Wet van 2 februari 2006, houdende regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels)

Type Wet
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 27
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201), noodzakelijk is regels te stellen voor het bereiken van een minimaal veiligheidsniveau van tunnels in het trans-Europese wegennet, en dat het wenselijk is in aanvulling op deze richtlijn regels te stellen ten aanzien van de veiligheid van deze en andere wegtunnels;

Dat het voorts wenselijk is dat de werkzaamheden van de beoogde Commissie voor de tunnelveiligheid zich mede uitstrekken tot andere tunnels dan wegtunnels;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. richtlijn: richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd bij PbEU L 201);
  • b. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
  • c. bevoegd college van burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een tunnel geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen;
  • e. bouwen: hetgeen onder bouwen wordt verstaan in als bedoeld in de Omgevingswet;
  • h. Trans-Europees wegennet: bij ministeriële regeling aan te wijzen wegennet als bedoeld in richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd bij PbEU L 201).
Artikel 2
1.

Deze wet is van toepassing op tunnels, langer dan 250 meter. De lengte van de tunnel wordt bepaald door het langst omsloten gedeelte.

2.

Bij besluit van Onze Minister kan het bepaalde bij of krachtens deze wet of het bepaalde ten aanzien van de veiligheid van tunnels bij of krachtens de Omgevingswet uit het oogpunt van veiligheid geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard op met een tunnel vergelijkbare bouwwerken boven of bij een weg die uitsluitend dan wel mede bestemd is voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4
1.

Indien een tunnel op het grondgebied van meer dan één gemeente ligt of zal liggen, oefent het bevoegd college van burgemeester en wethouders zijn bevoegdheden, gegeven bij of krachtens deze wet of de Omgevingswet, uit in overeenstemming met het college van burgemeester en wethouders van die andere gemeente, dan wel met de colleges van burgemeester en wethouders van die andere gemeenten.

2.

Indien een tunnel de landsgrens overschrijdt of zal overschrijden, oefent het bevoegd college van burgemeester en wethouders zijn bevoegdheden, gegeven bij of krachtens deze wet of de Omgevingswet, ten aanzien van het deel van de tunnel dat in Nederland is gelegen uit in overeenstemming met het bestuursorgaan dat bevoegd is ten aanzien van het niet in Nederland gelegen deel van de tunnel.

Artikel 5
1.

Voor elke tunnel, alsmede voor elke tunnel ten aanzien waarvan de bouw overwogen wordt of die in aanbouw is, is er één tunnelbeheerder en één veiligheidsbeambte.

2.

De tunnelbeheerder is verantwoordelijk voor het beheer van de tunnel. De beheerder van de weg voor zover die in de tunnel ligt of zal liggen, of een andere rechtspersoon aan wie het wegbeheer voor de in de tunnel gelegen weg is of zal worden opgedragen, is tunnelbeheerder. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de taken van de tunnelbeheerder.

3.

De veiligheidsbeambte wordt aangewezen door de tunnelbeheerder, nadat het bevoegd college van burgemeester en wethouders met deze aanwijzing heeft ingestemd. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van veiligheidsbeambte geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. De veiligheidsbeambte coördineert voor de organisatie van de tunnelbeheerder alle preventieve en veiligheidsmaatregelen ter verzekering van de veiligheid van de tunnelgebruikers en het tunnelpersoneel. De veiligheidsbeambte is voor de uitoefening van de bij of krachtens deze wet aan hem opgedragen taken onafhankelijk.

4.

Indien de tunnelbeheerder afwijkt van een advies van de veiligheidsbeambte gegeven krachtens deze wet, maakt de tunnelbeheerder zijn gemotiveerde afwijking van dat advies openbaar.

5.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de taken van de veiligheidsbeambte.

Artikel 6
1.

De kans op slachtoffers in de tunnel is blijkens een risicoanalyse niet groter dan 0,1/N2 per kilometer tunnelbuis per jaar. Waarbij «N» het aantal dodelijke slachtoffers onder de weggebruikers per incident is en waarbij dat aantal 10 of meer bedraagt.

2.

De uitvoerder van de risicoanalyse, bedoeld in het eerste lid, is in functioneel opzicht onafhankelijk van de tunnelbeheerder.

3.

De risicoanalyse, bedoeld in het eerste lid, geschiedt volgens een bij ministeriële regeling vastgestelde methode.

4.

De tunnelbeheerder vraagt advies aan de veiligheidsbeambte over het bouwplan voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

Artikel 7
1.

Voor de openstelling van een tunnel stelt de tunnelbeheerder na overleg met de veiligheidsbeambte en de burgemeester van de gemeente of van elk van de gemeenten waarin de tunnel is gelegen een veiligheidsbeheerplan op. Het plan omvat ten minste de organisatie van het tunnelbeheer, de afstemming van dit beheer met de hulpverleningsdiensten, de verkeersbegeleiding, de instandhoudingsactiviteiten en de bestrijding van rampen of andere gebeurtenissen in of bij een tunnel die een mensenleven, het milieu of de tunnel in gevaar kunnen brengen. Het plan omvat tevens een analyse van scenario’s van ongevallen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het veiligheidsbeheerplan en wordt de methode voor het uitvoeren van de analyse van scenario’s van ongevallen vastgesteld. De in de derde volzin bedoelde analyse kan, met redenen omkleed, achterwege blijven.

2.

Voor de openstelling van een tunnel na een wezenlijke wijziging van de constructie, de voorzieningen dan wel het gebruik van de tunnel, past de tunnelbeheerder, na overleg met de veiligheidsbeambte en de burgemeester van de gemeente of van elk van de gemeenten waarin de tunnel is gelegen, het in het eerste lid bedoelde veiligheidsbeheerplan, voor zover noodzakelijk, aan die veranderde situatie aan.

Artikel 8
1.

Het is verboden een tunnel voor het verkeer open te stellen zonder daartoe strekkende vergunning van het bevoegd college van burgemeester en wethouders.

2.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om vergunning, bedoeld in het eerste lid, verstrekt, onderscheidenlijk overgelegd, worden.

3.

Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geen voorschriften verbonden. Zij wordt niet onder beperkingen verleend.

4.

In afwijking van het derde lid, kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden verleend onder de voorwaarde dat onvolkomenheden in de uitvoering van de gekozen gestandaardiseerde uitrusting, bedoeld in artikel 6b, vierde lid, of in de uitvoering van de gekozen voorzieningen op grond van artikel 6b, derde lid, binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn zijn hersteld, mits de tunnel ondanks de onvolkomenheden voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, genoemde norm.

5.

De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd indien:

  • a. de uitrusting van de tunnel niet is uitgevoerd overeenkomstig de krachtens artikel 6b, vierde lid, gekozen gestandaardiseerde uitrusting of niet is uitgevoerd volgens de uitrusting die is gekozen op grond van artikel 6b, derde lid;
  • b. de tunnel niet voldoet aan het overige bepaalde bij of krachtens deze wet, of
  • c. de tunnel niet voldoet aan het bepaalde ten aanzien van de veiligheid van tunnels bij of krachtens de Omgevingswet.
6.

Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 16.87 van de Omgevingswet zijn van toepassing op een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor een tunnel die onderdeel uitmaakt van een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet.

Artikel 9

De tunnelbeheerder en de hulpverleningsdiensten houden in samenwerking met de veiligheidsbeambte gemeenschappelijke oefeningen voor het tunnelpersoneel en die diensten. De tunnelbeheerder stelt daartoe in overleg met de veiligheidsbeambte en de betrokken hulpverleningsdiensten een oefenprogramma op. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de oefenfrequentie en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het oefenen.

Artikel 10

De tunnelbeheerder draagt zorg voor een actueel tunnelveiligheidsdossier. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot inhoud van dit dossier, het aanleveren van gegevens en bescheiden door derden aan de tunnelbeheerder en het door hem ter inzage geven van het dossier of delen daarvan.

Artikel 11
1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van het bevoegd college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

2.

Het bevoegd college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat elke tunnel ten minste eenmaal in de zes jaar wordt onderzocht ten einde vast te stellen of voldaan wordt aan de van toepassing zijnde bepalingen. Het college zendt de resultaten van dit onderzoek onverwijld naar de tunnelbeheerder, de veiligheidsbeambte, Onze Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en geeft daarbij aan welke maatregelen naar zijn oordeel genomen moeten worden om de gebleken tekortkomingen weg te nemen.

3.

In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of het bepaalde ten aanzien van de veiligheid van tunnels bij of krachtens de Omgevingswet:

  • a. doet het bevoegd college van burgemeester en wethouders daarvan onverwijld mededeling aan de tunnelbeheerder, de veiligheidsbeambte, Onze Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • b. kan het bevoegd college van burgemeester en wethouders de vergunning, bedoeld in artikel 8, eerste lid, intrekken.
Artikel 12

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de veiligheid nadere regels gegeven met betrekking tot het voornemen een tunnel te bouwen, het bouwen en het in gebruik nemen en hebben van tunnels, voor zover deze regels niet zijn gegeven bij of krachtens de Omgevingswet.

Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten

Artikel 13

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 14

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 15

Wijzigt de Tracéwet.

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16

Indien voor 2 mei 2006 een aanvraag om bouwvergunning met betrekking tot een tunnel is ingediend en de desbetreffende vergunning nog niet is verleend, wordt deze aanvraag beoordeeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet en het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.

Artikel 17

Ten aanzien van tunnels ten behoeve waarvan de bouwvergunning voor 2 mei 2006 is verleend maar die op 1 mei 2006 nog niet voor het openbaar verkeer opengesteld zijn, beoordeelt het bevoegd college van burgemeester en wethouders of voldaan wordt aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, of het bepaalde bij of krachtens de Woningwet met betrekking tot tunnels. Indien het bevoegd college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat hieraan niet wordt voldaan, stelt hij de tunnelbeheerder en de veiligheidsbeambte in kennis van de te nemen maatregelen.

Artikel 18
1.

Maatregelen ten aanzien van tunnels die voor 1 mei 2006 voor het openbare verkeer opengesteld zijn of opengesteld geweest zijn, die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of het bepaalde bij of krachtens de Woningwet met betrekking tot de veiligheidseisen voor tunnels, worden genomen:

  • a. voor tunnels in het Nederlands deel van het trans-Europees wegennet met een lengte van meer dan 500 meter: voor 1 mei 2014;
  • b. voor andere dan de in onderdeel a bedoelde tunnels: voor 1 mei 2019.
2.

Maatregelen ten aanzien van tunnels, die voor 1 juli 2013 voor het openbare verkeer opengesteld zijn of opengesteld geweest zijn, die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, of die nodig zijn om te voldoen aan de norm, genoemd in artikel 6, eerste lid, worden genomen:

  • a. voor tunnels in het Nederlands deel van het trans-Europees wegennet met een lengte van meer dan 500 meter: voor 1 mei 2014;
  • b. voor andere dan de in onderdeel a bedoelde tunnels: voor 1 mei 2019.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)