Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv)
Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 13, 17, vijfde en zesde lid, 34, tweede lid, 40, derde lid, 41, eerste lid, 55, 63, 67, 81, 95, eerste lid, 96, derde lid, 102, derde lid, 110, derde lid, 119, zesde en zevende lid, 120, tweede, zevende en achtste lid, 121 en 122 van de Wet financiering sociale verzekeringen, en de artikelen 2.2, achtste lid, en 2.3, eerste en derde lid, van het Besluit Wfsv;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. AKW: de Algemene Kinderbijslagwet;
- –. ANW: de Algemene nabestaandenwet;
- –. AOW: Algemene Ouderdomswet;
- –. Wlz: De Wet langdurige zorg.
- –. TW: de Toeslagenwet;
- –. Wajong: de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
- –. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- –. Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- –. Wfsv: de Wet financiering sociale verzekeringen;
- –. WW: de Werkloosheidswet;
- –. Wet WIA: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
- –. ZW: de Ziektewet.
Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen
Artikel 2.1. Begripsbepaling
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.
Artikel 2.2. Partnerbegrip voor vaststelling premie-inkomen
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv wordt verstaan onder partner: degene, die partner is in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij het vierde lid, onderdeel b, van het laatstgenoemde artikel buiten toepassing blijft.
Artikel 2.3. Uitzonderingen premie-inkomen voor premieheffing
Voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen behoren niet tot het premie-inkomen:
- a. uitkeringen op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid;
- b. ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland:
- 1°. het gedeelte van het premie-inkomen dat onderworpen is aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
- 2°. het gedeelte van het premie-inkomen, waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is,
- 3°. het gedeelte van het premie-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid;
- c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen op grond van de artikelen 13, eerste lid, onderdeel a, 13, tweede lid, onderdeel c, 13, derde lid, onderdeel a, 13, vierde lid, onderdeel c, 14, eerste lid, onderdeel a, 15, eerste lid, onderdelen a, b of c, subonderdeel 1°, of 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben verricht.
Artikel 2.4. Premie-inkomen bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
Artikel 2.5. Aanpassing maximum premie-inkomen bij gedeeltelijke premieplicht anders dan door overlijden
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 8, derde lid, van de Wfsv vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in die wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.
Artikel 2.6. Heffingspercentage bij verschillende premiepercentages
Ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij wege van aanslag wordt betrokken in het kalenderjaar tijdvakken voordoen waarin anders dan ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wfsv verschillende premiepercentages gelden, wordt van hem de premie geheven naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Het heffingspercentage wordt afgerond op honderdsten naar beneden.
Artikel 2.7. Tijdsevenredige vaststelling
Ingeval voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen, het heffingspercentage of de heffingskorting moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
- a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
- b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
- c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
- d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.
Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen
Afdeling 1. Vaststelling loon
§ 1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren
Artikel 3.1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren
Voor de toepassing van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Wfsv wordt een loontijdvak dat zich uitstrekt over twee kalenderjaren, geacht te behoren tot het kalenderjaar waarin het loon over dat loontijdvak wordt genoten.
§ 2. Berekening premieloon bij samenloop
Artikel 3.2. Begrippen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. arbeidsloon: loon uit een dienstbetrekking;
- b. uitkering: een uitkering krachtens de ZW, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, de WAO, de Wet WIA of de WW;
- c. aanvulling: arbeidsloon dat naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering en door de werkgever, op grond van een aan zijn werknemer toegekende aanspraak, over dezelfde periode als waarover de uitkering wordt verstrekt aan de werknemer wordt betaald.
Artikel 3.3. Uitkering bij dezelfde werkgever
Indien een werknemer die van één of meerdere werkgevers arbeidsloon ontvangt, vervolgens in plaats van één of elk van die lonen uitkering en aanvulling ontvangt, wordt het totaalbedrag van die uitkering en aanvulling voor de toepassing van artikel 17 van de Wfsv geacht bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
Indien het eerste lid toepassing vindt, blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premies op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv worden geheven de aanvulling buiten aanmerking voorzover de aanvulling en uitkering tezamen meer bedragen dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wfsv.
Artikel 3.4. Samenloop
Indien een werknemer van twee of meer werkgevers arbeidsloon ontvangt en vervolgens in plaats van één van die lonen een uitkering op grond van de ZW of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg ontvangt en in plaats van het overige loon of één of meer van de overige lonen een uitkering ontvangt, worden deze uitkeringen, in afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Wfsv geacht niet bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
Afdeling 2. Premiedifferentiatie
§ 3. Berekening premies werknemersverzekeringen
Artikel 3.5. Definities
Vervallen
Artikel 3.6. Sectoronderdelen in de sector uitzendbedrijven
Vervallen
Artikel 3.7. Indeling werkgevers binnen uitzendbedrijven IA en IIA
Vervallen
Artikel 3.8. Vaststelling WW-deel van het sectorpremiepercentage
Vervallen
Artikel 3.9. Maximum gedifferentieerde premie Werkhervattingskas sector uitzendbedrijven
Voor de sector uitzendbedrijven wordt voor de premiecomponent voor de ZW-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 2.6, vierde of vijfde lid, van het Besluit Wfsv een maximum vastgesteld, dat 1,75 maal het voor die lasten in die sector met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde percentage bedraagt.
§ 2. Premiedifferentiatie uitzendbranche
Artikel 3.10. Sectoronderdelen in de sector grafische industrie
Vervallen
Artikel 3.11. Vaststelling WW-deel, ZW-deel en WGA-lasten-deel van het sectorpremiepercentage
Vervallen
§ 3. Premiedifferentiatie sectorfondsen
Artikel 3.12. Vaststelling verschillende sectorpremiepercentages
Vervallen
Artikel 3.13. Gelijkstelling vaststelling premiepercentage voor scholieren en studenten
Vervallen
Artikel 3.14. Bepaling sectorale premiepercentages
De sectorale premiecomponenten voor de ZW-lasten en de WGA-lasten van de sectorale premiepercentages, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, van het Besluit Wfsv, zijn voor de sectoren 57 en 60, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, gelijk aan het gewogen gemiddelde van deze premiecomponenten van de sectorale premiepercentages voor de sectoren 57 en 60.
Afdeling 3. Eigenrisicodragen
Artikel 3.15. Ontheffing garantieplicht overheidswerkgevers
Als overheidswerkgever als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Wfsv worden aangewezen:
- a. de Koning, ten aanzien van door hem in dienst genomen overheidswerknemers die bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam zijn en uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau vallen;
- b. het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen;
- c. rechtspersonen, anders dan bedoeld in onderdeel b, die:
- 1°. bij of krachtens de wet zijn ingesteld, en
- 2°. overheidswerknemers rechtstreeks ten laste van de rechtspersoon bezoldigen of belonen.
Afdeling 4. Verhaal op werknemer
Artikel 3.16. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel 40 van de Wfsv toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wfsv.
Artikel 3.17. Bepaling kosten verhaal eigenrisicodrager
Voor de eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, een verzekering heeft gesloten, bedragen de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op de werknemer in aanmerking komen de door hem verschuldigde premie, voor zover die premie betrekking heeft op verzekering van dat risico.
Voor de werkgever die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, geen verzekering heeft gesloten worden de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op een werknemer in aanmerking komen, vastgesteld op een percentage van het loon van de werknemer.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.