← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 3 november 2005, houdende uitvoering van enige bepalingen van de Wet toelating zorginstellingen (Uitvoeringsbesluit WTZi)

Geldende tekst a fecha 2006-12-14

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2004, kenmerk Z/PB-2519449;

Gelet op de artikelen 1, tweede en derde lid, 5, eerste, tweede en derde lid, 6, 7, derde lid, onder c, 9, eerste lid, onder b, 16 en 17, vierde lid, van de Wet toelating zorginstellingen;

De Raad van State gehoord (advies van 23 november 2004, nr. W13.04.0473/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2005, kenmerk MC/MO-2625487;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Aanwijzing instellingen

Artikel 1.1

In dit besluit wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

Artikel 1.2

Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de wet worden de volgende categorieën van instellingen aangewezen:

alsmede instellingen voor:

Hoofdstuk II. Uitzonderingen

Artikel 2.1
1.

Niet tot de in artikel 1.2 genoemde instellingen behoren militaire instellingen als ziekenboegen, gezondheidscentra en operationeel geneeskundige instellingen.

2.

Op de instellingen, genoemd in artikel 1.2, onder nummer 1, voor zover het betreft militaire ziekenhuizen en militaire revalidatiecentra, zijn de artikelen 7, derde lid, onder c, 9, eerste lid, onder b, en 13, eerste lid, eerste volzin, van de wet niet van toepassing.

3.

Op de instellingen, genoemd in artikel 1.2, onder nummer 1, voor zover het betreft academische ziekenhuizen, zijn de artikelen 6.1 en 6.2 van dit besluit niet van toepassing.

4.

Artikel 16 van de wet is uitsluitend van toepassing op de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onder de nummers 1 en 16 tot en met 21.

5.

De artikelen 17 en 18 van de wet zijn uitsluitend van toepassing op de instellingen, bedoeld in artikel 5.2, met uitzondering van de kleinschalige woonvoorzieningen, bedoeld in artikel 5.4.

Artikel 2.2

De instellingen, genoemd in artikel 1.2, onder de nummers 5 tot en met 13 worden voor de toepassing van artikel 5, eerste of tweede lid, van de wet aangemerkt als in het bezit van een toelating.

Hoofdstuk III. Winstoogmerk

Artikel 3.1

Als instellingen waarvoor winstoogmerk is toegestaan, worden aangewezen:

Hoofdstuk IV. Aanvraag toelating

Artikel 4.1
1.

De aanvraag aan het College zorgverzekeringen om een toelating wordt ingediend onder gebruikmaking van een door dat college beschikbaar te stellen formulier.

2.

De aanvraag aan Onze Minister om een toelating wordt ingediend onder gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar te stellen formulier.

Artikel 4.2

Een aanvraag als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet wordt, om in behandeling te worden genomen met het oog op het toepassen van de beleidsregels op grond van artikel 4 van de wet, ingediend binnen zestien maanden na de aanvang van de in artikel 6, onder c, van de wet bedoelde periode van twee jaar.

Hoofdstuk V. Bouw

Artikel 5.1
1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

2.

Onder bouw wordt mede verstaan het in gebruik nemen van een ruimte.

Artikel 5.2

Als categorieën van organisatorische verbanden waarvoor ingevolge artikel 5, tweede lid, van de wet een toelating door Onze Minister is vereist in geval van een bij artikel 5.3 aangewezen vorm van bouw, worden aangewezen:

Artikel 5.3

Als vormen van bouw ten behoeve van de instellingen, genoemd in artikel 5.2, worden aangewezen:

Artikel 5.4
1.

Artikel 5.3 is niet van toepassing voor zover het betreft bouw ten behoeve van kleinschalige woonvoorzieningen, zijnde instellingen of delen daarvan waar de desbetreffende zorg wordt verleend:

2.

Onder postcode als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de combinatie van vier cijfers en twee letters.

3.

Artikel 5.3 is voorts niet van toepassing voor zover het betreft bouw ten behoeve van het verlenen van zorg aan personen aan wie niet tevens verblijf wordt geleverd.

Hoofdstuk VI. Transparantie-eisen

§ 1. Bestuursstructuur

Artikel 6.1

Met betrekking tot de bestuursstructuur van instellingen gelden de volgende eisen:

Artikel 6.2

Indien de instelling de rechtsvorm van stichting of vereniging als bedoeld in artikel 344 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek heeft, kent zij in de statuten aan een orgaan dat de cliënten van de instelling vertegenwoordigt, de in artikel 346, onder c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde bevoegdheid toe tot het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 345 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De instelling kan die bevoegdheid daarnaast ook aan anderen toekennen.

§ 2. Bedrijfsvoering

Artikel 6.3

De instelling heeft schriftelijk vastgelegd welk orgaan of welke organen van de instelling welke bevoegdheden heeft onderscheidenlijk hebben ten aanzien van welk onderdeel of aspect van de bedrijfsvoering.

Artikel 6.4
1.

De instelling heeft schriftelijk en inzichtelijk vastgelegd hoe de zorgverlening georganiseerd wordt, van welke andere organisatorische verbanden daarbij gebruik wordt gemaakt en wat de aard is van de relaties met die andere verbanden, waaronder begrepen verantwoordelijkheden, taken en beslissingsbevoegdheden.

2.

De activiteiten van de instelling waarvoor de toelating geldt, worden in ieder geval financieel onderscheiden van andere activiteiten van de instelling.

Artikel 6.5

In de financiële administratie van de instelling zijn ontvangsten en betalingen duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming, en duidelijk is wie op welk moment welke verplichtingen voor of namens de instelling is aangegaan.

Hoofdstuk VII. Gegevensverstrekking

Artikel 7.1

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in artikel 16 van de wet bedoelde gegevens van de in artikel 2.1, vierde lid, bedoelde instellingen, voor zover die betreffen:

in de volgende artikelen «gegevens» genoemd.

Artikel 7.2
1.

Onze Minister geeft per categorie van instellingen en per categorie van personen die bij de exploitatie van een instelling betrokken zijn, aan, welke gegevens jaarlijks dienen te worden verstrekt.

2.

Onze Minister kan voor instellingen gelegen binnen een door hem aan te wijzen gebied en voor personen die bij de exploitatie van die instellingen betrokken zijn, aangeven welke gegevens op zijn desbetreffend verzoek dienen te worden verstrekt.

3.

Met betrekking tot academische en militaire ziekenhuizen geeft Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aan welke gegevens dienen te worden verstrekt.

Artikel 7.3
1.

De gegevens bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, dienen jaarlijks uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het jaar waarop zij betrekking hebben te worden verstrekt.

2.

De gegevens, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, dienen te worden verstrekt telkens uiterlijk zes maanden na een desbetreffend verzoek van Onze Minister.

3.

Met betrekking tot academische ziekenhuizen en militaire ziekenhuizen geeft Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen onderscheidenlijk in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aan, op welke termijn de gegevens bedoeld in artikel 7.2, derde lid, dienen te worden verstrekt.

Artikel 7.4
1.

Onze Minister kan regels vaststellen over de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens dienen te worden verstrekt.

2.

Onze Minister wijst instanties aan die de te verstrekken gegevens verzamelen en verwerken. Hij stelt voorschriften die door die instanties in acht worden genomen.

Artikel 7.5

De gegevens kunnen door Onze Minister op door hem te bepalen wijze ter beschikking worden gesteld van de organen genoemd in of betrokken bij de uitvoering van de wet. Onze Minister stelt nadere regels omtrent het beheer van de gegevens die onder hem berusten.

Artikel 7.6

De gegevens mogen slechts in een zodanige vorm worden opgevraagd en verstrekt, dat zij niet tot individuele patiënten of cliënten herleidbaar zijn. Onze Minister stelt terzake, voor zover hij zulks nodig acht, nadere regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 7.7

Onze Minister stelt regels omtrent de wijze van vergoeding van de kosten, verbonden aan de verstrekking van de gegevens.

Artikel 7.8
2.

Na de inwerkingtreding van dit artikel berusten de regels ter uitvoering van het Besluit informatievoorziening artikel 22 Wet ziekenhuisvoorzieningen op de overeenkomstige bepalingen van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk VIII. Sanering

Artikel 8.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder sanering: het geheel van de maatregelen die worden genomen:

Artikel 8.2
1.

De financiële gevolgen van sanering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet bestaan uit het verschil tussen de door het College sanering aanvaardbaar geachte lasten terzake van de sanering en de door het College sanering vastgestelde opbrengsten daarvan. Het College sanering stelt het verschil niet vast dan nadat de liquidatiebegroting is geverifieerd door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Bij het vaststellen van de lasten terzake van sanering neemt het College sanering in beschouwing:

3.

Voor de toepassing van het tweede lid blijven buiten beschouwing lasten die in aanmerking zijn genomen of kunnen worden genomen bij de vaststelling van een tarief als bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg.

4.

Bij het vaststellen van de opbrengsten van sanering neemt het College sanering in beschouwing de opbrengsten van vermogensbestanddelen die als gevolg van de sanering niet meer bij de instelling in gebruik zullen zijn, met uitzondering van de vermogensbestanddelen die naar het oordeel van het College sanering, gelet op hun herkomst en bestemming, behoren te worden uitgezonderd, alsmede opbrengsten die in aanmerking zijn genomen of kunnen worden genomen bij de vaststelling van een tarief als bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg.

5.

Het College sanering kan nadere regels stellen terzake van de lasten en opbrengsten bedoeld in de voorgaande leden.

Artikel 8.3
1.

Het College sanering kan ten behoeve van de sanering en het toezicht daarop een gemachtigde aanwijzen.

2.

De gemachtigde is onder verantwoordelijkheid van het College sanering belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens artikel 17 van de wet gestelde regels.

Artikel 8.4
1.

De instelling is verplicht aan het College sanering de gegevens en bescheiden te verstrekken die het in verband met de sanering nodig acht.

2.

Het College sanering kan nadere regels stellen terzake van het verstrekken van de gegevens en bescheiden bedoeld in het vorige lid.

3.

Het College sanering kan de instelling verplichtingen opleggen als bedoeld in artikel 4:38 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8.5
1.

Het College sanering kan de instelling aanwijzingen geven ten behoeve van het goede verloop van de sanering.

2.

De instelling is verplicht uitvoering te geven aan aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.6

Het College sanering kan de instelling voorschotten verlenen.

Artikel 8.7
1.

De artikelen 8.2 tot en met 8.6, met uitzondering van artikel 8.2, tweede lid, onder c, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de financiële gevolgen van sanering als bedoeld in artikel 12a van de Wet ambulancevervoer.

2.

De subsidieverlening in het kader van het eerste lid kan worden geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan nadat met de sanering een aanvang is gemaakt.

Artikel 8.8
2.

Na de inwerkingtreding van dit artikel berusten de regels ter uitvoering van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg op de overeenkomstige bepalingen van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Artikel 9.1

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet toelating zorginstellingen in werking treedt.

Artikel 9.2

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WTZi.

Bijlage

Niet opgenomen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlage en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.