Besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten (Besluit Wfsv)
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. Premies werknemersverzekeringen
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1. Wijziging Besluit Premiedifferentiatie WAO
Wijzigt het Besluit premiedifferentiatie WAO.
Artikel 5.2. Intrekking algemene maatregelen van bestuur
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 5.3. Inwerkingtreding
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 5.4. Citeertitel
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 juli 2005, nr. SV/F&W/05/51635;
Gelet op de artikelen 28, eerste en tweede lid, 37, tweede en vierde lid, 42, 71, eerste lid, 80 en 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, de artikelen 40, eerste lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en artikel 78, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
De Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 2005, nr. W12.05.0324/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 14 november 2005, nr. SV/F&W/05/70630, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Wfsv: de Wet financiering sociale verzekeringen;
- b. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- c. sector: een sector als bedoeld in artikel 95 van de Wfsv.
§ 1. Vaststelling premiepercentages sectorfondsen
Artikel 2.1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. het sectorpremiepercentage: het percentage van het loon dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld ter bepaling van het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds;
- b. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26 van de Wfsv, waarover het UWV in een premiebetalingstijdvak ten gunste van een sectorfonds de in dat artikel bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen, de toeslag en het loon waarop artikel 28, tweede lid, van de Wfsv van toepassing is;
- c. de ziekengeldlasten: de uitkeringen die op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel c, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komen alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht met uitzondering van hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 105, derde lid, van de Wfsv vastgestelde maximum;
- d. de werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel 104, eerste lid, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komt, met uitzondering van de ziekengeldlasten en hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv vastgestelde maximum;
- e. het lastenplafond: het percentage van de verzekerde loonsom waarin de werkloosheidslasten tot uitdrukking komen, dat op grond van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld als maximum;
- f. het dekkingssaldo: het verschil tussen het feitelijke vermogen van een sectorfonds en de op grond van artikel 120, achtste lid, van de Wfsv aan te houden reserve.
Artikel 2.2. Wijze van vaststelling van het sectorpremiepercentage
Het UWV stelt een sectorpremiepercentage vast ter dekking van de werkloosheidslasten. Het sectorpremiepercentage bedraagt ten hoogste het lastenplafond.
Het UWV stelt voor de dekking van de ziekengeldlasten een opslagpercentage vast, waarmee het sectorpremiepercentage met betrekking tot dat sectorfonds wordt verhoogd.
Indien in een sectorfonds op 31 december van het jaar waarin het sectorpremiepercentage wordt vastgesteld naar verwachting van het UWV een positief of negatief dekkingssaldo aanwezig zal zijn, stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, in dat kalenderjaar en de daaropvolgende kalenderjaren een zodanig sectorpremiepercentage vast dat het overschot dan wel tekort binnen drie kalenderjaren na die datum is ingelopen onderscheidenlijk aangezuiverd.
De toepassing van het derde lid leidt niet tot het heffen van een negatieve sectorpremie.
Voorzover een positief dekkingssaldo door de toepassing van het vierde lid niet binnen de termijn van drie kalenderjaren kan worden ingelopen, geldt een zodanig langere termijn tot 31 december van enig jaar dat het overschot wel kan worden ingelopen.
Indien de toepassing van het derde lid leidt tot vaststelling van een sectorpremiepercentage boven het lastenplafond behoeft de aanzuivering van een negatief dekkingssaldo niet binnen de termijn van drie kalenderjaren te geschieden. In dat geval wordt het sectorpremiepercentage vastgesteld op ten minste het lastenplafond.
Indien een sectorfonds bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de premie dat ten gunste komt van het sectorfonds voor elk van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, zijn het eerste tot en met het zesde lid met betrekking tot deze onderdelen gezamenlijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat onder het sectorpremiepercentage wordt verstaan het gewogen gemiddelde van de voor die onderdelen afzonderlijk vastgestelde sectorpremiepercentages.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste en tweede lid.
Artikel 2.3. Vaststelling verschillende sectorpremiepercentages
In afwijking van artikel 2.2 stelt het UWV op bij ministeriële regeling te bepalen wijze sectorpremiepercentages, die voor verschillende categorieën van werknemers kunnen verschillen, vast voor de sectorfondsen van:
- a. het agrarisch bedrijf;
- b. het bouwbedrijf;
- c. de culturele instellingen;
- d. de horeca algemeen;
- e. het schildersbedrijf.
De verschillende sectorpremiepercentages gelden voor:
- a. werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever, tenzij:
- 1°. zij binnen een jaar na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of
- 2°. de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke overeenkomst niet is vastgesteld; en
- b. de overige werknemers.
Het gewogen gemiddelde van beide percentages bedraagt ten hoogste het lastenplafond.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het tweede lid en kan voor aan te wijzen categorieën van werknemers en van werkgevers of soort arbeid worden afgeweken van het eerste en tweede lid.
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt niet als uitkering op grond van de Werkloosheidswet beschouwd:
- a. een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet;
- b. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
- c. een uitkering die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.
Een afschrift van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt door de werkgever in zijn loonadministratie opgenomen.
Indien voor het jaar 2006 verschillende sectorpremiepercentages zijn vastgesteld geldt het sectorpremiepercentage dat van toepassing is voor werknemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, niet voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan voor 1 januari 2006.
Artikel 2.4. Vaststelling gemiddeld premiepercentage sectorfondsen
Het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wfsv, wordt vastgesteld op het gewogen gemiddelde van de sectorpremiepercentages van alle sectoren in het kalenderjaar voorafgaand aan het premiebetalingstijdvak.
Het gewogen gemiddelde, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kalenderjaar van vaststelling bepaald met behulp van de totaalbedragen van de verzekerde loonsom in het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Ingeval voor een sectorfonds gedurende een kalenderjaar meerdere malen een premiepercentage wordt vastgesteld, worden bij de berekening van het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in het eerste lid, de desbetreffende premiepercentages gewogen naar rato van het deel van het kalenderjaar waarin deze premiepercentages golden.
§ 2. Premiedifferentiatie WAO
Artikel 2.5. Algemene begrippen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. premieplichtig loon: het loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van de Wfsv, waarnaar op grond van dat hoofdstuk premies worden geheven;
- b. kleine werkgever: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het premiebetalingstijdvak vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
- c. grote werkgever: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het premiebetalingstijdvak vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
- d. minimumpremie: de gedifferentieerde premie die een werkgever ten minste verschuldigd is;
- e. maximumpremie: de gedifferentieerde premie die een werkgever ten hoogste verschuldigd is.
De inspecteur kan op aanvraag van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen, dat die werkgever voor het premiebetalingstijdvak in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, of het eerste lid, onderdeel c, wordt ingedeeld, indien uit door die werkgever bij de aanvraag verstrekte gegevens blijkt, dat als vaststaand mag worden aangenomen, dat het in het premiebetalingstijdvak ten laste van die werkgever komende premieplichtige loon ten minste 25% zal afwijken van 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in het tweede kalenderjaar dat aan het premiebetalingstijdvak vooraf is gegaan en de omvang van het verwachte premieplichtige loon leidt tot een andere indeling. Een aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt ingediend uiterlijk 6 weken nadat de werkgever schriftelijk in kennis is gesteld van de door hem in het premiebetalingstijdvak verschuldigde gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv.
Het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt vastgesteld door het UWV.
Bij de vaststelling van het ten laste van een werkgever komende premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.
Artikel 2.6. Rekenpercentage
Het rekenpercentage, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, is gelijk aan het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv vermeerderd of verminderd met:
- a. een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het premiebetalingstijdvak optredende verschil tussen de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, en het totaalbedrag van de naar verwachting in het premiebetalingstijdvak op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
- b. een percentage, voorzover dit nodig of mogelijk is, rekening houdend met de verplichting, bedoeld in artikel 113 van de Wfsv, betreffende het vormen en in stand houden van een voldoende reserve.
Het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.7. Gemiddeld percentage
Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, wordt vastgesteld door het totaalbedrag van hetgeen in het premiebetalingstijdvak naar verwachting op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel 116, onderdelen b tot en met e, van de Wfsv in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten gunste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van de over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loonsom en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, tweede lid, van de Wfsv. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin, worden niet verstaan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WAO, waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40 van de Wfsv.
De uitkomst van de deling, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.8. Berekening opslag of korting grote werkgevers
De opslag of korting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wfsv, is voor een grote werkgever gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.
Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiebetalingstijdvak zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de in het vijfde lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het premiebetalingstijdvak.
Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv, ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiebetalingstijdvak zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren eindigend één jaar voor aanvang van het premiebetalingstijdvak.
Bij de berekening van het gemiddelde premieplichtig loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.
De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in het tweede en derde lid, betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:
- a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en terzake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de WAO, hebben doorgemaakt;
- b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, van de WAO nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid, van de WAO;
- c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de WAO aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.
Indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan die werkgevers. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden de door het UWV toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantieuitkeringen die in de periode, bedoeld in artikel 117, eerste lid, aanhef, van de Wfsv, geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WAO, geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.
De uitkomst van de deling, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.9. Berekening opslag of korting kleine werkgevers
De opslag of korting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wfsv, is voor alle kleine werkgevers in een sector gelijk aan het sectorpercentage verminderd met het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid.
Het sectorpercentage is de uitkomst van de volgende berekening:
((A – B) x 100) / (C)
waarbij:
A staat voor: het totaalbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas, voorzover die kunnen worden toegerekend aan de gezamenlijke kleine werkgevers in de sector, en een evenredig deel van hetgeen overigens in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas;
B staat voor: een evenredig deel van hetgeen, met uitzondering van de gedifferentieerde premie, naar verwachting op grond van artikel 116 van de Wfsv in het premiebetalingstijdvak ten gunste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas;
C staat voor: het totaalbedrag van het over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loon dat ten laste komt van de gezamenlijke kleine werkgevers in de sector die geen eigenrisicodrager zijn.
De uitkomst van de deling, bedoeld in het tweede lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Indien het totaalbedrag van het over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loon dat ten laste komt van de gezamenlijke kleine werkgevers in een sector, die geen eigenrisicodrager zijn, gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtig loon per werknemer in het premiebetalingstijdvak, wordt de opslag of korting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wfsv, voor die kleine werkgevers bepaald op nihil.
Artikel 2.10. Overgang van onderneming
In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement:
- a. worden bij de toepassing van artikel 2.8 de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 2.8, vijfde lid, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt; en
- b. wordt bij de toepassing van artikel 2.8 het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig premiebetalingstijdvak telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de onderneming verkrijgt in dat premiebetalingstijdvak, voordat het gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt berekend.
Indien slechts een deel van de onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.
Tenzij de overgang plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar vindt voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.
Artikel 2.11. Regres en premievermindering grote werkgevers
Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Indien een schadevergoeding als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen, gedurende een tijdvak van vier jaren, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, verminderd met een compensatiebedrag.
Het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks gedurende vier jaar te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in het tweede lid, te delen door het loon over het tijdvak van 104 weken, bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.
In afwijking van het derde lid wordt in de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde, bedoeld in artikel 29 van de Ziektewet, het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van het ontvangen verhaal op grond van artikel 52a van de Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.12. Niet gedurende gehele berekeningstijdvak grote werkgever
Indien een grote werkgever, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.10 in een of meer van de kalenderjaren van het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, niet de hoedanigheid van werkgever had, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, het ten laste van die grote werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, waarin de grote werkgever de hoedanigheid van werkgever had, waarna het verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.8, derde lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, derde lid, waarin de grote werkgever de hoedanigheid van werkgever had.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.13. Premiepercentage startende grote werkgever
Voor een grote werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.10, eerst in het premiebetalingstijdvak, of in het eerste of tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het premiebetalingstijdvak de hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv, gelijk aan het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.6.
Het eerste lid is niet van toepassing op de werkgever die in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, reeds werkgever was.
Artikel 2.12 is niet van toepassing op een werkgever als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.14. Minimum- en maximumpremie
De gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv, bedraagt ten minste nihil, en ten hoogste vier maal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.7.
In afwijking van het eerste lid wordt voor een grote werkgever een premiepercentage vastgesteld lager dan nihil indien toepassing van artikel 2.11 daartoe aanleiding geeft.
Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.15. Overgangsbepalingen
Artikel 2.11, tweede, derde en vierde lid, is uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op of na 1 januari 2002.
Bij de toepassing van artikel 2.11, tweede en derde lid, wordt, indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken werknemer artikel 76f van de WAO van toepassing is zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, voor «vier jaren» en «vier jaar» respectievelijk gelezen «vijf jaren» en «vijf jaar».
Bij de toepassing van artikel 2.11, derde lid, wordt, indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken werknemer artikel 76f van de WAO van toepassing is zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, voor «het tijdvak van 104 weken» gelezen: het tijdvak van 52 weken.
Voor de premiejaren 2006 en volgende jaren worden de op grond van artikel 2.8 berekende opslagen en kortingen vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.6, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.8, derde lid.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het vierde lid, wordt afgerond op twee cijfers achter de komma.
§ 3. Eigenrisicodragen
Artikel 2.16. Beperking eigenrisicodragen arbeidsongeschiktheidsuitkering
De toestemming, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wfsv, wordt niet verleend aan de kleine werkgever.
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Artikel 3.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. ANW: de Algemene nabestaandenwet;
- b. ANW-premie: de premie voor de vrijwillige nabestaandenverzekering;
- c. AOW: de Algemene Ouderdomswet;
- d. AOW-premie: de premie voor de vrijwillige ouderdomsverzekering.
Artikel 3.2. Mededeling SVB inzake premie
De SVB deelt de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 35 van de AOW, artikel 63a van de ANW, alsmede de verzekerde, bedoeld in artikel 38 van de AOW, bij beschikking op diens aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering mee:
- a. de hoogte van de verschuldigde premie;
- b. de termijn waarbinnen de premie dient te worden betaald; en
- c. de wijze waarop de betaling van de premie aan de SVB dient plaats te vinden.
Artikel 3.3. Vaststelling premie
De AOW-premie wordt voor elk in de periode van vrijwillige verzekering voor de AOW gelegen vol kalenderjaar vastgesteld volgens de formule:
P x I – H, waarbij:
- a. P gelijk is aan het premiepercentage, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wfsv;
- b. I gelijk is aan het hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- c. H gelijk is aan de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, met dien verstande dat voor de toepassing van dat artikelonderdeel tot de standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, alleen geacht wordt te behoren de algemene heffingskorting.
De ANW-premie wordt voor elk in de periode van vrijwillige verzekering voor de ANW gelegen vol kalenderjaar vastgesteld volgens de formule:
P x I – H, waarbij:
- a. P gelijk is aan het premiepercentage, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wfsv;
- b. I gelijk is aan het hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- c. H gelijk is aan de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat voor de toepassing van dat artikelonderdeel tot de standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, alleen geacht wordt te behoren de algemene heffingskorting.
In afwijking van de onderdelen b van het tweede en derde lid is indien ten aanzien van de SVB aannemelijk wordt gemaakt dat dit tot een lagere uitkomst leidt, I gelijk aan het feitelijke premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv. Hierbij wordt de waarde van inkomen in natura door de SVB geschat, uitgaande van de waarde van dat inkomen in het land waar het wordt of werd ontvangen.
De AOW- of ANW-premie, die is vastgesteld met toepassing van het vierde lid bedraagt ten minste 10% van de AOW- of ANW-premie vastgesteld op grond van het tweede onderscheidenlijk derde lid.
Voorzover de vrijwillige verzekering slechts betrekking heeft op een gedeelte van een kalenderjaar wordt de premie naar tijdsruimte evenredig verminderd.
De SVB stelt op verzoek van de belanghebbende die een gedeelte van het kalenderjaar van rechtswege verzekerd is voor de AOW of de ANW, de AOW-premie of de ANW-premie over dat kalenderjaar zodanig vast dat de over het kalenderjaar verschuldigde premie voor de verplichte en de vrijwillige verzekering niet meer bedraagt dan de premie die maximaal verschuldigd zou zijn indien het gehele kalenderjaar sprake zou zijn van verplichte verzekering.
Niet in euro uitgedrukt premie-inkomen wordt vastgesteld in de valuta van het desbetreffende land en wordt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen omgerekend in euro.
Voor de toepassing van het derde lid wordt het inkomen geacht te zijn ontvangen in Nederland.
Artikel 3.4. Voorlopige premievaststelling
De SVB kan de verschuldigde premie over een kalenderjaar voorlopig vaststellen, indien:
- a. zij bij de vaststelling van die premie rekening dient te houden met de in dat kalenderjaar verschuldigde premie op grond van de verplichte verzekering ingevolge de AOW of de ANW; of
- b. nog onduidelijk is of artikel 3.3, derde lid, van toepassing is.
Zodra dat naar het oordeel van de SVB mogelijk is, wordt de over bedoeld kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.
Te veel betaalde premie wordt terugbetaald. Nog verschuldigde premie wordt binnen een door de SVB vast te stellen termijn betaald.
Artikel 3.5. Premiebetaling
De gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 35 van de AOW en artikel 63a van de ANW, die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, betaalt de premie, per kalenderjaar, vooruit.
Indien de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 63a van de ANW, een aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering heeft ingediend en overlijdt, voordat hij de verschuldigde ANW-premie heeft kunnen betalen, is een ander bevoegd alsnog de verschuldigde ANW-premie over de periode van vrijwillige verzekering te betalen.
Artikel 3.6. Achterwege blijven van premierestitutie
Indien de vrijwillige verzekering is geëindigd op grond van artikel 37, onderdelen a, e of f, van de AOW, of van artikel 63c, onderdelen a, d of e, van de ANW, vindt restitutie van reeds betaalde premie niet plaats.
Artikel 3.7. Premiebetaling bij vrijwillige AOW-verzekering over achterliggende periode
Indien een verzekerde als bedoeld in artikel 38 van de AOW binnen drie maanden na de door de SVB gestelde termijn de verschuldigde AOW-premie niet geheel heeft betaald, wordt over een zodanig gedeelte van de periode, waarop de premiebetaling betrekking heeft, geacht AOW-premie te zijn betaald als de betaalde AOW-premie zich verhoudt tot de totaal verschuldigde AOW-premie. Daarbij wordt geacht AOW-premie te zijn betaald over de periode, welke het verst verwijderd ligt van het tijdstip van de aanvang van de verplichte verzekering.
Artikel 3.8. Vaststelling vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige betaling
Indien de vrijwillige verzekering is geëindigd, wordt voorzover dit nog niet heeft plaatsgevonden, de over ieder kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.
Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de betaalde premie geacht betrekking te hebben op de achtereenvolgende gehele kalenderjaren of, voorzover de belanghebbende gedurende slechts een gedeelte van een of meer kalenderjaren niet verplicht verzekerd was, op de betreffende gedeelten van die gehele kalenderjaren, die het dichtst liggen bij het tijdstip waarop de verplichte verzekering is geëindigd.
Indien na toepassing van het eerste lid de over een kalenderjaar verschuldigde premie niet geheel blijkt te zijn voldaan, wordt over een zodanig gedeelte van dat kalenderjaar geacht premie te zijn betaald, als de nog toe te rekenen premie zich verhoudt tot de totaal over dit kalenderjaar verschuldigde premie.
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Artikel 4.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- b. AFBZ: het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, genoemd in artikel 89 van de Wfsv;
- c. AWBZ: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
- d. kosten van verstrekkingen en vergoedingen: kosten van verstrekkingen en vergoedingen ter zake van verleende zorg als bedoeld in artikel 6 van de AWBZ;
- e. beheerskosten: de beheerskosten van de in de AWBZ geregelde verzekering, waaronder begrepen de kosten van controle in het kader van die verzekering;
- f. centraal administratiekantoor: het centraal administratiekantoor, bedoeld in het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering;
- g. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ;
- h. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering;
- i. onverantwoorde uitgaven: uitgaven waarvan het College toezicht heeft vastgesteld dat ze niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verzekering ingevolge de AWBZ;
- j. beheerskostenbudget: de ten laste van het AFBZ voor het centraal administratiekantoor, de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren beschikbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ te maken beheerskosten die zij in hun hoedanigheid maken;
- k. College toezicht: het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 77, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
- l. College zorgverzekeringen: het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Artikel 4.2. Vergoeding verstrekkingen op basis van werkelijke kosten
Het College zorgverzekeringen vergoedt uit het AFBZ jaarlijks aan de zorgverzekeraars de kosten van verstrekkingen en vergoedingen naar werkelijke kosten. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten beschouwing, tenzij het College toezicht anders besluit.
Artikel 4.3. Macrobudget beheerskosten AWBZ
Onze Minister geeft het College zorgverzekeringen jaarlijks een aanwijzing terzake van het voor alle zorgverzekeraars, verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor tezamen voor dat kalenderjaar ten laste van het AFBZ komende beheerskostenbudget.
Artikel 4.4. Uitkering zorgverzekeraar
Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk ten laste van het AFBZ het beheerskostenbudget vast ter dekking van de beheerskosten die zij maken anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor.
De vaststelling van het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels.
De beleidsregels, bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
In geval van onthouding van goedkeuring aan een beleidsregel stelt het College zorgverzekeringen, met inachtneming van door Onze Minister te geven instructies, een nieuwe beleidsregel vast.
Indien Onze Minister aan de beleidsregel, bedoeld in het vierde lid, eveneens goedkeuring onthoudt, stelt hij terzake zelf de beleidsregel vast.
Het College zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan een zorgverzekeraar het voor die zorgverzekeraar op grond van het eerste lid vastgestelde beheerskostenbudget uit.
Indien een zorgverzekeraar op een naar het oordeel van het College toezicht onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het zesde lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.
Artikel 4.5. Uitkering verbindingskantoren en centraal administratiekantoor
Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, afzonderlijk voor ieder verbindingskantoor en voor het centraal administratiekantoor het beheerskostenbudget vast.
De vaststelling van het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels. Ten aanzien van die beleidsregels is artikel 4.4, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Het College zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan de verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor het voor hen ingevolge het eerste lid vastgestelde beheerskostenbudget uit.
Indien een verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor op een naar het oordeel van het College toezicht onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.
Een verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor houden een reserve uitvoering AWBZ aan.
Het saldo van baten en lasten over enig boekjaar van een verbindingskantoor voor de beheerskosten die het in of in verband met die hoedanigheid maakt, wordt toegevoegd aan, onderscheidenlijk ten laste gebracht van de reserve, bedoeld in het vijfde lid. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten beschouwing, tenzij het College toezicht anders besluit. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing voor het centraal administratiekantoor.
Bij het eindigen van de aanwijzing, bedoeld in artikel 40 van de AWBZ, zonder dat aansluitend een nieuwe aanwijzing plaatsvindt, stort de rechtspersoon een bedrag ter hoogte van de reserve, bedoeld in het vijfde lid, binnen vier weken in het AFBZ.
Artikel 4.6. Reserve uitvoering AWBZ
De reserve uitvoering AWBZ, bedoeld in artikel 4.5, vijfde lid, ultimo enig jaar, bedraagt voor verbindingskantoren maximaal 20% en voor het centraal administratiekantoor maximaal 5% van het beheerskostenbudget voor dat jaar. Indien het College zorgverzekeringen vaststelt dat de reserve het gestelde maximum te boven gaat, stort het verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor het door het College zorgverzekeringen vastgestelde bedrag van de overschrijding binnen vier weken in het AFBZ.
Artikel 4.7. Toezicht op opgaven
Het College toezicht is bevoegd opgaven en gegevens van een zorgverzekeraar, verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor, die van invloed zijn op de omvang van de ten laste van het AFBZ beschikbare middelen en op de hoogte van de verstrekkingen en vergoedingen ingevolge dit hoofdstuk, op hun juistheid te beoordelen en te verbeteren.
Artikel 4.8. Betaalbaarstelling
Het College zorgverzekeringen bepaalt met inachtneming van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering de wijze van betaalbaarstelling van de uitkeringen op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 4.9. Overgangsbepaling
Besluiten van Onze Minister en het College zorgverzekeringen op grond van het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering AWBZ in het jaar 2005 terzake van de onderwerpen geregeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6 van dit hoofdstuk worden aangemerkt als besluiten op grond van de desbetreffende artikelen van dit hoofdstuk.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 3a. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
Artikel 2.16a. Rekenpercentage
Het rekenpercentage, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, is gelijk aan het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv vermeerderd of verminderd met:
- a. een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het premiebetalingstijdvak optredende verschil tussen enerzijds de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, verminderd met de premie-inkomsten die het gevolg zijn van de opslag, bedoeld in artikel 2.16b, tweede lid, en anderzijds het totaalbedrag dat naar verwachting in het premiebetalingstijdvak op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komt verminderd met de gelden die op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv naar verwachting ten gunste van de Werkhervattingskas komen;
- b. een percentage, voorzover dit nodig of mogelijk is, rekening houdend met de verplichting, bedoeld in artikel 113a van de Wfsv, betreffende het vormen en in stand houden van een voldoende reserve, met dien verstande dat bij de bepaling van dit percentage de opbrengst van de opslag, bedoeld in artikel 2.16b, tweede lid, buiten beschouwing wordt gelaten.
De percentages, bedoeld in het eerste lid, worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.16b. Gemiddeld percentage
Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, wordt vastgesteld door het totaalbedrag van hetgeen in het premiebetalingstijdvak naar verwachting op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste komt van de Werkhervattingskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten gunste komt van de Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van de over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loonsom en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, tweede lid, van de Wfsv. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de WGA-uitkeringen waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40 van de Wfsv.
De gemiddelde premie, bedoeld in het eerste lid, kan worden verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage.
De uitkomst van de deling, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.16c. Berekening opslag of korting voor het jaar 2007
De opslag of korting, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, is voor alle werkgevers gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.
Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar 2007 zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de in het vijfde lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar 2007.
Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv, ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar 2007 zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar 2007.
Bij de berekening van het gemiddelde premieplichtig loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 117 van de Wfsv, buiten aanmerking gelaten.
De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in het tweede en derde lid, betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:
- a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en terzake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de WAO, hebben doorgemaakt;
- b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, van de WAO nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid, van de WAO;
- c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de WAO aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.
Indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan die werkgevers. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden de door het UWV toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantieuitkeringen die in de periode, bedoeld in artikel 117, eerste lid, aanhef, van de Wfsv, geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WAO, geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.
De uitkomst van de deling, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
De op grond van dit artikel berekende opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddeld percentage, bedoeld in artikel 2.16b, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het negende lid, wordt afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.16d. Opslag en korting bij overgang van onderneming
In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement:
- a. worden bij de toepassing van artikel 2.16c de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 2.16c, vijfde lid, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt; en
- b. wordt bij de toepassing van artikel 2.16c het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig premiebetalingstijdvak telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de onderneming verkrijgt in dat premiebetalingstijdvak, voordat het gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt berekend.
Indien slechts een deel van de onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.
Tenzij de overgang plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar vindt voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.
Artikel 2.16e. Opslag en korting bij regres en premievermindering
Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.16c, tweede lid geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.16c, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Indien een schadevergoeding als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een schadevergoeding op grond van een wettelijke regeling die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen, gedurende een tijdvak van vijf jaren, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.16c, tweede lid, verminderd met een compensatiebedrag.
Het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks gedurende vijf jaar te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in het tweede lid, te delen door het loon over het tijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet. Het getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.
In afwijking van het derde lid wordt in de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde, bedoeld in artikel 29 van de Ziektewet, het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van het ontvangen verhaal op grond van artikel 52a van de Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Het tweede, derde en vierde lid zijn uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op of na 1 januari 2002.
Artikel 2.16f. Niet gedurende gehele berekeningstijdvak werkgever
Indien een werkgever, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.16d in een of meer van de kalenderjaren van het tijdvak, bedoeld in artikel 2.16c, tweede lid, niet de hoedanigheid van werkgever had, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.16c, tweede lid, het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.16c, tweede lid, waarin de werkgever de hoedanigheid van werkgever had, waarna het verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.16c, derde lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.16c, derde lid, waarin de werkgever de hoedanigheid van werkgever had.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.16g. Premiepercentage startende werkgever
Voor een werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.16d, eerst in het premiebetalingstijdvak, of in het eerste of tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het premiebetalingstijdvak de hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv:
- a. indien het een kleine werkgever betreft gelijk aan het overeenkomstig artikel 2.16h, tweede lid, vastgestelde percentage;
- b. indien het een grote werkgever betreft gelijk aan het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.16a.
Artikel 2.16h. Minimum- en maximumpremie
De gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv, bedraagt:
- a. voor een kleine werkgever: tenminste het overeenkomstig het tweede lid vastgestelde percentage en ten hoogste drie maal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.16b;
- b. voor een grote werkgever: tenminste het verschil tussen het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.16a, en het gemiddeld percentage, bedoeld in artikel 2.16b, maar niet minder dan nihil en ten hoogste vier maal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.16b.
De voor kleine werkgevers geldende minimale gedifferentieerde premie wordt door het UWV voor elk premiebetalingstijdvak op een zodanig percentage vastgesteld, dat de uit de heffing van deze minimaal verschuldigde premie voortvloeiende extra inkomsten naar verwachting gelijk zullen zijn aan de extra premieinkomsten die zouden worden verworven indien geen maximum zou zijn gesteld aan de door deze werkgevers verschuldigde gedifferentieerde premie, verminderd met de naar verwachting ten laste van de kleine werkgevers komende premieinkomsten ten gevolge van de voor grote werkgevers krachtens het eerste lid, onderdeel b, geldende maximale gedifferentieerde premie.
In afwijking van het eerste lid wordt een premiepercentage van lager dan nihil vastgesteld indien toepassing van artikel 2.16e daartoe aanleiding geeft.
Het percentage, bedoeld in het derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 3. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
§ 3a. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 4.10. Bijdragen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, onderdeel g, van de Wfsv
De bijdragen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, onderdeel g, van de Wfsv, betreffen de op grond van artikel 4.1, vierde lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning toegepaste kortingen.
Het College zorgverzekeringen keert periodiek voorschotten uit aan het CAK, aan de hand van door het CAK verstrekte gegevens.
Het College zorgverzekeringen stelt de aan het CAK over een kalenderjaar te betalen geldsom voor de bijdragen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, onderdeel g, van de Wfsv, vast binnen een jaar na het einde van dat kalenderjaar.
Artikel 2.15a. Verzoek eigenrisicodragen
In afwijking van artikel 40, negende lid, van de Wfsv wordt de toestemming, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wfsv door de inspecteur verleend met ingang van 1 januari 2010, mits de aanvraag uiterlijk op 1 november 2009 is ingediend.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.2a. Afwijkende termijn
In afwijking van artikel 2.2, derde tot en met zesde lid, worden voor het kalenderjaar 2010 de volgende leden toegepast.
Indien in een sectorfonds op 31 december 2009 naar verwachting van het UWV een positief of negatief dekkingssaldo aanwezig zal zijn, stelt het UWV voor het kalenderjaar 2010 en de daarop volgende kalenderjaren een zodanig sectorpremiepercentage vast dat het overschot dan wel tekort binnen vijf kalenderjaren na die datum is ingelopen onderscheidenlijk aangezuiverd.
De toepassing van het tweede lid leidt niet tot het heffen van een negatieve sectorpremie.
Voor zover een positief dekkingssaldo door toepassing van het derde lid niet binnen de termijn van vijf kalenderjaren kan worden ingelopen, geldt een zodanige langere termijn tot 31 december van enig jaar daarna waarin het overschot wel kan zijn ingelopen.
Indien de toepassing van de vorige leden leidt tot vaststelling van een sectorpremiepercentage boven het lastenplafond behoeft de aanzuivering van een negatief dekkingssaldo niet binnen de termijn van vijf kalenderjaren te geschieden. In dat geval wordt het sectorpremiepercentage vastgesteld op ten minste het lastenplafond.
§ 2. Uniforme premie WAO
§ 3. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
§ 4. Premiekorting
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.1a. Fondsbelasting overige ziekengeld- en WGA lasten
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 2.1b. WGA-staartlasten
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
§ 3. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
§ 4. Premiekorting
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ en bijdragen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, onderdeel g, van de Wfsv
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.1c. Overgangsbepaling WGA-staartlasten flexibele dienstbetrekkingen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
§ 2. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
Artikel 2.17. Premiepercentage startende werkgever
Voor een werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, of in het eerste of tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld de hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, gelijk aan de som van de rekenpercentages voor de WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen, de WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen en de ZW-lasten, bedoeld in artikel 2.9.
Van de startende werkgever, bedoeld in artikel 40, negende lid, van de Wfsv wordt in afwachting van de beslissing op aanvraag van het eigenrisicodragen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, van de Wfsv met ingang van het tijdstip waarop hij aanvangt werkgever te zijn, het rekenpercentage voor de ZW-lasten respectievelijk het rekenpercentage voor de WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen op nul gesteld.
Artikel 2.18. Opslag en korting bij te veel betaalde uitkering en regres
Indien blijkt dat een WGA-uitkering als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, of 2.12, tweede lid, of een uitkering op grond van de Ziektewet geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, 2.12, tweede lid, en 2.13, tweede lid, in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering of de uitkering op grond van de Ziektewet wordt ingetrokken of herzien, de aan de werkgever toe te rekenen WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, de aan de werkgever toe te rekenen WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, onderscheidenlijk de aan de werkgever toe te rekenen uitkeringen op grond van de Ziektewet, bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde WGA-uitkering of uitkering op grond van de Ziektewet.
Indien een werkgever recht heeft op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een schadevergoeding op grond van een wettelijke regeling die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, worden, op verzoek van de werkgever, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, met ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is vastgesteld, gedurende een tijdvak van tien jaren, de aan de werkgever toe te rekenen WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, verminderd met een compensatiebedrag.
Het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door het bedrag van de WGA-uitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks gedurende tien jaar te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in het tweede lid, te delen door het loon over een tijdvak van 104 weken. Het getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.
Indien het UWV op grond van artikel 52a van de Ziektewet verhaal heeft, worden de aan de werkgever toe te rekenen WGA- lasten flexibele dienstbetrekking en de ZW-lasten voor de toepassing van artikel 2.12, tweede lid en artikel 2.13, tweede lid, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.12, tweede en 2.13, tweede lid, verminderd met een bedrag gerelateerd aan het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Ziektewet.
Het bedrag van de vermindering, bedoeld in het vierde lid, wordt bepaald door het bedrag van de WGA-uitkering en de uitkering op grond van de Ziektewet aan de betrokken werknemer te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van het verhaal op grond van artikel 52a van de Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld. Het getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.
Bij de toepassing van dit artikel is een minimumpremie als bedoeld in artikel 2.6, zesde lid, niet van toepassing.
§ 3. Premiekorting
Artikel 2.19. Premiekorting oudere nabestaanden
Artikel 47, eerste lid, van de Wfsv is van overeenkomstige toepassing bij een dienstbetrekking met een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking gedurende tenminste twee jaar recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en gedurende die twee jaar geen inkomen uit arbeid als bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en 2:6, eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten heeft genoten.
§ 4. Eigenrisicodragen Ziektewet
Artikel 2.20. Overgangsrecht vervallen garantieverklaring eigenrisicodragen Ziektewet
Het UWV kan na 1 januari 2013 voor de verplichtingen van een werkgever, die voortvloeien uit het dragen van het risico voor het betalen ziekengeld, toegekend aan personen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, voor 1 januari 2013, die door die werkgever niet worden nagekomen, een beroep doen op een bank of een verzekeraar, die zich voor 1 januari 2013, jegens het UWV heeft verplicht die verplichtingen na te komen als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wfsv, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de datum waarop artikel II, onderdeel E, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters in werking is getreden.
Artikel 2.17a. Premiepercentage terugkerende werkgever
Indien voor een grote of een middelgrote werkgever het eigenrisicodragen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, eindigt of wordt beëindigd, wordt in afwijking van artikel 2.6, vierde lid, onderscheidenlijk 2.6, vijfde lid, in verbinding met artikel 2.6, vierde lid, het individuele percentage van de premiecomponent van de ZW-lasten in het kalenderjaar van het einde van het eigenrisicodragen vastgesteld op de helft van het sectorale premiepercentage, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid.
Indien het individuele percentage van de premiecomponent van de ZW-lasten, bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, of in artikel 2.6, vijfde lid, in verbinding met artikel 2.6, vierde lid, hoger is dan de uitkomst van het eerste lid, wordt in het kalenderjaar van het einde van het eigenrisicodragen de gedifferentieerde premie voor de ZW-lasten, in afwijking van het eerste lid, vastgesteld op grond van artikel 2.6, vierde lid, of artikel 2.6, vijfde lid.
De gedifferentieerde premie voor de ZW-lasten in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van het einde van het eigenrisicodragen wordt voor de werkgever, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het eerste en tweede lid.
Artikel 2.17b. Premiepercentage terugkerende werkgever vóór 1 januari 2015
Indien voor een grote of middelgrote werkgever het eigenrisicodragen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, op verzoek van de werkgever wordt beëindigd met ingang van 1 juli 2014 of later en dit verzoek is ingediend na 20 maart 2014, of na laatstgenoemde datum het eigenrisicodragen van rechtswege is geëindigd of door de inspecteur is beëindigd zonder aanvraag van de werkgever, is artikel 2.17a van toepassing.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016.
§ 4. Eigenrisicodragen Ziektewet
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Artikel 2.21. Aantal verloonde uren voor quotumheffing
Voor de toepassing van artikel 34, vierde en zesde lid, van de Wfsv is een werkgever geen quotumheffing verschuldigd indien hij in de in die leden genoemde kalenderjaren minder dan 40.575 verloonde uren in de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft verantwoord.
Bij ministeriële regeling kan het aantal verloonde uren, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd met ingang van het bij die regeling te bepalen kalenderjaar.
Artikel 2.22. Variabelen formule quotumpercentage
Voor de toepassing van artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv worden het totaal aantal banen, het aantal extra banen en de verloonde uren, waarnaar wordt verwezen in de variabelen van de formule voor de berekening van de quotumpercentages, bedoeld in dat lid, bij ministeriële regeling vastgesteld met ingang van het bij die regeling te bepalen kalenderjaar.
De vaststelling van de variabelen van de formule, bedoeld in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.23. Bepaling quotumtekort
Voor de toepassing van artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen, bij ministeriële regeling vastgesteld met ingang van het bij die regeling te bepalen kalenderjaar.
De vaststelling van de variabelen, bedoeld in artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt naar beneden afgerond op één decimaal.
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.24. Aanwijzing persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als arbeidsbeperkte zonder beoordeling
Als een persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, wordt aangewezen de persoon die deel heeft uitgemaakt van de doelgroep van het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra, nadat hij zich daartoe schriftelijk meldt bij het UWV om opgenomen te worden in de registratie van arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38d, eerste lid, van de Wfsv.
Het eerste lid is niet van toepassing indien die persoon duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Artikel 2.25. Aanwijzing persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als arbeidsbeperkte met beoordeling
Als een persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, wordt aangewezen:
- a. de persoon die op de laatste dag van de periode waarin hij onderwijs genoot, deel uitmaakt van de doelgroep van: en van wie op eigen verzoek op of na 18 juli 2015 door UWV het arbeidsvermogen is beoordeeld en door UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
- 1º. een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- 2º. de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- b. de persoon, die op 31 december 2014 een geldende indicatiebeschikking had op grond van artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening zoals die wet op die dag luidde, waarvan de geldigheid op of na 1 januari 2015 is verstreken en die geen geïndiceerde is blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, zoals die wet met ingang van 1 januari 2015 luidt;
- c. de persoon, die op of na 1 juli 2015 een aanvraag heeft ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van Hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, en van wie door UWV is vastgesteld dat hij niet een jonggehandicapte is als bedoeld in artikel 1a:1 van die wet, en dat hij tevens niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet;
- d. de persoon, niet zijnde een persoon als bedoeld in onderdeel a, b of c, die door het college wordt ondersteund bij de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, van wie op eigen verzoek door UWV is beoordeeld en door UWV is vastgesteld dat hij wegens ziekte of gebrek niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
Als een persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, wordt aangewezen de persoon die in de periode van 10 september 2014 tot en met 17 juli 2015 het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde onderwijs geheel of gedeeltelijk genoot en in die periode tevens dat onderwijs heeft beëindigd, zolang die persoon nog niet door UWV is beoordeeld en nog niet door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
Als een persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, wordt aangewezen de persoon die in de periode van 10 september 2014 tot en met 31 december 2014 de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aanvraag heeft ingediend voor een recht op arbeidsondersteuning op grond van Hoofdstuk 2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, maar van wie door UWV is vastgesteld dat geen recht op arbeidsondersteuning is ontstaan, zolang die persoon nog niet door UWV is beoordeeld en nog niet door UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
Als een persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, wordt aangewezen de persoon die in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aanvraag heeft ingediend voor een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van Hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, maar van wie door UWV is vastgesteld dat hij niet een jonggehandicapte is als bedoeld in artikel 1a:1 van die wet, zolang die persoon nog niet door UWV is beoordeeld en nog niet door UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
Als een persoon die voldoet aan een vastgestelde indicatie als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, wordt aangewezen de persoon die voor 10 september 2014 een aanvraag heeft ingediend voor een recht op arbeidsondersteuning op grond van Hoofdstuk 2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten maar van wie door UWV heeft vastgesteld dat geen recht op arbeidsondersteuning is ontstaan op grond van het enkele feit dat die persoon voor 1 januari 2015 de leeftijd van achttien jaar, bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, nog niet heeft bereikt, zolang die persoon nog niet door UWV is beoordeeld en nog niet door UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
Artikel 2.26. Uitbreiding arbeidsbeperkte door aanwijzing voorzieningen bij activering quotumheffing
Onder een voorziening als bedoeld in artikel 38b, tweede lid, van de Wfsv, wordt verstaan:
- a. de vervoersvoorziening, de intermediaire activiteit, de meeneembare voorziening of de noodzakelijke persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wet WIA;
- b. de voorzieningen, die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht voor de arbeidsinschakeling en heeft verstrekt op grond van artikel 10 van de Participatiewet.
De vaststelling door het UWV dat een persoon een arbeidsbeperkte is, bedoeld in artikel 38b, tweede lid, van de Wfsv, vindt plaats op verzoek van het college van burgemeester en wethouders dan wel op aanvraag van betrokkene zelf.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.27. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- –. doelgroepregister: het register ten behoeve van de registratie, bedoeld in artikel 38d van de Wfsv;
- –. identificatienummer: de door de Belastingdienst en het UWV gebruikte identificatie van de uitlener dan wel de inlener;
- –. inleenverbanden: het door de uitlener ter beschikking stellen van werknemers die arbeidsbeperkte zijn aan de inlener;
- –. inlener: degene aan wie de uitlener de arbeidskracht ter beschikking stelt;
- –. peildatum: 31 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven;
- –. Polisadministratie: de administratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- –. uitlener:
- a. onderneming of rechtspersoon die arbeidskrachten uitzendt op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 690, Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek en die op de peildatum in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 is ingeschreven waarbij is opgenomen, dat deze onderneming of rechtspersoon de activiteit van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten uitoefent; of
- b. de werkgever van de werknemer, die werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening, waarbij bij de uitvoering van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening die werknemer ter beschikking wordt gesteld aan een andere werkgever;
- –. uitzendpersoneel: personeel dat door de uitlener aan de inlener ter beschikking wordt gesteld en waarvan de werkgever op grond van artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgaaf doet aan de inspecteur dat sprake is van een uitzendkracht of een dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening die ter beschikking wordt gesteld aan een andere werkgever.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de definitie van uitlener als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.28. Aanwijzing categorie arbeidsbeperkten die ter beschikking zijn gesteld en tevens meetellen voor de berekening van het quotumtekort bij de inlener
Voor de toepassing van artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt de persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening en die aan de werkgever ter beschikking is gesteld, aangewezen als arbeidsbeperkte, bedoeld in artikel 38g, vierde lid, van de Wfsv.
De uitlener kan, voor de berekening van het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, derde lid, van de Wfsv, verloonde uren van de arbeidsbeperkte die de uitlener aan de inlener ter beschikking stelt, toerekenen aan die inlener.
Voor de toepassing van het tweede lid komen de uitlener en inlener, uiterlijk 1 augustus van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven, tot overeenstemming over het aantal toe te rekenen verloonde uren van de arbeidsbeperkte die de uitlener aan de inlener ter beschikking stelt.
Indien het derde lid van toepassing is, wordt voor de berekening van het quotumtekort van de inlener, bedoeld in artikel 38g, derde lid, van de Wfsv variabele C vermeerderd met de toegerekende verloonde uren van de uitgeleende arbeidsbeperkte, mits niet het totaal aantal verloonde uren dat voor de betreffende uitgeleende arbeidsbeperkte in de Polisadministratie staat, is overschreden.
Voor de berekening van het quotumtekort van de uitlener, bedoeld in artikel 38g, derde lid, van de Wfsv, wordt variabele C verminderd met de verloonde uren van uitgeleende arbeidsbeperkten.
Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, dient de overeenstemming, bedoeld in het derde lid, als grondslag voor de vaststelling van het aantal verloonde uren dat door de uitlener is toegerekend aan de inlener.
Artikel 2.29. Verplichtingen uitlener
De uitlener, die verloonde uren van de uitgeleende arbeidsbeperkte toerekent aan de inlener, controleert de door het UWV aangeleverde gegevens over de inleenverbanden, bedoeld in artikel 3.2b van het Besluit SUWI, en vult deze gegevens aan met het identificatienummer van de inlener, indien artikel 2.28, tweede lid van toepassing is.
Artikel 2.30. Verplichtingen inlener
De inlener, die verloonde uren van de arbeidsbeperkte toegerekend krijgt van de uitlener, controleert, nadat de uitlener aan zijn verplichtingen, genoemd in artikel 2.29, heeft voldaan, de door het UWV aangeleverde gegevens over de inleenverbanden, bedoeld in artikel 3.2b van het Besluit SUWI, en fiatteert indien akkoord uiterlijk 1 augustus van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven, indien artikel 2.28, tweede lid van toepassing is.
Artikel 2.31. Aanwijzing categorie werknemers van wie verloonde uren in mindering worden gebracht op het totaal aantal verloonde uren
Als werknemer, bedoeld in artikel 38g, vijfde lid, van de Wfsv van wie de verloonde uren in mindering wordt gebracht op het totaal aantal verloonde uren, bedoeld in artikel 38g, derde lid, van de Wfsv met betrekking tot variabele A, wordt aangewezen:
- a. voor de uitlenende werkgever: uitzendpersoneel in de zin van artikel 2.27;
- b. voor het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen dan wel een privaatrechtelijke rechtspersoon die als uitvoerder van de Wet sociale werkvoorziening is aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, dan wel artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening en als activiteit heeft het ter beschikking stellen van arbeidskrachten: elke persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening.
Artikel 2.32. Nadere bepaling variabelen quotumpercentages [Aanwijzing categorie werknemers waarvan verloonde uren in mindering worden gebracht op het totaal aantal verloonde uren bij werkgevers in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid bedoeld in artikel 38f, tweede lid, voor de berekening van het quotumpercentage]
Voor de berekening van de quotumpercentages, bedoeld in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, wordt voor de toepassing van de variabelen van de formule, bedoeld in dat lid, het volgende in acht genomen:
- a. voor variabele D en E: het totaal aantal banen bij werkgevers in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid (variabele D) vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren van werknemers in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid (variabele E), wordt verminderd met de verloonde uren van uitzendpersoneel in de zin van artikel 2.27.
- b. voor variabele F: het aantal arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, tweede lid van de Wfsv, bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde, vierde en zesde lid, quotumheffing zijn verschuldigd, bedraagt voor de overheidssector in:
- 1°. 2017 van 256;
- 2°. 2018 van 534;
- 3°. 2019 van 811;
- 4°. 2020 van 1.089;
- 5°. 2021 van 1.367;
- 6°. 2022 van 1.644;
- 7°. 2023 en verder van 1.922;
- c. voor variabele F: het aantal arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, tweede lid van de Wfsv, bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde, vierde en zesde lid, quotumheffing zijn verschuldigd, bedraagt voor de niet-overheidssector in:
- 1°. 2017 van 744;
- 2°. 2018 van 1.348;
- 3°. 2019 van 1.953;
- 4°. 2020 van 2.557;
- 5°. 2021 van 3.161;
- 6°. 2022 van 3.766;
- 7°. 2023 van 4.370;
- 8°. 2024 van 4.974;
- 9°. 2025 en de volgende jaren van 5.578.
- d. voor variabele G: het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, tweede lid van de Wfsv, in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid tezamen bedraagt 1.331 uren per jaar.
Artikel 2.33. Aanwijzing categorieën werknemers wiens verloonde uren in mindering worden gebracht voor de bepaling van de quotumplichtige werkgever (bepaling grootte)
Voor de vaststelling of de quotumheffing niet is verschuldigd door de uitlener die minder dan 25 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer heeft verantwoord, bedoeld in artikel 34, vierde en zesde lid, van de Wfsv, wordt het aantal verloonde uren van uitzendpersoneel in mindering gebracht op het totaal aantal verloonde uren die de werkgever in de loonaangifte heeft verantwoord.
Voor de vaststelling of de quotumheffing niet is verschuldigd door het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen dan wel en privaatrechtelijke rechtspersoon die als uitvoerder van de Wet sociale werkvoorziening is aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, dan wel artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening en als activiteit heeft het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die minder dan 25 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer heeft verantwoord, bedoeld in artikel 34, vierde en zesde lid, van de Wfsv, wordt het aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten die arbeid verrichten in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening in mindering gebracht op het totaal aantal verloonde uren die de werkgever in de loonaangifte heeft verantwoord.
Hoofdstuk 4. Beheerskosten en enige zorgkosten uit het Fonds langdurige zorg
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.19a. Fondsbelasting overige ziekengeld- en WGA-lasten
De overige ziekengeldlasten komen ten laste van de Werkhervattingskas.
De overige WGA-lasten komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel 2.19b. WGA-staartlasten
De WGA-staartlasten komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
De eigenrisicodrager draagt het risico van de betaling van de WGA- uitkeringen aan werknemers, bedoeld in artikel 2.19, onderdeel c, en de overlijdensuitkeringen, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet WIA niet, indien deze eigenrisicodrager een kleine werkgever als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b, is of gedeeltelijk indien hij een middelgrote werkgever als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, is, voor zover deze WGA-uitkeringen niet zijn toegekend of de wachttijd niet is ingegaan vóór de dag van ingang van een eerdere periode van eigenrisicodragen.
Indien de eigenrisicodrager een middelgrote werkgever is, wordt voor de toepassing van dit artikel het deel van de WGA- staartlasten in aanmerking genomen, dat bestaat uit deze lasten maal (1-(loonsomwgr – loonsomlaag)/(loonsomhoog –loonsomlaag))
waarbij:
- –. loonsomwgr staat voor: de verzekerde loonsom van de middelgrote werkgever twee kalenderjaren voorafgaand aan de dag van aanvang van het eigenrisicodragen;
- –. loonsomlaag staat voor: 10 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, twee kalenderjaren voorafgaand aan de dag van aanvang van het eigenrisicodragen;
- –. loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, twee kalenderjaren voorafgaand aan de dag van aanvang van het eigenrisicodragen.
De vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in het derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Artikel 2.19c. Overgangsbepaling WGA-staartlasten en flexibele dienstbetrekkingen
In afwijking van artikel 2.19b komen de volgende lasten ten laste van het staartlastenvermogen van de Werkhervattingskas:
- a. de WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h, van de Wfsv, die zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan vóór 1 januari 2017 ongeschikt zijn geworden tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 of 19aa van de Ziektewet en uit dien hoofde recht hadden op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet en die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in een dienstbetrekking stonden van een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv waarbij die dag is gelegen vóór de dag van ingang van het eigenrisicodragen, en de uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen;
- b. de overlijdensuitkeringen, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet WIA, in verband met het overlijden van de werknemer, bedoeld onder a, en de uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen.
Hoofdstuk 4. Beheerskosten en enige zorgkosten uit het Fonds langdurige zorg
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.3a. Tijdelijke opschorting 30% herzieningssituatie
Artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing in het kalenderjaar 2020.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2021.
§ 3. Bijzondere bepalingen in verband met overige ziekengeld- en WGA-lasten en WGA-staartlasten
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Beheerskosten en enige zorgkosten uit het Fonds langdurige zorg
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.3a. Tijdelijke opschorting 30% herzieningssituatie
Artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing in het kalenderjaar 2020.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2021.
§ 2. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Beheerskosten en enige zorgkosten uit het Fonds langdurige zorg
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 4. Gedifferentieerde premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds
Artikel 2.4a. Toepassing van de AWf-premie per aangiftetijdvak
Het percentage van de AWf-premie, bedoeld in artikel 2.2, wordt slechts over een geheel aangiftetijdvak toegepast, waarbij bepalend is of op de eerste dag van dat aangiftetijdvak aan de voorwaarden voor toepassing van het premiepercentage wordt voldaan. In afwijking van de eerste zin is voor de bepaling van het aantal verloonde uren in het aangiftetijdvak, bedoeld in artikel 27, derde lid, onderdeel b, van de Wfsv bepalend het aantal verloonde uren gedurende het gehele aangiftetijdvak.
§ 4. Gedifferentieerde premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds
Artikel 2.19d. Vaststelling gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds
Voor de gedifferentieerde premie ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wfsv, wordt als kleine werkgever als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wfsv aangemerkt de werkgever te wiens laste in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, in dat kalenderjaar.
In het geval van overgang van onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement en indien een overheidswerkgever geheel of gedeeltelijk is overgegaan naar een andere werkgever, wordt het premieplichtige loon dat bij de toepassing van artikel 2.15 in enig kalenderjaar overgaat van de overdragende werkgever naar de verkrijgende werkgever op overeenkomstige wijze betrokken bij het al dan niet aanmerken van de werkgever als kleine werkgever als bedoeld in het eerste lid.
Tenzij de overgang plaatsvindt met ingang van 1 januari van het kalenderjaar vindt de toepassing van het tweede lid voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.
In afwijking van het eerste lid wordt de werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in het tweede lid, de hoedanigheid van werkgever heeft gekregen in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld of in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan dat kalenderjaar, aangemerkt als kleine werkgever als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 2a. Quotumheffing
Hoofdstuk 2c. Registratie inleenverbanden en aanwijzing categorieën arbeidsbeperkten en werknemers voor berekening quotumtekort
Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering
Hoofdstuk 4. Beheerskosten en enige zorgkosten uit het Fonds langdurige zorg
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.