Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Sociale Verzekeringen periode [1940] 1997-2003 (Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02491/2);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Sociale Verzekeringsbank en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Sociale Verzekeringen over de periode [1940] 1997–2003’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
‘Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Sociale Verzekeringsbank op het beleidsterrein Sociale Verzekeringen over de periode 1940–1997’, R&B/OSA/2002/577, Staatscourant 2002/85–87; gerectificeerd d.d. 27 mei 2003, Staatscourant 2003, nr. 101’ wordt ingetrokken voor zover het de handelingen van de Sociale Verzekeringsbank zelf betreft.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Aanvullend Basisselectiedocument Sociale Verzekeringen (1940) 1997–2003
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Sociale Verzekeringsbank
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Lijst van afkortingen
AAW: Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
ABP: Algemeen burgerlijk pensioenfonds
ABPw: Algemeen burgerlijke pensioenwet
ABW: Algemene Bijstandswet
AKW: Algemene Kinderbijslagwet
AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur
Anw: Algemene nabestaandenwet
AOW: Algemene Ouderdomswet
art.: artikel
AWBZ: Algemene wet bijzondere ziektekosten
AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds
AWW: Algemene Weduwen- en Wezenwet
Bpf: bedrijfspensioenfonds (Wet betreffende verplichte deelneming in een –)
Bpr: beroepspensioenregeling (Wet betreffende verplichte deelneming aan een –)
BSD: basisselectiedocument
b.w.: buiten werking
CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek
CRM: Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (Minister/Ministerie van)
CRvB: Centrale Raad van Beroep
CSV: Coördinatiewet Sociale Verzekering
Ctsv: College van toezicht sociale verzekeringen
CWI: Centrale organisatie voor werk en inkomen
D-G.: Directoraat-generaal
EZ: Economische Zaken (Minister/Ministerie van)
FVP: Fonds Voorheffing Pensioenverzekering
GVI: Generale Verwijsindex
ILO: International Labour Organisation
i.o.: institutioneel onderzoek
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
i.w.: in werking
IWI: Inspectie Werk en Inkomen
JWG: Jeugdwerkgarantiewet
Lisv: Landelijk instituut sociale verzekering
MAAV: (Wet) medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
MIO: Methode institutioneel onderzoek
nAbw: nieuwe Algemene bijstandswet
nOsv: nieuwe Organisatiewet sociale verzekeringen
OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Minister/Ministerie van)
OSV: Organisatiewet Sociale Verzekering
Osv: Organisatiewet sociale verzekeringen
PB: Publicatieblad (EG/EU)
PEMBA: (Wet) Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PSW: Pensioen- en spaarfondsenwet
PVK: Pensioen- & Verzekeringskamer
RAD: Rijksarchiefdienst
REA: (Wet op de) (re)integratie arbeidsgehandicapten
RIO: Rapport institutioneel onderzoek
RWI: Raad voor Werk en Inkomen
SER: Sociaal-Economische Raad
SIOD: Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
SUWI: Structuur Werk en Inkomen
SVB: Sociale Verzekeringsbank
SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister/Ministerie van)
TOG: (Regeling) Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen
Trb.: Traktatenblad
TW: Toeslagenwet
TZ: (Wet) Terugdringing Ziekteverzuim
UWV: Uitvoerinsinstituut Werknemersverzekeringen
uvi: uitvoeringsinstelling
VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten
VROM: Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (Minister/Ministerie van)
VUT: Vervroegde uittreding
VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Minister/Ministerie van)
WAGW: Wet arbeidsinschakeling gehandicapte werknemers
Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidvoorziening jonggehandicapten
WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Waz: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (Minister/Ministerie van)
Wvg: Wet voorzieningen gehandicapten
WW: Werkloosheidswet
WWV: Wet werkloosheidsvoorziening
zbo: zelfstandig bestuursorgaan
ZFR: Ziekenfondsraad
ZFW: Ziekenfondswet
ZW: Ziektewet
Inleiding
Het PIVOT-rapport Verstrekkende Zekerheid. Een tweede institutioneel onderzoek op het beleidsterrein sociale zekerheid ten aanzien van de sociale verzekeringen, (1940) 1997–2003 vormt de grondslag voor dit aanvullende basisselectiedocument (BSD). Dit tweede rapport institutioneel onderzoek (RIO) beschrijft de handelingen van de rijksoverheid op het deelterrein sociale verzekeringen van het beleidsterrein sociale zekerheid en geeft een overzicht van de actoren die zich op dit (deel)beleidsterrein bewegen. Het rapport is een vervolg op het eerste RIO op het gebied van de sociale zekerheid, periode 1940–1997.
Op het terrein van de sociale verzekeringen zijn een groot aantal overheidsorganen actief of actief geweest. Aan dit institutioneel onderzoek hebben dan ook verschillende van deze organen een bijdrage geleverd.
Bij de deelnemende organen is aan de hand van literatuur, archieven en interviews onderzoek gedaan naar hun taken en handelingen en die van hun voorgangers op het onderhavige beleidsterrein, hetgeen geleid heeft tot het genoemde rapport en dit BSD.
Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling.
Het BSD bestaat uit:
1. Verantwoording
Voor archiefbescheiden op het beleidsterrein sociale verzekeringen bestonden reeds vernietigingslijsten. Voor het ministerie gold de ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid’ (Stcrt. 1994, 72). Tevens is op 18 februari 2002 het eerste BSD ‘Sociale Verzekeringen’ vastgesteld. Door de omvang van het document is het in drie opeenvolgende Staatscouranten gepubliceerd, te weten: Stcrt. 2002, 85, 86 en 87. Later bleek echter dat in deze publicaties de waardering van enkele handelingen onjuist was weergegeven. In Stcrt. 2003, 101 is de selectielijst gerectificeerd.
Aan de hand van deze lijsten zijn in het verleden archiefbescheiden vernietigd.
Voor welke actoren geldt welke selectielijst?
Een aantal actoren op het beleidsterrein Sociale verzekeringen zijn in de loop der tijd opgegaan in andere actoren of opgeheven. In overleg met het Nationaal Archief is besloten om de nieuwe selectielijst alleen vast te stellen voor die actoren die wijzigingen in hun handelingen hebben doorgevoerd.
Dit betekent dat de eerste vaststelling (Stcrt. 2002, 85, 86 en 87) geldt voor de volgende actoren:
Voor de volgende actoren geldt de tweede vaststelling:
Vaststelling van de selectielijst tot en met 2003
Op 13 november 2003 (AZ/B&ADIV/2003/87201) is het geactualiseerde ontwerp-BSD over de periode (1940) 1997–2003 door de Secretaris-Generaal aan de Staatssecretaris van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd.
Tijdens het driehoeksoverleg op 27 april 2004 was namens het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap ook een deskundige op het beleidsterrein aanwezig. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen. Vanaf 3 mei 2005 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdrager, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 20 juli 2005 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2005.02491/2) hetwelk aanleiding heeft gegeven tot enkele wijziging van de ontwerp-selectielijst.
Daarop werd het BSD Sociale Verzekeringen 1940–2003 door de Algemeen Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [C/S&A/05/2046], van Buitenlandse Zaken [C/S&A/05/2037, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [C/S&A/05/2047, van Defensie [C/S&A/05/2038], van Financiën [C/S&A/05/2039], van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap [C/S&A/05/2040], van Verkeer en Waterstaat [C/S&A/05/2043], van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [C/S&A/05/2044] en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer [C/S&A/05/2045], het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen [C/S&A/05/2041], de Sociale Verzekeringsbank [C/S&A/05/2048] en de Raad voor Werk en Inkomen [C/S&A/05/2042] vastgesteld.
2. Hoofdlijnen van het handelen van de overheid op het beleidsterrein sociale zekerheid en sociale verzekeringen
Het onderwerp van dit basisselectiedocument vormt een deel van het beleidsterrein sociale zekerheid. Dit beleidsterrein heeft betrekking op de overheidstaken in het kader van het recht op het gebied van de publieke sociale zekerheid, met als doel het bieden van inkomensbescherming. Hiermee wordt een belangrijke rechtsplicht van de overheid ‘het bieden van financiële bestaanszekerheid aan een ieder’ vormgegeven. In 1983 is deze overheidstaak geformaliseerd in art. 20 lid 2 en 3 van de Grondwet.
De doelstelling, zoals hierboven omschreven wordt langs verschillende wegen gerealiseerd, enerzijds lenigt de overheid – door het verstrekken en aanvullen van inkomens – (directe) financiële nood. Anderzijds tracht de overheid door middel van het ontwikkelen van beleid gericht op het voorkomen van het verlies van inkomen (preventie) en het reïntegreren van arbeidsongeschikten en werklozen in het arbeidsproces, het beroep wat gedaan wordt op het stelsel van inkomensbescherming terug te dringen.
Van oudsher wordt in de sociale zekerheid op grond van het verschil in de mate van overheidsbemoeienis en de financieringsbron, een onderscheid gemaakt tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. Sociale verzekeringen (inkomensdervingregelingen) verzekeren de financiële gevolgen wanneer men als gevolg van ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid niet (meer) aan het arbeidsproces deelneemt en worden bekostigd uit premiebijdragen van werkgevers, werknemers en ingezetenen. Sociale voorzieningen (minimumbehoeftenregelingen) zijn bedoeld om wanneer in een bepaalde situatie de middelen van bestaan onvoldoende zijn, het inkomensniveau aan te vullen tot het ‘sociaal minimum’.1Regelingen die vergoedingen verstrekken voor specifieke kosten zoals de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene Kinderbijslagwet kunnen niet behulp van deze definities worden omschreven. De Wvg maakt onderdeel uit van de sociale voorzieningen, de AKW valt onder de sociale verzekeringen. Deze voorzieningen worden betaald uit de ‘algemene middelen’ (opbrengsten van de verschillende belastingen). Laatstgenoemd onderdeel is aan de orde gekomen in het BSD Sociale Voorzieningen. De sociale verzekeringen worden in dit BSD behandeld.
Kenmerkend voor de sociale verzekeringen is het sociale- en het verzekeringsaspect. Het sociale aspect had in de aanvang de betekenis van hulp aan economische zwakkeren. De eerste sociale verzekeringen (de Ongevallenwet, de Invaliditeitswet en de Ziektewet) verzekerden werknemers en vooral de economisch zwakkeren onder hen. Later vond uitbreiding plaats tot alle werknemers en zelfs tot de gehele bevolking. De sociale verzekeringen raken niet alleen de persoonlijke belangen van de verzekerden maar ook het algemeen belang. Kenmerkende verschillen met de particuliere verzekeringen zijn het wettelijke en het verplichte karakter. Voor wat betreft het verzekeringsaspect is het volgende van belang. De verzekerde verzekert zich uit voorzorg tegen de gevolgen van bepaalde risico’s en moet voldoen aan zijn plicht om premie te betalen, de verzekeraar vergoedt schade of verstrekt een uitkering wanneer de verzekerde calamiteit plaatsvindt. Risico’s worden op deze manier gespreid over de vele premieplichtigen. De sociale verzekering biedt een planmatige voorzorg tegen bepaalde risico’s terwijl de opbrenging der middelen door premieplichtigen steunt op een vooraf – in de regel bij of krachtens wet – vastgestelde rekenkundige grondslag. Daarnaast worden een aantal regelingen gefinancierd met algemene middelen. Uitkeringen worden bekostigd via premie geheven door de uitvoeringsinstellingen en de Rijksbelastingdienst.2C.A. de Kam e.a., Kluwerschets van de leer van de sociale zekerheid, Deventer 1989, p. 38, 46, 50–51.
Er wordt inkomensbescherming geboden, gericht op risico’s zoals arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ouderdom, overlijden, tegemoetkoming in de kosten van het verzorgen en onderhouden van kinderen, ziekte en gebrek en behoeftigheid.
Sociale verzekeringen worden onderscheiden in volksverzekeringen en werknemersverzekeringen. Die verschillen zijn toegespitst op de personele werkingssfeer, het uitkeringsniveau, de financiering en de uitvoering van de verzekeringen. Iedereen die in Nederland woont of op een of andere manier betrokken is bij het Nederlandse arbeidsproces, wordt tot de doelgroep van de volksverzekeringen gerekend. Werknemersverzekeringen daarentegen zijn bestemd voor een specifieke categorie van personen, namelijk degenen die in Nederland een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking vervullen. Het uitkeringsniveau is per verzekering verschillend.
De centrale overheid is met name betrokken bij het voorbereiden en vastleggen van wet- en regelgeving, waarin onderdelen als het recht op uitkering en de uitvoering zijn neergelegd. De uitvoering is in handen van organen die een zekere zelfstandigheid innemen ten opzichte van de rijksoverheid, ook al voeren zij een overheidstaak uit. Voor de werknemersverzekeringen zijn dit het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en het Centrale Orgaan voor Werk en Inkomen. Voor de volksverzekeringen is dit de Sociale Verzekeringsbank. De toezichthoudende instantie is sinds 1 januari 2002 de Inspectie Werk en Inkomen, daarvoor werd toezicht gehouden door het College van toezicht sociale verzekeringen (1995–2001).
Ook de overheidsbemoeienis met de aanvullende pensioenen wordt tot de sociale zekerheid gerekend. De voornaamste taken in deze zijn de regelgeving en het toezicht. Op dit deelterrein zijn als belangrijkste wetten tot stand gekomen de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW, 1952), de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet Bpf 2000, 2000) en de Wet betreffende verplichte deelneming aan een beroepspensioenregeling (Wet Bpr, 1972). Het toezichthoudende orgaan is per 1 januari 2001 de Pensioen- en Verzekeringskamer, gevestigd in Apeldoorn.
3. Actoren
Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. In het kader van het institutioneel onderzoek zijn met name die actoren van belang die overheidsorgaan zijn en handelingen verrichten op het terrein van de sociale voorzieningen. In het BSD zijn alleen handelingen opgenomen van (landelijke) overheids-actoren.
Als eerste dient genoemd te worden de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de totstandkoming van het beleid en de wet- en regelgeving ten aanzien van de sociale verzekeringen en de aanvullende pensioenregelingen. Het betreft zowel de inhoudelijke (voorwaarden en prestaties) als de organisatorische kant (financiering en uitvoering) van het beleid. Ook de internationale afstemming van het sociale zekerheidsbeleid behoort tot zijn taken. Voor de sociale ziektekostenverzekeringen, te weten de Ziekenfondswet en de AWBZ moet echter een voorbehoud gemaakt worden; voor deze verzekeringen is de minister waaronder Volksgezondheid ressorteert verantwoordelijk (nu is dat de Minister van VWS). Deze sociale verzekeringen zijn in dit onderzoek niet aan de orde geweest omdat zij reeds eerder onderzocht zijn.3Verzekerd van Zorg, PIVOT-rapport nr. 7; in dat onderzoek is geen aandacht besteed aan de internationale aspecten van die verzekeringen. Zij zijn in dit onderzoek meegenomen, internationaal worden de sociale verzekeringen ook als een beleidsterrein behandeld. Een andere minister die nauw bij het beleidsterrein betrokken is, is de Minister van Financiën, vanwege de premieheffing voor de volksverzekeringen door de Belastingdienst en het beheer van de fondsen.
Als adviesorgaan op dit beleidsterrein dient de Sociaal-Economische Raad genoemd te worden. Over de uitvoering wordt door de diverse uitvoeringsorganen geadviseerd (SVB, Lisv/UWV, CWI, Pensioen- en Verzekeringskamer). Voor een bepaald onderwerp of aspect is een aantal keer een aparte commissie in het leven geroepen, bijvoorbeeld de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (COSZ) of de Staatscommissie vereenvoudiging en codificatie van de sociale zekerheidswetgeving.
De belangrijkste uitvoerende organen zijn nu de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen/het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en het Centrale Orgaan voor Werk en Inkomen. De Sociale Verzekeringsbank voert met name de volksverzekeringen (AOW, AWW/Anw en AKW) uit. Het Lisv/UWV en het CWI voeren de werknemersverzekeringen (WW en WAO) uit.
Op de uitvoering van de sociale verzekeringen werd en wordt toezicht gehouden door speciaal daartoe in het leven geroepen overheidsorganen. Met de inwerkintreding van de nOsv in 1995 werd de SVr omgevormd tot het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). Ctsv is in januari 2002 samen met de directie Toezicht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgegaan in de Inspectie Werk en Inkomen.
De Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) is het toezichthoudende orgaan voor het deelterrein aanvullende pensioenregelingen. De PVK houdt toezicht op de uitvoering door pensioen- en spaarfondsen van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW), de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) en de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet Bpr).
Voor een uitgebreidere beschrijving van de actoren, zowel de overheidsorganen als de niet-overheidsorganen kan verwezen worden naar hoofdstuk 2 van het RIO.
4. Selectie
4.1. Doelstelling van de selectie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.