Inkomstenbelasting, oudedagsreserve
De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Inleiding
De navolgende (onderdelen van) besluiten zijn geactualiseerd en overgenomen in dit besluit.
De navolgende (onderdelen van) besluiten bevatten geen beleidsstandpunten die als rechtsvraag kunnen worden aangemerkt. Ze hebben vooral een voorlichtend karakter. Gelet hierop zijn deze (onderdelen van de) besluiten niet in dit besluit overgenomen. Voor zoveel nodig zijn of worden deze onderdelen geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal.
De navolgende (onderdelen van) besluiten hebben hun belang verloren.
Wet IB 2001: de Wet
Wet op de vennootschapsbelasting 1969: Wet Vpb
Algemene wet inzake rijksbelastingen: AWR
1. Toevoegingen (artikel 3.68)
1.1. Toevoegen in jaar van staken (inhoudelijk ongewijzigd, voorheen Besluit van 9 november 2001, nr. CPP2001/3034M)
In artikel 3.68, eerste en tweede lid, van de Wet is het volgende bepaald:
In het jaar van staken van een onderneming is het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar nihil. Door de bepaling van artikel 3.68, tweede lid, van de Wet kan, als gevolg van het ontbreken van ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar, in het jaar van staken dus niet toegevoegd worden aan de oudedagsreserve.
Gelet op de wettelijke regeling van de oudedagsreserve en de doelstelling daarvan, keur ik, met toepassing van de hardheidsclausule, goed dat over het jaar van staken van een onderneming, waarbij aan het einde van het kalenderjaar ondernemingsvermogen ontbreekt, kan worden toegevoegd aan de oudedagsreserve onder de volgende voorwaarden:
1.2. Vermogenstoets oudedagsreserve (inhoudelijk ongewijzigd, voorheen Besluit van 14 november 2000, nr. CPP2000/2120M)
In artikel 3.68, tweede lid, van de Wet is bij toevoeging aan de oudedagsreserve de vermogenstoets opgenomen. Deze toets beperkt de opbouw van de oudedagsreserve tot ten hoogste het ondernemingsvermogen.
Ik acht in de hierna genoemde situaties geen onbillijkheid van overwegende aard aanwezig als bedoeld in artikel 63 van de AWR.
Belanghebbenden zullen hiermee rekening moeten houden als zij gebruik willen maken van deze regelingen.
2. Extra toevoegingen (artikel 3.69)
2.1. Extra toevoegingen en geruisloze terugkeer; oprenting (inhoudelijk ongewijzigd, voorheen Besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/2456M, onderdeel F 2, vraag a)
In samenhang met de toepassing van de faciliteit van de geruisloze terugkeer als bedoeld in artikel 14c van de Wet Vpb biedt artikel 3.69, eerste lid, onderdeel b, van de Wet de mogelijkheid tot extra toevoeging aan de oudedagsreserve. Het gaat dan om een extra dotatie in verband met een lijfrente die eerder bij de vennootschap is bedongen met toepassing van artikel 3.128 van de Wet.
De extra toevoeging aan de oudedagsreserve op grond van artikel 3.69, eerste lid, onderdeel b, van de Wet bedraagt maximaal het bedrag van de oudedagsreserve waarvoor de voortzettende aandeelhouder bij de vennootschap een lijfrente heeft bedongen.
Doordat niet de mogelijkheid bestaat de waardeaangroei van de lijfrente in een oudedagsreserve om te zetten, wordt voorkomen dat de ondernemer die na een tussentijdse rechtsvormwijziging zijn onderneming wederom als ondernemer voortzet in zoverre meer aan de oudedagsreserve heeft opgebouwd dan een belastingplichtige die zijn onderneming altijd als ondernemer is blijven drijven. Fiscaal wordt de waardeaangroei van de oudedagslijfrente bij de ontbinding van de vennootschap op gelijke wijze behandeld als de overige lijfrenterechten die niet zijn ontstaan uit een eerdere afname van de oudedagsreserve.
Dit gedeelte zal, indien het voor verwezenlijking vatbaar is, worden aangemerkt als negatieve uitgave voor inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 3.133, van de Wet, tenzij bij een op grond van artikel 3.126 van de Wet toegelaten aanbieder een ander recht wordt bedongen dat op grond van artikel 3.134, eerste lid, van de Wet kan worden beschouwd als een (gedeeltelijke) voortzetting van het eerste recht.
3. Oudedagsreserve en balanspositie
3.1. Presentatie vóór en vanaf kalenderjaar 2004 of boekjaar 2003/2004 (inhoudelijk gewijzigd, voorheen Besluit van 14 augustus 2002, nr. CPP2002/2386M, vraag 2)
De oudedagsreserve (§ 3.2.3. van de Wet) maakt vanaf de invoering van de Wet onderdeel uit van de winst. Dit leidt ertoe dat sindsdien de stand van de oudedagsreserve door de belastingplichtige te boek dient te worden gesteld.
Als gevolg van de zogenoemde administratie-eis is in de toelichting op de aangifte inkomstenbelasting gevraagd de oudedagsreserve op de balans op te nemen. Om praktische overwegingen acht ik het niet bezwaarlijk indien vanuit de commerciële jaarstukken door middel van een aansluitberekening de oudedagsreserve wordt gepresenteerd. Voorwaarde is wel dat de toe- of afname, alsmede de stand van de oudedagsreserve ondubbelzinnig uit deze aansluiting blijkt.
Met ingang van het kalenderjaar 2004 dan wel het boekjaar 2003/2004 geldt in verband met de invoering van de elektronische winstaangifte deze toezegging niet meer. De oudedagsreserve dient dan uitsluitend in de daartoe opgenomen onderdelen van de winstaangifte (en de daarbij behorende jaarstukken) te worden opgenomen. Voor ondernemers die een ontheffing hebben voor het indienen van de elektronische winstaangifte is een papieren versie verkrijgbaar; ook in die versie dient de oudedagsreserve in de daartoe opgenomen onderdelen van de aangifte te worden opgenomen.
4. Inwerkingtreding; intrekken (onderdelen van) voorgaande besluiten
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dagtekening daarvan. De volgende (onderdelen van de) besluiten zijn met ingang van genoemde datum ingetrokken:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.