Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende de regels inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid (Subsidieregeling publieke gezondheid)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-09-03
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene subsidiebepalingen

§ 1. Begrippen en algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in Hoofdstuk II.

Artikel 3
1.

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

3.

Het tweede lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.

§ 2. Berekeningswijze instellingsubsidie

Artikel 4

Een subsidie of een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt, bestaat uit een door de minister vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.

Artikel 5

Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

Artikel 6

Vervallen

§ 3. Berekeningswijze projectsubsidies

Artikel 7

Vervallen

§ 4. Modellen en formulieren

Artikel 8

De minister kan de volgende modellen en formulieren vaststellen:

§ 5. Aanvraag van een instellingssubsidie

Artikel 9
1.

De instelling die voor haar activiteiten of een gedeelte daarvan in een jaar een instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk 13 weken vóór de aanvang van het desbetreffende jaar een subsidieaanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting en gaat, indien de liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is over het jaar, vergezeld van een liquiditeitsprognose.

2.

In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke wijze zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd.

3.

De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de activiteiten van dat jaar. De begroting maakt onderscheid tussen personele en materiële middelen. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel van de instelling.

4.

De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.

5.

De minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.

Artikel 10
1.

Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:

2.

Voorzover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

3.

Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens aan de minister bekend zijn.

§ 6. Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

§ 7. Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel 14

De minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 15
1.

De minister kan bij het besluit tot verlening van een instellingssubsidie ambtshalve tevens voorschotten verlenen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de liquiditeitsbehoefte. Indien de subsidieaanvraag te laat wordt ingediend en de minister de aanvraag desondanks in behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden.

2.

De minister verstrekt, indien de liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid, de volgende voorschotten op een verleende instellingssubsidie: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%, november 8% en december 7% van het voor het desbetreffende jaar verleende bedrag.

3.

Indien de minister voorschotten verstrekt voordat hij de beschikking tot verlening van een instellingssubsidie heeft gegeven, worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door de minister gegeven beschikkingen.

Artikel 16

Vervallen

§ 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 17

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

Artikel 18

De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:

Artikel 19
1.

Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

2.

De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

Artikel 20
1.

De subsidieontvanger meldt meteen aan de minister als:

2.

De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 21
1.

De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instellingssubsidie ontvangt, verzekert zijn roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.

2.

De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.

3.

De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid.

Artikel 22

De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het activiteitenplan voorgenomen activiteiten.

Artikel 23
1.

Voorzover het bedrag van de verleende instellingssubsidie na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd.

2.

Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de vastgestelde instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de vastgestelde instellingssubsidie en de, in de ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.

3.

Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid, tenzij de minister anders bepaalt.

4.

Indien in de ingediende begroting onder de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen voorziening is opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de berekening van het te reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.

5.

De in het eerste lid bedoelde reservering wordt uitsluitend besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.

6.

De in het eerste lid bedoelde reservering bedraagt ten hoogste 10% van het bij het besluit tot verlening bepaalde bedrag van de instellingssubsidie dan wel ten hoogste een lager percentage dat door de minister bij het besluit tot verlening is bepaald.

7.

Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste lid, gelet op de maximaal toegestane reservering niet gereserveerd kan worden, wordt het bij de vaststelling in mindering gebracht op de instellingsubsidie.

Artikel 24

Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering toegelicht.

Artikel 25
1.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, behoudens schriftelijke toestemming van de minister, openbaarmaking van op grond van deze regeling gesubsidieerd onderzoek, delen of samenvattingen daarvan, niet plaats heeft binnen drie maanden nadat de voorgenomen openbaarmaking aan de minister is voorgelegd.

2.

De minister is bevoegd om de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, desgewenst voorzien van commentaar, één of meermalen te vermenigvuldigen, openbaar te maken of openbaar te doen maken, met vermelding van de bron, zonder dat hiervoor enige vergoeding is verschuldigd.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de minister onmiddellijk en kosteloos aan de minister of aan door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.

4.

Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie, kan de minister bepalen dat de subsidieontvanger er zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van de activiteit zijn geweest.

5.

Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 1°, van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.

6.

De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties.

Artikel 26
1.

Aan de subsidie kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.

2.

De minister kan tevens bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Artikel 27
1.

De minister kan bepalen dat de subsidieontvanger in de gevallen, genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming is verschuldigd.

2.

Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.