Wet van 20 oktober 2005 tot vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet toelating zorginstellingen)

Type Wet
Publication 2022-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het ter bevordering van de overgang van een centraal aanbod gestuurd naar een decentraal vraaggericht zorgstelsel wenselijk is de regels inzake de toelating van zorginstellingen en die inzake de bouwprocedure te vereenvoudigen en samen te voegen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of een deel daarvan niet van toepassing zijn.

Artikel 2
1.

Met het oog op de totstandkoming van een beleidsregel van de Nederlandse Zorgautoriteit op grond van artikel 57 van de Wet marktordening gezondheidszorg, kan bij ministeriële regeling met betrekking tot de instelling of instellingen waarvoor die beleidsregel geldt, worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of een deel daarvan niet van toepassing zijn voor de duur van het in die beleidsregel bedoelde experiment.

2.

Alvorens overeenkomstig het eerste lid een ministeriële regeling wordt vastgesteld, wordt het ontwerp daarvan schriftelijk meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal. De regeling wordt niet eerder vastgesteld dan nadat tien dagen zijn verstreken na die mededeling.

3.

De regeling vervalt op het tijdstip waarop ingevolge de beleidsregel het experiment is geëindigd.

4.

Onze Minister evalueert de toepassing van dit artikel tijdig en tijdens de uitvoering van het experiment.

Hoofdstuk II. Winstoogmerk

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk III. Toelating en bouwprocedure

Artikel 5

Een instelling heeft geen winstoogmerk, behoudens de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van instellingen.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk IV. Exploitatie

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk V. Sanering

Artikel 17
1.

Het bestuur van een instelling wendt zich tot het College sanering binnen zes weken na bekendmaking van een beslissing tot beëindiging van de uitvoering van bijzondere medische verrichtingen of beëindiging van het gebruik van apparatuur op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen.

2.

Het College sanering stelt de financiële gevolgen van sanering vast ter zake van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, alsmede ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel 18.

3.

De in het tweede lid bedoelde vaststelling kan inhouden dat het College sanering subsidie verstrekt ter voorziening in de financiële gevolgen van de sanering.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

5.

In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat het College sanering nadere regels stelt over daarbij aangewezen onderwerpen. De door het College sanering gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

6.

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt niet genomen dan nadat het Zorginstituut hieromtrent is gehoord.

7.

De betaling van de subsidie of het voorschot geschiedt door het Zorginstituut ten laste van het Fonds langdurige zorg. Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

8.

Indien het College sanering vaststelt dat de financiële gevolgen van de sanering een positief saldo voor de betrokken instelling inhouden, kan het College sanering bepalen dat het saldo wordt gestort in het Fonds langdurige zorg. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

9.

Van besluiten als bedoeld in het tweede lid doet het College sanering mededeling aan Onze Minister.

10.

Onze Minister doet jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal omtrent de door het College sanering ingevolge het tweede lid genomen besluiten.

11.

Het College sanering is tevens belast met het toezicht op de sanering. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

Artikel 18
1.

Het bestuur van een instelling, met uitzondering van een academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dat voornemens is om gebouwen of terreinen, of delen daarvan, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het College sanering.

2.

Het College sanering beslist binnen acht weken na ontvangst van de mededeling of het bestuur van de instelling de gebouwen of terreinen kan verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht kan onderwerpen zonder zijn goedkeuring. Bij de goedkeuring kan het College sanering bepalen dat bij verkoop een meeropbrengst ten opzichte van de boekwaarde wordt gestort in het Fonds langdurige zorg.

3.

Een rechtshandeling die is verricht in strijd met dit artikel, is vernietigbaar. De vernietigbaarheid kan worden ingeroepen door het College sanering.

Hoofdstuk VI. College sanering

Paragraaf 1. College bouw zorginstellingen

Artikel 19
1.

Er is een College sanering zorginstellingen, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College sanering is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

2.

Het College sanering is belast met de taken die hem bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

3.

Het College sanering wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.

Artikel 20
1.

Het College sanering bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter.

2.

Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden. Benoeming vindt op persoonlijke titel plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van het College sanering alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het College sanering.

4.

De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

5.

Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.

6.

Onze Minister stelt de bezoldiging en de regels ten aanzien van de rechtspositie van de leden van het College sanering vast.

Artikel 21
1.

Het College sanering stelt een bestuursreglement vast.

2.

Vergaderingen van het College sanering zijn niet openbaar, behoudens voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.

3.

In het bestuursreglement legt het College sanering in ieder geval vast hoe hij voldoet aan de verplichting ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.

Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden indien het doelmatig en doeltreffend functioneren van het College sanering onvoldoende wordt gewaarborgd.

Artikel 22
1.

Voor het personeel van het College sanering gelden de arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het ministerie, waaronder het College sanering ressorteert.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald voor welke aangelegenheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Artikel 23
1.

Het College sanering zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende kalenderjaar.

2.

Het jaarplan omvat:

Artikel 24
1.

Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december het budget voor de beheerskosten van het College sanering voor het volgende kalenderjaar vast.

2.

Onze Minister kan besluiten het budget voor de beheerskosten van het College sanering te wijzigen.

3.

Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten, doet het College sanering daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

4.

Het College sanering gaat met betrekking tot de beheerskosten geen verplichtingen aan en doet geen uitgaven die leiden tot overschrijding van het vastgestelde budget voor de beheerskosten.

5.

Indien het budget voor de beheerskosten niet is vastgesteld voor 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, is het College sanering bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te houden, te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.

6.

Onze Minister kan besluiten dat het College sanering in een geval als bedoeld in het vijfde lid, kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.

7.

Het door Onze Minister vastgestelde budget voor de beheerskosten van het College sanering wordt gedekt uit 's Rijks kas.

Artikel 25
1.

Het College sanering zendt jaarlijks voor 15 maart aan Onze Minister een jaarverantwoording over het afgelopen kalenderjaar, alsmede het verslag van bevindingen, bedoeld in het zesde lid.

2.

De jaarverantwoording omvat:

3.

Het College sanering legt in zijn jaarrekening, die zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingericht, rekening en verantwoording af over zijn beheerskosten en over de rechtmatigheid en doelmatigheid van het beheer in het afgelopen kalenderjaar.

4.

De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is Onze Minister desgevraagd inzicht te geven in zijn controlewerkzaamheden.

5.

De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen door het College sanering.

6.

De accountant voegt bij de verklaring een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie voldoen aan eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid.

Artikel 26
1.

De onderdelen «werkprogramma» en «begroting» van het jaarplan, bedoeld in artikel 23, en het onderdeel «jaarrekening» van de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 25, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

2.

Het eerste lid geldt niet voor wijzigingen in een goedgekeurde begroting, mits:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.