Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 juni 2006, nr. arc-2006.02898/3);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg over de periode vanaf 1941’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Lijst van afkortingen
ADW: Algemene Databank Wet- en regelgeving
AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur
AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BSD: Basis Selectiedocument
b.w.: buiten werking
CAS: Centrale Archief Selectiedienst
ILPZ: (Wet) interne lastenverevening particuliere ziektekostenverzekeringsbedrijf
i.w.: in werking
KB: Koninklijk Besluit
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
MOOZ: (Wet) medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden
NA: Nationaal Archief
OCW: (Ministerie van ) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
RAD: Rijksarchiefdienst
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Stcrt.: Nederlandse Staatscourant
TK: Tweede Kamer (Kamerstukaanduiding)
VB: Verordeningenblad voor het Nederlandsche bezette gebied
VWS: (Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WFV: Wet financiering volksverzekeringen
WTZ: Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
WVC: (Ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
ZFW: Ziekenfondswet
Verantwoording
Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als de overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. Het NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemene Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast, maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal in een vroegtijdig stadium te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2 lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur, vastgesteld door de Minister van OCW en de Minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
Doel en werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
De definitie van het beleidsterrein
Het beleidsterrein bekostiging en verzekering, als onderdeel van het stelsel van structuur en financiering van de gezondheidszorg, is in het rapport ‘Verzekerd van zorg’ als volgt omschreven:
‘De rijksoverheid tracht, vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid, via het instrument van de wet- en regelgeving, een stelsel van ziektekostenverzekering vorm te geven en te bekostigen waardoor een groot aantal voorzieningen in de gezondheidszorg bereikbaar is voor grote groepen in de samenleving’.
De afbakening van het beleidsterrein
Het beleidsterrein ‘bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg’ behoort tot het hoofdbeleidsterrein structuur en financiering. Dit terrein bestaat uit drie clusters. Het zijn:
Zij zijn onderling verbonden middels de formule voorzieningen × prijs = kosten. In deze formule staat ‘voorzieningen’ voor het beleidsterrein ‘planning en bouw’, ‘prijs’ staat voor ‘tarieven en prijzen’ en ‘kosten’ voor ‘bekostiging en verzekering’.
Het RIO nr. 7, ‘Verzekerd van zorg’, waarop deze selectielijst is gebaseerd, behandelt de ‘bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg’ in Nederland vanaf 1940 tot 1990; de selectielijst doet dit vanaf 1945 tot 1995. Er is dus aanvullend onderzoek gedaan voor de periode 1990–1995. Daaruit is een aanvulling op de contextbeschrijving van het RIO voor die periode uit voortgekomen. Van de handelingen die gebaseerd zijn op het Ziekenfondsenbesluit van 1941, is het begin van de periodisering teruggebracht naar 1941.
Uitgangspunt voor de afbakening is geweest de definitie van het beleidsterrein (zie boven). Dit betekent dat handelingen op basis van onder andere de Ziekenfondswet en de AWBZ zijn opgenomen. Tevens zijn opgenomen de handelingen op basis van onder andere de Wet MOOZ en de Wet ILPZ, waarvoor de Minister van Financiën de eerst verantwoordelijke is.
Daarnaast zijn de handelingen van een aantal andere relevante organen en commissies opgenomen.
De handelingen van de Ziekenfondsraad zijn niet opgenomen in de selectielijst. De Ziekenfondsraad heeft reeds eerder een selectielijst voor zijn handelingen laten vaststellen.
Ook de handelingen van ‘particuliere’ actoren, zoals de ziekenfondsen, de particuliere ziektekostenverzekeraars en de verschillende belangenverenigingen, zijn niet opgenomen in deze selectielijst.
Er een raakvlak met een beleidsterrein op sociaal vlak, namelijk Sociale Verzekeringen. In het voorliggende BSD spelen o.a. de Raden van Arbeid een rol. De handelingen van deze raden zijn echter al uitgebreid behandeld in de selectielijst voor Sociale Verzekeringen, die is vastgesteld in Stcrt. 2002, 85–87. Dat BSD is gebaseerd op het RIO nr. 66.
Doelstellingen en taken van de overheid op het taakgebied volksgezondheid en het beleidsterrein bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg
Het beleidsterrein ‘bekostiging en verzekering’ heeft betrekking op de totstandkoming van verzekeringen tegen ziektekosten, met als bijzonderheid de ziekenfondsverzekering, als onderdeel van een reeks sociale verzekeringswetten. Die sociale verzekeringswetten komen vanaf 1901 tot stand, als gevolg van de oplossing van de ‘sociale kwestie’. Zij vormen één van de belangrijkste bouwstenen voor de totstandbrenging van de sociale verzorgingsstaat na 1945.
Vanaf de 19de eeuw komen ziekenfondsen tot ontwikkeling, door maatschappelijke ontwikkelingen, de groei van de medische mogelijkheden en de toeneming van de kosten van medische verzorging. Naast het gezamenlijk dragen van de kosten van medische hulp behoorde ook de bevordering van de kwaliteit van de medische verzorging voor de leden tot de doelstellingen van de ziekenfondsen. Het initiatief tot de organisatie van ziekenfondsen kwam uit verschillende sociale groepen, zodat er een groot aantal ziekenfondsen zijn ontstaan van zeer uiteenlopende aard en omvang: commerciële fondsen door notabelen en artsen, ondernemersfondsen door bedrijven, onderlinge fondsen door organisaties van werknemers, doktersfondsen/maatschappijfondsen door artsen.
De totstandkoming van een wettelijke regeling voor de ziekenfondsverzekering kan slechts begrepen worden in nauwe relatie met de totstandkoming van andere sociale verzekeringswetten, met name de Ongevallenwet 1901 en de Ziektewet 1913/1929. Voor de diverse pogingen om voor de Tweede Wereldoorlog te komen tot een wettelijke regeling voor de ziekenfondsverzekering wordt hier verwezen naar de juridische literatuur bij de Ziekenfondswet 1964.
Onder druk van de Duitse bezetting is op 1 augustus 1941 het Ziekenfondsenbesluit tot stand gekomen, vastgesteld door de wnd. secretaris-generaal van het departement van Sociale Zaken. Dit Ziekenfondsenbesluit en de daarbij behorende Uitvoeringsbesluiten zijn pas ingetrokken met de inwerkingtreding van de Ziekenfondswet op 1 januari 1966.
Het Ziekenfondsenbesluit regelde twee onderwerpen.
De kern is een verplichte ziekenfondsverzekering voor werknemers (al verzekerd volgens de Ziektewet) en hun gezinsleden (medeverzekerden). Daarnaast kwam toezicht tot stand op de ziekenfondsen, aanvankelijk door een Commissaris, na 1949 door de Ziekenfondsraad.
Na de Tweede Wereldoorlog is twintig jaar gewerkt aan een nieuwe wet, die uiteindelijk in 1964 in het Staatsblad is verschenen. Deze Ziekenfondswet bouwt voort op het Ziekenfondsbesluit.
Tenslotte is in 1967 een volksverzekering tot stand gekomen inzake de verzekering tegen zware geneeskundige risico’s: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Eind jaren ’60 bestaat dan de volgende situatie:
In 1974 brengt staatssecretaris Hendriks de Structuurnota Gezondheidszorg uit. Hierin wordt onder meer een andere besluitvormingsstructuur voor de gezondheidszorg voorgesteld, met een meer centrale rol voor de overheid (rijk, provincie en gemeente). Een drietal wetten zou voor deze positie moeten zorgen, te weten:
De volksverzekering is – om redenen van financiële haalbaarheid – niet gerealiseerd.
Het kabinet Lubbers-I komt in 1986 met de zgn. ‘kleine stelselwijziging’. Middels de Wet toegang ziektekostenverzekering (WTZ; Stb.1986, 123) worden in 1986 de vrijwillige ziekenfondsverzekering en de bejaardenverzekering (geïntroduceerd in 1956), die beide kampen met financiële problemen, opgeheven. De bejaarden gaan over naar de verplichte ziekenfondsverzekering; de vrijwillig verzekerden gaan over naar de particuliere verzekeraars.
In samenhang met de WTZ worden in 1986 nog twee wetten ingevoerd, namelijk de Wet interne lastenverevening particuliere ziektekostenverzekeringsbedrijf (Wet ILPZ; Stb.1986, 115) en de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ; Stb.1986, 117).
Tijdens de formatie van het kabinet Lubbers-II wordt besloten de stelselwijziging verder aan te pakken. In het regeerakkoord wordt afgesproken een commissie van onafhankelijke deskundigen om advies te vragen. Kort na het aantreden van het kabinet wordt de Commissie Structuur en Financiering Gezondheidszorg (de Commissie Dekker) geïnstalleerd.
De Commissie Dekker bouwt voort op een advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ‘Herwaardering van welzijnsbeleid’ uit 1982. Kern van het advies van de Commissie Dekker in het rapport ‘Bereidheid tot verandering’ (1987) is een herziening van het ziektekostenverzekeringsstelsel. Uitgangspunt is een basisverzekering die voor iedereen geldt en in één keer wordt ingevoerd.
In 1988 verschijnt het definitieve kabinetsstandpunt in de nota ‘Verandering verzekerd’. Het kabinet stemt in grote lijnen in met het plan-Dekker en er wordt een stappenplan voor de invoering van de plannen gepresenteerd. In 1990 komt Lubbers-III met de nota ‘Werken aan zorgvernieuwing’ met hierin het plan-Simons. Dit plan borduurt voort op het plan-Dekker. In het plan-Simons is het basispakket omvangrijker, de procentuele inkomensafhankelijke premie hoger en zijn de vaste (nominale) bedragen lager.
De toenemende kritiek op een stelselwijziging leidt vervolgens tot de nota ‘Weloverwogen verder’ (1992). Hierin wordt de stapsgewijze invoering van de stelselwijziging verder vertraagd.
In 1993 laat de Tweede Kamer een onderzoek instellen naar de gang van zaken rond de stelselwijziging sinds het verschijnen van het rapport van de Commissie Dekker. Onder voorzitterschap van het Tweede Kamerlid Wilbert Willems (GroenLinks) voert de subcommissie ‘Onderzoek besluitvorming volksgezondheid’, bestaande uit leden van de vaste commissies voor Volksgezondheid en die voor Rijksuitgaven, de werkzaamheden uit. In 1994 biedt de subcommissie het rapport ‘Onderzoek besluitvorming volksgezondheid’ aan aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.1Bronnen:– Commissie Structuur en Financiering Gezondheidszorg, ‘Bereidheid tot verandering’ (’s-Gravenhage, 1987);– Dijk, F. van, ‘Verzekerd van zorg. Een onderzoek naar instituties en wet- en regelgeving op het terrein van de bekostiging en verzekering als onderdeel van het stelsel van structuur en financiering van de gezondheidszorg, 1940–1990’ (’s-Gravenhage, 1993) PIVOT-rapport nummer 7;– Grinten, T. van der, en J. Kasdorp, ‘25 Jaar sturing in de gezondheidszorg: van verstatelijking naar ondernemerschap’ (Den Haag, 1999);– Made, J.H. van der, en J.A.M. Maarse, ‘Het plan-Simons. Een blindganger in de gezondheidszorg’, in: Bestuurskunde (1995, jaargang 4, nr. 2), p. 80–88;– Subcommissie Onderzoek besluitvorming volksgezondheid, ‘Onderzoek besluitvorming volksgezondheid’ (’s-Gravenhage, 1994) Tweede Kamer, vergaderjaar 1993–1994, 23666;– Wetgeving gezondheidszorg, ‘Wetgeving en wetgevingsbeleid in de gezondheidszorg, een algemene inleiding’ (Houten, z.j.) losbladige uitgave.
Kortom: het streven om te komen tot een stelselwijziging heeft geleid tot beperkte, niet structurele aanpassing van bestaande wet- en regelgeving, tot het opstellen van verschillende nota’s en tot veel politieke en maatschappelijke discussie.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.