Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart, beleidsterrein Volwasseneneducatie en beroepsonderwijs over de periode vanaf 1996

Type Archiefselectielijst
Publication 2005-08-21
State In force
Source BWB
artikelen 8
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02444/4);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van het Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart op het beleidsterrein Volwasseneneducatie en beroepsonderwijs over de periode vanaf 1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Selectielijst KOFS

Betreft periode vanaf 1996

Methode Institutioneel Onderzoek

Bij het uitvoering geven aan de Archiefwet 1995, gaat het Nationaal Archief ervan uit dat de selectie moet worden uitgevoerd vanuit het gezichtspunt van het overheidsorgaan of de organen die deze documenten in het kader van hun taak en het daaruit voortvloeiende handelen hebben ontvangen of geproduceerd: niet de informatiewaarde van documenten, maar de waardebepaling van handelingen van overheidsorganen staat centraal. Met de gegevensbestanden die naar de Rijksarchiefdienst worden overgebracht moet het handelen van de overheid in relatie tot haar omgeving op hoofdlijnen te reconstrueren zijn. Daarbij wil het Nationaal Archief met het resultaat van de selectie op basis van deze doelstelling bronnen voor de kennis van en het inzicht in de Nederlandse samenleving (en cultuur) veiligstellen voor blijvende bewaring.

In het kader van het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) is ten behoeve van de selectie van overheidsarchieven de methode institutioneel onderzoek ontwikkeld.

Deze methode is in de afgelopen jaren ontwikkeld aan de hand van praktijkervaringen en nieuwe, theoretische inzichten uit binnen- en buitenland. Via wet- en regelgeving en andere bestuurlijk-organisatorische bronnen wordt nagegaan welke handelingen overheidsorganen verrichten. Op basis van de handelingen kan achterhaald worden welke neerslag er in principe zou moeten zijn. Met andere woorden, de selectie zal niet meer plaatsvinden op basis van het archiefstuk zelf, maar op basis van de handeling. Handelingen worden gewaardeerd in het kader van de context.

Uiteindelijk zal het Nationaal Archief de overbrenging van het geselecteerde materiaal naar de depots van de Rijksarchiefdienst begeleiden. De rijksorganen zijn zelf verantwoordelijk voor de fysieke selectie en bewerking die de archieven en andere gegevensbestanden moeten ondergaan om ze geschikt te maken voor overdracht. Desgewenst zal het Nationaal Archief hen daarbij adviseren. Richtsnoer voor de bewerking na het institutioneel onderzoek en de institutionele selectie vormen de door de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening (PCDIN) in september 1991 aanvaarde ‘Normen voor goede en geordende staat’.

Uitgangspunt bij de onderzoeken vormt de Methode van Institutioneel Onderzoek (MIO). De resultaten van een institutioneel onderzoek worden beschreven in een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO). Een RIO is de contextbeschrijving van een beleidsterrein waarop overheidsorganen handelend optreden en omvat:

Zo mogelijk worden de handelingen thematisch of procedureel geordend, waardoor men de handelingen in hun context kan zien.

Een belangrijk begrip in het institutioneel onderzoek vormt de ‘handeling’. Een handeling is een complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Aangezien we niet alleen willen beschrijven wat de overheid moet doen maar ook wat zij daadwerkelijk doet, gebruiken we als bron voor het beschrijven van het handelen niet alleen officiële wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, ministeriële regelingen en beschikkingen zoals instellings-, opheffings- en organisatiebesluiten als onderzoeksbron, maar ook jaarverslagen en jaaroverzichten, staatsalmanakken, memories van toelichting op de rijksbegroting en op bovengenoemde wetten, beleidsnota’s, archieven en literatuur. Daarnaast vormen interviews met beleidsmedewerkers en andere deskundigen – in en buiten de overheid – op het beleidsterrein een bron van informatie.

Naast het begrip ‘handeling’ neemt het begrip ‘actor’ in het institutioneel onderzoek een belangrijke plaats in. ‘Actor’ volgens de methode institutioneel onderzoek wordt gedefinieerd als ‘een overheidsorgaan of een particuliere organisatie of persoon die een rol speelt op een beleidsterrein’. In de Archiefwet 1995 wordt, gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht, onder ‘overheidsorgaan’ verstaan ‘organen van overheidsstichtingen, verenigingen en vennootschappen die, ook voor zover zij niet krachtens publiekrecht zijn ingesteld, toch met openbaar gezag zijn bekleed of waaraan toch één of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend’. Het begrip ‘overheidsorgaan’ is hiermee aanzienlijk breder dan ministeries alleen.

In de onderzoeksrapporten worden de handelingen van particuliere instellingen niet opgenomen. Wel wordt hun rol op het beleidsterrein beschreven. Op grond van het acquisitieprofiel van het Nationaal Archief wordt bepaald of de archieven van particuliere instellingen voor overbrenging in aanmerking komen.

1. Selectielijst

De resultaten van het institutioneel onderzoek, neergelegd in het RIO, worden daarna verwerkt in een wettelijk voorgeschreven selectie-instrument: de selectielijst, het ‘basisselectiedocument’ (BSD). De selectielijst is een lijst van handelingen die elk voorzien zijn van de waardering B (bewaren) of V (vernietigen). De selectielijst volgt uit de beschrijving van het RIO. In overleg met de betreffende instelling(en) wordt aan de hand van deze selectielijst bezien welke gegevensbestanden voor ‘de eeuwigheid’ geselecteerd moeten worden en uiteindelijk overgebracht worden naar de Rijksarchiefdienst. De ontwerp-selectielijst wordt ter inzage gelegd bij verscheidene instanties en de zorgdrager(s) bied(t)(en) de ontwerp-selectielijst aan aan de minister van OCenW. De definitieve selectielijst wordt vastgesteld door de zorgdrager(s) in kwestie en de minister/staatssecretaris van OCenW.

In de toekomst moet worden voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan bij selectie en overbrenging van gegevensbestanden. Om de toepassingsmogelijkheden van het institutioneel onderzoek ook voor de toekomst te kunnen garanderen, is het daarom noodzakelijk om ontwikkelingen in taken, handelingen en organisatie van de overheid, alsmede de grondslag van die taken en handelingen bij te houden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de zorgdragers. Het RIO en het BSD kunnen gebruikt worden als basis voor de ontwikkeling van een structureel documentair informatieplan teneinde het beheer van de gegevensbestanden die de Rijksarchiefdienst na 20 jaar verwerft en het beheer van de gegevensbestanden bij de verantwoordelijke organen zelf te verbeteren.

ADNR: Accord Européen relatif au transport international des Marchandises dangereuses par návigation du Rhine

(Varianten op deze verklaring bestaan ook, sleutelwoorden waarop de afkorting is gebaseerd zijn in elk geval: Accord, Dangereuse, Návigation, Rhine).

BPR: Binnenvaart Politie Reglement

BSD: Basis Selectiedocument

CCR: Centrale Commissie voor de Rijnvaart

COB: Commissie Onderwijs Bedrijfsleven

KOFS: Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart

NA: Nationaal Archief

OCW: Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

O&I: Ontwikkeling en Innovatie

ONZB: Werkgroep wijzigingen Reglementen BPR/RPR

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

ROC: Regionaal Opleidingscentrum

RPR: Rijnvaart Politie Reglement

VTL: Naam van de overkoepelden organisatie, de letters vormen de afkorting van de oorspronkelijke naam Vakopleidingen Transport en Logistiek

WEB: Wet Educatie beroepsonderwijs

VW: Ministerie van Verkeer en Waterstaat

2. Verantwoording

In het najaar van 1913 kwamen drie kapiteins op de binnenvaart tot de overtuiging dat de zelfstandige positie van de schipper steeds moeilijker te handhaven was, vooral in verband met de ontwikkeling van de techniek. Zij kwamen tot de oprichting van de Nederlandsche Vereeniging van Gezagsvoerders bij de Binnenvaart. Er kwamen statuten en reglementen. Als doelstelling werd geformuleerd:

Deze vereniging droeg meer het karakter van een vakorganisatie dan iets anders. In de praktijk kwam men er echter al snel achter dat er meer behoefte was aan een vakopleiding voor functies bij de binnenvaart. In 1915 werd een begin gemaakt met het onderwijs in samenwerking met Schuttevaer. Op 13 december begonnen de eerste lessen met 12 leerlingen; dit aantal groeide spoedig uit tot 25. Op deze wijze kwam de eerste binnenvaartschool (toen nog Schippersvakschool) tot stand. In 1917 werd door de minister van Onderwijs subsidie toegekend voor deze school. in 1918 was er voor de eerste keer gelegenheid tot het afleggen va een examen voor schipper op de binnenvaart. Al snel hierna deed zich de behoefte gevoelen ook zo’n examen op te stellen voor machinisten. In 1921 kon het eerste machinisten examen in Amsterdam worden af genomen.

Intussen was men tot de conclusie gekomen dat deze opleidingen niet een zaak konden zijn van de Kapiteins Vereniging. De vakopleiding werd dan in 1921 zelfstandig gemaakt en het Onderwijsfonds voor de Scheepvaart werd opgericht (later met het predikaat Koninklijk).

De doelstelling luidde: ‘het bevorderen van vakonderwijs in de binnenvaart, de uitgave van leerboeken ten behoeve van dat onderwijs en voorts in het algemeen al wat met dat onderwijs verband houdt of tot bevordering daarvan kan strekken’.

Vanaf dat moment is de stichting KOFS actief geweest op het terrein van het onderwijs voor de binnenvaart in de breedste zin. Schipperskinderen bezochten de instellingen voor het lager onderwijs met de daarbij behorende huisvesting. Vervolgens bood het KOFS de mogelijkheid voor de vakopleidingen, eveneens met internaatsvoorzieningen. Niet in de laatste plaats verzorgde het KOFS het secretariaat voor de examencommissie die de vakexamens afnam. Vanaf de zestiger jaren verzorgde het KOFS ook de exploitatie van de instructieschepen, voor de binnenvaart en de zeevaart, die bij het onderwijs werden ingezet.

Ten behoeve van de uitvoering van deze taken ontving de stichting financiering van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Om goed onderwijs te kunnen geven moest er ook gelden uit particuliere bron worden aangeboord. Dit was niet zo eenvoudig te realiseren. Het schip de ‘Prins Hendrik’ moest deels met particuliere gelden worden betaald, de overheidssubsidie schoot tekort. De Nederlandse Bank kwam te hulp en de zaak kwam voor elkaar.

Door de uitbreiding van het aantal leerlingen was al snel een tweede instructievaartuig nodig. In 1931 werd door Prinses Juliana dit schip te water gelaten. Om zoveel mogelijk leerlingen te bereiken werden sinds 1926 lessen over de radio uitgezonden. Tot 1940 had de school de beschikking over een half uur zendtijd per week; na 1945 is het niet meer gelukt zendtijd te krijgen. Begon de vakopleiding met de opleiding tot schippers, geleidelijk aan begon men te beseffen dat men meer opleidingen, vooral voor de jeugd, moest kunnen aanbieden.

Het instructievaartuig ‘Prins Hendrik’ kon een twaalftal leerlingen, die intern waren, opleiden en dit voorzag in een grote behoefte. Al spoedig bleek dat het instructievaartuig te klein was om in de groeiende behoefte te voorzien. Men kwam tot de oprichting van een school met internaat te Amsterdam, waar jongens gedurende twee jaar een dagopleiding konden volgen. In 1937 begonnen de lessen aan de eerste dagnijverheidsschool voor schippers. Het school- en internaatschip Koningin Wilhelmina werd in 1938 in dienst genomen. met de dagnijverheidsscholen ging het net als met de binnenvaartscholen; zij voorzagen in een grote behoefte.

Na de Tweede Wereldoorlog werd in Rotterdam de Rotterdamse dagnijverheidsschool met internaat geopend. In 1946 volgende Delfzijl, ook met een dagnijverheidsschool met internaat. Deze school werd in 1962 ondergebracht in een zeer modern complex met een capaciteit van 240 leerlingen. In Harlingen werd in 1958 de vierde dagnijverheidsschool officieel geopend. Begin jaren ’60 bedroeg de totale capaciteit van deze dagnijverheidsscholen 660 leerlingen.

In 1964 kreeg ook Rotterdam een nieuw scholencomplex, ook hier was plaats voor 240 leerlingen. Tegelijkertijd werd ook de instructievloot uitgebreid. Hierbij was het uitgangspunt, dat de leerlingen van de dagnijverheidsscholen (circa 13–16 jaar) in elk van de twee leerjaren circa 6 weken aan boord van de instructievaartuigen les dienden te krijgen. Naast de ‘Prins Hendrik’ en de ‘Prinses Juliana’ werd in 1960 de ‘Prinses Beatrix’ in de vaart gebracht. In 1962 gevolgd door de ‘Prinses Irene’ en in 1963 werd het 3de instructievaartuig de ‘Prinses Christina’ in gebruik genomen.

In 1967 werd de ‘Prins Hendrik’ verkocht en in 1969 volgde de ‘Prinses Juliana’. Deze twee schepen waren dermate verouderd dat verbouwen geen zin meer had. Er moesten modernere schepen komen, waarvan tenminste een ook zeegaand was. Ook het ministerie Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen stond positief tegenover deze plannen. Het resulteerde in de bouw van een zeewaardig instructieschip dat in 1966 door Prinses Margriet in dienst gesteld kon worden. Behalve de normale scheepsvoorzieningen was het schip uitgerust met extra ruimten voor instructie doeleinden.

In 1976 werd de ‘Koningin Juliana’ in dienst genomen, dit is een visserij-instructieschip.

In de jaren ’50 werd begonnen met een matrozen opleiding en wel via het leerlingenstelsel. Er was, zoals eerder geconstateerd, een hiaat in het opleidingen aanbod, door deze nieuwe opleiding werd dit verholpen. Daarnaast werd er aandacht gegeven aan het opzetten van schriftelijke cursussen om te voorzien in het probleem dat de meeste personeelsleden op de schepen ’s winters niet in staat waren om de binnenvaartavondscholen te bezoeken.

In de loop der jaren is het onderwijsprogramma van het KOFS steeds vernieuwd en aangepast aan nieuwe regelgeving op het gebied van de Rijn- en binnenvaart en het baggerbedrijf. Onder verantwoordelijkheid van de ministeries van Verkeer en Waterstaat en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt het KOFS in overleg met de bedrijfstak cursussen samen en/of formuleert de bij het vakdiploma behorende exameneisen. Zo werden er twee belangrijke vakopleidingen opgestart ‘Ondernemer in de binnenvaart’ en ‘Vervoer gevaarlijke stoffen’.

De onderwijsactiviteiten van het KOFS zijn onderverdeeld in twee poten: het reguliere onderwijs en de, doorgaans schriftelijke, vakopleidingen. In het reguliere onderwijsstelsel kunnen leerlingen direct na de basisschool terecht voor het Voorbereidend Beroepsonderwijs. Deze KOFS-opleiding duurt vier jaar. De eerste twee jaar komen overeen met de basisvorming op andere scholen voor voortgezet onderwijs; daarna, in het derde leerjaar, begint de eigenlijke vakopleiding. Na het behalen van het diploma kunnen de leerlingen hun opleiding op twee manieren voortzetten. Namelijk de Middelbare School voor de Rijn- en binnenvaart in Rotterdam, of direct gaan varen en instromen in het leerlingstelsel Matroos.

De tweede poot van onderwijsactiviteiten van het KOFS zijn: de vakopleidingen. Het betreft hier voornamelijk schriftelijk onderwijs dat wordt afgesloten met een erkend vakexamen. Inhoud en opzet van zowel opleiding als examen zijn vastgelegd in de regelgeving van de ministeries van Verkeer en Waterstaat en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Medio jaren 90 werd de WEB van kracht op basis waarvan het beroepsonderwijs werd ondergebracht bij de ROC’s en vakscholen. Tevens besloten de sociale partners uit het wegvervoer, Rijn- en binnenvaart en de havensector krachten te bundelen wat resulteerde in een opleidingsinstituut Vakopleiding Transport en Logistiek (VTL) voor cursorisch onderwijs. VTL biedt de sector het gehele scala aan cursorisch onderwijs. De schoolpleidingen werden overgedragen aan de onderwijsinstellingen als beschreven inde wet Voorbereidende Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO) en de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB). Ook de taken als Landelijk Orgaan zijn overgedragen aan de nieuwe, sector gewijs gevormde, Landelijk Orgaan voor het Beroepsonderwijs Transport en Logistiek. Hiermee beëindigt de relatie van het KOFS met het door OCW bekostigde onderwijs.

De betreffende dossiers t.a.v. de scholen zijn deels overgedragen aan de scholen en deels ondergebracht bij het Rijksarchief (RA). In de Bijlage bij deze Selectielijst is een Plaatsingslijst van het aan her RA overgedragen archief gegeven.

In de visie over dit opleidingsinstituut was de scheiding tussen opleiden en examineren een belangrijk uitgangspunt. Voor de Rijn- en binnenvaart leidde dit tot de constructie waarbij de examinerings- en erkenningsactiviteiten onderdeel zijn van de zelfstandige juridische entiteit KOFS.

De activiteiten vanaf dat moment betreffen 1) het in stand houden van de instructievaartuigen 2) gesubsidieerde examens en 3) uitgifte en registratie van vaarbewijzen.

Bij de organisatie van de examens maakt KOFS gebruik van examencommissies met expertise op hun betreffende vakgebieden. Mede op basis van de inzet van de examencommissies, voornamelijk samengesteld uit mensen uit het varende beroep, kan kandidaten een werkelijk praktijkgericht vakexamen worden aangeboden.

Het KOFS is door het ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna ministerie van VenW) aangewezen als RWT (Rechtspersoon met Wettelijke Taak). In deze hoedanigheid treedt het KOFS op als onafhankelijke instantie voor de ontwikkeling en afname van vakexamens voor de binnenvaart. Tevens verzorgt het KOFS de uitgifte en registratie van vaarbewijzen en certificaten voor de binnenvaart. Hoewel de uitvoering van de werkzaamheden van het KOFS plaatsvindt onder toezicht van het ministerie van VenW, ontvangt het KOFS geen financiële steun van dit ministerie. Op basis van historische gronden ontving KOFS tot en met 2003 een subsidie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, maar de financiering is beëindigd per 31 december 2003. Omdat de subsidie het grootste deel van de financiering besloeg betekent deze wijziging van financieringsstructuur eveneens een beleidswijziging die in overleg met bedrijfstak en het ministerie van VenW wordt ingezet.

Een eerste stap in de reorganisatie is de overdracht van de instructieschepen voor de binnenvaart naar de onderwijsinstelling Scheepvaart en Transport College te Rotterdam. Het instructieschip voor de zeevisvaart Koningin Juliana is overgedragen aan de stichting den Engh en wordt ingezet in educatie en reclasseringsprogramma’s. De overdracht van alle schepen is gerealiseerd in december 2003.

Het KOFS is, anno 2004, als onafhankelijk examenbureau ondergebracht binnen de Vakopleiding Transport en Logistiek. Hoofdtaken van het KOFS zijn nu:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.