaandeel van de exploitant wordt in opdracht van en tegen betaling door de Staat bepaald door een accountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De grondslagen van de bepaling van het gemiddelde netto winstaandeel worden vastgesteld bij ministeriële regeling.

3.

Het gemiddelde netto winstaandeel van de exploitant is het gemiddelde van het netto winstaandeel dat de exploitant heeft genoten in de drie kalenderjaren die voorafgaan aan het jaar, waarin de veiling plaats heeft met betrekking tot de locatie die voorwerp is van de bestaande exploitatieovereenkomst.

4.

Indien het gemiddelde netto winstaandeel, bepaald overeenkomstig het tweede en het derde lid, significant afwijkt van het gemiddelde van het netto winstaandeel dat de exploitant heeft genoten in de kalenderjaren 1998 tot en met 2000 en die afwijking niet het gevolg is van wijzigingen in marktomstandigheden of in de inspanningen van de exploitant, bepaalt de accountant of de accountant-administratieconsulent in afwijking van het derde lid een gemiddeld netto winstaandeel dat naar zijn oordeel redelijk is. Daarbij houdt hij rekening met de opvattingen van partijen bij de bestaande exploitatieovereenkomst.

5.

De partijen bij de bestaande exploitatieovereenkomst verlenen de accountant of de accountant-administratieconsulent alle medewerking, die deze voor de vaststelling van het gemiddeld netto winstaandeel behoeft.

6.

Indien de accountant of de accountant-administratieconsulent wegens het ontbreken van de medewerking of van de gegevens die hij nodig heeft geen gemiddeld netto winstaandeel kan vaststellen, maakt hij van het gemiddeld netto winstaandeel een schatting die naar zijn oordeel redelijk is. Daarbij houdt hij rekening met alle factoren die hij van belang acht.

Artikel 10

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.