Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/99, houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden van de Raad voor plantenrassen (Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen)
Gelet op de artikelen 6, tweede, derde en vierde lid, 49, zevende lid en 72 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 en gelet op artikel 1, onderdeel e, 7, eerste en tweede lid, 8, 9, eerste en derde lid, 12, derde lid, 16, derde lid, 17, 19, tweede lid, 22, tweede lid, en 23 van het Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. besluit: Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen;
- b. richtlijn (EEG) 66/401: richtlijn nr. 66/401/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
- c. richtlijn (EEG) 66/402: richtlijn nr. 66/402/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PbEG L 125);
- d. richtlijn (EG) 2002/53: richtlijn nr. 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PbEG L 193);
- e. richtlijn (EG) 2002/54: richtlijn nr. 2002/54/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG L 193);
- f. richtlijn (EG) 2002/55: richtlijn 20002/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PbEG L 193);
- g. richtlijn (EG) 2002/56: richtlijn 2002/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG L 193);
- h. richtlijn (EG) 2002/57: richtlijn nr. 2002/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 193);
- i. richtlijn (EG) 2003/90: richtlijn nr. 2003/90/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PbEG L 254);
- j. richtlijn (EG) 2003/91: richtlijn nr. 2003/91/EG van de Commissie van 6 oktober 2003, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PbEG L 254);
- k. richtlijn (EG) 2008/90: richtlijn nr. 2008/90/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2008, betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PbEU L 267);
- l. richtlijn (EG) 2008/62: richtlijn nr. 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen (PbEU L 162);
- m. richtlijn (EG) 2009/145: richtlijn (EG) nr. 2009/145 van de Commissie van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen maar die ontwikkeld zijn voor de teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen (PbEU L 312);
- n. richtlijn (EU) 2014/97: uitvoeringsrichtlijn nr. 2014/97/EU van de Commissie van 15 oktober 2014 tot uitvoering van Richtlijn 2008/90/EG van de Raad wat betreft de registratie van leveranciers en van rassen en de gemeenschappelijke lijst van rassen (PbEU 2014, L 298);
- o. basiszaad: zaad als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/55, voor zover het groentegewassen betreft, zaad als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn (EG) 66/401 voor zover het groenvoedergewassen betreft, zaad als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c, c bis, en d, van richtlijn (EG) 66/402 voor zover het zaaigranen betreft, zaad als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/54 voor zover het bieten betreft of zaad als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c en d, van richtlijn (EG) 2002/57 voor zover het oliehoudende planten en vezelgewassen betreft;
- p. basispootgoed: pootgoed als bedoeld in artikel 2, aanhef, onderdeel b, van richtlijn (EG) 2002/56;
- q. standaardzaad: zaad als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn (EG) 2002/55;
- r. identiteitsmonster: materiaal dat ten behoeve van het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 35 van de wet, ter beschikking wordt gesteld aan de Raad of aan een instelling als bedoeld in artikel 16 van het besluit;
- s. instandhoudingsras: dat door genetische erosie wordt bedreigd;
- 1°. landras van een landbouwgewas;
- 2°. ras van een landbouwgewas, dat zich op natuurlijke wijze heeft aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden;
- 3°. landras van een groentegewas, of
- 4°. ras van een groentegewas, dat van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden wordt gekweekt,
- t. landras: een stel populaties of klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;
- u. genetische erosie: verlies, in de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of milieuveranderingen;
- v. gebied van oorsprong: het gebied of de gebieden waarin het ras van oudsher geteeld is en waaraan het zich op natuurlijke wijze heeft aangepast;
- w. voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras: ras dat geen intrinsieke waarde heeft voor de commerciële productie van gewassen, maar dat ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere omstandigheden;
- x. teeltperiode: de feitelijke periode van teelt van een ras van een gewas in het kader van technisch onderzoek in de zin van artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
Een hybride ras als bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel e, van het besluit is het product van een bewuste, voor elke zaadproductie herhaalde kruising tussen twee of meer ouderlijnen die hiertoe afzonderlijk in stand gehouden worden.
Hoofdstuk 2. Het rassenregister
Artikel 2
Bij inschrijving in het rassenregister kan aantekening worden gedaan van de cultuur- en gebruikswaarde-aspecten die gebleken zijn uit het onderzoek, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet voor:
- a. rassen van landbouwgewassen als opgenomen in de richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/53, of
- b. rassen van groentegewassen als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het besluit.
Bij inschrijving in het rassenregister kan bij rassen van bosbouwgewassen, als opgenomen in bijlage I van richtlijn (EG) 1999/105, aantekening worden gedaan van cultuur- en gebruikswaarde-aspecten die gebleken zijn bij de inspectie, beoordeling of test, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het besluit.
Voor zover rassen worden toegelaten overeenkomstig de artikelen 8 en 10 van het besluit wordt het technisch onderzoek tot vaststelling van de cultuur- en gebruikswaarde-aspecten uitgevoerd op verzoek en op kosten van de aanvrager tot toelating.
Hoofdstuk 3. De toelating van rassen en opstanden
Artikel 3
De groentegewassen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het besluit, zijn de gewassen zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van richtlijn (EG) 2002/55.
Artikel 4
De landbouwgewassen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het besluit, zijn de gewassen als opgenomen in de richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/53.
Artikel 5
De bosbouwgewassen, bedoeld in artikel 10 van het besluit, zijn de gewassen als opgenomen in bijlage I van richtlijn (EG) 1999/105.
Als opstand van bekende origine worden uitsluitend autochtone opstanden als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, subonderdeel i, van richtlijn (EG) 1999/105 bestaande uit ten minste dertig individuen van het desbetreffende geslacht toegelaten.
Artikel 6
Artikel 8, derde lid, van het besluit is van toepassing op de toelating van rassen van cichorei voor de industrie.
Artikel 7
Degene die in verband met de aanvraag tot toelating van een ras van een groentegewas, onderscheidenlijk een landbouwgewas, heeft verklaard het desbetreffende ras in stand te houden, houdt een administratie bij aan de hand waarvan de instandhouding op enig moment gecontroleerd kan worden.
In deze administratie zijn gegevens opgenomen die betrekking hebben op de productie van alle aan het basiszaad of basispootgoed voorafgaande generaties.
Artikel 8
De toelating van een ras als bedoeld in richtlijn (EG) 2001/18 kan worden gewijzigd ingeval de voorwaarden verbonden aan de toestemming, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, om dat materiaal in de handel te brengen worden gewijzigd.
De toelating van een ras of een opstand wordt ingetrokken ingeval de toestemming om dat materiaal in de handel te brengen wordt ingetrokken.
Artikel 9
Voor rassen van groentegewassen waarvan het zaad slechts als standaardzaad kan worden gecontroleerd, kunnen door de aanvrager uitgevoerd onderzoek en bij de teelt opgedane praktische ervaringen in aanmerking worden genomen in samenhang met de resultaten van een onderzoek door een door de Raad aangewezen instelling als bedoeld in artikel 16, derde lid, van het besluit.
Artikel 10
Het onderzoek, bedoeld in artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van groentegewassen uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften bedoeld in:
- a. bijlage I of bijlage II van richtlijn (EG) 2003/91, voor wat betreft de vaststelling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit van de in die bijlagen opgenomen gewassen waarbij:
- –. alle raskenmerken zoals opgenomen in de voorschriften, bedoeld in bijlage I, in aanmerking worden genomen, of
- –. de met een asterisk aangeduide raskenmerken zoals opgenomen in de voorschriften, bedoeld in bijlage II, in aanmerking worden genomen, en
- b. bijlage III van richtlijn (EG) 2003/91, voor wat betreft de in die bijlage genoemde soorten biologische rassen die geschikt zijn voor biologische teelt.
Het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van groentegewassen die niet zijn opgenomen in de bijlagen, bedoeld in het eerste lid, voor wat betreft de vaststelling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit uitgevoerd overeenkomstig de voor de desbetreffende gewassen opgestelde protocollen, bedoeld in artikel 18 van het besluit.
Artikel 11
Het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van landbouwgewassen uitgevoerd overeenkomstig:
- a. de voorschriften, bedoeld in bijlage I of bijlage II van richtlijn (EG) 2003/90 voor wat betreft de vaststelling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit van de in die bijlagen opgenomen gewassen, waarbij:
- –. alle in de voorschriften, bedoeld in bijlage I, opgenomen raskenmerken in aanmerking worden genomen, of
- –. de in de voorschriften, bedoeld in bijlage II, met een asterisk aangeduide raskenmerken in aanmerking worden genomen, of de voorschriften, bedoeld in bijlagen IV en V van richtlijn (EG) 2003/90 voor wat betreft de vaststelling van onderscheidbaarheid, homogeniteit, bestendigheid en de cultuur- en gebruikswaarde van de in die bijlagen opgenomen gewassen geschikt voor biologische teelt, en
- b. de voorschriften opgenomen in bijlage III van richtlijn (EG) 2003/90 met betrekking tot de kenmerken aan de hand waarvan de cultuur- en gebruikswaarde wordt onderzocht.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.