Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Centrale organisatie Werk en Inkomen en rechtsvoorganger Arbeidsvoorzieningenorganisatie 1997–2004

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-03-22
State In force
Source BWB
artikelen 4
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 november 2005, nr. arc-2005.02537/2);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst ingediend door de Centrale organisatie Werk en Inkomen als aanvullend selectiedocument voor de neerslag van handelingen van de Centrale organisatie Werk en Inkomen en van de rechtsvoorganger de Arbeidsvoorzieningenorganisatie over de periode 1997–2004’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Het BSD fungeert als nieuw selectie-instrument voor de Centrale organisatie Werk en Inkomen voor de periode vanaf 1997.

De selectielijst geldt als aanvulling op de selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991–1997, die op 10 juli 2000 is vastgesteld (Stcrt. 2000, 155).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Aanvullend selectiedocument voor de neerslag van de handelingen van de arbeidsvoorzieningsorganisatie en de centrale organisatie werk en inkomen over de periode (1991) 1997–

Lijst van afkortingen

AVW: Arbeidsvoorzieningswet

BBA: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen

CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

CWI: Centrale organisatie werk en inkomen

EEG: Europese Economische Gemeenschap

EG: Europese Gemeenschap

IAO: Internationale Arbeidsorganisatie

ILO: International Labour Organisation

IWI: Inspectie voor Werk en Inkomen

KB: Koninklijk Besluit

MISEP: Mutual Information System on Employment Policies

NOM: Nationale Ombudsman

OCenW: Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (Ministerie van)

OR: Ondernemingsraad

PB: Publicatieblad

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RWI: Raad voor werk en inkomen

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

SVB: Sociale Verzekeringsbank

SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ministerie van )

SUWI: Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Wet)

UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

WAADI: Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

WAV: Wet Arbeid Vreemdelingen

WVA: Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

WSW: Wet Sociale Werkvoorziening

1. Inleiding

In deze aanvulling zijn de handelingen beschreven van de Centrale organisatie werk en inkomen en haar rechtsvoorganger over de periode 1997–2004. Dit document is een vervolg op de selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991–1997, die op 10 juli 2000 is vastgesteld (Staatscourant 2000, 155).

In deze aanvulling is uitgegaan van alle nieuwe en nog lopende handelingen vanaf 1997. Alle reeds afgesloten handelingen zijn verwijderd. Alle nog lopende handelingen zijn behouden en de nieuwe handelingen toegevoegd. Een groot aantal actoren is hierdoor uit het selectiedocument verdwenen. Voor deze actoren wordt verwezen naar de eerste selectielijst. Daarom is de titel van dit document ‘Aanvullend selectiedocument voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de Centrale organisatie werk en inkomen over de periode (1991) 1997– ’.

Op 23 juli 2004 is het ontwerp aanvullend selectiedocument door de Raad van bestuur aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het selectiedocument naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juni 2005 lag het selectiedocument gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheek van de Centrale organisatie werk en inkomen, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant 101 van 30 mei 2005 en in het Archievenblad.

Op 9 november 2005 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2005.02537/2), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van het ontwerp-selectiedocument.

Daarop werd het selectiedocument op 16 februari 2006 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vastgesteld (kenmerk C/S&A/06/261).

2. Historisch perspectief

Tegen het einde van de 19e eeuw lag de arbeidsbemiddeling voornamelijk in handen van vakverenigingen en verenigingen op ideële grondslag. Voor die tijd was de arbeidsbemiddeling het werkterrein van particulieren, die op de eerste plaats geïnteresseerd waren in woekerwinsten. De overheidsbemoeienis met de arbeidsbemiddeling is ontstaan aan het begin van de 20e eeuw. In 1902 werd in Schiedam de eerste gemeentelijke arbeidsbeurs opgericht.

In de Eerste Wereldoorlog werd het probleem van de werkloosheid dermate groot, dat de nationale overheid er niet meer om heen kon: het rijk neemt zijn medeverantwoordelijkheid en dit leidt tot oprichting van de Centrale Rijks Arbeidsbeurs. In 1916 werd deze dienst samengevoegd met de Dienst Werkloosheidsverzekering in de Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling. Onder deze Rijksdienst vielen districts-arbeidsbeurzen, gemeentelijke arbeidsbeurzen en agentschappen. Een van de taken van de rijksdienst werd de voorbereiding van een arbeidsbemiddelingwet, die in 1932 in werking trad. Deze wet stelt een verbod op de arbeidsbemiddeling zonder een vergunning van overheidswege. Daarnaast verschaft deze wet een juridische basis aan de arbeidsbemiddeling, die van overheidswege wordt geleid en in stand gehouden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de arbeidsbemiddeling naar Duits model gereorganiseerd. Het Rijksarbeidsbureau (RAB), een afdeling van het Departement van Sociale Zaken, werd belast met de openbare arbeidsbemiddeling. Deze afdeling bestond uit een hoofdbureau, 37 gewestelijke arbeidsbureaus (GAB’s) en 144 bijkantoren. Voorts berustte bij het RAB ook de zorg voor de openbare voorlichting bij beroepskeuze en de bemiddeling voor het verkrijgen van een gelegenheid om vakkennis op te doen. Op 1 januari 1943 werd de Afdeling Vakontwikkeling en Sociale Jeugdzorg van de Rijksdienst voor de Werkverruiming ondergebracht bij het RAB. Dit betekende tevens de overgang van de gemeentelijke Centrale Werkplaatsen naar het RAB waarbij de benaming werd veranderd in Rijkswerkplaatsen (RWP). De regering in Londen bepaalde in 1944 bij Koninklijk Besluit (KB) dat na de oorlog het bovengenoemde model definitief overgenomen werd. Tevens vond er een taakverzwaring plaats door de invoering van de ontslagtaak [artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) 1945].

In de jaren vijftig doen zich enkele belangrijke veranderingen voor. In de eerste plaats werd de bemiddelingsindeling, die gebaseerd was op de verschillende beroepen, vervangen door een beroepenclassificatiesysteem. De idee hierachter was dat veel werkzaamheden door mensen met dezelfde verstandelijke vermogens gedaan konden worden. In de tweede plaats werd de bestaande gebiedsindeling van de arbeidsbureaus veranderd. Er werden 84 GAB’s ingesteld waarvan er 11 als Districtsarbeidsbureau gaan functioneren. Tenslotte werd de Directie voor de Arbeidsvoorziening (later veranderd in Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening) opgericht dat onderdeel ging uitmaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De directie kreeg als taak ‘een doeltreffende arbeidsvoorziening te bevorderen’ alsmede zorg te dragen voor de gesubsidieerde aanvullende werkgelegenheid. Verder werd de taak uitgebreid met de verplaatsing van arbeidskrachten binnen Europa; arbeidsmarktonderzoek; voorbereiding, uitvoering van verdragen betreffende de uitwisseling van arbeidskrachten en van stagiaires met andere landen en vraagstukken van arbeidsvoorziening in buitengewone omstandigheden. Door de toename van taken en activiteiten veranderde de naam arbeidsbemiddeling naar arbeidsvoorziening.

In verband met de ongewenste associaties, die de benaming ‘Rijkswerkplaats voor Vakontwikkeling’ bleek op te roepen, werd de naam in de loop van 1958 veranderd in ‘Regionale Werkplaats voor Vakopleiding van Volwassenen’ en later in ‘Centrum voor Vakopleiding van Volwassenen’.

In de jaren zestig kreeg de openbare arbeidsbemiddeling door twee ontwikkelingen een ander karakter die de jaren daarna richtingbepalend zullen zijn. De eerste ontwikkeling kreeg gestalte in een OESO-rapport (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

Het kwam er kort op neer dat Nederland een actief arbeidsmarktbeleid moest gaan voeren om te streven naar volledige werkgelegenheid. De tweede ontwikkeling was het ontstaan van uitzendbureaus, die door de grote vraag naar arbeidskrachten, gingen concurreren met de arbeidsbureaus. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen kwam de Sociaal-Economische Raad (SER) in 1971 met een advies over Arbeidsbureau Nieuwe Stijl (ANS) en richtte Arbeidsvoorziening het uitzendbureau START op.

Gedurende de jaren zeventig en tachtig was sprake van een grote achteruitgang van de werkgelegenheid en een enorme aanwas van werklozen. Hierop waren de arbeidsbureaus niet voorbereid en het experiment met ANS stagneert. Het combineren van de administratieve registratiefunctie van werklozen met de acquisitie van vacatures kwam moeizaam op gang. Daarnaast kreeg men te maken met nieuwe vormen van concurrentie (headhunters, outplacementbureaus, wervings- en selectiebureaus) en was de maatschappelijke kritiek op het functioneren van de arbeidsbureaus heviger dan ooit.

In 1985 adviseerde de SER te komen tot een nieuwe zelfstandige organisatie op tripartite leest geschoeid. Werkgevers, werknemers en overheid dienden in gelijke mate verantwoordelijk te zijn voor het arbeidsvoorzieningsbeleid. Het Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening diende te worden vervangen door een nieuw bestuurlijk concept. Dit SER-advies werd uiteindelijk de basis van de Arbeidsvoorzieningswet (AVW) die op 1 januari 1991 in werking is getreden.

Met de invoering van de AVW en de bijbehorende invoeringswet werd de organisatie, omgevormd tot een zelfstandig openbaar lichaam, onder een centraal tripartite bestuur van overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties, dat verantwoordelijk is voor het arbeidsvoorzieningsbeleid.

Eind 1994 werd tussen de Minister van SZW en sociale partners een ‘Partijenovereenkomst inzake hoofdlijnen toekomst Arbeidsvoorziening’ gesloten. Deze overeenkomst bevatte een aantal afspraken tussen de minister en sociale partners over voortzetting van de tripartite structuur, het beheer, de financiering en de bestuurlijke inrichting van de organisatie. In maart 1995 presenteerde de, door de Minister van SZW ingestelde, Commissie Evaluatie Arbeidsvoorzieningswet (Commissie Van Dijk) haar eindrapport. Hierin uitte de commissie kritiek op het functioneren van het tripartite bestuursmodel op landelijk niveau. Het eindrapport van de commissie en eerdergenoemde overeenkomst hebben onder meer geleid tot de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996, die op 1 januari 1997 in werking is getreden.

In deze wet is de tripartite bestuursvorm gehandhaafd zij het dat de vertegenwoordigers van de Rijksoverheid zijn vervangen door onafhankelijke kroonleden. Dit om een betere scheiding van verantwoordelijkheden te realiseren. Daarnaast kent deze wet een andere bevoegdheidsverdeling dan de oude Arbeidsvoorzieningswet. Het Centraal Bestuur en de Regionale Besturen sturen op hoofdlijnen van het beleid. De dagelijkse leiding over de organisatie wordt opgedragen aan de Algemene Directie en de Regionale Directies. De Algemene Directie stuurt de Regionale Directies aan op het gebied van beheer en bedrijfsvoering.

In de tweede helft van de jaren negentig wordt het proces van Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) gestart. Het kabinet beoogt een vorm van gecoördineerde dienstverlening, waarbij op cliëntniveau de diensten m.b.t. werk en inkomen gecombineerd als één pakket, zo mogelijk vanuit één loket wordt aangeboden.

Voor de vormgeving van de samenwerking is de Regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen, een samenwerkingsverband van het CBA (Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening), het TICA (Tijdelijk Instituut voor Coördinatie en Afstemming) en de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten), ingesteld. Deze adviseert medio 1997 aan het kabinet om in het hele land te komen tot Centra voor Werk en Inkomen (CWI) waarin gemeenten, arbeidsbureaus en de uitvoeringsinstellingen voor de sociale verzekeringen samenwerken op het gebied van arbeidsbemiddeling en uitkeringsverstrekking.

In het Regeerakkoord van 1998 wordt uitgebreid ingegaan op de beoogde veranderingen in de uitvoering van de arbeidsvoorziening en de sociale zekerheid. De reïntegratietaken en de uitkeringsverzorging zouden op termijn moeten worden uitgevoerd door private instanties.

In maart 1999 wordt in het Kabinetsstandpunt inzake de Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI) opgenomen dat de basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening wordt ondergebracht in de CWI’s en dat de reïntegratie taken in een afzonderlijk te vormen bedrijf worden ondergebracht.

Uiteindelijk neemt het kabinet in maart 2000 in het document ‘Nader kabinetsstandpunt SUWI’ een definitief standpunt in. Het onderdeel van Arbeidsvoorziening dat de arbeidsbemiddeling verzorgt wordt ondergebracht in de Centrale Organisatie werk en inkomen, waarvan de CWI’s deel uitmaken. Het reïntegratiedeel van Arbeidsvoorziening wordt geprivatiseerd. Er komt een Raad voor Werk en Inkomen, waarin vertegenwoordigers van gemeenten en sociale partners participeren. Er komt een publiek orgaan, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), waarmee de weg naar privatisering van de uitkeringsverzorging wordt verlaten.

Het ‘Nader kabinetsstandpunt SUWI’ vormt uiteindelijk de basis voor de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen die op 1 januari 2002 in werking is getreden.1De gegevens m.b.t. deze paragraaf zijn afkomstig van het rapport De geschiedenis van de openbare arbeidsbemiddeling in Nederland, Research voor Beleid, Leiden 1988 en het rapport Tien jaar tripartiete Arbeidsvoorziening, Zoetermeer 2002.

3. Organisatie en taken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie

Op 1 januari 1991 wordt bij wet (Arbeidsvoorzieningswet, Stb.1990, 402) een publiekrechtelijke organisatie, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, in het leven geroepen. De organisatie maakt niet langer deel uit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) maar wordt een zelfstandige organisatie bestaande uit een centraal bestuur, een algemeen directeur, een centraal (landelijk) bureau, 28 regionale besturen met allen een regionaal directeur en regionaal stafbureau. Verder maken circa 140 arbeidsbureaus en 60 centra vakopleiding deel uit van de organisatie.

De Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt in artikel 2 van de AVW belast met het bevorderen van een doelmatige en rechtvaardige aansluiting van vraag en aanbod van arbeidskrachten op de arbeidsmarkt.

Hiertoe draagt zij in elk geval zorg voor (artikel 4 AVW):

Daarnaast voert de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nog enkele andere wettelijke taken uit, waaronder de ontslagtaak (artikel 6 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen).

In de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996 (AVW 1996) wordt in artikel 3 bepaald dat de doelstelling of kerntaak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voortaan luidt: het bevorderen van de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, in het bijzonder door dienstverlening aan moeilijk plaatsbare werkzoekenden

In artikel 4 van de AVW 1996 staat wat deze kerntaak in elk geval inhoudt:

Op 1 januari 2002 is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als gevolg van de invoering van de nieuwe structuur voor werk en inkomen (SUWI) formeel opgesplitst. Vooruitlopend hierop is in oktober 2000 een interne reorganisatie doorgevoerd door de inrichting van vijf intern verzelfstandigde bedrijfsonderdelen:

Elk van deze onderdelen gaat een eigen toekomst tegemoet. Om dit proces te bespoedigen en helderheid te scheppen voor klanten, opdrachtgevers en ook de eigen medewerkers heeft het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening besloten alle bedrijfsonderdelen op 1 april 2001 over te dragen aan nieuwe bestuurders en zelf terug te treden.

Ook de regionale besturen voor de Arbeidsvoorziening treden terug. Bestuur en directie zijn dit overeengekomen met de minister van SZW.

De door de minister van SZW aangewezen bestuurders geven verder vorm aan de vijf bedrijfsonderdelen.

De vijf voormalige bedrijfsonderdelen van Arbeidsvoorziening zijn per 1 januari 2002 extern verzelfstandigd. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is blijven voortbestaan in de vorm van het Concern van Arbeidsvoorziening. Het concern ondersteunt de achtereenvolgende bestuurders (zie hierna) bij de afwikkeling/liquidatie van Arbeidsvoorziening. De Arbeidsvoorzieningswet 1996 is op die situatie aangepast. De (aangepaste) wet blijft van kracht tot de feitelijke liquidatie van Arbeidsvoorziening.

Binnen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is een zevental actoren te onderscheiden, die onder de werking van de Archiefwet 1995 vallen en waarvan handelingen zijn opgenomen. Van deze actoren is hieronder een beschrijving opgenomen.

3.1. Actoren

Het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA), ingesteld op 1 januari 1991 bij de Arbeidsvoorzieningswet (AVW), staat aan het hoofd van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en is samengesteld uit vertegenwoordigers van de centrale organisaties van werkgevers en werknemers en vertegenwoordigers van de ministers van O&W, Economische Zaken (EZ) en SZW. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is lid zonder stemrecht. Het CBA staat onder een onafhankelijk voorzitter. De benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters en de (plv.) leden vindt plaats bij Koninklijk Besluit.

Artikel 11 van de AVW geeft de taken van het CBA:

Het CBA is belast met:

De nieuwe AVW 1996 brengt een aantal veranderingen met zich mee voor het CBA. Deze veranderingen hebben onder meer betrekking op vervanging van de vertegenwoordigers van de rijksoverheid door kroonleden in het nieuw te benoemen bestuur en op het takenpakket.

Dit gewijzigde takenpakket is omschreven in artikel 14 van de AVW 1996 en luidt:

Vooruitlopend op de invoering van de nieuwe structuur voor werk en inkomen en in vervolg op de interne reorganisatie door de inrichting van vijf verzelfstandigde bedrijfsonderdelen heeft het CBA besloten op 1 april 2001 terug te treden ten gunste van de nieuwe bestuurders van de vijf verzelfstandigde bedrijfsonderdelen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.