← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 9 november 2005, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet)

Geldende tekst a fecha 2007-07-12

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 juli 2005, nr. TRCJZ/2005/848, Directie Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraat uit agrarische bronnen (PbEG L 375) en verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L 30);

Gelet op de artikelen 1, vierde lid, 1a, eerste lid, 6, eerste en tweede lid, 6a, 59, 59a, 59b, 59c, 61 en 61a van de Meststoffenwet en gelet op artikel 23 van de Destructiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 21 oktober 2005, no. W11.05.0329/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 oktober 2005, nr. TRCJZ/2005/3179, Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van hoofdstuk V, worden de hoeveelheden meststoffen uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.

Hoofdstuk II. Aanwijzing veengronden, zand- of lössgronden en kleigronden

Artikel 3

Als de kaarten, bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de wet, worden vastgesteld de kaarten die zijn opgenomen als bijlage I bij dit besluit.

Hoofdstuk III. Verhandelen van meststoffen

Artikelen 4 t/m 21

(gereserveerd)

Hoofdstuk IV. Gebruiksnormen en opgave basisregistratie percelen

Artikel 22

Voor de toepassing van artikel 9 van de wet is de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort.

Artikel 23
1.

Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, van de wet is de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar de op 15 mei van dat jaar beteelde oppervlakte landbouwgrond die tot het bedrijf behoort.

2.

Ingeval de teelt van gewassen na het in het eerste lid bedoelde tijdstip aanvangt, wordt de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, bedoeld in het eerste lid, vermeerderd met de met deze gewassen beteelde oppervlakte landbouwgrond die op het tijdstip waarop de teelt aanvangt tot het bedrijf behoort.

3.

De beteelde oppervlakte landbouwgrond wordt onderscheiden naar de geteelde gewassen, de toegepaste landbouwpraktijk, de ecologische kenmerken van een waterlichaam, de kenmerken van de bodem en de desbetreffende grondsoorten, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens artikel 10, eerste lid, van de wet, vastgestelde ministeriële regeling.

Artikel 24
1.

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de wet is de tot het bedrijf behorende oppervlakte grasland in enig kalenderjaar de oppervlakte grasland die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort.

2.

Voor de toepassing van artikel 11, tweede lid, van de wet is de tot het bedrijf behorende oppervlakte bouwland in enig kalenderjaar de oppervlakte bouwland die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort.

Artikel 25

Voor de toepassing van de artikelen 9, 10, eerste lid en 11, eerste lid, van de wet wordt de teeltvrije zone, bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16 van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, niet aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.

Artikel 26
1.

De landbouwer verstrekt elk kalenderjaar uiterlijk op 15 mei aan Onze Minister gegevens met betrekking tot:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

3.

Bij ministeriële regeling kan, in zoverre in afwijking van het eerste lid en van de artikelen 22, 23, eerste lid en 24, eerste en tweede lid, indien de weersomstandigheden of de bodemgesteldheid hiertoe aanleiding geven, een latere datum dan 15 mei worden vastgesteld.

Hoofdstuk V. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen

Artikel 27
1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als opslagruimte voor meststoffen uitsluitend in aanmerking genomen de opslagruimte voor dierlijke meststoffen waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, of waarop een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing is.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kubieke meters.

Artikel 28
1.

De producent van dierlijke meststoffen draagt er zorg voor dat de capaciteit van de opslagruimte voor dierlijke meststoffen op het bedrijf voldoende is voor de opslag van de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in de periode van september tot en met februari op het bedrijf wordt geproduceerd.

2.

De hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door vermenigvuldiging van:

3.

Ingeval voor het bedrijf ingevolge artikel 8.40 van de Wet milieubeheer geen vergunningplicht geldt, wordt, in plaats van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde aantal dieren, als uitgangspunt genomen het aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat in de bij het bedrijf behorende stallen kan worden gehouden.

4.

De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde productienormen kunnen verschillend worden vastgesteld al naar gelang het gehanteerde bedrijfssysteem.

Artikel 29
1.

De capaciteit van de opslagruimte voor dierlijke meststoffen kan kleiner zijn dan de ingevolge artikel 28 vereiste capaciteit, voor zover de producent van dierlijke meststoffen kan aantonen dat:

2.

Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, geldt niet voor de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in februari wordt geproduceerd.

Artikel 30

Ingeval de producent kan aantonen dat, als gevolg van bijzondere omstandigheden betreffende de soort of de categorie van de gehouden dieren, het huisvestingssysteem, het drinkwatersysteem, de samenstelling van het diervoeder of andere aspecten van het bedrijfssysteem, de hoeveelheid dierlijke meststoffen per dier lager is dan de krachtens artikel 28, tweede lid, onderdeel b, vastgestelde norm, geldt deze lagere waarde voor de toepassing van de artikelen 28 en 29.

Hoofdstuk VI. Administratieve verplichtingen landbouwbedrijven

Artikel 31
1.

De landbouwer meldt elk van zijn bedrijven afzonderlijk ter registratie aan bij Onze Minister.

2.

Ten behoeve van de registratie verstrekt de landbouwer per bedrijf in ieder geval gegevens over:

3.

Voor zover de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt op grond van de Meststoffenwet, de Wet herstructurering varkenshouderij en de Wet verplaatsing mestproductie en niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt. De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van het eerste en tweede lid.

4.

Voor zover de in het tweede lid bedoelde gegevens worden verstrekt op grond van de krachtens de artikelen 24 en 25 van de Landbouwwet of de artikelen 4, 10 tot en met 14 en 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels, behoeven deze niet nogmaals te worden verstrekt. De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van het eerste en tweede lid.

Artikel 32
1.

De landbouwer houdt per bedrijf en per kalenderjaar een inzichtelijke administratie bij.

2.

De administratie bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 31, tweede lid, alsmede gegevens over:

Artikel 33
1.

Indien op een bedrijf dierlijke meststoffen worden geproduceerd afkomstig van melkkoeien, bevat de administratie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, tevens gegevens over:

2.

Indien op een bedrijf dierlijke meststoffen worden geproduceerd afkomstig van staldieren, bevat de administratie tevens gegevens over:

3.

Indien op een bedrijf dierlijke meststoffen worden bewerkt of verwerkt, bevat de administratie tevens gegevens over:

4.

De gegevens inzake de hoeveelheden koemelk, diervoeders, eieren en de stoffen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, worden uitgedrukt in kilogrammen en, met uitzondering van koemelk, in kilogrammen stikstof en fosfaat.

Artikel 34
1.

De administratie wordt per kalenderjaar, tijdig, volledig en naar waarheid bijgehouden.

2.

De administratie en de daarop betrekking hebbende bewijsstukken worden gedurende vijf jaren na afloop van het desbetreffende kalenderjaar door de landbouwer op het bedrijf bewaard.

Artikel 35
1.

Uit de administratie worden jaarlijks gegevens verstrekt aan Onze Minister door:

2.

De landbouwer verstrekt desgevraagd door Onze Minister gegevens uit de administratie, binnen een door Onze Minister bepaalde termijn en op een door Onze Minister bepaalde wijze.

Artikel 36

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 37

De op grond van dit hoofdstuk en hoofdstuk IX bij te houden of te verstrekken gegevens worden desgevraagd ten genoegen van Onze Minister gestaafd met bewijsstukken.

Hoofdstuk VII. Administratieve verplichtingen intermediairs

Artikel 38
1.

De intermediair meldt elk van zijn intermediaire ondernemingen afzonderlijk ter registratie aan bij Onze Minister.

2.

Ten behoeve van de registratie verstrekt de intermediair per onderneming in ieder geval gegevens over:

3.

Voor zover de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt op grond van de Meststoffenwet en niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt. De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van het eerste en tweede lid.

Artikel 39
1.

De intermediair houdt per onderneming een inzichtelijke administratie bij.

2.

De administratie bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, alsmede gegevens over:

3.

Indien op een onderneming dierlijke meststoffen worden bewerkt of verwerkt, bevat de administratie tevens gegevens over:

4.

Artikel 34 is op de administratie, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40
1.

De intermediair verstrekt jaarlijks gegevens uit de administratie aan Onze Minister.

2.

De intermediair verstrekt desgevraagd door Onze Minister gegevens uit de administratie, binnen een door Onze Minister bepaalde termijn en op een door Onze Minister bepaalde wijze.

Artikel 41

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 42

De op grond van dit hoofdstuk en hoofdstuk IX bij te houden of te verstrekken gegevens worden desgevraagd ten genoegen van Onze Minister gestaafd met bewijsstukken.

Hoofdstuk VIII. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven

Artikel 43
1.

De ondernemer, die een of meer ondernemingen voert in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, of in het kader waarvan van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, meldt elk van deze ondernemingen afzonderlijk ter registratie aan bij Onze Minister.

2.

Ten behoeve van de registratie verstrekt de ondernemer in ieder geval gegevens over:

3.

Voor zover de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn verstrekt op grond van de Meststoffenwet en niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt. De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van het eerste en tweede lid.

4.

Voor zover de in het tweede lid bedoelde gegevens worden verstrekt op grond van de krachtens artikel 11 van de Kaderwet diervoeders gestelde regels of de krachtens de artikelen 27 en 28 van de Landbouwwet gestelde regels, behoeven deze niet nogmaals te worden verstrekt. De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van het eerste en tweede lid.

Artikel 44
1.

De ondernemer, bedoeld in artikel 43, eerste lid, houdt per onderneming een inzichtelijke administratie bij.

2.

De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 43, tweede lid, alsmede gegevens over:

3.

De ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen, niet zijnde dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost of mengsels van zuiveringsslib en compost, of staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen, houdt per onderneming een inzichtelijke administratie bij.

4.

De administratie, bedoeld in het derde lid, bevat in ieder geval gegevens over:

5.

De gegevens inzake de hoeveelheden diervoeders, koemelk en eieren worden uitgedrukt in kilogrammen en, met uitzondering van koemelk, in kilogrammen stikstof en fosfaat.

6.

Artikel 34 is op de administratie, bedoeld in het eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 45
1.

De ondernemer, bedoeld in artikel 43, eerste lid, verstrekt jaarlijks gegevens uit de administratie aan Onze Minister.

2.

De buiten Nederland gevestigde ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, verstrekt bij de aflevering aan de landbouwer een begeleidend document waarop het gewicht en de overeenkomstig de krachtens artikel 70, vierde lid, vastgestelde samenstelling van de afgeleverde diervoeders is vermeld.

3.

Het document, bedoeld in het tweede lid, is tijdens het vervoer van de diervoeders op het transportmiddel aanwezig.

4.

Het tweede en het derde lid gelden niet indien de ondernemer de in het tweede lid bedoelde gegevens na afloop van het kalenderjaar waarin de afleveringen van diervoeders hebben plaatsgevonden aan Onze Minister verstrekt en voorafgaand aan de eerste aflevering aan Onze Minister verklaart zulks te zullen doen.

5.

De ondernemer, bedoeld in artikel 43, eerste lid, of artikel 44, derde lid, verstrekt desgevraagd door Onze Minister gegevens uit de administratie, binnen een door Onze Minister bepaalde termijn en op een door Onze Minister bepaalde wijze.

Artikel 46

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Artikel 47

De op grond van dit hoofdstuk bij te houden of te verstrekken gegevens worden desgevraagd ten genoegen van Onze Minister gestaafd met bewijsstukken.

Hoofdstuk IX. Vervoer van meststoffen

Paragraaf 1. Vervoer van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost

Artikel 48

Dierlijke meststoffen worden vervoerd door een intermediair die zijn onderneming in het kader waarvan het vervoer plaatsvindt overeenkomstig artikel 38 ter registratie heeft aangemeld.

Artikel 49
1.

Het vervoer van een vracht drijfmest geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met de krachtens artikel 70, vierde lid, onderdeel b, voorgeschreven apparatuur die op naam van de intermediair is geregistreerd.

2.

Het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde apparatuur voor automatische gegevensregistratie.

3.

Het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met satellietvolgapparatuur.

4.

Met behulp van de in het tweede en derde lid bedoelde apparatuur worden gegevens betreffende het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen vastgelegd.

Artikel 50
1.

Een vracht dierlijke meststoffen gaat tijdens het vervoer vergezeld van een op de vracht betrekking hebbend vervoersbewijs, dat overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk is opgemaakt.

2.

Een vracht zuiveringsslib, compost of mengsels van zuiveringsslib en compost gaat tijdens het vervoer vergezeld van een op de vracht betrekking hebbend afleveringsbewijs, dat overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens paragraaf 3 van dit hoofdstuk, is opgemaakt.

Artikel 51
1.

De bij ministeriële regeling aangewezen categorieën vervoerders doen vóór het vervoer van dierlijke meststoffen plaatsvindt daarvan mededeling aan Onze Minister.

2.

Onze Minister kan een vervoerder verplichten gedurende een door de minister te bepalen periode van ten hoogste één jaar, vóór het vervoer plaatsvindt daarvan steeds mededeling aan de minister te doen.

3.

De in het tweede lid bedoelde periode kan telkens worden verlengd met één jaar.

4.

Bij de ministeriële regeling kan worden voorgeschreven dat de mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, op elektronische wijze geschiedt of vergezeld gaat van door de vervoerder te verstrekken bescheiden.

Artikel 52
1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

2.

De krachtens het eerste lid te stellen regels kunnen voor de in de regeling te onderscheiden mestsoorten en de beoogde bestemming van de meststoffen verschillend worden vastgesteld.

Paragraaf 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen

Artikel 53
1.

Terzake van het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen wordt door de leverancier, de vervoerder en de afnemer gezamenlijk een vervoersbewijs opgemaakt.

2.

De vervoerder draagt er zorg voor dat het vervoersbewijs overeenkomstig de krachtens artikel 54 gestelde regels volledig en naar waarheid wordt ingevuld en door de leverancier, de vervoerder en de afnemer wordt ondertekend.

3.

Het vervoersbewijs wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en bevat in ieder geval gegevens over:

4.

De gegevens op het vervoersbewijs worden niet gewijzigd of onleesbaar gemaakt.

5.

Terzake van de ondertekening van het vervoersbewijs kunnen de leverancier, de vervoerder en de afnemer elkaar niet machtigen.

6.

De op het vervoersbewijs ingevulde gegevens worden op elektronische wijze bij Onze Minister ingediend.

7.

De vervoerder bewaart het vervoersbewijs en de leverancier en de afnemer bewaren een afschrift van het vervoersbewijs als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel, 39onderscheidenlijk artikel 32.

Artikel 54

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Paragraaf 3. Afleveringsbewijs zuiveringsslib en compost

Artikel 55
1.

Terzake van de feitelijke overdracht van zuiveringsslib, compost en mengsels van zuiveringsslib en compost wordt door de leverancier en de afnemer een afleveringsbewijs opgemaakt.

2.

Het afleveringsbewijs wordt overeenkomstig de krachtens artikel 56 gestelde regels volledig en naar waarheid ingevuld en door de leverancier en de afnemer ondertekend.

3.

Het afleveringsbewijs wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en bevat in ieder geval gegevens over:

4.

De leverancier en de afnemer bewaren een afschrift van het afleveringsbewijs als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32, onderscheidenlijk artikel 39.

5.

Artikel 53, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.

Het afleveringsbewijs wordt bij Onze Minister ingediend.

Artikel 56

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

Paragraaf 4. Grensoverschrijdende overbrenging

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Hoofdstuk X. Regels inzake de hoeveelheidbepaling

Artikel 65

De aantallen dieren en hoeveelheden meststoffen, diervoeders, melk en eieren ter zake waarvan een landbouwer of een ondernemer ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels gegevens in zijn administratie moet opnemen of gegevens moet verstrekken worden bepaald overeenkomstig dit hoofdstuk.

Artikel 66
1.

De door graasdieren, niet zijnde melkkoeien, in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens de artikelen 36 of 70, derde lid, gestelde regels en op basis van forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof en in kilogrammen fosfaat, per dier per jaar.

2.

De door melkkoeien in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige melkkoeien en op basis van forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof en in kilogrammen fosfaat, per dier per jaar, onderscheiden naar de gemiddelde melkproductie per op het bedrijf aanwezige melkkoe en, voor zover het stikstof betreft, het gemiddelde ureumgehalte van de geproduceerde koemelk.

3.

De door staldieren in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald door achtereenvolgens:

Artikel 67
1.

De in artikel 66, derde lid, bedoelde hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de op het bedrijf aanwezige voorraden diervoeders worden bepaald op basis van het gewicht of het volume en het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende diervoeders.

2.

De in artikel 66, derde lid, bedoelde hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in de op een bedrijf geproduceerde diervoeders worden bepaald op basis van een forfaitaire opbrengst per hectare in kilogrammen en forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten per kilogram diervoeder.

3.

De in artikel 66, derde lid, bedoelde hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in de staldieren worden bepaald op basis van forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten per dier, dan wel op basis van het gewicht van de dieren en op basis van forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht.

4.

De in artikel 66, derde lid, bedoelde hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in door staldieren geproduceerde eieren worden bepaald op basis van het gewicht van de eieren en op basis van forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten per kilogram product.

5.

De in artikel 66, derde lid, bedoelde hoeveelheid stikstof die in gasvorm verloren gaat wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren en forfaitaire stikstofgehalten per dier.

Artikel 68
1.

De op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid meststoffen, de van een bedrijf of onderneming afgevoerde hoeveelheid meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid meststoffen worden bepaald op basis van het gewicht of het volume en het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen.

2.

De in enig kalenderjaar op een bedrijf per saldo uit opslag gekomen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald door de aan het eind van het voorgaande kalenderjaar op het bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen te verminderen met de aan het eind van desbetreffend kalenderjaar op het bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.

3.

De op een bedrijf waar dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen.

4.

De op een bedrijf als bedoeld in het derde lid opgeslagen hoeveelheid overige meststoffen wordt bepaald op basis van het gewicht of het volume en het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen.

5.

De op een intermediaire onderneming of op een bedrijf waar geen dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid meststoffen wordt bepaald op basis van het gewicht of het volume en het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen.

Artikel 69
1.

Het gemiddelde aantal in een kalenderjaar op een bedrijf gehouden varkens, kippen en kalkoenen, onderscheiden naar diercategorieën per soort overeenkomstig bijlage II van de wet, alsmede runderen, onderscheiden naar diercategorie, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens de artikelen 36 of 70, derde lid, gestelde regels, wordt bepaald door de som van de dagelijkse aanwezige aantallen van deze dieren, te delen door het aantal dagen van het desbetreffende kalenderjaar.

2.

Het gemiddelde aantal in een kalenderjaar voor gebruiks- en winstdoeleinden op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren, anders dan runderen, varkens, kippen en kalkoenen, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens de artikelen 36 of 70 gestelde regels, wordt bepaald door de som van de op de eerste dag van iedere maand aanwezige aantallen van deze dieren, te delen door twaalf.

Artikel 70
1.

Bij ministeriële regeling worden vastgesteld:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin, de voorwaarden waaronder en de wijze waarop:

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde forfaits kunnen onderscheiden naar mestvorm, diersoort en diercategorie en bedrijfssysteem verschillend worden vastgesteld.

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot devaststellingen ten behoeve van de bepaling van de hoeveelheden, bedoeld in de artikelen 66, 67, 68 en 69. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

Hoofdstuk XI. Overige bepalingen

Artikel 71
1.

Voor de toepassing van de krachtens artikel 11, zesde lid, van de wet gestelde regels meldt de landbouwer zijn bedrijf uiterlijk 31 december van het desbetreffende jaar aan bij Onze Minister.

2.

De in het eerste lid bedoelde melding vindt plaats door indiening van het volledig en naar waarheid ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door Onze Minister wordt verstrekt.

Artikel 72
1.

Ter uitvoering van de artikelen 35, 36, 43, 45 en 46 en de krachtens artikel 70, vierde lid, gestelde regels, kan bij ministeriële regeling medewerking gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam.

2.

De in het eerste lid bedoelde medewerking kan bestaan uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het overeenkomstig de krachtens de artikelen 36, 46 en 70, vierde lid, gestelde regels, bij verordening stellen van nadere regels, inzake het inwinnen en registreren van de in de artikelen 35, 36, 43, 45 en 46 bedoelde gegevens alsmede inzake de bepaling van het ureumgehalte van koemelk en de bevoegdheid tot het doen van de voor de bepaling van dat gehalte noodzakelijke vaststellingen.

3.

De krachtens verordening vastgestelde voorschriften en vastgestelde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

4.

Onze Minister kan met betrekking tot het verlenen van medewerking beleidsregels stellen.

Artikel 73

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Artikel 74

Wijzigt het Besluit identificatie en registratie van dieren.

Artikel 75

Wijzigt het Besluit diervoeders.

Artikel 76

Wijzigt het Destructiebesluit.

Artikel 77

Wijzigt dit besluit, het Besluit identificatie en registratie van dieren en het Besluit diervoeders.

Artikel 78

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 79

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Bijlage I. behorend bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit

Kaart 10 Oost niet opgenomen.

Kaart 11 West niet opgenomen.

Kaart 12 Oost niet opgenomen.

Kaart 13 West niet opgenomen.

Bijlage II. bij artikel 77 van het Uitvoeringbesluit Meststoffenwet

Kolom 1 Nummers van de artikelen van de Meststoffenwet zoals deze luidt op 1 januari 2006: Kolom 2 Nummers van de artikelen van de Meststoffenwet na inwerkingtreding van artikel IX, eerste en tweede lid, van de wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Meststoffenwet en intrekking van de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij (vereenvoudiging productierechten):
5b 8
5c 9
5d 10
5e 11
5f 12
5g 13
5h 14
56 19
57 20
59 34
59a 35
59c 37
59d 38

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.