Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Overkoepelend beleid Verkeer en Waterstaat vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2006, nr. arc-2005.02633/5);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overkoepelend beleid verkeer en Waterstaat over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Overkoepelend beleid Verkeer en Waterstaat, 1945–2002
Digital display
in opdracht van: Ministerie van Verkeer & Waterstaat (PIVOT-project)
M. Doekes
Juni 2005
versie na driehoeksoverleg
Inleiding
Het PIVOT-rapport Overkoepeld beleid Verkeer en Waterstaat. Een institutioneel onderzoek naar overkoepelende beleidsaspecten op het terrein verkeer en waterstaat, 1945–2002, vormt de grondslag voor dit basisselectiedocument. Het rapport beschrijft het handelen van de rijksoverheid ten aanzien van het integraal beleid (of: overkoepelende beleidsaspecten) op het terrein van het inlands verkeer en vervoer gedurende de periode tussen 1945 en 2002 en geeft een overzicht van de actoren die zich op het terrein bewegen.
Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) implementeren de Algemene Rijksarchivaris en de vertegenwoordigers van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat de afspraken die bij convenant van 3 november 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn gemaakt. De eerste stap van de implementatie is de waardering van de neerslag van de handelingen, op basis waarvan bepaald kan worden welke neerslag voor permanente bewaring in het Nationaal Archief in aanmerking komt, en welke neerslag op termijn vernietigd kan worden. Deze eerste stap is in het basisselectiedocument (BSD) vastgelegd.
Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling. Alvorens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het BSD vaststelt, hoort deze de Raad voor Cultuur. Na vaststelling van het BSD kan de procedure voor enerzijds de overbrenging van de archiefbescheiden naar het Nationaal Archief en anderzijds de vernietiging van de bescheiden worden uitgevoerd.
Het BSD bestaat uit een korte beschrijving van het terrein en de actoren, een verantwoording van de doelstelling van de selectie en de gehanteerde selectiecriteria en de lijst van gewaardeerde handelingen, voorafgegaan door een toelichting op de lijst.
1. Hoofdlijnen van het handelen overkoepelend beleid Verkeer en Waterstaat
Door het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) zijn hoofdlijnen van het overheidshandelen gedefinieerd als: doelstellingen van de overheid binnen de kaders van een beleidsterrein.
Het begrip Verkeer en Waterstaat bestrijkt een omvangrijk terrein. Het omvat de terreinen verkeer en vervoer, infrastructuur, luchtvaart, telecommunicatie en meteorologie. Het handelen van de rijksoverheid op deze beleidsterreinen is beschreven in een aantal rapporten institutioneel onderzoek:
Ieder van de genoemde rapporten behandelt de daartoe behorende beleidsterreinen en de daarmee samenhangende handelingen. In het rapport dat als basis dient voor dit BSD komt het overkoepelende, langetermijnbeleid van Verkeer en Waterstaat aan bod. Overkoepeling zal vooral betrekking hebben op de beleidsterreinen verkeer en vervoer en infrastructuur. De andere beleidsterreinen (luchtvaart, telecommunicatie en meteorologie) kennen een vrij autonome beleidsontwikkeling. Het overkoepelende beleidsaspect heeft vooral betrekking op de lange- en middellange termijnplanning. Het gaat hierbij om structuurschema’s en meerjarenplannen. De verkeersveiligheid en infrastructuur zijn reeds behandeld in het rapport ‘Waterstaat’. Het infrastructuurbeleid vanaf 1992 zal echter wel in dit rapport worden behandeld. Vanaf dat moment wordt het infrastructuurbeleid in samenhang met het verkeer en vervoerbeleid ontwikkeld.
De uitwerking van het langetermijnbeleid heeft raakvlakken met het milieubeleid. Voor het milieubeleid is de Minister van Milieu de eerst aangewezene. Voor handelingen op dat terrein wordt verwezen naar het BSD milieubeleid. In dit BSD zijn alleen handelingen op het terrein milieubeleid opgenomen die zuiver op het vervoersbeleid betrekking hebben. Hierbij wordt er van uit gegaan dat het vervoersbeleid een bijdrage levert aan het milieubeleid. Voor een verdere afbakening wordt verwezen naar paragraaf 7.4 van het RIO.
In dit BSD komen ook handelingen voor op het terrein crisisbeheersing. De taken en handelingen op dit terrein zijn opgenomen in het BSD Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Echter is in dat BSD geen handeling opgenomen voor de departementale organisatie op dit terrein. In dit BSD komen daarom handelingen van de departementale organisatie op dit terrein aan de orde. Verder heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat ook nog een specifieke taak voor het organiseren van het vervoer in crisissituaties, op grond van de Noodvervoerswet. Ook deze handelingen zijn niet opgenomen in het BSD Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing en zijn daarom in dit rapport opgenomen.
In het verkeers- en vervoerbeleid staat de bijdrage aan een optimale economische, ruimtelijke en sociale structuur centraal. Nederland is hét distributieland van Europa. De transportsector speelt een belangrijke rol in de internationale economische betrekkingen en Nederland haalt hier belangrijke economische voordelen uit. De concurrentiepositie van Nederland op de internationale markt moet in stand gehouden worden en waar mogelijk worden uitgebreid. De bereikbaarheid van de economische centra en mainports moet worden verbeterd. Dit mag echter niet ten koste van alles. De ontwikkeling van de economie en de daarmee samenhangende ontwikkeling van de werkgelegenheid moet plaatsvinden binnen de maatschappelijk vastgestelde randvoorwaarden van leefbaarheid en veiligheid: het duurzame mobiliteitsbeleid.
Bij het voeren van dit beleid is sprake van een continu afwegingsproces op het terrein van economie en milieu. Daarnaast wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het concurrentie- en prijsmechanisme. Bij het beleid wordt uitgegaan van een gedeelde verantwoordelijkheid tussen bedrijven, burgers en overheid.
De beschreven handelingen vinden voor een deel hun basis in de wet- en regelgeving en de verschillende beleidsdocumenten, zoals rapporten, nota’s en werkplannen. Aanvullende informatie is verkregen uit gesprekken met en opmerkingen van medewerkers van de verschillende diensten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. Actoren
Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. In het kader van het institutioneel onderzoek zijn met name die actoren van belang die overheidsorganen zijn en handelingen verrichten ten aanzien van overkoepelende beleidsaspecten op het terrein van inlands verkeer en vervoer.
De zorg voor een samenhangend verkeers- en vervoerbeleid in Nederland en voor de internationale afstemming daarvan berust in de periode van 1945–2002 grotendeels bij de Minister van Verkeer en Waterstaat. De belangrijkste actor op het terrein is daarom de Minister van Verkeer en Waterstaat.
Van de volgende actoren zijn handelingen in dit BSD opgenomen:
Onder deze zorgdrager vallen de volgende actoren:
Onder deze zorgdrager vallen de volgende actoren:
– Minister van Buitenlandse Zaken.
Onder deze zorgdrager vallen de volgende actoren:
Onder deze zorgdrager vallen de volgende actoren:
– Minister van Financiën.
Onder deze zorgdrager vallen de volgende actoren:
– Commissie Bijdragen Verkeers- en Vervoervoorzieningen in en om de steden.
3. Selectie
De selectie richt zich op archiefbescheiden van overheidsorganen op rijks- en provinciaal niveau die vallen onder de werking van de artikelen 1, 23 en 41 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276). Het begrip overheidsorgaan wordt in artikel 1 van de Archiefwet 1995 gedefinieerd als:
Het begrip archiefbescheiden betreft alle neerslag van de omschreven handelingen, ongeacht of het papier of een machineleesbaar gegevensbestand (MLG) betreft en of het zich in een archief, bibliotheek, op een afdeling automatisering of bij beleidsmedewerkers bevindt.
De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid aanbrengen tussen enerzijds archiefbescheiden die in aanmerking komen voor blijvende bewaring en overbrenging naar het Nationaal Archief of een Rijksarchief in de provincie en anderzijds archiefbescheiden die (op termijn) voor vernietiging in aanmerking komen. De voor blijvende bewaring in aanmerking komende bescheiden dienen na een termijn van 20 jaar naar het Nationaal Archief te worden overgebracht. De beslissing of neerslag van een handeling wel of niet voor blijvende bewaring in aanmerking komt, wordt genomen tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT, zoals de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur die heeft verwoord bij de behandeling van de nieuwe Archiefwet in de Tweede Kamer (13 april 1994): ‘het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen’. Door het Convent van Rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.
In dit BSD wordt deze selectiedoelstelling uitgewerkt ten aanzien van overkoepelende beleidsaspecten op het terrein inlands verkeer en vervoer. De handelingen van de verschillende actoren worden geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie is dus de vraag aan de orde welke gegevensbestanden, behorende bij welke handeling, berustende bij welke actor, bewaard dienen te worden teneinde het handelen van de rijksoverheid aangaande overkoepelende beleidsaspecten op het terrein inlands verkeer en vervoer op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.
Bij de selectie van handelingen is binnen het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) een aantal criteria onderscheiden dat op elk beleidsterrein of taakgebied van toepassing is. Daarnaast is het mogelijk dat er specifieke criteria geformuleerd worden voor het desbetreffende beleidsterrein. De criteria, die in de selectielijst zijn toegepast, worden in het onderstaande schema weergegeven. Ten aanzien van de overkoepelende beleidsaspecten op het terrein verkeer en waterstaat is het formuleren van specifieke criteria niet nodig gebleken.
De selectiecriteria zijn positief geformuleerd, dat wil zeggen dat zij aangeven van welke handelingen de neerslag na het verstrijken van de wettelijke overbrengingstermijn van 20 jaar naar het Nationaal Archief dient te worden overgebracht. Handelingen die aan één van de criteria voldoen, zijn met B (bewaren) gewaardeerd met vermelding van het desbetreffende criterium. Handelingen die niet aan één van de selectiecriteria voldoen zijn met V (op termijn vernietigen) gewaardeerd, met vermelding van de minimale termijn, dat de archiefbescheiden, door het orgaan dat met de zorg ervoor is belast, bewaard moeten worden. De documentaire neerslag die uit deze laatstgenoemde handelingen voortvloeit is niet noodzakelijk voor de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen. De neerslag van de met V gewaardeerde handelingen kan na de voorgeschreven termijn worden vernietigd. Die termijn wordt bepaald door juridische en administratieve belangen.
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Het BSD geldt als de selectielijst zoals bedoeld in artikel 5 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 671), ter uitvoering van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). Voordat door de zorgdrager daadwerkelijk tot selectie en vernietiging aan de hand van dit BSD kan worden overgegaan, dient de volgende procedure te worden gevolgd:
Het is pas na deze publicatie in de Staatscourant mogelijk daadwerkelijk tot vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden over te gaan.
In juli 2003 is het ontwerp-BSD door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 september 2005 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 21 oktober 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02633/5), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
Daarop werd het BSD op 27 maart 2006 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Defensie (C/S&A/06/636), de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (C/S&A/06/639), de Minister van Buitenlandse Zaken ( C/S&A/06/635), de Minister van Financiën (C/S&A/06/637), de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/05/638) vastgesteld.
Iedere handeling is vastgelegd in een gegevensblok met zes of zeven velden. Op deze wijze:
(volgnummer)
Handeling:
Periode:
Bron:
Product:
Opmerking:
Waardering:
Iedere handeling is voorzien van een uniek volgnummer.
Een handeling is een complex van activiteiten gericht op het totstandbrengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Een actor kan handelingen via mandatering door organisatieonderdelen of -leden laten verrichten. De handelingen zijn in principe positief geformuleerd. Dat wil zeggen dat bij een handeling als ‘het vaststellen van een regeling’ ook ‘het intrekken van een regeling’ inbegrepen wordt geacht.
De periode geeft aan wanneer een handeling is uitgevoerd. Als een handeling nog niet is beëindigd, is achter het eerste jaartal alleen een streepje gezet (bijvoorbeeld: 1950–). Deze handelingen waren bij het afsluiten van het onderzoek nog niet beëindigd. Onderhoud aan de selectielijst zal eventuele eindjaren moeten achterhalen.
De bron of grondslag geeft de wet of de regeling krachtens de wet waarop een handeling is gebaseerd. Niet alle handelingen zijn gebaseerd op een grondslag. Dan is de beschrijving van de handeling ontleend aan de literatuur of bronnen. Voor enkele (algemene) handelingen is geen grondslag of bron aangetroffen.
Het product is het resultaat van de handeling. De gegeven opsommingen van producten zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.
Soms was het noodzakelijk bepaalde velden in de gegevensblokken te verduidelijken met een opmerking.
De waardering geeft aan welke selectiebeslissing genomen moet worden ten aanzien van de neerslag van de handeling. Zie hiervoor hoofdstuk 4.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.