Regeling van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. van der Laan, van 14 april 2006, nr. DJZ2006249520, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende nadere regels over de te geven inrichting aan de opleidingen tot architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect (Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect)
Gelet op de artikelen 9, tweede lid, 10, tweede lid, 11, tweede lid, en 12, tweede lid, van de Wet op de architectentitel;
Besluiten:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. wet: Wet op de architectentitel;
- b. register: architectenregister, bedoeld in artikel 2 van de wet.
Hoofdstuk II. Voorschriften omtrent de inrichting welke degene die inschrijving in het register als architect wenst te verkrijgen, aan zijn of haar opleiding moet hebben gegeven
Artikel 2. Voorschriften inrichting opleiding architect
Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, komt slechts voor inschrijving in het register als architect in aanmerking, indien zijn of haar opleiding ten minste de verwerving waarborgt van het vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoet.
De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
- a. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de architectuur en aanverwante kunstvormen, technologische vakken en menswetenschappen;
- b. vaardigheid om een ontwerp en plan in beeld, geschrift en woord voor anderen inzichtelijk te maken;
- c. inzicht in de problemen op het gebied van het constructief ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het ontwerpen van gebouwen;
- d. passende kennis van de natuurkundige en technologische vraagstukken die samenhangen met de functie van een bouwwerk met het oog op het verschaffen van comfort en bescherming tegen weersomstandigheden;
- e. passende kennis van de industrieën, organisaties, voorschriften en procedures die een rol spelen bij het vertalen van ontwerpen in bouwwerken en het inpassen van plannen in de planologie;
- f. passende kennis van stedenbouwkunde, planologie en daarbij gebruikte technieken;
- g. passende kennis van de beeldende kunsten, voorzover deze van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de architectonische vormgeving;
- h. inzicht en vaardigheid in de methoden van onderzoek en van voorbereiding bij het maken van architectonische projecten;
- i. inzicht in het architectenberoep en de rol van de architect in de maatschappij, in het bijzonder bij het maken van projecten waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren in het kader van duurzame ontwikkeling;
- j. inzicht in de relatie tussen mensen en architectonische constructies en tussen architectonische constructies en hun omgeving, alsmede in de noodzaak om architectonische constructies en de ruimten daartussen af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven;
- k. technische bekwaamheid als ontwerper, teneinde binnen de doo rbegrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen te kunnen voldoen aan de eisen van de gebruikers van een gebouw, en
- l. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.
Artikel 3. Opleidingen die aan voorschriften inrichting voldoen
Aan artikel 2 wordt in elk geval voldaan door degene die in het bezit is van:
- a. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architecture, variant Architecture, de Masteropleiding Architecture, Building and Planning, variant Architecture, dan wel de Masteropleiding Architecture, Urbanism and Building Sciences, variant Architecture, aan de Technische Universiteit Delft, verworven na het met goed gevolg doorlopen van de bacheloropleiding op het gebied van de bouwkunde, leidend tot de graad van Bachelor of Science, dan wel van een opleiding waarin kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden zijn verworven die overeenkomen met die verworven bij beëindiging van genoemde bacheloropleiding;
- b. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architecture, Building and Planning, mastertrack Architecture, aan de Technische Universiteit Eindhoven, verworven na het met goed gevolg doorlopen van de bacheloropleiding op het gebied van de bouwkunde, leidend tot de graad van Bachelor of Science, dan wel van een opleiding waarin kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden zijn verworven die overeenkomen met die verworven bij beëindiging van genoemde bacheloropleiding;
- c. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architectuur aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Amsterdam;
- d. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architectuur aan de Hogeschool Rotterdam, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Rotterdam;
- e. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architectuur aan de Fontys Hogescholen Tilburg, afgegeven door de examencommissie van de Fontys Academie voor Architectuur en Stedenbouw te Tilburg;
- f. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architectuur aan ArtEZ hogeschool voor de kunsten, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Arnhem;
- g. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architectuur aan de Hanzehogeschool Groningen, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Groningen, of
- h. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architectuur aan de Hogeschool Zuyd, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Maastricht.
Artikel 4. Oude opleidingen die aan voorschriften inrichting voldoen
Voor inschrijving in het register komt eveneens in aanmerking degene die in het bezit is van:
- a. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, afgegeven door de afdeling bouwkunde van de Technische Hogeschool dan wel Universiteit te Delft onderscheidenlijk te Eindhoven, indien betrokkene voor of in het studiejaar 1987–1988 een aanvang heeft gemaakt met de studie voor dat getuigschrift;
- b. het door de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Delft afgegeven getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, omvattende de afstudeerrichting architectuur;
- c. het door de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Eindhoven afgegeven getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, omvattende de differentiatie architectuur en urbanistiek, indien betrokkene in de studiejaren 1988–1989 tot en met 1992–1993 een aanvang heeft gemaakt met de studie voor dat getuigschrift, of de afstudeerdifferentiatie architectuur, indien betrokkene met ingang van of na het studiejaar 1993–1994 een aanvang heeft gemaakt met de studie voor dat getuigschrift;
- d. het door de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Eindhoven afgegeven getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, omvattende de afstudeerrichting architectuur;
- e. het op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs uitgereikte diploma van het met goed gevolg afgelegd eindexamen van de afdeling architectuur aan:
- 1°. de Academie van Bouwkunst te Amsterdam;
- 2°. de Academie van Bouwkunst te Rotterdam;
- 3°. de Academie van Bouwkunst dan wel de Academie voor Architectuur en Stedebouw te Tilburg;
- 4°. de Academie van Bouwkunst te Arnhem;
- 5°. de Academie van Bouwkunst te Groningen of
- 6°. de (Limburgse) Academie van Bouwkunst te Maastricht;
- f. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd examen, verbonden aan de opleiding van de tweede fase, opleiding voor beroepen op het terrein van architectuur, aan een in onderdeel e genoemde Academie van Bouwkunst dan wel aan een Hogeschool waarvan die Academie deel uitmaakt;
- g. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de deeltijdse voortgezette opleiding op het terrein van de architectuur aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, afgegeven door de desbetreffende examencommissie te Amsterdam;
- h. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de deeltijdse voortgezette opleiding bouwkunst op het terrein van de architectuur aan de Hogeschool Rotterdam, afgegeven door de desbetreffende examencommissie te Rotterdam;
- i. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de deeltijdse voortgezette opleiding bouwkunst op het terrein van de architectuur aan de Hanzehogeschool Groningen of de rechtsvoorgangers daarvan, afgegeven door de desbetreffende examencommissie van de Hanzehogeschool te Groningen of de rechtsvoorgangers daarvan;
- j. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de deeltijdse voortgezette opleiding bouwkunst op het terrein van de architectuur aan ArtEZ, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving, Bouwkunst, Muziek en Theater, afgegeven door de desbetreffende examencommissie te Arnhem;
- k. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de deeltijdse voortgezette opleiding bouwkunst op het terrein van de architectuur aan de Fontys Hogescholen Tilburg, afgegeven door de desbetreffende examencommissie te Tilburg, of
- l. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de deeltijdse voortgezette opleiding bouwkunst op het terrein van de architectuur aan de Hogeschool Zuyd, afgegeven door de desbetreffende examencommissie te Maastricht.
Hoofdstuk III. Voorschriften omtrent de inrichting welke degene die inschrijving in het register als stedenbouwkundige wenst te verkrijgen, aan zijn of haar opleiding moet hebben gegeven
Artikel 5. Voorschriften inrichting opleiding stedenbouwkundige
Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als stedenbouwkundige in aanmerking, indien zijn of haar opleiding ten minste de verwerving waarborgt van het vermogen om op verschillende schaalniveaus ruimtelijke concepten en stedenbouwkundige ontwerpen te vervaardigen die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoen.
De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
- a. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de stedenbouw en van de relatie met andere bij de ruimtelijke ordening betrokken disciplines;
- b. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht;
- c. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om een plan en ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken;
- d. vaardigheden op de gebieden van stedenbouwkundig onderzoek, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en historische analyse van stedenbouwkundige verschijnselen en oplossingen;
- e. passende kennis van de ruimtelijke planning, de organisatie, de middelen en instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningniveaus in Nederland;
- f. passende kennis van de inhoud van en vaardigheid met andere bij de ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines, te weten de architectuur en tuin- en landschapsarchitectuur;
- g. passende kennis van de maatschappijwetenschappen, de economie, de sociale en historische geografie en de ecologie;
- h. passende kennis van de stedenbouwfysica en van het ruimtelijke ordeningsrecht en het stedenbouwkundig recht;
- i. passende kennis van de inrichtingstechnologie en civiele techniek, in het bijzonder die van waterhuishouding, cultuurtechniek, bouwrijp maken, nutsvoorzieningen en openbare werken;
- j. passende kennis van management van de bebouwde omgeving en inzicht in en vaardigheid met de methoden van stedenbouwkundige managementprocessen;
- k. inzicht in het beroep van stedenbouwkundige en de rol van de stedenbouwkundige in de maatschappij;
- l. het vermogen om in de ontwikkeling van een ruimtelijk concept voor stedenbouw de relatie tussen mensen en ruimten en de afstemming daarvan op menselijke behoeften en maatstaven te betrekken;
- m. vaardigheid in het toetsen van een stedenbouwkundig ontwerp aan normen en regels van vorm, functie, technische uitvoering, grondexploitatie en milieuvoorwaarden en
- n. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.
Artikel 6. Opleidingen die aan voorschriften inrichting voldoen
Aan artikel 5 wordt in elk geval voldaan door degene die in het bezit is van:
- a. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architecture, variant Urbanism, de Masteropleiding Architecture, Building and Planning, variant Urbanism, dan wel de Masteropleiding Architecture, Urbanism and Building Sciences, variant Urbanism, aan de Technische Universiteit Delft, verworven na het met goed gevolg doorlopen van de bacheloropleiding op het gebied van de bouwkunde, leidend tot de graad van Bachelor of Science, dan wel van een opleiding waarin kwaliteiten op het gebied van kennis, inzichten en vaardigheden zijn verworven die overeenkomen met die verworven bij beëindiging van genoemde bacheloropleiding;
- b. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Architecture, Building and Planning, mastertrack Urban Design and Planning, aan de Technische Universiteit Eindhoven, verworven na het met goed gevolg doorlopen van de bacheloropleiding op het gebied van de bouwkunde, leidend tot de graad van Bachelor of Science, dan wel van een opleiding waarin kwaliteiten op het gebied van kennis, inzichten en vaardigheden zijn verworven die overeenkomen met die verworven bij beëindiging van genoemde bacheloropleiding;
- c. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Stedenbouw aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Amsterdam;
- d. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Stedenbouw aan de Hogeschool Rotterdam, afgegeven door de examencommissie van de Academie van Bouwkunst Rotterdam, of
- e. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van de Masteropleiding Stedenbouw aan de Fontys Hogescholen Tilburg, afgegeven door de examencommissie van de Academie voor Architectuur en Stedenbouw te Tilburg.
Artikel 7. Oude opleidingen die aan voorschriften inrichting voldoen
Voor inschrijving in het register komt eveneens in aanmerking degene die in het bezit is van:
- a. het op grond van artikel 29 van de Nijverheidsonderwijswet uitgereikte einddiploma Stedenbouwkundig Hoger Onderricht;
- b. het op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs uitgereikte einddiploma Stedenbouwkundig Hoger Onderricht;
- c. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, met specialisatie in de stedenbouwkunde, aan de Technische Hogeschool dan wel Universiteit te Delft, indien betrokkene voor of in het studiejaar 1981–1982 een aanvang gemaakt heeft met de studie voor dat getuigschrift;
- d. het door de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Delft afgegeven getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, omvattende de afstudeerrichting stedenbouwkunde;
- e. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, afstudeerrichting urbanistiek en ruimtelijke organisatie dan wel differentiatie stedenbouwkundig ontwerpen aan de Technische Hogeschool dan wel Universiteit te Eindhoven, indien betrokkene voor of in het studiejaar 1985–1986 een aanvang gemaakt heeft met de studie voor dat getuigschrift;
- f. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, afstudeerdifferentiatie stedenbouw, aan de Technische Universiteit te Eindhoven, indien betrokkene met ingang van of na het studiejaar 1993–1994 een aanvang gemaakt heeft met de studie voor dat getuigschrift;
- g. het door de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Eindhoven afgegeven getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de bouwkunde, omvattende de afstudeerrichting stedenbouw;
- h. het op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs uitgereikte diploma van het met goed gevolg afgelegd eindexamen van de afdeling stedenbouwkunde aan:
- 1°. de Academie van Bouwkunst te Amsterdam;
- 2°. de Academie van Bouwkunst te Rotterdam;
- 3°. de Academie van Bouwkunst dan wel de Academie voor Architectuur en Stedebouw te Tilburg;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.