← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)

Geldende tekst a fecha 2009-01-29

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 5d, eerste en vierde lid, 5e, vijfde en zesde lid, 5f, derde en vijfde lid, 5g, 59b, 60 en 69 van de Meststoffenwet;

Gelet op artikel 64 van de Wet bodembescherming;

Gelet op de artikelen 26, tweede en derde lid, 28, tweede lid, onderdeel b, 35, eerste lid, onderdeel b, 36, 41, 46, 52, 53, derde lid, 54, 55, derde lid, 56, 64, 70 en 71 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

Gelezen het advies van de Technische Commissie Bodembescherming;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Hoofdstuk 2. Verhandelen van meststoffen

Hoofdstuk 3. Gebruiksnormen

Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen

Hoofdstuk 2. Verhandelen van meststoffen

Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs

Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers

Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen

Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Artikel 122
1.

De in artikel 26, eerste lid, van het besluit en de in de artikelen 25, eerste, tweede en zesde lid, 32, eerste lid, 35a, derde, vierde en vijfde lid, 37, eerste, tweede en vierde lid, 41, 42, 45, eerste, tweede en achtste lid, 48, 50, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 52, 104, eerste lid, artikel 105, eerste lid, artikel 110, eerste lid, artikel 114, artikel 115 en artikel 119, tweede lid, bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de Dienst Regelingen van het ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door deze dienst wordt verstrekt.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.

3.

De in de artikelen 55, vierde lid, 56, 81, eerste lid, en 92b, vierde en vijfde lid, bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de artikelen 52, 57a en 58 bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in artikel 35f, tweede lid, bedoelde elektronische aanmelding en de in de artikelen 64 en 69a, bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.

4.

De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig artikel 123 door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.

Artikel 123
1.

De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in artikel 122, derde lid, geschiedt bij de Dienst Regelingen.

2.

De Dienst Regelingen zendt de aanvrager een bevestiging van de registratie.

Artikel 124
1.

Degene die ingevolge deze regeling gegevens in de administratie moet opnemen of uit de administratie moet verstrekken, doet dit volledig en naar waarheid.

2.

Het opnemen in of verstrekken uit de administratie van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt, voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij degene die ze ingevolge deze regeling moet opnemen in of verstrekken uit de administratie.

3.

De in het eerste lid bedoelde gegevens worden niet gewijzigd in de administratie en worden bewaard als onderdeel van de administratie, bedoeld in de artikelen 32, 39 of 44 van het besluit.

Artikel 125

Met een laboratorium als bedoeld in de artikelen 17, tweede lid, 18, tweede lid, 19, tweede lid, 20, tweede lid, 21, derde lid, 22, tweede lid, 27, eerste lid, 32, tweede lid, 81, derde lid, 92a, vijfde lid, en 99, derde lid, wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

Artikel 126
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 7 van de wet, is niet van toepassing op bedrijven, of delen van bedrijven, waarop de verbruiksdoelstellingen voor stikstof en fosfaat als bedoeld in bijlage 1 van het Besluit glastuinbouw van toepassing zijn.

2.

Op het bedrijf, of deel van het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste 170 kilogram stikstof in de vorm van dierlijke meststoffen op of in de bodem gebracht.

3.

Op bedrijven met open grondteelt die mede glastuinbouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van het Besluit glastuinbouw, uitoefenen op een kleiner oppervlak dan 2500 m2 aan permanente opstand van glas of kunststof is voor deze glastuinbouwactiviteiten het verbod, bedoeld in artikel 7 van de wet, niet van toepassing.

4.

Op bedrijven als bedoeld in het derde lid, zijn voor de glastuinbouwactiviteiten de verbruiksdoelstellingen voor stikstof en fosfaat, genoemd in bijlage 1, van het Besluit glastuinbouw, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 127

De voldoening aan de voorwaarden 30, 35, 43, 44, 92a, derde lid, en 126, tweede lid, wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.

Artikel 128
1.

Ter uitvoering van:

wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Productschap Zuivel.

2.

De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit:

3.

De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat voorts uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ondernemers bij verordening stellen van nadere regels, inzake:

4.

Het productschap verstrekt de minister, al dan niet op verzoek, alle mededelingen of inlichtingen, afschriften van uitgestuurde stukken daaronder begrepen, dan wel verleent medewerking aan al hetgeen van belang is of zou kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van het besluit en de regeling.

5.

Het productschap draagt er zorg voor dat aan de landbouwer die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing en melkpremie 2004, jaarlijks vóór 1 februari gegevens over de totale hoeveelheid in het voorafgaande kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk worden verstrekt.

Artikel 129

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet zijn belast de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 130

Wijzigt de Regeling Varkensleveringen.

Artikel 131

Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Artikel 132

De volgende regelingen worden ingetrokken:

a. de Vrijstellingsregeling mestbe- en verwerking Meststoffenwet;

b. de Vaststellingsregeling aanvraagformulieren Besluit erkenning tussenpersonen, mestverwerkers en exporteurs Meststoffenwet;

c. de Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet;

d. de Regeling landbouwgrond en natuurterrein Meststoffenwet;

e. de Regeling vrijstelling van de heffingen Meststoffenwet voor kleine bedrijven, tuinbouwbedrijven en tuincentra;

f. de Vrijstellingsregeling gestarte en uitgebreide bedrijven Meststoffenwet;

g. de Vaststellingsregeling formulier grondgebruikersverklaring;

h. de Vaststellingsregeling formulier vrijstelling gestarte en uitgebreide bedrijven;

i. de Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999;

j. de Beleidsregels Algemene wet bestuursrecht Bureau Heffingen;

k. de Vrijstellingsregeling gebruik dierlijke meststoffen 2005; en

l. de regeling van de Minister van Landbouw en Visserij van 17 december 1986, nr. J9110, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Meststoffenwet (Stcrt. 246).

Artikel 133

Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij of artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van artikel 106, eerste lid, voor de toepassing van artikel 105, zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de Dienst Regelingen.

Artikel 134

Vervallen

Artikel 135

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van artikel 134, dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.

Artikel 136

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Bijlage

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage C. behorende bij de artikelen 30 tot en met 33

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage D. Diergebonden normen

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage F

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage G

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage H. behorende bij de artikelen 80 en 81

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage K. behorende bij artikel 98

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van hoofdstuk 3 wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in artikel 1 van het besluit wordt verstaan.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van hoofdstuk 4, worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.

Artikel 3

Als grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet wordt aangemerkt grond met een houtopstand die valt onder de vrijstelling, bedoeld in de Regeling meldings- en herplantplicht.

Artikel 4

Voor zover zij voldoen aan de artikelen 9 tot en met 15 van het besluit zijn aangewezen:

Artikel 5

gereserveerd

Artikel 6
1.

Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in bijlage Aa, onder I en II, opgenomen stoffen of de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.

2.

Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels.

Artikel 7
1.

Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de daarbij vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten van de droge stof:

2.

Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren, bevatten ten minste één van deze micronutriënten, in de in Bijlage 1, Hoofdstuk E, van de meststoffenverordening voorgeschreven minimale gehalten.

Artikel 8

Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.

Artikel 9

Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 2, opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.

Artikel 10

In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is artikel 14 van het besluit, voor zover het betreft de in bijlage II, onder tabel 1 van het besluit, opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk artikel 8, voor zover het betreft de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:

Artikel 11

Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren zijn voorzien van een gebruiksaanwijzing die past bij de bodemgesteldheid en de teelt waarvoor de meststof wordt gebruikt.

Artikel 12
1.

De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit, worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt

2.

De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de artikelen 9 tot en met 12 van het besluit en de in artikel 7 van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.

3.

De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.

4.

De hoeveelheid van de meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, wordt uitgedrukt in kilogrammen of in tonnen.

Artikel 13
1.

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in bijlage Aa opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze bijlage is vermeld.

2.

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.

3.

Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge artikel 4, onderdeel c, aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op bijlage Aa, onder III, is vermeld.

Artikel 14

In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen primaire of secundaire nutriënten, maar ook de micronutriënten koper of zink leveren, zijn de meststoffen voorzien van gegevens inzake de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink.

Artikel 15
1.

De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in EG-meststoffen worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfor en kalium in de vorm van het oxide (P2O5 onderscheidenlijk K 2O), en desgewenst in de vorm van het element (P onderscheidenlijk K) uitgedrukt.

2.

De gehalten aan calcium, magnesium, natrium en zwavel in EG-meststoffen worden in de vorm van het oxide (CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.

Artikel 16
1.

De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit, worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 17, dan wel artikel 92a tot en met 92b voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld

2.

De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:

Artikel 17
1.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.

2.

De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel I, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 18
1.

Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.

2.

De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel II, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 19
1.

De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.

2.

De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel III, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 20
1.

Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.

2.

De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel IV, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 21
1.

De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.

2.

De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in artikel 9, in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).

3.

De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel V, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 22
1.

De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.

2.

De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel VI, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 23

Het tijdstip, bedoeld in artikel 77 van het besluit bedraagt voor alle meststoffen 1 januari 2010.

Hoofdstuk 3. Gebruiksnormen

§ 1. Derogatie

Artikel 24
1.

De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet, is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25 tot en met 27.

2.

De in het eerste lid bedoelde gebruiksnorm is uitsluitend van toepassing op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren.

Artikel 25
1.

Uiterlijk op 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, meldt de landbouwer het bedrijf voor de toepassing van artikel 24, eerste lid, aan bij de Dienst Regelingen. Ingeval 2006 het jaar van toepassing van de genoemde gebruiksnorm is, vindt de melding uiterlijk op 1 februari 2006 plaats.

2.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, voegt de landbouwer de verklaring waarin hij zich verplicht tot het naleven en het ten aanzien van zijn bedrijf doen naleven van artikel 10 in samenhang met de artikelen 7 en 8 van de wet, van de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels, van de artikelen 4b en 8a van het Besluit gebruik meststoffen, van het derde tot en met het vijfde lid en van de artikelen 26 en27.

3.

In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.

4.

De landbouwer gebruikt geen drijfmest op tot het bedrijf behorend bouwland op kleigrond in de periode van 1 januari tot en met 31 januari en in de periode van 16 september tot en met 31 december.

5.

De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringwerkzaamheden als bedoeld in artikel 8 van de beschikking in opdracht van de minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de Minister van Verkeer en Waterstaat.

6.

Ingeval een bedrijfsoverdracht plaatsvindt nadat de verklaring, bedoeld in het tweede lid, is ingediend, dient de landbouwer die het bedrijf overgedragen heeft gekregen, binnen 30 dagen na de overdracht, een verklaring in bij de Dienst Regelingen.

Artikel 26
1.

De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 5, derde lid, van de beschikking.

2.

De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.

3.

De landbouwer bewaart het bemestingsplan als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.

Artikel 27
1.

Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

2.

Het laboratorium heeft ten minste per vijf hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die wat betreft de kenmerken van het bouwplan en de bodem homogeen zijn, één representatief mengmonster samengesteld uit door het laboratorium uit de desbetreffende hectaren gestoken deelmonsters. Het laboratorium heeft dit mengmonster geanalyseerd ter vaststelling van de in het eerste lid bedoelde waarden en een analyserapport opgesteld.

3.

In zoverre in afwijking van het eerste en tweede lid, kan het laboratorium de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, uitbesteden aan een derde indien:

4.

In zoverre in afwijking van het tweede lid, tweede volzin, kan het laboratorium de werkzaamheden uitbesteden aan een ander laboratorium dat blijkens accreditatie voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

5.

In zoverre in afwijking van het tweede lid, kunnen de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, zijn verricht door de landbouwer of een derde in opdracht van de landbouwer, indien het in het tweede lid bedoelde mengmonster vóór 1 december 2005 bij het laboratorium ter analyse is ingediend.

6.

De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.

7.

Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en voor 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.

§ 2. Stikstofgebruiksnorm

Artikel 28

Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in bijlage A voor het desbetreffende gewas is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk.

Artikel 29

Bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in bijlage B vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht.

§ 3. Fosfaatarme gronden

Artikel 30
1.

Het is toegestaan om per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor elk perceel dan wel gewasperceel waarvan overeenkomstig de artikelen 32, tweede lid, en 33 is vastgesteld dat het PAL-getal in de bodemlaag tot tien centimeter onder het maaiveld kleiner is dan 16, een fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen toe te passen die 160 kilogram fosfaat bedraagt, waarvan:

2.

Het is toegestaan om per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor elk perceel dan wel gewasperceel waarvan overeenkomstig de artikelen 32, tweede lid, en 33 is vastgesteld dat het Pw-getal in de bodemlaag tot tien dan wel tot vijfentwintig centimeter onder het maaiveld kleiner is dan 25, een fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen toe te passen die 160 kilogram fosfaat bedraagt, waarvan:

3.

Zolang op grond van artikel 11, vijfde lid, van de wet voor de jaren 2009 en volgende geen afwijkende fosfaatgebruiksnorm is vastgesteld, blijft de in het eerste en tweede lid genoemde fosfaatgebruiksnorm voor 2008 van toepassing.

Artikel 31
1.

De hoeveelheden fosfaat, bedoeld in artikel 30, kunnen gedurende vier kalenderjaren worden toegepast, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 en 33, eerste en derde lid.

2.

Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in artikel 30, eerste en tweede lid, in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, kunnen de hoeveelheden fosfaat, bedoeld in artikel 30, gedurende het restant van die periode worden toegepast, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de Dienst Regelingen.

Artikel 32
1.

Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in artikel 31, eerste lid, bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30, eerste of tweede lid, wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de Dienst Regelingen:

2.

De fosfaattoestand van het perceel dan wel gewasperceel is ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

3.

De landbouwer zendt bij de in het eerste lid bedoelde melding het origineel of een door het laboratorium gewaarmerkt afschrift van het keuringsrapport, bedoeld in artikel 33, eerste lid, aan de Dienst Regelingen.

Artikel 33
1.

Het laboratorium, bedoeld in artikel 32, tweede lid, verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in bijlage C opgenomen protocol en stelt een keuringsrapport op.

2.

Het keuringsrapport bevat voor ieder bemonsterd perceel dan wel gewasperceel in ieder geval de volgende gegevens:

3.

De landbouwer bewaart een afschrift van het keuringsrapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30, eerste of tweede lid, wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.

§ 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening

Artikel 34

Bij de bepaling van de in artikel 12, vierde lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen, wordt:

Artikel 35
1.

Een landbouwer kan in enig kalenderjaar ten aanzien van zijn bedrijf in afwijking van artikel 11, tweede en derde lid, van de wet, een hogere fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op bouwland toepassen, indien de hoeveelheid fosfaat waarmee de ingevolge artikel 11, tweede of derde lid, van de wet, geldende fosfaatgebruiksnorm is overschreden in het navolgende kalenderjaar volledig wordt gecompenseerd.

2.

De hogere fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, is niet meer dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar hoger dan de fosfaatgebruiksnorm die geldt ingevolge artikel 11, tweede of derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen

Artikel 36
1.

Als forfaitaire productienormen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in bijlage D, tabel I, kolom A.

2.

Indien de omschrijving behorende bij een diercategorie niet overeenkomt met de feitelijke situatie, worden de normen gehanteerd van de diercategorie waarvan de omschrijving het meest aansluit bij de feitelijke situatie.

Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers

Artikel 37
1.

De aanmelding, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na inwerkingtreding van deze regeling bij de Dienst Regelingen.

2.

Indien een landbouwbedrijf wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting.

3.

De gegevens, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede:

4.

Wijzigingen in de ingevolge artikel 31 van het besluit verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst.

Artikel 38
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens.

2.

De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit, worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in bijlage D, tabel I.

3.

De gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel g, van het besluit, worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven.

Artikel 39

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de landbouwer gegevens over:

Artikel 40
1.

Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.

2.

Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de artikelen 32, tweede lid, en33 van het besluit en de artikelen 38 en 39 bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.

Artikel 41

De landbouwer die in de periode van 16 mei tot en met 31 oktober van een kalenderjaar een perceel landbouwgrond in gebruik neemt dat voor deze periode in gebruik was bij een ander bedrijf of een derde, doet hiervan binnen 30 dagen melding aan de Dienst Regelingen.

Artikel 42
1.

De landbouwer, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het komende kalenderjaar is aangemeld bij de Dienst Regelingen overeenkomstig artikel 25, eerste lid, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:

2.

De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig artikel 25, eerste lid, is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.

3.

De landbouwer die op het eigen bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing en melkpremie 2004, verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk.

Artikel 43
1.

De artikelen 26 en 31 tot en met 35 van het besluit en de artikelen 37 tot en met 42 zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

2.

De artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit en de artikelen 40, eerste lid, en 42, eerste lid, onderdelen a, c en d, zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in bijlage D, tabel I, waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.

3.

De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.

Artikel 44

De artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit en de artikelen 40 en 42, eerste lid, onderdelen a en c, zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs

Artikel 45
1.

De aanmelding, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na inwerkingtreding van deze regeling bij de Dienst Regelingen.

2.

Indien een intermediaire onderneming wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting.

3.

De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede:

4.

De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdelen f en g, van het besluit, betreffen mede de serienummers van de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur en de AGR-apparatuur alsmede een aanduiding van het type waartoe deze apparatuur behoort, het versienummer en de fabrikant van deze apparatuur.

5.

De gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel h, van het besluit, worden, voor zover het opslagruimten voor drijfmest of vaste mest betreft, mede uitgedrukt in kubieke meters onderscheidenlijk in vierkante meters.

6.

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, tevens gegevens over:

7.

Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, verstrekt de intermediair behalve de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib.

8.

Wijzigingen in de ingevolge artikel 38 van het besluit of het zesde of zevende lid geregistreerde gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst.

9.

De artikelen 38 en 39 van het besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers voor zover deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert.

Artikel 46
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden bijgehouden op het daartoe door de Dienst Regelingen verstrekte formulier.

2.

In plaats van het in het eerste lid bedoelde formulier kunnen andere gegevensdragers worden gebruikt, onder de voorwaarde dat daarbij dezelfde berekeningswijze wordt gehanteerd als bij gebruik van het in het eerste lid bedoelde formulier, het geval zou zijn geweest.

3.

Voor zover het hoeveelheden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, ingevuld zoals deze ook zijn vermeld op het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten.

4.

Voor zover het hoeveelheden mestkorrels, overige organische meststoffen en anorganische meststoffen betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, overgenomen van het etiket op de verpakking, dan wel van het begeleidend document bij de meststoffen.

5.

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, bevat de administratie met betrekking tot de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van de bij deze overdracht betrokken intermediaire onderneming.

6.

Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over:

7.

Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over:

Artikel 47
1.

Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit en artikel 46, vijfde lid, bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.

2.

Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in artikel 81, eerste lid, van het laboratorium zijn ontvangen op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier verwerkt.

3.

Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde formulier verwerkt.

Artikel 48
1.

De intermediair verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:

2.

De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit opgenomen zware metalen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht.

4.

De Dienst Regelingen is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.

Artikel 49
1.

Op de opslagruimten voor meststoffen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, worden de door de Dienst Regelingen verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.

2.

De opslagruimten voor meststoffen worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers

Artikel 50
1.

De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de Dienst Regelingen.

2.

De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens artikel 118 gestelde regels.

3.

De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de Dienst Regelingen. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.

4.

Indien op een onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, verstrekt de ondernemer behalve de gegevens, bedoeld in artikel 43, derde lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib.

5.

Wijzigingen in de ingevolge artikel 43 van het besluit of het vierde lid geregistreerde gegevens worden door de desbetreffende ondernemer, uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst.

6.

De artikelen 43 en 44 van het besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers voor zover deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert.

Artikel 51
1.

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit, gegevens over:

2.

Behalve de gegevens, bedoeld in artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor zover hij compost produceert of anderszins bewerkt of verwerkt, gegevens over:

3.

De gegevens, bedoeld in artikel 44, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib.

4.

Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge artikel 44 van het besluit bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.

Artikel 52
1.

De ondernemer, bedoeld in artikel 50, eerste lid, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen per bedrijf met staldieren waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:

2.

De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit opgenomen zware metalen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht.

4.

De Dienst Regelingen is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.

Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen

§ 1. Vervoer van dierlijke meststoffen

Artikel 53
1.

De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in bijlage E, onderdeel D, onderscheidenlijk in bijlage E, onderdeel E, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.

2.

Bij het vervoer van drijfmest is de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden.

3.

Bij het vervoer van vaste mest is de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de in het eerste lid bedoelde apparatuur verbonden.

Artikel 54
1.

Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in artikel 53 bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien het niet adequaat functioneren van de apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Algemene Inspectiedienst en indien de Algemene Inspectiedienst toestemming heeft verleend voor het vervoer.

3.

De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in artikel 58, tweede lid, worden verstrekt.

Artikel 55
1.

De vervoerder legt voordat het laden van drijfmest plaatsvindt het nummer van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen vast in de AGR-apparatuur door het nummer elektronisch vanaf het vervoersbewijs dierlijke meststoffen in te lezen.

2.

De vervoerder draagt er zorg voor dat tijdens het laden van drijfmest door de AGR-apparatuur tenminste de volgende gegevens automatisch worden vastgelegd:

3.

De vervoerder draagt er zorg voor dat bij het vervoer van drijfmest de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens voortdurend en automatisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd.

4.

De vervoerder draagt er zorg voor dat op het tijdstip van het laden en het lossen van drijfmest door de AGR-apparatuur de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, onderscheidenlijk de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel automatisch worden vastgelegd en met de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.

5.

De vastlegging van de op een vracht dierlijke meststoffen betrekking hebbende gegevens in de AGR-apparatuur geschiedt zodanig dat er een eenduidig verband is tussen de in het eerste tot en met het vierde lid bedoelde gegevens.

Artikel 56
1.

Artikel 55 is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:

2.

Indien een vracht dierlijke meststoffen buiten Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel, bedoeld in artikel 55, vierde lid, de locatie, de datum en het tijdstip, waar onderscheidenlijk waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied verlaat in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.

3.

Indien een vracht dierlijke meststoffen binnen Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, bedoeld in artikel 55, vierde lid, de locatie waar en de datum en het tijdstip waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied binnen komt in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien door de vervoerder de plaats van de locatie en de datum en het tijdstip van het lossen, onderscheidenlijk van het laden van het transportmiddel, bedoeld in artikel 55, vierde lid, in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.

Artikel 57
1.

Vervoerders, die voornemens zijn dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels buiten of binnen Nederland te brengen, doen van dit voornemen mededeling aan de Dienst Regelingen.

2.

Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

3.

De in het eerste lid bedoelde mededeling is niet vereist, indien de vervoerder ter zake van de voorgenomen overbrenging een kennisgeving heeft gezonden overeenkomstig artikel 59 van het besluit, zoals dit artikel luidde op 11 juli 2007, en de betrokken lidstaat van bestemming terzake van de overbrenging vergunning of toestemming heeft verleend als bedoeld in van artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 8, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L 30).

Artikel 58
1.

Indien de vervoerder ingevolge artikel 51, tweede lid, van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de Dienst Regelingen.

2.

Bij de mededeling van het vervoer worden de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 59

De artikelen 48 en 49 van het besluit en en de artikelen 53 tot en met 56 zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:

§ 1. Vervoer van dierlijke meststoffen

Artikel 60
1.

Als vervoersbewijs als bedoeld in artikel 53, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in bijlage F, onderdeel A.

2.

Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.

3.

Indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, wordt ter zake van het vervoer, in zoverre in afwijking van het tweede lid, gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit bij de elektronische verzending van de gegevens van de mededeling, bedoeld in artikel 57a, eerste lid, elektronisch is aangemaakt, voor zover deze mededeling niet ingevolge artikel 57a, zesde lid, is ingetrokken.

Artikel 61
1.

Uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van de postcode van de losplaats en de datum en het tijdstip van het lossen, en 3c, met uitzondering van de code van het laboratorium, de code monsternemer en de kilogrammen fosfaat en stikstof, van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend.

2.

Uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend.

3.

Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in bijlage I.

4.

Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in bijlage F, onderdeel B, vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.

5.

In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.

Artikel 62

In zoverre in afwijking van artikel 61, eerste en tweede lid:

Artikel 63

De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.

Artikel 64
1.

De op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk 30 werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.

2.

De elektronisch in te dienen gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.

3.

Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 91 wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen.

4.

In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking vanartikel 53, zesde lid, van het besluit, geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen.

Artikel 65

In afwijking van artikel 53, vijfde lid, van het besluit, kunnen de leverancier of de afnemer de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen onder de volgende voorwaarden:

Artikel 66
1.

In het in artikel 59, onderdeel d, bedoelde geval:

2.

In het in artikel 59, onderdeel e, bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:

3.

In de in artikel 59, onderdelen d en e, bedoelde gevallen:

Artikel 67

Artikel 53 van het besluit is niet van toepassing op het vervoer van:

§ 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen

Artikel 68
1.

Als vervoersbewijs als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in bijlage G, onderdeel A.

2.

Het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.

Artikel 69
1.

Uiterlijk bij het laden van meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend. Ingeval de leverancier een intermediair is, wordt bij onderdeel 1, in voorkomend geval, het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.

2.

Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in artikel 92b, derde lid.

3.

Het netto gewicht van de vracht wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.

4.

Uiterlijk bij het lossen van de meststoffen worden de onderdelen 3d en 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend. Ingeval de afnemer een intermediair is, wordt bij onderdeel 5, in voorkomend geval, het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.

5.

Met de ondertekening verklaren de leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht zuiveringsslib of compost voldoet aan artikel 16 onderscheidenlijk artikel 17 van het besluit.

6.

Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in bijlage G, onderdeel B, vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.

7.

In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.

§ 4. Grensoverschrijdende overbrenging

Artikel 70

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

Artikel 72

Vervallen

Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling

§ 1. Mestproductie

Artikel 73

Als forfaitaire productienormen als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in bijlage D, tabel I, kolommen B en C.

Artikel 74
1.

Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in bijlage D, tabel II.

2.

De gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.

3.

De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig de krachtens artikel 128 gestelde regels.

4.

In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en landbouwers die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk leveren aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing en melkpremie 2004, 7500 kilogram, onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.

5.

In afwijking van het derde lid is het gemiddelde ureumgehalte in koemelk van melkkoeien van bedrijven die meer dan 50 procent van de geproduceerde koemelk leveren aan ondernemingen waar maximaal 500.000 kilogram koemelk per jaar wordt verwerkt 26 milligram per 100 gram.

Artikel 75

De artikelen 44, eerste, derde en vierde lid, en45, eerste en vijfde lid, van het besluitzijn niet van toepassing op ondernemers in het kader van wier onderneming maximaal 500.000 kilogram afgenomen koemelk wordt verwerkt, voor zover de gegevens betrekking hebben op het ureumgehalte van de afgenomen koemelk.

§ 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen

Artikel 76
1.

Het gewicht van de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.

2.

Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de artikelen 84 tot en met 91a wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.

Artikel 77
1.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.

2.

Indien een vervoerder binnen een periode van ten hoogste zeven dagen van één leverancier meerdere vrachten dierlijke meststoffen, niet zijnde mineralenconcentraat afvoert naar één afnemer kan het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van deze vrachten worden vastgesteld door middel van analyse van een mengmonster dat op verzoek van de vervoerder door het betrokken laboratorium uit de uit deze vrachten genomen monsters is samengesteld, onder de volgende voorwaarden:

3.

Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81.

Artikel 78
1.

De bemonstering van een vracht drijfmest geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel A, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.

2.

De bemonstering van een vracht vaste mest geschiedt door de vervoerder. Hij stelt een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die handmatig evenredig verspreid uit de betrokken vracht meststoffen worden genomen.

3.

Indien de vaste mest bestemd is om buiten Nederland te worden gebracht, geschiedt de in het tweede lid bedoelde bemonstering tijdens het laden van het transportmiddel.

4.

Indien de vaste mest binnen Nederland is gebracht, geschiedt de in het tweede lid bedoelde bemonstering tijdens het lossen van het transportmiddel.

Artikel 79
1.

Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B. De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel C, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.

2.

Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B.

Artikel 80
1.

Het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster wordt, onder vermelding van de betrokken leverancier en afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de accreditatienormen van hoofdstuk 3 van het accreditatie-programma AP05, dat is opgenomen in bijlage H.

2.

De vervoerder bewaart de monsters totdat zij aan het laboratorium worden toegestuurd, zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.

Artikel 81
1.

Het laboratorium analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst en zendt de analyseresultaten uiterlijk vijf werkdagen na analyse aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan de Dienst Regelingen.

2.

Indien bij ontvangst van een toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is beschadigd, rapporteert het laboratorium aan de meldkamer van de Algemene Inspectiedienst de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en het nummer van het op de desbetreffende vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen. Het laboratorium volgt de door de Algemene Inspectiedienst ter zake verstrekte aanwijzingen op.

3.

Het laboratorium voldoet aan de overigens in het in artikel 80, eerste lid, bedoelde accreditatieprogramma gestelde eisen.

4.

Uiterlijk tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium, kan door de betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.

5.

Indien een laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit bepaald op basis van de in bijlage I voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

Artikel 82
1.

In het in artikel 59, onderdeel d, bedoelde geval:

2.

In het in artikel 59, onderdeel e, bedoelde geval:

3.

Artikel 68, eerste lid, van het besluit in samenhang met de artikelen 76 en 77, is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.

Artikel 83

Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de artikelen 76, eerste lid, onderscheidenlijk 77, eerste lid, wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.

Artikel 84
1.

Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

2.

De overeenkomstig het eerste lid te bepalen hoeveelheid bedraagt ten hoogste vijftien procent van de totale hoeveelheid in dat kalenderjaar op desbetreffend bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat.

Artikel 85

Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

Artikel 86
1.

Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

2.

Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.

Artikel 87
1.

Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

2.

Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

Artikel 88

Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

Artikel 89
1.

Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

3.

Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

4.

Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

5.

Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

6.

Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.

Artikel 90

Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in artikel 43, eerste lid, worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

Artikel 91

Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen, waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:

§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen

Artikel 92
1.

Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.

2.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de artikelen 92a en 92b is vastgesteld.

Artikel 93
1.

Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.

2.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald overeenkomstig artikel 17 door bemonstering en analyse.

3.

In voorkomend geval geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen.

4.

Artikel 68, eerste lid, van het besluit in samenhang met het eerste en tweede lid, is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.

§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen

Artikel 94
1.

Het gewicht van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.

2.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.

3.

Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het besluit, komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, genoemde formulier, respectievelijk in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.

4.

Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.

Artikel 95
1.

Het gewicht van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.

2.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.

3.

Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het besluit, komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid genoemde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.

4.

Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit, komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen

5.

Onverminderd het eerste tot en met het vierde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen.

§ 4. Voorraden meststoffen

Artikel 96

Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in artikel 67, vijfde lid, van het besluit worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in bijlage D, tabel I, kolom D, voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.

§ 5. Gasvormige verliezen

Artikel 97
1.

De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit:

2.

Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in bijlage J.

Artikel 98
1.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in bijlage K, onderdeel I, op basis van:

2.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte kleiner dan of gelijk aan veertien procent wordt vastgesteld:

3.

De analyse, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, geschiedt binnen één week na ontvangst van het monster door een laboratorium dat voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm, volgens de toepasselijke onderzoekmethode voor de bepaling van het ruw eiwitgehalte, het fosforgehalte en het droge stofgehalte in diervoeders.

4.

De in het derde lid bedoelde toepasselijke methoden zijn de methoden die ten minste dezelfde waarborgen bieden als de methoden zijn voorgeschreven in Richtlijn 93/28/EEG van de Commissie van 4 juni 1993 (Pb.EG L 179) tot wijziging van bijlage I bij Derde Richtlijn 72/199/EEG betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoerders, voor het ruw eiwitgehalte en in de Tweede Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie van 18 november 1971 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor officiële controle van veevoeders (Pb.EG L 279) voor het fosforgehalte.

5.

Het resultaat van de analyse wordt door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.

6.

Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in artikel 97, tweede lid.

Artikel 99
1.

De ondernemer, bedoeld in artikel 97, vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:

2.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vermeld met een nauwkeurigheid van tiende grammen per kilogram.

3.

Indien het diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent betreft, kunnen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, in afwijking van het eerste lid, schriftelijk binnen twee weken na aflevering aan het desbetreffende bedrijf verstrekt worden.

Artikel 100

Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het besluit, anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in artikel 99, eerste lid, dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge artikel 99, derde lid, schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.

Artikel 101
1.

Het gewicht van het in artikel 67, eerste lid, van het besluit bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.

2.

Als het gewicht per hectare van het in artikel 67, tweede lid, van het besluit bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.

3.

Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het besluit, en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld inartikel 67, tweede lid, van het besluit, worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in bijlage J.

§ 7. Staldieren en eieren

Artikel 102
1.

Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in artikel 67, derde lid, van het besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in bijlage D, tabel III.

2.

De bepaling van de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in artikel 67, derde lid, van het besluit, wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.

Artikel 103

Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van het besluitworden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in bijlage D, tabel IV.

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 4. Voorraden meststoffen

Artikel 104
1.

De kennisgeving van overgang, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet geschiedt bij de Dienst Regelingen.

2.

Bij de kennisgeving van overgang worden door partijen in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

§ 2. Blokkaderecht

Artikel 105
1.

Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig artikel 106, eerste lid, registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.

2.

De termijn van 30 dagen wordt verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek aan de minister bij de Dienst Regelingen indient.

3.

De termijn van negentig dagen wordt eenmalig met negentig dagen verlengd, indien de hypotheekhouder die het in het tweede lid bedoelde verzoek heeft gedaan een verzoek daartoe aan de minister bij de Dienst Regelingen indient onder gelijktijdige overlegging van:

4.

Na afloop van de overeenkomstig het derde lid verlengde termijn wordt de kennisgeving van de overgang onherroepelijk door de minister in behandeling genomen.

5.

In afwijking van het eerste lid, onderscheidenlijk het tweede tot en met het vierde lid, wordt de kennisgeving van overgang door de minister in behandeling genomen voordat de termijn van 30 dagen, onderscheidenlijk de verlengde termijn is verstreken, zodra hij van elke hypotheekhouder die het bedrijf heeft laten registreren, onderscheidenlijk elke hypotheekhouder die om verlenging van de desbetreffende termijn heeft verzocht, een verklaring heeft ontvangen waaruit blijkt dat tegen in behandeling neming geen bezwaar bestaat.

Artikel 106
1.

De aanmelding ter registratie, bedoeld in artikel 105, eerste lid, geschiedt bij de Dienst Regelingen.

2.

Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

3.

De in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt voor akkoord medeondertekend door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft.

Artikel 107
1.

Indien de aanmelding, bedoeld in artikel 106, eerste lid, niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.

2.

De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van artikel 105 de volgende leden.

3.

De minister neemt een kennisgeving van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid.

4.

De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister bij de Dienst Regelingen, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in artikel 105, derde lid.

5.

De registratie wordt doorgehaald na afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde lid bedoelde termijn.

6.

Ter zake van een bedrijf, waarvan overeenkomstig het vijfde lid de registratie is doorgehaald, wordt door de minister geen nieuw verzoek tot registratie van dezelfde hypotheekhouder in behandeling genomen, tenzij deze voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Dit voor akkoord medeondertekende verzoek tot registratie geldt tevens als intrekking van het niet-medeondertekende verzoek tot registratie, indien deze registratie nog niet is doorgehaald.

Artikel 108
1.

Op verzoek van de hypotheekhouder wordt de registratie van het bedrijf voor de toepassing van deze paragraaf door de minister doorgehaald.

2.

Indien het recht van hypotheek op grond waarvan de registratie van het bedrijf plaatsvond is tenietgegaan, wordt de registratie van het bedrijf voor de toepassing van deze paragraaf door de minister doorgehaald.

3.

De hypotheekhouder doet van het tenietgaan van het recht van hypotheek binnen 30 dagen mededeling aan de Dienst Regelingen.

4.

Indien de in het tweede lid bedoelde mededeling niet binnen 30 dagen na het tenietgaan van het recht van hypotheek door de minister is ontvangen, kan de minister ten aanzien van de hypotheekhouder besluiten hem of haar voor de duur van ten hoogste twee jaar van de toepassing van deze paragraaf uit te sluiten.

Artikel 109

Aan de hypotheekhouder die een bedrijf voor de toepassing van deze paragraaf heeft laten registreren, kunnen ter zake van het bedrijf waarop de registratie betrekking heeft door de minister de volgende gegevens worden verstrekt:

§ 1. Kennisgeving van overgang

Artikel 110
1.

De kennisgeving, bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet, geschiedt bij de Dienst Regelingen.

2.

Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

§ 2. Blokkaderecht

Artikel 111
1.

Een kennisgeving van overgang, bedoeld in artikel 104, eerste lid, wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 250 aan de Dienst Regelingen heeft voldaan.

2.

Een aanmelding ter registratie, bedoeld in artikel 105, eerste lid, wordt voor de toepassing van paragraaf 2 eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de Dienst Regelingen is voldaan.

3.

Indien de minister op grond van artikel 29, eerste lid, van de wet niet tot registratie overgaat, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan de betaler gerestitueerd.

4.

Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, geldt per verzoek per bedrijf.

§ 3. Vervallen van een productierecht

Artikel 112
1.

De minister kan indien naar zijn oordeel is voldaan aan deze paragraaf ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de artikelen 19 en 20, eerste lid, van de wet.

2.

De ontheffing geldt voor het overeenkomstig artikel 113 te bepalen gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen dat in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden.

3.

Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgedrukt in varkenseenheden onderscheidenlijk in pluimvee-eenheden, overeenkomstig de in bijlage II van de wet daarvoor opgenomen normen.

Artikel 113
1.

Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in artikel 112, tweede lid, komt overeen met het verschil in omvang van het op het bedrijf rustende productierecht op het tijdstip, bedoeld in artikel 119, tweede lid, en op het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, verminderd met de omvang van de verkleiningen van het op het bedrijf rustende productierecht die in de periode vanaf het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, hebben plaatsgevonden als gevolg van een registratie van een kennisgeving van een overgang van een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet, en bedraagt ten hoogste de ingevolge artikel 115, eerste lid, onderdeel a, bedoelde omvang van de voorgenomen vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht.

2.

Het totale aantal diereenheden, waarvoor ingevolge deze paragraaf ontheffing wordt verleend bedraagt ten hoogste 270.270. Van dit aantal zijn 135.135 diereenheden gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverbranding en het resterende aantal is gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverwerking. Van het laatstbedoelde aantal is 81.081 gereserveerd voor varkenseenheden.

Artikel 114

Aanvragen voor een ontheffing kunnen onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het desbetreffende bedrijf verstrekte relatienummer vanaf 1 maart 2006 tot en met 30 april 2006 bij de Dienst Regelingen worden ingediend:

Artikel 115
1.

Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

2.

Indien de dierlijke meststoffen niet op het eigen bedrijf worden verbrand of verwerkt gaat de aanvraag vergezeld van een verklaring van de intermediair met wie de landbouwer voornemens is een overeenkomst aan te gaan tot mestverbranding of mestverwerking, waarin deze dit voornemen bevestigt, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van de intermediair verstrekte relatienummer.

3.

Door of namens de minister kunnen nadere gegevens worden gevraagd.

Artikel 116
1.

De minister beslist in volgorde van de datum van ontvangst op de volledig ingediende aanvragen.

2.

Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in artikel 113, tweede lid, bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen.

Artikel 117

De ontheffing wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

Artikel 118
1.

Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

2.

De landbouwer bewaart een afschrift van de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.

3.

Aan de ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden.

Artikel 119
1.

De ontheffing geldt voor een periode van 10 jaar.

2.

De periode vangt aan op het tijdstip waarop blijkens een aan de Dienst Regelingen te overleggen verklaring voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 118.

Artikel 120
1.

De ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien in strijd wordt gehandeld met één of meer bij of krachtens artikel 118 gestelde voorschriften of indien overigens in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de Meststoffenwet.

2.

De ontheffing wordt ingetrokken indien de producent, die de aanvraag om ontheffing heeft ingediend, het bedrijf ten aanzien waarvan de ontheffing is verleend, niet langer voert.

3.

In afwijking van het tweede lid, gaan indien het gehele bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet door een andere landbouwer de rechten en voorschriften verbonden aan de ontheffing op hem over indien partijen zulks ter zake van de registratie van de overgang van het op dat bedrijf rustende productierecht aan de Dienst Regelingen hebben gemeld.

4.

De ontheffing vervalt indien niet binnen 36 of 18 maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop over de aanvraag is beslist met de mestverbranding onderscheidenlijk mestverwerking is begonnen.

Artikel 121

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt bij de bepaling van de omvang van het op een bedrijf rustende productierecht de beperking van de verkleining en de vergroting die ingevolge artikel 28, derde lid, van de wet plaatsvindt in het jaar waarin de kennisgeving van de overgang van een productierecht wordt geregistreerd, buiten beschouwing gelaten.

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Bijlage

Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 64, vierde lid, 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 355 350 345 340
Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode)
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 300 300 275 275 290 275
Consumptieaardappelrassen overig3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). 275 275 250 250 265 250
Consumptieaardappelrassen lage norm3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 250 250 225 225 240 225
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 140 140 140 140
Pootaardappelrassen overig 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 180 180 180 170
Zetmeelaardappelen 265 265 240 240 240 230
Suikerbieten 165 165 150 150 150 145
Cichorei 75 75 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 165 165 165 165
Wintertarwe3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm).7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 240 240 220 220 160 160
Zomertarwe 155 155 140 140 140 140
Wintergerst7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 80 80 80 80
Triticale7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 175 175 160 160 160 150
Winterrogge7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Haver7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 110 110 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 205 205 185 185 185 175
Luzerne, eerste jaar 45 45 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 165 165 165 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 200 200 200 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 140 140 140 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 110 110 110 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 85 85 85 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 115 115 115 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 110 110 110 105
Graszaad, Italiaans 145 145 130 130 130 125
Graszaad, overig 100 100 90 90 90 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszoden 375 375 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 130 130 130 125
Blauwmaanzaad 120 120 110 110 110 105
Karwij 165 165 150 150 150 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 90 90 90 85
Koolzaad, winter 225 225 205 205 205 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 160 160 160 150
Koolzaad, zomer 130 130 120 120 120 120
Vlas 75 75 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 200 200 200 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 260 260 210 200
Spinazie, volgteelt 205 205 185 185 160 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Andijvie, volgteelt 100 100 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 200 200 200 190
Prei 270 270 245 245 245 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 100 100 100 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 290 290 290 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 50 50 50 50
Wittekool 350 350 320 320 320 305
Rodekool 315 315 285 285 285 270
Savooiekool 315 315 285 285 285 270
Spitskool 315 315 285 285 285 270
Bloemkool 255 255 230 230 230 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 120 120 120 115
Broccoli 295 295 270 270 270 255
Chinese kool 200 200 180 180 180 170
Boerenkool 185 185 170 170 170 160
Paksoi 200 200 180 180 180 170
Raapstelen 155 155 140 140 140 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Kruiden, bladgewas, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 200 200 200 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 100 100 100 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 120 120 120 115
Aardbei (productie) 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 80 80 80 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 190 190 190 180
Suikermaïs 220 220 200 200 200 190
Stam/stokboon, vers 130 130 120 120 120 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 30 30 30 30
Peul 100 100 90 90 90 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 85 85 85 80
Knolselderij 220 220 200 200 200 190
Knolvenkel/venkel 200 200 180 180 180 170
Koolraap 185 185 170 170 170 160
Koolrabi 200 200 180 180 180 170
Kroten/rode bieten 205 205 185 185 185 175
Winterpeen/waspeen 120 120 110 110 110 110
Bospeen 55 55 50 50 50 50
Rabarber 275 275 250 250 250 240
Radijs 90 90 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 170 170 170 170
Witlof 110 110 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 200 200 200 190
Groenbemesters 5 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 15 september en na 1 december ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs. (kg N per ha per teelt)
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (o.a. bladrammenas, gele mosterd, gras, granen) 65 65 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 30 30 30 30
Tagetes 100 100 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt 7 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.
Acidanthera 280 280 255 255 255 240
Anemone coronaria 145 145 130 130 130 125
Fritillaria imperialis 150 150 135 135 135 130
Hyacint 240 240 220 220 220 210
Iris, grofbollig 185 185 170 170 170 160
Iris, fijnbollig 155 155 140 140 140 135
Krokus, grote gele 190 190 175 175 175 165
Krokus, overig 100 100 90 90 90 85
Narcis 160 160 145 145 145 140
Tulp 220 220 200 200 200 190
Dahlia 120 120 110 110 110 105
Gladiool, pitten 285 285 260 260 260 245
Gladiool, kralen 210 210 190 190 190 180
Knolbegonia 165 165 150 150 150 145
Lelie 170 170 155 155 155 145
Zantedeschia 120 120 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 165 165 165 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 175 175 175 165
Blauwe bes 110 110 100 100 100 95
Braam 165 165 150 150 150 140
Framboos 165 165 150 150 150 140
Kers 195 195 175 175 175 165
Peer 195 195 175 175 175 165
Pruim 195 195 175 175 175 165
Rode bes 165 165 150 150 150 140
Druif 110 110 100 100 100 95
Zwarte bes 195 195 175 175 175 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 75 75 75 75
Coniferen (incl. kerstsparren en -dennen) 90 90 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 70 70 70 70
Buxus 105 105 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau 6 Deze vaste norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt. (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110
Akkerbouwgewassen op löss
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215
Wintertarwe 220 220

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

Consumptieaardappelrassen hoge norm

Berber

Bintje

Felsina

Berber

Berber

Berber

Bintje

Felsina

Fontane

Innovator

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:

ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.

Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

CSS 99020: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method (Dumas) (www.ecn.nl/horizontal).

Maritiema

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

1. Stikstof (N)

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:

ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.

Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

CSS 99020: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method (Dumas) (www.ecn.nl/horizontal).

Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).

Aziza

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

EN 15477: Fertilizers – Determination of the water-soluble potassium content.

Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.

Dore

Eigenheimer

Frieslander

Futura

CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).

Irene

EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.

Milva

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen

CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).

NEN 6961: 2005

EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.

CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).

Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:

Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:

CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).

CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.

CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.

NEN 6961: 2005

Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.

CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).

Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.

Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):

CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.

CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.

CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.

CSS 99029: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Graphite furnace atomic absorption spectrometry method.

Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met grafietoventechniek.

Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek.

Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.

NEN 6970 : 2006

CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods

in combinatie met NEN-6978 : 2006

CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)

CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);

in combinatie met NEN 6980 : 2006

Consumptieaardappelrassen hoge norm

CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).

NEN 6970 : 2006

Koepelnorm voor bepaling van organische componenten in grond, waterbodem en bouwstof(grond),

in combinatie met NEN-6978 : 2006

Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.

Lady Christl

Lady Claire

Lady Olympia

Berber

Bintje

Felsina

Fontane

Innovator

Lady Christl

Lady Claire

Lady Olympia

Lady Rosetta

Maritiema

Melody

Miriam

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Buitenbloemen hoge norm

Redstar

Sante

Victoria

Diamant

Accent

Agria

Asterix

Aziza

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Type meststof en omstandigheid Type meststof en omstandigheid Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten
2006 2007 2008 2009
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. Aangevoerde en eigen drijfmest 30 40 50 verbod
Aangevoerde en eigen vaste mest2Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten. 25/30 25/30 30/35 30/55
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf met beweiding3De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoefficient die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 35 35 45 45
Op bedrijf zonder beweiding4De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Dunne fractie (na mestbewerking) en gier 80 80 80 80
Drijfmest 60 60 60 60
Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen 55 55 55 55
Vaste mest van overige diersoorten 40 40 40 40
Champost 25 25 25 25
Compost 10 10 10 10
Zuiveringsslib 40 40 40 40
Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) 50 50 50 50
Veen 0 0 0 0
Mengsels van meststoffen Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.

Bijlage C. behorende bij de artikelen 30 tot en met 33

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

Principe

Dore

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

Futura

Gloria

Irene

Markies

Milva

Minerva

Mondial

Morene

2. Voorbehandeling van de grondmonsters

Remarka

3. Analyse van grondmonsters

Ukama

2. Voorbehandeling van de grondmonsters

Pootaardappelrassen hoge norm

Agata

Alcmaria

Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal

Arinda

Berber

Binella

Climax

Desiree

Donald

Elisabeth

Fontana

Gloria

Innova/Innovator

Jaerla

Junior

Leyla

Linzer Delikatess

Miriam

Premiere

Prior

Rikea

Romano

Sirco

Sirtema

Sofia (AR 93-272)

Tresor

Ukama

Florijn

Arcade

Astarte

3. Werkwijze

Baraka

Diamant

Elles

Elvira

Florijn

Kardal

Karnico

Kondor

4. Berekening

Mondial

Morene

Picasso

Remarka

Resosant

Van Gogh

Vebesta

Vento

1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond

Veronica

Alchemilla mollis

Carthamus

Gypsophila paniculata

Principe

1. Abstract

Paeonia

Solidago

2. Voorbehandeling van de grondmonsters

Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma). Het software programma is op CD-ROM te verkrijgen bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en dient geïnstalleerd te worden op een veldcomputer. De blokken dienen van gelijke grootte te zijn en zo compact mogelijk samengesteld, zodat de bemonsteringspunten zo goed mogelijk worden verdeeld over het perceel. Het aantal blokken dient overeen te komen met het aantal bemonsteringspunten overeenkomstig tabel I. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten.

Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma (PM naam programma) één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.

Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.

Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op grasland of tot 10 centimeter dan wel tot 25 centimeter op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.

De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma) dat op CD-ROM te verkrijgen is bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 29, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.

Eventueel wordt op een bemonsteringspunt twee maal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.

Breng de grondmonsters over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Bewaar het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5 °C ± 3 °C in het donker. Het grondmonster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het grondmonster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw grondmonster genomen te worden.

Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.

Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma). Het software programma is op CD-ROM te verkrijgen bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en dient geïnstalleerd te worden op een veldcomputer. De blokken dienen van gelijke grootte te zijn en zo compact mogelijk samengesteld, zodat de bemonsteringspunten zo goed mogelijk worden verdeeld over het perceel. Het aantal blokken dient overeen te komen met het aantal bemonsteringspunten overeenkomstig tabel I. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten.

Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma (PM naam programma) één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.

Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.

Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op grasland of tot 10 centimeter dan wel tot 25 centimeter op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.

Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten (zie tabel 1) en breng dit samen in een zak. De booromvang dient zo groot te zijn dat het mengmonster minimaal 1 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten dient een gelijke hoeveelheid grond te worden verzameld.

Eventueel wordt op een bemonsteringspunt twee maal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.

Breng de grondmonsters over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Bewaar het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5 °C ± 3 °C in het donker. Het grondmonster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het grondmonster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw grondmonster genomen te worden.

Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.

Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5751. Bij de bepaling van het Pw-getal dient van de norm NEN 5751 te worden afgeweken. Er dient te worden gewerkt met een fractie van het grondmonster dat over 2 millimeter is gezeefd.

2.1. Azijnzuur 100% pro analyse

Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test, welke vergeleken moet worden met de waarde die opgenomen is in artikel 29, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.

2.3. Ammonia 25%

2.4. Actieve kool (zie opmerking 5.2)

Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per 100 gram grond.

Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.

Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.

3.Werkwijze

2.1. Azijnzuur 100% pro analyse

2.2. Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3

2.3. Ammonia 25%

2.4. Actieve kool (zie opmerking 5.2)

3.Werkwijze

Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.

Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.

Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.

4. Berekening

Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.

Bijlage D. Diergebonden normen

5. Opmerkingen

2.6. Extractievloeistof

5. Opmerkingen

2.7. Oplossingen

Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96

Oplossing I

Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de artikelen 36 en 74

3. Werkwijze

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de artikelen 36 en 74

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

2.8. Standaardoplossing

Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103

A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur

A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur

Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.

3.1. Bereiding van het extract

Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22 °C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.

D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest

3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte

Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.

Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.

Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal

Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.

4. Berekening

Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:

(Ea – Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.

Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:

(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea – Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

Ea = extinctie van de analyse-meetvloeistof

1. Abstract

F = waarde van de ijkfactor verkregen uit de ijklijn = ongeveer 1,9

Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23-26.

5.1. Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.

5.2. De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.

5.3. Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:

7. Signalering van storingen

2.2. Molybdaat oplossing 4%

In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50 °C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.

7. Signalering van storingen

7. Signalering van storingen

2.4. Ascorbinezuur oplossing 1,75%

De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.

2.1. Zwavelzuur 5N

E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest

2.2. Molybdaat oplossing 4%

In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50 °C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.

2. Inlezen gegevens

Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.

2. Inlezen gegevens

Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.

2.5. Kaliumantimonyltartraat oplossing 0,275%

Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcylinder) wordt de volgende oplossing bereid.

In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

2.6. Mengreagens

6. Versturen van mesttransportgegevens

Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.

2.7. IJkoplossingen

Los 1,9167 gram KH2PO4 (volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedistilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.

Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.

Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.

2.8. Vaststellen van de ijklijn:

4. Berekening

20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingnen en meng goed.

Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.

Bijlage F

5. Opmerkingen

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

Bijlage D. Diergebonden normen

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

4. Berekening

Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de artikelen 36 en 74

(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.

Hierin is:

Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden

5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-coneentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.

1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.

Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96

De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van artikel 43.

In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.

Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 per zes maanden

2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.

Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden

2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.

1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.

4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.

2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.

5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.

1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.

1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.

1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.

4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.

2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.

3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.

6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:

4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.

4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

4..2 Controle hoeveelheid monster

5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.

6. Versturen van mesttransportgegevens

6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:

6.2. Het tijdens het lossen te versturen elektronisch databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:

6.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.

6.4. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.

6.5. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.

4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.

7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.

5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.

3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.

1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.

1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.

1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.

4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.

3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.

6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.

4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.

4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen kenbaar gemaakt kan worden alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.

6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.

5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.

7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.

6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.

6.2. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:

6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:

6.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.

6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.

6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.

In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.

7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.

7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.

Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.

Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.

Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.

In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.

De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.

In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.

Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende 2s en 3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.

2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.

Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.

Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.

Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.

In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.

De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.

In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.

Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.

2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.

Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.

2.2. Om voor accreditatie voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).

2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.

2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie

2.5. De monstervoorbehandeling volgens NEN 7430 of 7431 en de hierop aansluitende ontsluiting volgens NEN 7433 worden dwingend voorgeschreven. Voor de andere verrichtingen (NEN 7434 en ontwerp NEN 7435) wordt de referentiemethode met een norm gedefinieerd. Hierbij kan een andere meetmethode worden gehanteerd indien wordt aangetoond dat de meetresultaten aan minimaal dezelfde eisen voldoen als de referentiemethode.

2.6. Indien het accreditatieprogramma wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald.

Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.

In het accreditatieprogramma zijn alle verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen.

De volgende verrichtingen zijn voorgeschreven:

De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:

De volgende verrichting is optioneel:

– NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.

• Noot: Als deze verrichting voor een laboratorium niet onder de accreditatie van de Raad van Accreditatie valt, , dan dient deze in voorkomende gevallen te worden uitbesteed aan een laboratorium waarbij deze verrichting wél onder het accreditatieprogramma valt.

3.1. Validatie van een verrichting

Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.

De herhaalbaarheid wordt getoetst op monsters die representatief zijn voor de mestsoorten die het laboratorium ontvangt. Indien een laboratorium alleen monsters stapelbare mest of alleen monsters drijfmest ontvangt kan volstaan worden met het vaststellen van de herhaalbaarheid in de desbetreffende mestsoort. Het aantal monsters dat onderzocht moet worden bedraagt minimaal 200. Deze monsters moeten een representatieve steekproef zijn van het hele concentratiegebied waarin stikstof en fosfaat in mest voorkomen. De concentratiegebieden van stikstof en fosfaat voor drijfmest en vaste mest zijn in Tabel 1 aangegeven. De monsters dienen afkomstig te zijn van verschillende locaties (producenten).

3.2. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode

Het is toegestaan binnen dit accreditatieprogramma om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Aangetoond moet worden via een gelijkwaardigheidsonderzoek dat de gebruikte huismethode gelijk of beter dan de referentiemethode is. Het gelijkwaardigheidsonderzoek dient uitgevoerd te worden met minimaal 200 verschillende monsters afkomstig van verschillende locaties en gespreid over het hele concentratiegebied (zie Tabel 1). De gelijkwaardigheid dient te worden aangetoond voor stikstof en fosfaat. Om de gelijkwaardigheid te kunnen aantonen dient eerst nagegaan te worden of de standaardafwijking onder herhaalbaarheidscondities verkregen met de huismethode niet significant afwijkt van die van de referentiemethode (F-toets). Is dit het geval dan moet getoetst worden of het met de huismethode gevonden gemiddelde niveau niet significant afwijkt van dat van de referentiemethode. Deze toetsing vindt plaats door middel van de gepaarde Student’s t-toets. Nulhypothese hierbij is dat er geen verandering in analyseresultaat optreedt, indien de alternatieve methode wordt gebruikt (2-zijdige toetsing, overschrijdingskans 5%).

Bij zeer nauwkeurige uitvoering van de referentiemethode en de alternatieve methode kan snel een significant verschil worden gevonden. Daarom wordt in alle gevallen een relatief verschil van 2% toegestaan. De meetresultaten mogen op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.

4.4. Monsteropslag en conservering

4.1. Controle monsterverpakking

Het laboratorium controleert of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Gecontroleerd moet worden of de verpakking nog gesloten is. Verder dient gelet te worden op beschadigingen aan de verpakking die wijzen op mogelijke fraude. De verpakking dient in dusdanige staat te verkeren dat geen vermoeden bestaat dat het monster toegankelijk is geweest. Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan aan de Algemene Inspectiedienst (AID) en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De AID beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.

4..2 Controle hoeveelheid monster

Het laboratorium controleert of de inkomende monsters de vereiste minimale hoeveelheid mest bevatten.

Elk monster dient gewogen te worden. Het gewicht wordt geregistreerd en tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan Dienst Regelingen.

4.3. Registratie van gegevens

Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:

4.4. Monsteropslag en conservering

Het laboratorium dient inkomende monsters gekoeld bij 4 ± 3°C te bewaren. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.

De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.

5.1. Maken van mengmonsters

7. Rapportage van resultaten

5.1.1. Mengen van monsters drijfmest

Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:

5.1.2. Mengen van monsters stapelbare mest

Voor het mengen van monsters stapelbare mest geldt de volgende procedure:

5.2. Monstervoorbehandeling

De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.

Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.

De monstervoorbehandeling van stapelbare mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure onder 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).

5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters

De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca 1 gram.

De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van die soorten mest waarin stikstof aanwezig is in de vorm van nitraat. Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan zeker dat nitraat is toegevoegd dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. Hierbij wordt de dierlijke mest ontsloten met een mengsel van geconcentreerd zwavelzuur/salicylzuur en kaliumsulfaat met koper als katalysator. Door toevoeging van salicylzuur vormen aanwezige nitraten en nitrieten met salicylzuur nitroverbindingen. Tevens wordt natriumthiosulfaat toegevoegd om de reductie van het genitreerde salicylzuur te bevorderen en omzetting tot ammoniumionen te versnellen. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.

De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:

Alle verrichtingen in dit accreditatieprogramma, met uitzondering van NEN 7430 & NEN 7431, worden onder herhaalbaarheidscondities in duplo uitgevoerd.

Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de stapelbare mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.

De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:

Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.

Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.

Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).

De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:

De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.

De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het niveau, als volgt:

Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de stapelbare mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.

8. Archivering van gegevens

De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.

6.1.1. Controlemonster eerste lijn

8. Archivering van gegevens

6.1.1.1. Omvang serie

Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of stapelbare mest) per analysedag is vereist.

6.1.1.2. Eisen controlemonster eerste lijn

9. Controle op naleving

De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.

6.1.1.3. Opstellen controlekaart

10. Toetredingsprocedure

Een nieuwe controlekaart wordt opgestart door minimaal vijf maal de verrichting uit te voeren in het nieuwe materiaal in verschillende al dan niet opeenvolgende series. Uit de testgegevens wordt berekend of het monstermateriaal voldoet aan de gestelde eisen voor gemiddelde en de herhaalbaarheid. Is dit het geval dan wordt de gemiddelde waarde van deze 10 waarnemingen (5 maal 2) genomen als startpunt van de controlekaart. Aan de hand van dit gemiddelde en de relatieve waarde van de toegestane standaardafwijking worden de 2s en 3s grenzen berekend en weergegeven in de kaart. De gegevens dienen van een periode te zijn dat de bepaling beheerst werd uitgevoerd, d.w.z. uit goedgekeurde series.

Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende 2s en 3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.

6.1.1.4. Dagelijkse toetsing controlekaart

Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:

Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:

6.1.2. Duplo-analyse monsters

Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.

Voldoet een monster niet aan de gestelde eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten en geregistreerd. De eerder gevonden resultaten worden verworpen.

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

Tabel II behorend bij artikel 89

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

Tabel II behorend bij artikel 89

De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.

Behorende bij de artikelen 97, 100 en 101

Idem 6.1.1.3

I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen

De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende laboratoriumafdeling.

Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:

2. Doel

3. Uitgangspunten

6.2.2. Procedurele aspecten

Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:

6.3. Derdelijnscontrole

Doel van de derdelijnscontrole is o.a. het stimuleren van een prestatieverbetering van de laboratoria.

De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:

6.3.1. Ringonderzoek

6.3.1.1. Procedurele aspecten

Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van LNV uitgevoerd door daartoe door de minister van LNV aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.

Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen.

6.3.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten

De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de z-score berekend:

z = (Xlab. – Xgem.) / s

Waarbij:

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

Xgem. = de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters);

s = de onzekerheid in deze toegekende waarde als standaarddeviatie van het labgemiddelde (na verwijdering van uitbijters).

Het resultaat van een parameter is significant afwijkend t.a.v. de toegekende waarde indien:

Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde z-waarde dient tussen +1 en –1 te liggen.

Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij 2 of meer is de kwaliteit onvoldoende.

6.3.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten

De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister van LNV gerapporteerd.

6.3.2. Steekproef

Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters verzameld ten behoeve van analyse door RIKILT – Instituut voor Voedselveiligheid, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt 0,5% van het totaal met een minimum van 50 per jaar. Dit gebeurt onaangekondigd. Het laboratorium is verplicht reeds vastgelegde analyseresultaten van de betreffende monsters aan RIKILT – Instituut voor Voedselveiligheid, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen beschikbaar te stellen. Beide reeksen analyseresultaten worden met elkaar vergeleken middels een paarsgewijze t-toets. De resultaten van de toets worden binnen 30 dagen gerapporteerd aan het laboratorium en aan de minister van LNV.

De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.

7.1. Uitdrukking van meetresultaten

De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Stapelbare mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.

Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, omrekeningsfactor hiervoor is:

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.

De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.

De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:

Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

7.3. Heranalyse

10. Toetredingsprocedure

Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.

De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.

Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.

9. Controle op naleving

3. Plaats bemonstering

Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.

7.4. Rapportage aan Dienst Regelingen

Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan Dienst Regelingen rapporteren:

8. Archivering van gegevens

De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.

Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.

NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.

De jaarlijkse controle op de naleving van de eisen geformuleerd in dit Accreditatieprogramma wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de RvA worden gemeld aan de minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren. In het kader van haar toezichthoudende taak zal de AID tevens de naleving van het voldoen aan de eisen uit het AP05 controleren.

De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister van LNV gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.

De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister van LNV haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zonodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.

NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.

1. Droge stof

Kwalificatieprocedure voor het verkrijgen van de accrediatieAP05:

Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.

4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster

NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest

NEN 7433: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling voor de bepaling van stikstof, fosfor en kalium. Ontsluiting met zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat.

NEN 7434: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan stikstof in destruaten.

A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost

NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.

Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.

Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.

Behorende bij de artikelen 97, 100 en 101

4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.

Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).

Tabel III behorend bij artikel 81

Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.

Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.

CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).

CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).

CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).

CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).

Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).

Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).

Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.

Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.

Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.

Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.

Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).

De analysefrequentie hangt af van:

4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.

Bestaand product

In artikel 98 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:

In artikel 98 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:

2. Doel

Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.

Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).

Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).

De analysefrequentie hangt af van:

Bestaand product

4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.

4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.

Nieuw product

4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:

4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.

4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.

4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.

4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.

Bestaand product

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 69a
1.

De vervoerder van een vracht zuiveringsslib en compost verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs.

2.

De op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib en compost op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.

3.

In afwijking van artikel 55, vierde lid, van het besluit, kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. Artikel 65 is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Grensoverschrijdende overbrenging

Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling

§ 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

§ 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen

Artikel 91a

Indien een hoeveelheid vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat, van een onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, een intermediaire onderneming of een afnemer die geen bedrijf of intermediaire onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald:

§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen

§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen

§ 4. Voorraden meststoffen

§ 7. Staldieren en eieren

Artikel 102a

Voor de toepassing van artikel 20 van de Meststoffenwet, worden bij de vaststelling van het dagelijkse aanwezige aantal vleeskalkoenen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het besluit, de hanen van een bepaalde mestronde aangemerkt als tegelijk voor de slacht afgeleverd met de laatste voor de slacht afgeleverde hennen van die mestronde.

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 5. Gasvormige verliezen

§ 6. Diervoeders

§ 7. Staldieren en eieren

§ 3. Vervallen van een productierecht

§ 4. Leges

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Bijlage

Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 64, vierde lid, 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 355 350 345 340
Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode) 8 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 300 300 275 275 290 275
Consumptieaardappelrassen overig 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). 275 275 250 250 265 250
Consumptieaardappelrassen lage norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 250 250 225 225 240 225
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 140 140 140 140
Pootaardappelrassen overig 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 180 180 180 170
Zetmeelaardappelen 265 265 240 240 240 230
Suikerbieten 165 165 150 150 150 145
Cichorei 75 75 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 165 165 165 165
Wintertarwe 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm).7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 245 240 220 220 190 160
Zomertarwe 155 155 140 140 140 140
Wintergerst 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 80 80 90 80
Triticale 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 175 175 160 160 160 150
Winterrogge 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Haver 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 110 110 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 205 205 185 185 185 175
Luzerne, eerste jaar 45 45 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 165 165 165 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 200 200 200 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 140 140 140 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 110 110 110 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 85 85 85 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 115 115 115 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 110 110 110 105
Graszaad, Italiaans 145 145 130 130 130 125
Graszaad, overig 100 100 90 90 90 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszoden 375 375 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 130 130 130 125
Blauwmaanzaad 120 120 110 110 110 105
Karwij 165 165 150 150 150 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 90 90 90 85
Koolzaad, winter 225 225 205 205 205 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 160 160 160 150
Koolzaad, zomer 130 130 120 120 120 120
Vlas 75 75 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 200 200 200 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 260 260 210 200
Spinazie, volgteelt 205 205 185 185 160 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Andijvie, volgteelt 100 100 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 200 200 200 190
Prei 270 270 245 245 245 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 100 100 100 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 290 290 290 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 50 50 50 50
Wittekool 350 350 320 320 320 305
Rodekool 315 315 285 285 285 270
Savooiekool 315 315 285 285 285 270
Spitskool 315 315 285 285 285 270
Bloemkool 255 255 230 230 230 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 120 120 120 115
Broccoli 295 295 270 270 270 255
Chinese kool 200 200 180 180 180 170
Boerenkool 185 185 170 170 170 160
Paksoi 200 200 180 180 180 170
Raapstelen 155 155 140 140 140 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Kruiden, bladgewas, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 200 200 200 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 100 100 100 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 120 120 120 115
Aardbei (productie) 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 80 80 80 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 190 190 190 180
Suikermaïs 220 220 200 200 200 190
Stam/stokboon, vers 130 130 120 120 120 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 30 30 30 30
Peul 100 100 90 90 90 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 85 85 85 80
Knolselderij 220 220 200 200 200 190
Knolvenkel/venkel 200 200 180 180 180 170
Koolraap 185 185 170 170 170 160
Koolrabi 200 200 180 180 180 170
Kroten/rode bieten 205 205 185 185 185 175
Winterpeen/waspeen 120 120 110 110 110 110
Bospeen 55 55 50 50 50 50
Rabarber 275 275 250 250 250 240
Radijs 90 90 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 170 170 170 170
Witlof 110 110 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 200 200 200 190
Groenbemesters 5 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs. (kg N per ha per teelt)
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (o.a. bladrammenas, gele mosterd, gras, granen) 65 65 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 30 30 30 30
Tagetes 100 100 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt 7 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.
Acidanthera 280 280 255 255 255 240
Anemone coronaria 145 145 130 130 130 125
Fritillaria imperialis 150 150 135 135 135 130
Hyacint 240 240 220 220 220 210
Iris, grofbollig 185 185 170 170 170 160
Iris, fijnbollig 155 155 140 140 140 135
Krokus, grote gele 190 190 175 175 175 165
Krokus, overig 100 100 90 90 90 85
Narcis 160 160 145 145 145 140
Tulp 220 220 200 200 200 190
Dahlia 120 120 110 110 110 105
Gladiool, pitten 285 285 260 260 260 245
Gladiool, kralen 210 210 190 190 190 180
Knolbegonia 165 165 150 150 150 145
Lelie 170 170 155 155 155 145
Zantedeschia 120 120 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 165 165 165 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 175 175 175 165
Blauwe bes 110 110 100 100 100 95
Braam 165 165 150 150 150 140
Framboos 165 165 150 150 150 140
Kers 195 195 175 175 175 165
Peer 195 195 175 175 175 165
Pruim 195 195 175 175 175 165
Rode bes 165 165 150 150 150 140
Druif 110 110 100 100 100 95
Zwarte bes 195 195 175 175 175 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 75 75 75 75
Coniferen (incl. kerstsparren en -dennen) 90 90 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 70 70 70 70
Buxus 105 105 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau 6 Deze vaste norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt. (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110
Akkerbouwgewassen op löss
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215
Wintertarwe 220 220

Bijlage

Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 64, vierde lid, 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

Consumptieaardappelrassen hoge norm

Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).

Consumptieaardappelrassen lage norm

CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).

Producent

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

Pootaardappelrassen hoge norm

Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie

Pootaardappelrassen lage norm

Premiere

Ramos

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Buitenbloemen hoge norm

Ballys

Ceasar

Desiree

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Type meststof en omstandigheid Type meststof en omstandigheid Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten
2006 2007 2008 2009
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. Aangevoerde en eigen drijfmest 30 40 50 verbod
Aangevoerde en eigen vaste mest2Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten. 25/30 25/30 30/35 30/55
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf met beweiding3De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoefficient die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 35 35 45 45
Op bedrijf zonder beweiding4De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Dunne fractie (na mestbewerking) en gier 80 80 80 80
Drijfmest 60 60 60 60
Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen 55 55 55 55
Vaste mest van overige diersoorten 40 40 40 40
Champost 25 25 25 25
Compost 10 10 10 10
Zuiveringsslib 40 40 40 40
Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) 50 50 50 50
Veen 0 0 0 0
Mengsels van meststoffen Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.

Principe

Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland

Producent

Russet Burbank

2. Voorbehandeling van de grondmonsters

Climax

3. Analyse van grondmonsters

2. Benodigde reagentia

Asterix

Buitenbloemen hoge norm

Marfona

4. Berekening

Solidago

5. Opmerkingen

Lymonium

Lysimachia

1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.

3.Werkwijze

2.5. Moederoplossing voor extractievloeistof

4. Berekening

Stel de gevonden normaliteit van het ijsazijn = b.

Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.

Bijlage D. Diergebonden normen

Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96.

De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.

Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96

Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO 3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.

Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.

3. Werkwijze

4. Berekening

5. Opmerkingen

Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.

2. Inlezen gegevens

Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofoto meter de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.

F = waarde van de ijkfactor verkregen uit de ijklijn = ongeveer 1,9

5. Opmerkingen

3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur

Hierin is:

Eb = extinctie van de blanco

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

2. Reagentia

Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.

Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23-26.

E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest

E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest

In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.

2.4. Ascorbinezuur oplossing 1,75%

3.Werkwijze

3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur

Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0 °C langer.

Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

5. Opmerkingen

Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 millliliter:

3.Werkwijze

De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.

De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedistilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedistilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.

Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96

Bijlage G

Bijlage H. behorende bij de artikelen 80 en 81

Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de artikelen 36 en 74

5. Opmerkingen

1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.

2. Algemene eisen

1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.

3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma

2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, op elektronische wijze wordt ingelezen.

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en stapelbare mest.

7. Rapportage van resultaten

6.1. Eerstelijnscontrole

9. Controle op naleving

Het gehalte aan stikstof en fosfor van het controlemonster drijfmest dient te liggen tussen 4 en 12 g/kg resp. 1 en 5 g/kg. Het gehalte aan stikstof en fosfor van het al dan niet voorbehandelde gedroogde en gemalen controlemonster stapelbare mest dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg.

11. Literatuur

Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘gemiddelde van 4 waarnemingen’.

6.2. Tweedelijnscontrole

De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het niveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen

6.2.1.3. Toetsing controlekaart

1. Algemeen

Jaarlijks worden de resultaten van de tweedelijnscontrole intern geëvalueerd en vastgelegd.

4. Werkwijze

4. Werkwijze

Xlab. = de door het laboratorium gemeten waarde van het monster;

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29

8. Archivering van gegevens

De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.

7.2. Analyserapport

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

De bewaartermijn van de analysemonsters is 14 dagen na verzending van het analyserapport aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.

8. Archivering van gegevens

11. Literatuur

Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat.

De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.

4. Monsternameprocedure

10. Toetredingsprocedure

Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.

9. Controle op naleving

Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.

B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost

NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.

2. Stikstof (N)

CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).

1. Droge stof

Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

4.1.3. Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent de ondernemer op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd

voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.

Opmerkingen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 91b

Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid van het besluit, gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderdeel b, van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.

§ 5. Gasvormige verliezen

§ 6. Diervoeders

§ 7. Staldieren en eieren

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 1. Kennisgeving van overgang

§ 2. Blokkaderecht

§ 4. Leges

§ 1. Kennisgeving van overgang

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 355 350 345 340
Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode) 8 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 300 300 275 275 290 275
Consumptieaardappelrassen overig 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). 275 275 250 250 265 250
Consumptieaardappelrassen lage norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 250 250 225 225 240 225
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 140 140 140 140
Pootaardappelrassen overig 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 180 180 180 170
Zetmeelaardappelen 265 265 240 240 240 230
Suikerbieten 165 165 150 150 150 145
Cichorei 75 75 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 165 165 165 165
Wintertarwe 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm).7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 245 240 220 220 190 160
Zomertarwe 155 155 140 140 140 140
Wintergerst 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 80 80 90 80
Triticale 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 175 175 160 160 160 150
Winterrogge 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Haver 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 110 110 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 205 205 185 185 185 175
Luzerne, eerste jaar 45 45 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 165 165 165 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 200 200 200 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 140 140 140 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 110 110 110 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 85 85 85 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 115 115 115 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 110 110 110 105
Graszaad, Italiaans 145 145 130 130 130 125
Graszaad, overig 100 100 90 90 90 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszoden 375 375 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 130 130 130 125
Blauwmaanzaad 120 120 110 110 110 105
Karwij 165 165 150 150 150 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 90 90 90 85
Koolzaad, winter 225 225 205 205 205 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 160 160 160 150
Koolzaad, zomer 130 130 120 120 120 120
Vlas 75 75 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 200 200 200 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 260 260 210 200
Spinazie, volgteelt 205 205 185 185 160 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Andijvie, volgteelt 100 100 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 200 200 200 190
Prei 270 270 245 245 245 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 100 100 100 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 290 290 290 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 50 50 50 50
Wittekool 350 350 320 320 320 305
Rodekool 315 315 285 285 285 270
Savooiekool 315 315 285 285 285 270
Spitskool 315 315 285 285 285 270
Bloemkool 255 255 230 230 230 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 120 120 120 115
Broccoli 295 295 270 270 270 255
Chinese kool 200 200 180 180 180 170
Boerenkool 185 185 170 170 170 160
Paksoi 200 200 180 180 180 170
Raapstelen 155 155 140 140 140 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Kruiden, bladgewas, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 200 200 200 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 100 100 100 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 120 120 120 115
Aardbei (productie) 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 80 80 80 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 190 190 190 180
Suikermaïs 220 220 200 200 200 190
Stam/stokboon, vers 130 130 120 120 120 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 30 30 30 30
Peul 100 100 90 90 90 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 85 85 85 80
Knolselderij 220 220 200 200 200 190
Knolvenkel/venkel 200 200 180 180 180 170
Koolraap 185 185 170 170 170 160
Koolrabi 200 200 180 180 180 170
Kroten/rode bieten 205 205 185 185 185 175
Winterpeen/waspeen 120 120 110 110 110 110
Bospeen 55 55 50 50 50 50
Rabarber 275 275 250 250 250 240
Radijs 90 90 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 170 170 170 170
Witlof 110 110 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 200 200 200 190
Groenbemesters 5 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs. (kg N per ha per teelt)
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (o.a. bladrammenas, gele mosterd, gras, granen) 65 65 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 30 30 30 30
Tagetes 100 100 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt 7 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.
Acidanthera 280 280 255 255 255 240
Anemone coronaria 145 145 130 130 130 125
Fritillaria imperialis 150 150 135 135 135 130
Hyacint 240 240 220 220 220 210
Iris, grofbollig 185 185 170 170 170 160
Iris, fijnbollig 155 155 140 140 140 135
Krokus, grote gele 190 190 175 175 175 165
Krokus, overig 100 100 90 90 90 85
Narcis 160 160 145 145 145 140
Tulp 220 220 200 200 200 190
Dahlia 120 120 110 110 110 105
Gladiool, pitten 285 285 260 260 260 245
Gladiool, kralen 210 210 190 190 190 180
Knolbegonia 165 165 150 150 150 145
Lelie 170 170 155 155 155 145
Zantedeschia 120 120 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 165 165 165 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 175 175 175 165
Blauwe bes 110 110 100 100 100 95
Braam 165 165 150 150 150 140
Framboos 165 165 150 150 150 140
Kers 195 195 175 175 175 165
Peer 195 195 175 175 175 165
Pruim 195 195 175 175 175 165
Rode bes 165 165 150 150 150 140
Druif 110 110 100 100 100 95
Zwarte bes 195 195 175 175 175 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 75 75 75 75
Coniferen (incl. kerstsparren en -dennen) 90 90 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 70 70 70 70
Buxus 105 105 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau 6 Deze vaste norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt. (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110
Akkerbouwgewassen op löss
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215
Wintertarwe 220 220

Consumptieaardappelrassen hoge norm

Consumptieaardappelrassen lage norm

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen

Pootaardappelrassen lage norm

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Consumptieaardappelrassen lage norm

Diamant

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Type meststof en omstandigheid Type meststof en omstandigheid Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten
2006 2007 2008 2009
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. Aangevoerde en eigen drijfmest 30 40 50 verbod
Aangevoerde en eigen vaste mest2Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten. 25/30 25/30 30/35 30/55
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf met beweiding3De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoefficient die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 35 35 45 45
Op bedrijf zonder beweiding4De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Dunne fractie (na mestbewerking) en gier 80 80 80 80
Drijfmest 60 60 60 60
Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen 55 55 55 55
Vaste mest van overige diersoorten 40 40 40 40
Champost 25 25 25 25
Compost 10 10 10 10
Zuiveringsslib 40 40 40 40
Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) 50 50 50 50
Veen 0 0 0 0
Mengsels van meststoffen Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland

Desiree

3. Analyse van grondmonsters

Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal

2. Benodigde reagentia

3. Werkwijze

4. Berekening

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal

Principe

3.Werkwijze

Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich reeds circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.

5. Opmerkingen

Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.

Bijlage D. Diergebonden normen

Oplossing II

4. Berekening

Oplossing III

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

2. Reagentia

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

5. Opmerkingen

6. Versturen van mesttransportgegevens

Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.

2.3. Zwavelzure molybdaat oplossing

2. Inlezen gegevens

3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

3.Werkwijze

6. Versturen van mesttransportgegevens

Hierin is:

Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.

Bijlage G

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de artikelen 36 en 74

C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur

1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur

5. Technische beschrijving van verrichtingen

6. Kwaliteitsborging

7. Rapportage van resultaten

Het controlemonster van de eerstelijn dient om het niveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.

8. Archivering van gegevens

Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarbij de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% bedraagt en voor fosfor 3,42%. (Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de lange termijneffecten op de gemiddelde waarde van het controlemonster in de controlekaart mee te nemen.)

10. Toetredingsprocedure

11. Literatuur

6.2.1. Controlemonster tweede lijn

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Behorende bij de artikelen 97, 100 en 101

Bijlage K. behorende bij artikel 98

2. Doel

Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.

4. Werkwijze

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

2. Doel

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost

2. Stikstof (N)

4. Werkwijze

4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 57a
1.

De vervoerder, die overeenkomstig artikel 57 mededeling heeft gedaan, doet ten minste drie werkdagen voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk buiten of binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen.

2.

Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

3.

Ten minste twaalf uur voordat de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt, bevestigt de vervoerder de in het eerste lid bedoelde mededeling elektronisch aan de Dienst Regelingen.

4.

Bij de in het derde lid bedoelde bevestiging van de mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

5.

Indien de meststoffen binnen Nederland worden gebracht of indien de vracht bestaat uit dierlijke meststoffen waarvoor ingevolge Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) geen gezondheidscertificaat is voorgeschreven, kan de in het eerste lid bedoelde mededeling en de in het derde lid bedoelde bevestiging gelijktijdig geschieden, ten minste twaalf uur voordat de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt.

6.

Indien het vervoer, nadat de in het derde lid bedoelde bevestiging is gedaan, niet dan wel niet overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de desbetreffende vervoerder, de in het eerste lid bedoelde mededeling onverwijld elektronisch in.

§ 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen

§ 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

§ 4. Grensoverschrijdende overbrenging

Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling

§ 1. Mestproductie

§ 4. Grensoverschrijdende overbrenging

§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen

§ 4. Voorraden meststoffen

§ 6. Diervoeders

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 2. Blokkaderecht

§ 5. Uitbreiding buiten rechten

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

Consumptieaardappelrassen hoge norm

2. Fosfaat (P2O5)

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As

Pootaardappelrassen lage norm

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Buitenbloemen hoge norm

Bijlage C. behorende bij de artikelen 30 tot en met 33

1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond

Annabel

1. Abstract

2. Benodigde reagentia

3. Werkwijze

Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal

Veronica

3. Analyse van grondmonsters

1. Abstract

4. Berekening

Bijlage D. Diergebonden normen

Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op in water (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur

1. Abstract

6. Versturen van mesttransportgegevens

2. Reagentia

1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur

6. Versturen van mesttransportgegevens

In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.

Bijlage F

onderdeel B

Bijlage H. behorende bij de artikelen 80 en 81

Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103

D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest

D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest

4. Controle en registratie inkomende monsters

5. Technische beschrijving van verrichtingen

onderdeel A

7. Rapportage van resultaten

8. Archivering van gegevens

9. Controle op naleving

10. Toetredingsprocedure

11. Literatuur

Het laboratorium dient een tweedelijnscontrolemonster te analyseren met een frequentie van eenmaal per 2 weken. Hierbij doorloopt het monster zo veel mogelijk de gehele procedure van alle in dit accreditatieprogramma genoemde parameters.

Bijlage K. behorende bij artikel 98

3. Uitgangspunten

4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

Het laboratorium stuurt het analyserapport aan de vervoerder van de vracht of partij mest waar de analyse betrekking op heeft. Dit kan op papier of elektronisch.

4.1. Algemeen

Tabel II behorend bij artikel 89

Tabel II behorend bij artikel 89

1. Droge stof

Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91

A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost

2. Stikstof (N)

4. Werkwijze

4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 69b

Artikel 55 van het besluit is niet van toepassing op het vervoer van:

§ 4. Grensoverschrijdende overbrenging

Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling

§ 1. Mestproductie

§ 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen

Artikel 92a
1.

Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in zuiveringsslib en compost, alsmede het droge stofgehalte in zuiveringsslib en compost wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster.

2.

De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.

3.

Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig artikel 92b, tweede lid, berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:

4.

Het monster wordt verpakt in een monsterverpakking die het monster niet verontreinigt of de samenstelling ervan anderszins beïnvloedt.

5.

Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

6.

Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in artikel 92b, tweede lid, bedoelde berekening.

Artikel 92b
1.

Het laboratorium, bedoeld in artikel 92a, analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage Ia, onderdeel A, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.

2.

Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig artikel 92a, zesde lid, is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in bijlage Ia, onderdeel B, opgenomen berekeningsmethode.

3.

Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.

4.

Indien het monster afkomstig is uit een afzonderlijk geproduceerde partij zendt het laboratorium de analyseresultaten uiterlijk tien werkdagen na analyse elektronisch aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid.

5.

Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, zendt het laboratorium de in het derde lid bedoelde gemiddelde gehaltes, uiterlijk tien werkdagen na afloop van de desbetreffende kalendermaand elektronisch aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid en het unieke analysenummer dat betrekking heeft op het in voorgaande kalendermaand met betrekking tot de desbetreffende hoeveelheid berekende gemiddelde.

6.

Het laboratorium bewaart de monsters totdat tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium zijn verstreken.

§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen

§ 6. Diervoeders

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 2. Blokkaderecht

§ 5. Uitbreiding buiten rechten

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Bijlage

Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 64, vierde lid, 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

bijlage Aa. , behorende bij artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld

II. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld

(Categorieën afvalstoffen of reststoffen)

III. Stoffen die bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt

IV. Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld

bijlage Ab. behorende bij de artikelen 8 en 9 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Zware metalen Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel
MgO SO3 Na2O CaO in CaSO4-meststof
Cd 33 33 42 2,5
Cr 2000 2000 2500 150
Cu 2000 2000 2500 150
Hg 20 20 25 1,5
Ni 800 800 1000 60
Pb 2667 2667 3333 200
Zn 8000 8000 10000 600
As 400 400 500 30

Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.

Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel
Organische microverontreinigingen MgO SO3 Na2O CaO in CaSO4-meststof
Σ PCDD/PCDF 0,020 0,020 0,025 0,00152
α-ΗCH 331 331 413 24,8
β-ΗCH 12,8 12,8 16 0,96
γ-ΗCΗ (lindaan) 1,3 1,3 1,6 0,10
HCB 41,6 41,6 52,0 3,12
Aldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Dieldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ aldrin/dieldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Endrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Isodrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ endrin/isodrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ DDT + DDD + DDE 24,5 24,5 30,7 1,84
PCB-28 19,7 19,7 24,7 1,48
PCB-52 19,7 19,7 24,7 1,48
PCB-101 80 80 100 6
PCB-118 80 80 100 6
PCB – 138 80 80 100 6
PCB – 153 80 80 100 6
PCB – 180 80 80 100 6
Σ 6-PCB (excl. PCB-118) 400 400 500 30
Naftaleen 640 640 800 48
Fenanthreen 800 800 1000 60
Antraceen 640 640 800 48
Fluoranteen 197 197 247 15
Benzo(a)antraceen 245 245 307 18
Chryseen 245 245 307 18
Benzo(k)fluoranteen 288 288 360 22
Benzo(a)pyreen 309 309 387 23
Benzo(g,h,i)peryleen 224 224 280 17
Indeno(1,2,3-c,d)pyreen 251 251 313 19
Σ 10-PAK 12267 12267 15333 920
Minerale olie 997333 997333 1246667 74800

Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.

bijlage Ac. , behorende bij de artikelen 17 tot en met 22 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten

1. Stikstof (N)

2. Fosfaat (P2O5)

3. Kaliumoxide (K2O)

4. Calciumoxide (CaO)

5. Magnesiumoxide (MgO)

6. Zwaveltrioxide (SO3)

3. Kaliumoxide (K2O)

8. Boor (B)

9. Kobalt (Co)

10. Koper (Cu)

11. IJzer (Fe)

4. Calciumoxide (CaO)

5. Magnesiumoxide (MgO)

6. Zwaveltrioxide (SO3)

7. Natriumoxide (Na2O)

9. Kobalt (Co)

11. IJzer (Fe)

1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As

3. Instrumentele analyse Hg

VI. protocol analyse organische microverontreinigingen

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss 1Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid. 355 350 345 340
Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode) 8 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober 2Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 300 300 275 275 290 275
Consumptieaardappelrassen overig 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). 275 275 250 250 265 250
Consumptieaardappelrassen lage norm 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm). (zie bijlage A.1) 250 250 225 225 240 225
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 140 140 140 140
Pootaardappelrassen overig 130 130 120 120 120 120
Pootaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 180 180 180 170
Zetmeelaardappelen 265 265 240 240 240 230
Suikerbieten 165 165 150 150 150 145
Cichorei 75 75 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 165 165 165 165
Wintertarwe 3Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm).7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 245 240 220 220 190 160
Zomertarwe 155 155 140 140 140 140
Wintergerst 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 80 80 90 80
Triticale 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 175 175 160 160 160 150
Winterrogge 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 155 155 140 140 140 140
Haver 7De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten. 110 110 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie 4De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters. 205 205 185 185 185 175
Luzerne, eerste jaar 45 45 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 165 165 165 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 200 200 200 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 140 140 140 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 110 110 110 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 60 60 60 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 85 85 85 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 115 115 115 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 110 110 110 105
Graszaad, Italiaans 145 145 130 130 130 125
Graszaad, overig 100 100 90 90 90 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 45 45 45 45
Graszoden 375 375 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 130 130 130 125
Blauwmaanzaad 120 120 110 110 110 105
Karwij 165 165 150 150 150 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 90 90 90 85
Koolzaad, winter 225 225 205 205 205 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 160 160 160 150
Koolzaad, zomer 130 130 120 120 120 120
Vlas 75 75 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 200 200 200 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 260 260 210 200
Spinazie, volgteelt 205 205 185 185 160 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 180 180 180 170
Andijvie, volgteelt 100 100 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 200 200 200 190
Prei 270 270 245 245 245 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 100 100 100 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 290 290 290 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 50 50 50 50
Wittekool 350 350 320 320 320 305
Rodekool 315 315 285 285 285 270
Savooiekool 315 315 285 285 285 270
Spitskool 315 315 285 285 285 270
Bloemkool 255 255 230 230 230 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 120 120 120 115
Broccoli 295 295 270 270 270 255
Chinese kool 200 200 180 180 180 170
Boerenkool 185 185 170 170 170 160
Paksoi 200 200 180 180 180 170
Raapstelen 155 155 140 140 140 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 150 150 150 145
Kruiden, bladgewas, meermalige oogst 300 300 275 275 275 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 200 200 200 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 100 100 100 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 120 120 120 115
Aardbei (productie) 185 185 170 170 170 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 80 80 80 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 190 190 190 180
Suikermaïs 220 220 200 200 200 190
Stam/stokboon, vers 130 130 120 120 120 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 30 30 30 30
Peul 100 100 90 90 90 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 85 85 85 80
Knolselderij 220 220 200 200 200 190
Knolvenkel/venkel 200 200 180 180 180 170
Koolraap 185 185 170 170 170 160
Koolrabi 200 200 180 180 180 170
Kroten/rode bieten 205 205 185 185 185 175
Winterpeen/waspeen 120 120 110 110 110 110
Bospeen 55 55 50 50 50 50
Rabarber 275 275 250 250 250 240
Radijs 90 90 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 170 170 170 170
Witlof 110 110 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 200 200 200 190
Groenbemesters 5 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs. (kg N per ha per teelt)
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (o.a. bladrammenas, gele mosterd, gras, granen) 65 65 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 30 30 30 30
Tagetes 100 100 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt 7 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.
Acidanthera 280 280 255 255 255 240
Anemone coronaria 145 145 130 130 130 125
Fritillaria imperialis 150 150 135 135 135 130
Hyacint 240 240 220 220 220 210
Iris, grofbollig 185 185 170 170 170 160
Iris, fijnbollig 155 155 140 140 140 135
Krokus, grote gele 190 190 175 175 175 165
Krokus, overig 100 100 90 90 90 85
Narcis 160 160 145 145 145 140
Tulp 220 220 200 200 200 190
Dahlia 120 120 110 110 110 105
Gladiool, pitten 285 285 260 260 260 245
Gladiool, kralen 210 210 190 190 190 180
Knolbegonia 165 165 150 150 150 145
Lelie 170 170 155 155 155 145
Zantedeschia 120 120 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 165 165 165 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 175 175 175 165
Blauwe bes 110 110 100 100 100 95
Braam 165 165 150 150 150 140
Framboos 165 165 150 150 150 140
Kers 195 195 175 175 175 165
Peer 195 195 175 175 175 165
Pruim 195 195 175 175 175 165
Rode bes 165 165 150 150 150 140
Druif 110 110 100 100 100 95
Zwarte bes 195 195 175 175 175 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 75 75 75 75
Coniferen (incl. kerstsparren en -dennen) 90 90 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 70 70 70 70
Buxus 105 105 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau 6 Deze vaste norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt. (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110
Akkerbouwgewassen op löss
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215
Wintertarwe 220 220

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

Consumptieaardappelrassen hoge norm

Consumptieaardappelrassen lage norm

Pootaardappelrassen hoge norm

Eigenheimer

Frieslander

Pootaardappelrassen lage norm

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Type meststof en omstandigheid Type meststof en omstandigheid Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten
2006 2007 2008 2009
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen. Aangevoerde en eigen drijfmest 30 40 50 verbod
Aangevoerde en eigen vaste mest2Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten. 25/30 25/30 30/35 30/55
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf met beweiding3De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoefficient die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 35 35 45 45
Op bedrijf zonder beweiding4De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast. 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Dunne fractie (na mestbewerking) en gier 80 80 80 80
Drijfmest 60 60 60 60
Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen 55 55 55 55
Vaste mest van overige diersoorten 40 40 40 40
Champost 25 25 25 25
Compost 10 10 10 10
Zuiveringsslib 40 40 40 40
Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) 50 50 50 50
Veen 0 0 0 0
Mengsels van meststoffen Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.

Bijlage C. behorende bij de artikelen 30 tot en met 33

Principe

Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland

2. Voorbehandeling van de grondmonsters

3. Werkwijze

Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 1 millligram fosfaat (P2O5).

2.9. Verdunde standaardoplossing

4. Berekening

Bijlage D. Diergebonden normen

Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96

Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de artikelen 36 en 74

Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103

Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de artikelen 36 en 74

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

6. Versturen van mesttransportgegevens

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur

3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur

Bijlage F

onderdeel B

bijlage G. , behorende bij de artikelen 68 en 69 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur

7. Signalering van storingen

Bijlage H. behorende bij de artikelen 80 en 81

Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05

1. Introductie

2. Algemene eisen

2. Algemene eisen

4. Controle en registratie inkomende monsters

5. Technische beschrijving van verrichtingen

5. Technische beschrijving van verrichtingen

6.2.1.1. Eisen controlemonster tweede lijn

Het tweedelijnscontrolemonster dient een ander monster te zijn dan het controlemonster dat gebruikt wordt voor de eerstelijnscontrole en dient – voor zover mogelijk – onherkenbaar bepaald te worden.

Het controlemonster dient bij voorkeur te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen stapelbare mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar. (Toelichting: Uitgaande van een maximale frequentie van een maal per twee weken betekent dit een hoeveelheid monster van 1 (gram: inweeg) * 2 (duplo) * 26 (weken) * 10 (jaar) * 1,1 (marge) ≈ 600 gram.)

6.2.1.2. Opstellen controlekaart

7. Rapportage van resultaten

9. Controle op naleving

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

bijlage Ia. behorende bij artikel 92b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

10. Toetredingsprocedure

11. Literatuur

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Bijlage K. behorende bij artikel 98

Tabel II behorend bij artikel 89

3. Fosfaat (P2O5)

B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

1. Algemeen

4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.

4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.

3. Plaats bemonstering

4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.

4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.

Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen

4. Monsternameprocedure

4.1. Algemeen

4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.

Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).

Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).

4.2. Het nemen van de ondermonsters

Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.

3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.

1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.

1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.

1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.

2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.

2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.

3. Plaats bemonstering

3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:

3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.

4. Monsternameprocedure

4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).

4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).

4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).

4.5. Verzending

4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.

4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.

4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.

4.4. Labelgegevens

4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.

4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).

5. Machtiging als monsternemer

4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).

4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.

4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.

4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.

4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.

4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld

4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld

4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.

4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.

4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.

4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.

4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

4.5.3. Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van de Minister aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.

4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd

4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd

Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.

Om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, moet een daartoe bevoegde functionaris van de onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd een verzoek indienen. De ondernemer en de gemachtigde monsternemer dienen daartoe samen onderstaand formulier volledig in te vullen. De ondernemer bewaart de machtiging met een kopie van identiteitsbewijs van de monsternemer op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de machtiging betrekking heeft.

Om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, moet een daartoe bevoegde functionaris van de onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd een verzoek indienen. De ondernemer en de gemachtigde monsternemer dienen daartoe samen onderstaand formulier volledig in te vullen. De ondernemer bewaart de machtiging met een kopie van identiteitsbewijs van de monsternemer op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de machtiging betrekking heeft.

III. Toleranties

Hierbij verzoekt

Bedrijfsnaam

Adres

Postcode + Plaats

Land

de onderstaande persoon te machtigen als monsternemer in het kader van Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen.

Naam:

Voorna(a)m(en) (voluit):

Adres:

Postcode + Plaats:

Geboortedatum

Nationaliteit

Functie binnen de onderneming

Soort identiteitsbewijs (kopie meesturen)

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei*1 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen*1 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss*1 355 350 345 340
Tijdelijk Grasland (kg N per ha per periode)*2
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei*3 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus*3 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september*3 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober*3 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm*4 (zie bijlage A.1) 300 300 285 275 290 275 275 270
Consumptieaardappelrassen overig*4 275 275 265 250 265 250 250 245
Consumptieaardappelrassen lage norm*4 (zie bijlage A.1) 250 250 240 225 240 225 225 220
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 125 120 120 120 120 120
Pootaardappelenrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 145 140 140 140 140 140
Pootaardappelenrassen overig 130 130 125 120 120 120 120 120
Pootaardappelenrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 105 100 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 190 180 180 170 170 170
Zetmeelaardappelen 265 265 255 240 240 230 230 230
Suikerbieten 165 165 160 150 150 145 145 145
Cichorei 75 75 75 70 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 175 165 165 165 165 165
Wintertarwe*4 en 5 245 240 230 220 190 160 160 160
Zomertarwe 155 155 150 140 140 140 140 140
Wintergerst*5 155 155 150 140 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 85 80 90 80 80 80
Triticale*5 175 175 170 160 160 150 150 150
Winterrogge*5 155 155 150 140 140 140 140 140
Haver*5 110 110 105 100 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie*6 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie*6 205 205 195 185 185 175 175 150
Luzerne, eerste jaar 45 45 45 40 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 175 165 165 155 155 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 210 200 200 190 190 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 150 140 140 135 135 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 65 60 60 55 55 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 115 110 110 105 105 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 65 60 60 55 55 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 90 85 85 80 80 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 40 35 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 120 115 115 110 110 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 50 45 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 115 110 110 105 105 105
Graszaad, Italiaans 145 145 140 130 130 125 125 125
Graszaad, overig 100 100 95 90 90 85 85 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 50 45 45 45 45 45
Graszoden 375 375 365 340 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 125 120 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 180 170 170 160 160 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 140 130 130 125 125 125
Blauwmaanzaad 120 120 115 110 110 105 105 105
Karwij 165 165 160 150 150 145 145 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 95 90 90 85 85 85
Koolzaad, winter 225 225 215 205 205 195 195 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 170 160 160 150 150 150
Koolzaad, zomer 130 130 125 120 120 120 120 120
Vlas 75 75 75 70 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 210 200 200 190 190 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 275 260 210 200 200 200
Spinazie, volgteelt 205 205 195 185 160 150 150 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 190 180 180 170 170 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 110 105 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 190 180 180 170 170 170
Andijvie, volgteelt 100 100 95 90 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 210 200 200 190 190 190
Prei 270 270 260 245 245 235 235 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 105 100 100 95 95 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 160 150 150 145 145 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 290 275 275 260 260 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 305 290 290 275 275 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 55 50 50 50 50 50
Wittekool 350 350 335 320 320 305 305 305
Rodekool 315 315 300 285 285 270 270 270
Savooiekool 315 315 295 285 285 270 270 270
Spitskool 315 315 295 285 285 270 270 270
Bloemkool 255 255 245 230 230 220 220 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 125 120 120 115 115 115
Broccoli 295 295 285 270 270 255 255 245
Chinese kool 200 200 190 180 180 170 170 160
Boerenkool 185 185 180 170 170 160 160 160
Paksoi 200 200 190 180 180 170 170 170
Raapstelen 155 155 150 140 140 135 135 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 160 150 150 145 145 145
Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten 300 300 290 275 275 260 260 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 210 200 200 190 190 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 105 100 100 95 95 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 125 120 120 115 115 115
Aardbei (productie) 185 185 180 170 170 160 160 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 85 80 80 75 75 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 200 190 190 180 180 180
Suikermaïs 220 220 210 200 200 190 190 190
Stam/stokboon, vers 130 130 125 120 120 115 115 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 145 135 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 55 50 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 80 75 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 35 30 30 30 30 30
Peul 100 100 95 90 90 85 85 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 90 85 85 80 80 80
Knolselderij 220 220 210 200 200 190 190 190
Knolvenkel/venkel 200 200 190 180 180 170 170 170
Koolraap 185 185 180 170 170 160 160 160
Koolrabi 200 200 190 180 180 170 170 170
Kroten/rode bieten 205 205 195 185 185 175 175 175
Winterpeen/waspeen 120 120 115 110 110 110 110 110
Bospeen 55 55 55 50 50 50 50 50
Rabarber 275 275 265 250 250 240 240 240
Radijs 90 90 85 80 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 180 170 170 170 170 170
Witlof 110 110 105 100 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 210 200 200 190 190 190
Groenbemesters (kg N per ha per teelt)*7
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras/granen) 65 65 65 60 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 35 30 30 30 30 30
Tagetes 100 100 95 90 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)*5
Acidanthera 280 280 270 255 255 240 240 240
Anemone coronaria 145 145 140 130 130 125 125 125
Fritillaria imperialis 150 150 145 135 135 130 130 130
Hyacint 240 240 230 220 220 210 210 210
Iris, grofbollig 185 185 180 170 170 160 160 160
Iris, fijnbollig 155 155 150 140 140 135 135 135
Krokus, grote gele 190 190 185 175 175 165 165 165
Krokus, overig 100 100 95 90 90 85 85 85
Narcis 160 160 155 145 145 140 140 140
Tulp 220 220 210 200 200 190 190 190
Dahlia 120 120 115 110 110 105 105 105
Gladiool, pitten 285 285 275 260 260 245 245 245
Gladiool, kralen 210 210 200 190 190 180 180 180
Knolbegonia 165 165 160 150 150 145 145 145
Lelie 170 170 165 155 155 145 145 145
Zantedeschia 120 120 115 110 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 175 165 165 155 155 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 185 175 175 165 165 165
Blauwe bes 110 110 105 100 100 95 95 95
Braam 165 165 160 150 150 140 140 140
Framboos 165 165 160 150 150 140 140 140
Kers 195 195 185 175 175 165 165 165
Peer 195 195 185 175 175 165 165 165
Pruim 195 195 185 175 175 165 165 165
Rode bes 165 165 160 150 150 140 140 140
Wijnbouw 110 110 105 100 100 95 95 95
Zwarte bes 195 195 185 175 175 165 165 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 210 200 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 160 150 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 45 40 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 95 90 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 120 115 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 80 75 75 75 75 75
Coniferen 90 90 85 80 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 75 70 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 100 95 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 185 175 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 35 30 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 115 110 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 95 90 90 90 90 90
Trek- en besheesters 90 90 85 80 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 100 95 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 75 70 70 70 70 70
Buxus 105 105 100 95 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 95 90 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau*8 (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110 110 110

*1 Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid.

*2 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.

*3 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.

*4 Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de halft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm.

*5 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.

*6 De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters.

*7 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand/ löss en veen geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs.

*8 Deze norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt.

Akkerbouwgewassen op löss 2006 2007 2008 2009
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265 265 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240 240 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215 215 215
Wintertarwe 220 220 220 195

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

Consumptieaardappelrassen lage norm

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

Pootaardappelrassen hoge norm

Pootaardappelrassen lage norm

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Buitenbloemen hoge norm

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Type meststof en omstandigheid Type meststof en omstandigheid Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten
2006 2007 2008 2009
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 Aangevoerde en eigen drijfmest 30 40 50 verbod
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 Aangevoerde en eigen vaste mest2 25/30 25/30 30/35 30/55
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf met beweiding3 35 35 45 45
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf zonder beweiding4 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Dunne fractie (na mestbewerking) en gier 80 80 80 80
Andere meststoffen en omstandigheden Drijfmest op klei en veen 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Drijfmest op zand en löss 60 60 65 65
Andere meststoffen en omstandigheden Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen 55 55 55 55
Andere meststoffen en omstandigheden Vaste mest van overige diersoorten 40 40 40 40
Andere meststoffen en omstandigheden Champost 25 25 25 25
Andere meststoffen en omstandigheden Compost 10 10 10 10
Andere meststoffen en omstandigheden Zuiveringsslib 40 40 40 40
Andere meststoffen en omstandigheden Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) 50 50 50 50
Veen 0 0 0 0
Mengsels van meststoffen5 Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.

1 Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.

2 Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten.

3 De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast.

4 De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast.

5 Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.

Bijlage C. behorende bij de artikelen 30 tot en met 33

Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland

3. Analyse van grondmonsters

Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal

1. Abstract

2. Voorbehandeling van de grondmonsters

Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal

De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van artikel 43.

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur

B. Eisen monsterverpakking

1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

6. Versturen van mesttransportgegevens

1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur

7. Signalering van storingen

E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest

4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur

6. Versturen van mesttransportgegevens

Bijlage F

onderdeel A

onderdeel B

bijlage G. , behorende bij de artikelen 68 en 69 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

7. Signalering van storingen

Bijlage H. behorende bij de artikelen 80 en 81

Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05

1. Introductie

2. Algemene eisen

4. Controle en registratie inkomende monsters

5. Technische beschrijving van verrichtingen

6. Kwaliteitsborging

7. Rapportage van resultaten

11. Literatuur

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

bijlage Ia. behorende bij artikel 92b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Bijlage K. behorende bij artikel 98

2. Doel

3. Uitgangspunten

I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen

I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte

4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.

Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

1. Algemeen

Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer

– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

3. Plaats bemonstering

Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.

1. Algemeen

4.1. Algemeen

3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.

4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.

4.2. Het nemen van de ondermonsters

4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.

4.5. Verzending

4.4. Labelgegevens

5. Machtiging als monsternemer

Verzoek tot machtiging als monsternemer

III. Toleranties

Nummer identiteitsbewijs

Ondergetekenden verklaren bovengenoemde gegevens naar waarheid te hebben ingevuld. Tevens verklaren ondergetekenden volledig op de hoogte te zijn van de inhoud van het Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen en dienovereenkomstig te zullen handelen.

De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.

De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.

1.1. Diervoeders met meer dan 14 % vocht

1.1.1. voor fosfor:

0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;

10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat

Artikel 35a
1.

In de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 vindt een onderzoek plaats naar de landbouwkundige en milieukundige effecten met betrekking tot de productie, de afzet en het gebruik van mineralenconcentraat.

2.

Aan het onderzoek kan worden deelgenomen door ten hoogste tien producenten van mineralenconcentraat.

3.

Een producent van mineralenconcentraat die wil deelnemen aan het onderzoek kan zich hiertoe, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf of de onderneming van de producent verstrekte relatienummer, uiterlijk 1 december 2008 aanmelden bij de Dienst Regelingen.

4.

Bij de aanmelding overlegt de producent gegevens over:

5.

Bij de aanmelding overlegt de producent voorts een beschrijving van:

Artikel 35b
1.

De minister wijst een producent van mineralenconcentraat aan als deelnemer indien:

2.

De minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.

Artikel 35c

Indien meer dan tien producenten voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 35b, eerste lid, wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt zodanig dat een zo groot mogelijke spreiding wordt bereikt naar de gebruikte technieken, de te verwerken mestsoort, de vestigingsplaats van de installatie en de omvang van de jaarlijkse productie.

Artikel 35d
1.

Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in artikel 35a, eerste lid, bedoelde onderzoek.

2.

Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van artikel 35a, vierde en vijfde lid, overgelegde gegevens en beschrijvingen.

3.

De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, binnen 30 dagen aan de Dienst Regelingen.

4.

Wijzigingen in de elementen, bedoeld in artikel 35a, vijfde lid, vinden niet plaats dan na instemming van de minister.

5.

De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in bijlage I voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van artikel 35a, vijfde lid, overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.

6.

Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81.

7.

Ingeval de aangewezen producent een intermediair is, heeft de in artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet bedoelde verantwoording betrekking op zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof.

8.

Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge artikel 35b, tweede lid, gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.

Artikel 35e

De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009 en 2010 vrijgesteld van artikel 7 van de wet, voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in artikel 8, onderdeel b, van de wet, en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in artikel 35f.

Artikel 35f
1.

De landbouwer heeft met een overeenkomstig artikel 35b aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.

2.

Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van artikel 35e elektronisch bij de Dienst Regelingen aangemeld, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.

3.

Het mineralenconcentraat is rechtstreeks vanaf het bedrijf of de onderneming van de in het eerste lid bedoelde producent op het bedrijf van de landbouwer aangevoerd.

4.

Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81.

5.

Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in bijlage I voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.

6.

De landbouwer houdt in de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, de gegevens bij over de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop mineralenconcentraat op of in de bodem is gebracht.

7.

De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in artikel 35a, eerste lid, bedoelde onderzoek.

8.

Bij de bepaling van de in artikel 12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt voor het desbetreffende bedrijf de hoeveelheid stikstof in het mineralenconcentraat voor 100 procent in aanmerking genomen.

Artikel 35g

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2011.

Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen

Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers

Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs

Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers

Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen

Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling

§ 1. Mestproductie

§ 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

§ 3. Vervallen van een productierecht

§ 4. Leges

§ 5. Uitbreiding buiten rechten

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Bijlage

Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Artikel meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
1, eerste lid, onderdeel f 3
5d (10 nieuw), eerste lid 28
5f (12 nieuw), derde lid 29
5e (11 nieuw), vijfde lid 30 tot en met 33
5f (12 nieuw), vijfde lid 34
5e (11 nieuw), zesde lid 35
28, tweede lid, onderdeel b 36
36, onderdeel a 37
36, onderdeel b 38, 40
36, onderdeel c 39
26, tweede lid, onderdeel b 41
36, onderdeel d, 35, tweede lid 42
59d (38 nieuw) 36, onderdeel e 43, 44
41, onderdeel a 45
41, onderdelen b en c 46, 51
41, onderdeel b 47, 49
41, onderdelen d en e 48
46, onderdeel a 50
46, onderdeel d 52
52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b 53
52, eerste lid, onderdelen a, c en d 54
52, eerste lid, onderdeel e 55, 56
52, eerste lid, onderdeel a 57, 59
51, 52, eerste lid, onderdeel b 58
52, derde lid 60
54, onderdeel b 61 tot en met 63, 66
54, onderdelen d en e 64, eerste tot en met derde lid
54, onderdeel c 64, vierde lid, 65, 67
55, derde lid 68
56, onderdelen b en c 69
61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c 70
64, eerste lid 71
64, tweede lid, onderdeel b 72
70, eerste lid, onderdeel a en derde lid 73, 74, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel a 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95
70, vierde lid, onderdeel c 74, derde lid, 80 en 125
59d (38 nieuw) 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126
70, vierde lid, onderdelen a en c 76, 77 en 98
70, vierde lid, onderdelen a tot en met d 78, 79 en 82, eerste en tweede lid
70, vierde lid, onderdelen c tot en met e 81
70, tweede lid, onderdeel b 84 tot en met 91
70, eerste lid, onderdeel c 96, 102 en 103
70, vierde lid, onderdelen a t/m c 98, 100 en 101, eerste lid
70, vierde lid, onderdeel e 99
70, eerste lid, onderdeel b 101, tweede lid
70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a 101, derde lid
58f (27 nieuw), derde lid 104
58i (30 nieuw), tweede en derde lid 105 t/m 109
58j (31 nieuw), derde lid 110
60, tweede en derde lid 111
36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d 122, 123 en 127
36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d 124
71 128
69 (47 nieuw) 129
Artikel Wet bodembescherming Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
64 134

bijlage Aa. , behorende bij artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld

II. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld

(Categorieën afvalstoffen of reststoffen)

III. Stoffen die bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt

IV. Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld

bijlage Ab. behorende bij de artikelen 8 en 9 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Zware metalen Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel
MgO SO3 Na2O CaO in CaSO4-meststof
Cd 33 33 42 2,5
Cr 2000 2000 2500 150
Cu 2000 2000 2500 150
Hg 20 20 25 1,5
Ni 800 800 1000 60
Pb 2667 2667 3333 200
Zn 8000 8000 10000 600
As 400 400 500 30

Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.

Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel
Organische microverontreinigingen MgO SO3 Na2O CaO in CaSO4-meststof
Σ PCDD/PCDF 0,020 0,020 0,025 0,00152
α-ΗCH 331 331 413 24,8
β-ΗCH 12,8 12,8 16 0,96
γ-ΗCΗ (lindaan) 1,3 1,3 1,6 0,10
HCB 41,6 41,6 52,0 3,12
Aldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Dieldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ aldrin/dieldrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Endrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Isodrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ endrin/isodrin 7,5 7,5 9,3 0,56
Σ DDT + DDD + DDE 24,5 24,5 30,7 1,84
PCB-28 19,7 19,7 24,7 1,48
PCB-52 19,7 19,7 24,7 1,48
PCB-101 80 80 100 6
PCB-118 80 80 100 6
PCB – 138 80 80 100 6
PCB – 153 80 80 100 6
PCB – 180 80 80 100 6
Σ 6-PCB (excl. PCB-118) 400 400 500 30
Naftaleen 640 640 800 48
Fenanthreen 800 800 1000 60
Antraceen 640 640 800 48
Fluoranteen 197 197 247 15
Benzo(a)antraceen 245 245 307 18
Chryseen 245 245 307 18
Benzo(k)fluoranteen 288 288 360 22
Benzo(a)pyreen 309 309 387 23
Benzo(g,h,i)peryleen 224 224 280 17
Indeno(1,2,3-c,d)pyreen 251 251 313 19
Σ 10-PAK 12267 12267 15333 920
Minerale olie 997333 997333 1246667 74800

Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.

bijlage Ac. , behorende bij de artikelen 17 tot en met 22 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten

8. Boor (B)

10. Koper (Cu)

12. Mangaan (Mn)

13. Molybdeen (Mo)

14. Zink (Zn)

III. Protocol analyse neutraliserende waarde

V. Protocol analyse zware metalen en arseen

1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As

2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As

3. Instrumentele analyse Hg

VI. protocol analyse organische microverontreinigingen

Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gewas Klei Klei Klei Klei Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen Zand/löss en Veen
2006 2007 2008 2009 2006 2007 2008 2009
Grasland (kg N per ha per jaar)
Grasland met beweiden, klei 345 345 325 310
Grasland met beweiden, veen 290 290 265 265
Grasland met beweiden, zand/löss 300 290 275 260
Grasland met volledig maaien, klei*1 385 385 365 350
Grasland met volledig maaien, veen*1 330 330 300 300
Grasland met volledig maaien, zand/löss*1 355 350 345 340
Tijdelijk Grasland (kg N per ha per periode)*2
van 1 januari tot minstens 15 april 70 70 65 60 60 60 55 50
van 1 januari tot minstens 15 mei*3 120 120 115 110 105 100 95 90
van 1 januari tot minstens 15 augustus*3 275 275 260 250 240 230 220 210
van 1 januari tot minstens 15 september*3 310 310 295 280 270 260 250 235
van 1 januari tot minstens 15 oktober*3 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 april tot minstens 15 oktober 345 345 325 310 300 290 275 260
vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober 310 310 295 280 270 260 250 235
vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober 105 105 100 95 90 85 85 80
vanaf 15 september tot minstens 15 oktober 35 35 30 30 30 30 25 25
vanaf 15 oktober 0 0 0 0 0 0 0 0
Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)
Consumptieaardappelrassen hoge norm*4 (zie bijlage A.1) 300 300 285 275 290 275 275 270
Consumptieaardappelrassen overig*4 275 275 265 250 265 250 250 245
Consumptieaardappelrassen lage norm*4 (zie bijlage A.1) 250 250 240 225 240 225 225 220
Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) 130 130 125 120 120 120 120 120
Pootaardappelenrassen hoge norm (zie bijlage A.2) 150 150 145 140 140 140 140 140
Pootaardappelenrassen overig 130 130 125 120 120 120 120 120
Pootaardappelenrassen lage norm (zie bijlage A.2) 110 110 105 100 100 100 100 100
Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) 200 200 190 180 180 170 170 170
Zetmeelaardappelen 265 265 255 240 240 230 230 230
Suikerbieten 165 165 160 150 150 145 145 145
Cichorei 75 75 75 70 70 70 70 70
Voederbieten 180 180 175 165 165 165 165 165
Wintertarwe*4 en 5 245 240 230 220 190 160 160 160
Zomertarwe 155 155 150 140 140 140 140 140
Wintergerst*5 155 155 150 140 140 140 140 140
Zomergerst 90 90 85 80 90 80 80 80
Triticale*5 175 175 170 160 160 150 150 150
Winterrogge*5 155 155 150 140 140 140 140 140
Haver*5 110 110 105 100 100 100 100 100
Maïs, bedrijven met derogatie*6 160 160 160 160 155 155 155 150
Maïs, bedrijven zonder derogatie*6 205 205 195 185 185 175 175 150
Luzerne, eerste jaar 45 45 45 40 40 40 40 40
Luzerne, volgende jaren 0 0 0 0 0 0 0 0
Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars 180 180 175 165 165 155 155 155
Graszaad, Engels raaigras, overjarig 220 220 210 200 200 190 190 190
Graszaad, rietzwenkgras 155 155 150 140 140 135 135 135
Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt 65 65 65 60 60 55 55 55
Graszaad, veldbeemd 120 120 115 110 110 105 105 105
Graszaad, veldbeemd, volgteelt 65 65 65 60 60 55 55 55
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars 95 95 90 85 85 80 80 80
Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt 40 40 40 35 35 35 35 35
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig 125 125 120 115 115 110 110 110
Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt 50 50 50 45 45 45 45 45
Graszaad, westerwolds 120 120 115 110 110 105 105 105
Graszaad, Italiaans 145 145 140 130 130 125 125 125
Graszaad, overig 100 100 95 90 90 85 85 85
Graszaad, overig, volgteelt 50 50 50 45 45 45 45 45
Graszoden 375 375 365 340 340 340 340 340
Ui, zaaiui, overig 130 130 125 120 120 120 120 120
Winterui, 2e jaars plantui 185 185 180 170 170 160 160 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 145 145 140 130 130 125 125 125
Blauwmaanzaad 120 120 115 110 110 105 105 105
Karwij 165 165 160 150 150 145 145 145
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 100 100 95 90 90 85 85 85
Koolzaad, winter 225 225 215 205 205 195 195 195
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 175 175 170 160 160 150 150 150
Koolzaad, zomer 130 130 125 120 120 120 120 120
Vlas 75 75 75 70 70 70 70 70
Akkerbouw overig 220 220 210 200 200 190 190 190
Bladgewassen (kg N per ha per teelt)
Spinazie, 1e teelt 285 285 275 260 210 200 200 200
Spinazie, volgteelt 205 205 195 185 160 150 150 150
Slasoorten, 1e teelt 200 200 190 180 180 170 170 170
Slasoorten, volgteelt 115 115 110 105 105 105 105 105
Andijvie, 1e teelt 200 200 190 180 180 170 170 170
Andijvie, volgteelt 100 100 95 90 90 90 90 90
Selderij, bleek/groen 220 220 210 200 200 190 190 190
Prei 270 270 260 245 245 235 235 235
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 110 110 105 100 100 95 95 95
Bladgewassen, overig, eenmalige oogst 165 165 160 150 150 145 145 145
Bladgewassen, overig, meermalige oogst 300 300 290 275 275 260 260 260
Koolgewassen (kg N per ha per teelt)
Spruitkool 320 320 305 290 290 275 275 275
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 55 55 55 50 50 50 50 50
Wittekool 350 350 335 320 320 305 305 305
Rodekool 315 315 300 285 285 270 270 270
Savooiekool 315 315 295 285 285 270 270 270
Spitskool 315 315 295 285 285 270 270 270
Bloemkool 255 255 245 230 230 220 220 220
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 130 130 125 120 120 115 115 115
Broccoli 295 295 285 270 270 255 255 245
Chinese kool 200 200 190 180 180 170 170 160
Boerenkool 185 185 180 170 170 160 160 160
Paksoi 200 200 190 180 180 170 170 170
Raapstelen 155 155 150 140 140 135 135 135
Kruiden (kg N per ha per teelt)
Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst 165 165 160 150 150 145 145 145
Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten 300 300 290 275 275 260 260 260
Kruiden, wortelgewassen 220 220 210 200 200 190 190 190
Kruiden, zaadgewassen 110 110 105 100 100 95 95 95
Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)
Aardbei (wachtbed, vermeerdering) 130 130 125 120 120 115 115 115
Aardbei (productie) 185 185 180 170 170 160 160 160
waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) 90 90 85 80 80 75 75 75
Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) 210 210 200 190 190 180 180 180
Suikermaïs 220 220 210 200 200 190 190 190
Stam/stokboon, vers 130 130 125 120 120 115 115 115
Landbouwstambonen, rijp zaad 150 150 145 135 135 135 135 135
Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad 55 55 55 50 50 50 50 50
Tuinbonen, vers/peulen 80 80 80 75 75 75 75 75
Erwt, vers + rijp zaad 35 35 35 30 30 30 30 30
Peul 100 100 95 90 90 85 85 85
Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)
Asperge (excl. opkweek) 95 95 90 85 85 80 80 80
Knolselderij 220 220 210 200 200 190 190 190
Knolvenkel/venkel 200 200 190 180 180 170 170 170
Koolraap 185 185 180 170 170 160 160 160
Koolrabi 200 200 190 180 180 170 170 170
Kroten/rode bieten 205 205 195 185 185 175 175 175
Winterpeen/waspeen 120 120 115 110 110 110 110 110
Bospeen 55 55 55 50 50 50 50 50
Rabarber 275 275 265 250 250 240 240 240
Radijs 90 90 85 80 80 80 80 80
Schorseneer 185 185 180 170 170 170 170 170
Witlof 110 110 105 100 100 100 100 100
Vollegrondsgroenten, overig 220 220 210 200 200 190 190 190
Groenbemesters (kg N per ha per teelt)*7
Niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras/granen) 65 65 65 60 60 60 60 60
Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) 35 35 35 30 30 30 30 30
Tagetes 100 100 95 90 90 90 90 90
Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)*5
Acidanthera 280 280 270 255 255 240 240 240
Anemone coronaria 145 145 140 130 130 125 125 125
Fritillaria imperialis 150 150 145 135 135 130 130 130
Hyacint 240 240 230 220 220 210 210 210
Iris, grofbollig 185 185 180 170 170 160 160 160
Iris, fijnbollig 155 155 150 140 140 135 135 135
Krokus, grote gele 190 190 185 175 175 165 165 165
Krokus, overig 100 100 95 90 90 85 85 85
Narcis 160 160 155 145 145 140 140 140
Tulp 220 220 210 200 200 190 190 190
Dahlia 120 120 115 110 110 105 105 105
Gladiool, pitten 285 285 275 260 260 245 245 245
Gladiool, kralen 210 210 200 190 190 180 180 180
Knolbegonia 165 165 160 150 150 145 145 145
Lelie 170 170 165 155 155 145 145 145
Zantedeschia 120 120 115 110 110 110 110 110
Overige bolgewassen 180 180 175 165 165 155 155 155
Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)
Appel 195 195 185 175 175 165 165 165
Blauwe bes 110 110 105 100 100 95 95 95
Braam 165 165 160 150 150 140 140 140
Framboos 165 165 160 150 150 140 140 140
Kers 195 195 185 175 175 165 165 165
Peer 195 195 185 175 175 165 165 165
Pruim 195 195 185 175 175 165 165 165
Rode bes 165 165 160 150 150 140 140 140
Wijnbouw 110 110 105 100 100 95 95 95
Zwarte bes 195 195 185 175 175 165 165 165
Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)
Buitenbloemen hoge norm (zie bijlage A3) 220 220 210 200 200 200 200 200
Buitenbloemen overig 165 165 160 150 150 150 150 150
Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)
Laanbomen: onderstammen 45 45 45 40 40 40 40 40
Laanbomen: spillen 100 100 95 90 90 90 90 90
Laanbomen: opzetters 125 125 120 115 115 115 115 115
Sierheesters 85 85 80 75 75 75 75 75
Coniferen 90 90 85 80 80 80 80 80
Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) 75 75 75 70 70 70 70 70
Bos- en Haagplantsoen 105 105 100 95 95 95 95 95
Vaste planten 195 195 185 175 175 175 175 175
Vruchtbomen: onderstammen 35 35 35 30 30 30 30 30
Vruchtbomen: moerbomen 120 120 115 110 110 110 110 110
Vruchtbomen 100 100 95 135 90 90 90 105
Trek- en besheesters 90 90 85 80 80 80 80 80
Snijgroen 105 105 100 95 95 95 95 95
Ericaceae 75 75 75 70 70 70 70 70
Buxus 105 105 100 95 95 95 95 95
Bosbouw (kg N per ha per jaar)
Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie 100 100 95 90 90 90 90 90
Vaste norm op bedrijfsniveau*8 (kg N per ha per jaar)
Vaste norm 110 110 110 110 110 110 110 110

*1 Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid.

*2 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.

*3 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.

*4 Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de halft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm.

*5 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.

*6 De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters.

*7 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand/ löss en veen geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs.

*8 Deze norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt.

Akkerbouwgewassen op löss 2006 2007 2008 2009
Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie bijlage A.1) 275 265 265 265
Consumptieaardappelrassen overig 250 240 240 240
Consumptieaardappelrassen lage norm (zie bijlage A.1) 225 215 215 215
Wintertarwe 220 220 220 195

Bijlage A.1. behorende bij artikel 28: Consumptieaardappelrassen

Consumptieaardappelrassen hoge norm

Bijlage A.2. behorende bij artikel 28: Pootaardappelrassen

Pootaardappelrassen lage norm

Bijlage A.3. behorende bij artikel 28: Buitenbloemen

Buitenbloemen hoge norm

Bijlage B. behorende bij artikel 29: Werkingscoëfficiënt

Type meststof en omstandigheid Type meststof en omstandigheid Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten Werkingscoëfficiënt In procenten
2006 2007 2008 2009
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 Aangevoerde en eigen drijfmest 30 40 50 verbod
Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 Aangevoerde en eigen vaste mest2 25/30 25/30 30/35 30/55
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf met beweiding3 35 35 45 45
Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren Op bedrijf zonder beweiding4 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Dunne fractie (na mestbewerking) en gier 80 80 80 80
Andere meststoffen en omstandigheden Drijfmest op klei en veen 60 60 60 60
Andere meststoffen en omstandigheden Drijfmest op zand en löss 60 60 65 65
Andere meststoffen en omstandigheden Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen 55 55 55 55
Andere meststoffen en omstandigheden Vaste mest van overige diersoorten 40 40 40 40
Andere meststoffen en omstandigheden Champost 25 25 25 25
Andere meststoffen en omstandigheden Compost 10 10 10 10
Andere meststoffen en omstandigheden Zuiveringsslib 40 40 40 40
Andere meststoffen en omstandigheden Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) 50 50 50 50
Veen 0 0 0 0
Mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig artikel 35b aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in artikel 35f, eerste lid, bedoelde landbouwer - - - 100
Mengsels van meststoffen5 Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.

1 Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.

2 Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten.

3 De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast.

4 De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast.

5 Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.

Bijlage C. behorende bij de artikelen 30 tot en met 33

Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland

1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond

3. Analyse van grondmonsters

Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal

1. Abstract

2. Benodigde reagentia

Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal

1. Abstract

De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond

Bijlage D. Diergebonden normen

Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103

Bijlage E. behorende bij de artikelen 53, 78 en 79

A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur

2. Inlezen gegevens

3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur

2. Inlezen gegevens

6. Versturen van mesttransportgegevens

Bijlage F

onderdeel A

onderdeel B

bijlage G. , behorende bij de artikelen 68 en 69 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost

B. opmerkingscodes

Bijlage H. behorende bij de artikelen 80 en 81

Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05

1. Introductie

3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma

4. Controle en registratie inkomende monsters

6. Kwaliteitsborging

7. Rapportage van resultaten

Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest

bijlage Ia. behorende bij artikel 92b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

3. Fosfaat (P2O5)

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Behorende bij de artikelen 97, 100 en 101

Bijlage K. behorende bij artikel 98

2. Doel

3. Uitgangspunten

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -⁠etikettering.

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders

2. Doel

3. Plaats bemonstering

3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:

4. Monsternameprocedure

4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.

4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster

4.5. Verzending

4.6. Monsteradministratie

5. Machtiging als monsternemer

III. Toleranties

0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;

1.1.2. voor ruw eiwit:

1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;

9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;

0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.

1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:

Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:

Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

bijlage Ia. behorende bij artikel 92b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost

Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer

Behorende bij de artikelen 97, 100 en 101

Bijlage K. behorende bij artikel 98

1. Algemeen

3. Uitgangspunten

4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).

4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)

4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte

2. Doel

4.1. Algemeen

4.2. Het nemen van de ondermonsters

4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster

4.4. Labelgegevens

4.5. Verzending

4.6. Monsteradministratie

5. Machtiging als monsternemer

III. Toleranties

Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.