Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein In- en uitvoerregelingen vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.03029/2);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein In- en uitvoerregelingen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het beleidsterrein In- en uitvoerregelingen 1945–
Minister van Financiën
Minister van Buitenlandse Zaken
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Minister van Verkeer en Waterstaat
Minister van Defensie
Minister van Algemene Zaken
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
1. Lijst van afkortingen
ACA: Ambtelijke Commissie van Advies
AFCENT: Allied Forces Central Europe
AMVB: Algemene Maatregel van Bestuur
ATA-carnet: ‘Admission Temporaire/Temporary Admission’-carnet: document voor tijdelijke in- en uitvoer van goederen
BEB: Buitenlandse Economische Betrekkingen
BLUE: Belgisch-Luxemburgse Economische Unie
BPCV: Bureau Productie Civiele Verdediging
BSD: Basisselectiedocument
BVO: Bewijs van Ontvangst
CAV: Communautaire Algemene Vergunning
CDIU: Centrale Dienst In- en Uitvoer
CDP: Committee on Dumping Practices
CEC: Centrale Economische Commissie
CEDEC: Centrale Dienst voor de Economische Controle
COARM: Code of Conduct on Arms Export
COCOHAN: Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau
COCOM: Coordinating Committee on Multilateral Export Controls
COREPER: Committee of Permanent Representatives
CPB: Centraal Plan Bureau
CRO: Committee on Rules of Origin
CW: Chemische Wapens
Dg: Directoraat Generaal
DNB: De Nederlandse Bank
DSB: Dispute Settlement Body
DSU: Dispute Settlement Understanding
EBU: Europese Betalings-Unie
ECA: Economic Cooperation Administration
ECE: Economische Commissie voor Europa
ECD: Economische Controledienst
ECOSOC: Economic & Social Council of the United Nations
EECE: Emergency Economic Committee for Europe
EEG: Europese Economische Gemeenschap
EG: Europese Gemeenschap
EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
EHP: (regeringscommissariaat voor het) Economisch Hulpprogramma
EMHP: Economische en Militair Hulpprogramma
End-user statement: Document waarin wordt verklaard dat de desbetreffende goederen in het land van bestemming zullen worden ingevoerd voor eigen gebruik door aldaar gevestigde afnemers
EU: Europese Unie
Euratom: Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
EVA: Europese Vrijhandelsassociatie
EVD: Exportbevordering Voorlichtingsdienst
EZ: (ministerie van) Economische Zaken
FAO: Food and Agricultural Organization
FIOD: Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
FVS: Financieel Verkeer Strategische Goederen
GATT: General Agreement on Tariffs & Trade
IAB: Interdepartementale Ambtelijke Begeleidingsgroep
IER: Internationale Economische Recherche
IIC: Internationaal Import Certificaat
IRHP: Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek
IRPTC: Internationaal Register van potentieel giftige chemische stoffen
ITC: International Trade Certificate
JEIA: Joint Export Import Agency
MID: Militaire Inlichtingendienst
MTCR: Missile Technology Control Regime
NAV: Nationale Algemene Vergunning
NAVO: Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NSG: Nuclear Suppliers Group
NTHB: Nederlandse Trustmaatschappij voor de Handel met het Buitenland
OECD DAC lijst: Organisation for Economic Cooperation and Development – Development Assistance Committee lijst
OEES: Organisatie voor Europese Economische Samenwerking
OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OPCW: Organisation on the prohibition of chemical Weapons
OVSE: Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
PCD: Prijscontroledienst
PIC: Prior informed consent
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
POLARM: Policy on Arms Export
REA: Raad voor Economische Aangelegenheden
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
SER: Sociaal-Economische Raad
Stb. : Staatsblad
Stcrt. : Staatscourant
TK: Tweede Kamer
Trb. : Tractatenblad
TRIPS: Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights
TVOO: Toezicht Veiligheid en Openbare Orde
UNCTAD: United Nations Conference on Trade and Development
UN: United Nations
UNEP: United Nations Ecological Program; milieuprogramma van de VN
USSR: Unie van Socialistische Sovjet Republieken
Verdrag Chemische Wapens: Wereldwijd uitbannen chemische wapens en daartoe verbieden van ontwikkeling, productie, aanleg van voorraden en gebruik van dergelijke wapens
VN: Verenigde Naties
VS: Verenigde Staten
VVK: Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken
WA: Wassenaar arrangement (regionale en internationale veiligheid)
WED: Wet op Economische Delicten
WTO: World Trade Organization
ZBO: Zelfstandig Bestuursorgaan
2. 2. Verantwoording
2.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur vastgesteld door de Minister van OCW en de minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
2.2. Het doel en de werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
2.2.1. Functies van het BSD
Voor de zorgdrager is het BSD van belang voor de bedrijfsvoering als mogelijke basis voor ordeningsplannen.
Voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de ter inzage legging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder d).
Voor de Minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder c).
Voor de Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.
2.3. Het beleidsterrein
Dit BSD is gebaseerd op het rapport institutioneel onderzoek nr.147, De slagboom gesloten, door dr. J.A.A. Bervoets, drs, G.A.G. Hermsen en drs. A.G. Dellebeke, Den Haag 2003.
Het beleidsterrein in- en uitvoerregelingen wordt gevormd door een breed scala van deelaspecten, die als overeenkomst hebben dat ze bedoeld zijn om de Nederlandse overheid instrumenten te bieden om de im- en export van industriële goederen te reguleren.
Dit BSD beperkt zich tot de industriële goederen, de im- en export van landbouwgoederen wordt afzonderlijk beschreven in het rapport Agrarische handelspolitiek en exportbevordering. Uitgezonderd zijn ook binnenlandse wettelijke betaalmiddelen.
2.4. Definitie en doelstellingen
Het beleidsterrein in- en uitvoerregelingen is te definiëren als een stelsel van overwegend non-tarifaire maatregelen die bedoeld zijn om de regering in staat te stellen de im- en export van industriële goederen van en naar Nederland te reguleren.
De enige tarifaire instrumenten die tot dit beleidsterrein behoren zijn de incidentele heffingen op de in- of uitvoer van goederen. Deze onderscheiden zich van gangbare invoerrechten en accijnzen door hun doelstelling en tijdelijke karakter; ze zijn bedoeld om in te kunnen grijpen in de im- of export van bepaalde producten, en niet om de in- en uitvoer in zijn geheel te reguleren.
De doelstellingen van het beleid op het gebied van de in- en uitvoerregelingen zijn deels van financieel-economische (handelspolitieke), en deels van politieke aard. De nadruk is in de periode 1945–2000 verschoven van de financieel-economische naar de politieke aspecten. Mede daarom is in 1962 de regelgeving inzake in- en uitvoer vernieuwd. De doelstellingen zelf zijn hierbij vrijwel onveranderd gebleven, alleen de accenten werden anders gelegd. Overigens waren in de praktijk, onder invloed van nationale, maar zeker ook internationale ontwikkelingen, de prioriteiten al eerder verschoven.
De doelstellingen zijn:
De Minister van Economische Zaken is de eerstverantwoordelijke inzake de regelingen betreffende de in- en uitvoer van industriële goederen. De in- en uitvoer van landbouwgoederen valt onder de verantwoording van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en haar rechtsvoorgangers. Wanneer het zowel industriële als landbouwgoederen betreft, vindt onderlinge afstemming plaats.
In veel gevallen zal overleg plaatsvinden tussen de Minister van Economische Zaken en de ministers van Financiën als het bijv. deviezen betreft. Wanneer er ook politieke aspecten meespelen, bijv. bij een boycot of sanctie is de Minister van Buitenlandse zaken de eerstverantwoordelijke, en heeft de Minister van Economische Zaken vooral een uitvoerende taak.
De departementsoverschrijdende aspecten van het in- en uitvoerbeleid worden door de Minister van Economische Zaken gecoördineerd via de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek, waarin de vertegenwoordigers van de betrokken departementen onder de leiding van de directeur-generaal van de BEB bijeenkomen.
Hieronder zal nader worden ingegaan op de afbakening van de in- en uitvoerregelingen ten opzichte van andere beleidsterreinen
2.5. Afbakening van het (deel)beleidsterrein
Het beleidsterrein in- en uitvoerregelingen is nauw verbonden met enkele andere aspecten op het gebied van de buitenlandse economische betrekkingen. Daarnaast grenst het ook aan beleidsterreinen van andere ministeries. In een aantal gevallen is er zelfs sprake van een duidelijke overlap tussen in- en uitvoerregelingen en andere beleidsterreinen. Voor zover mogelijk is richt dit rapport zich op aspecten die specifiek betrekking hebben op het in- en uitvoerbeleid, en worden zaken die indirect hiermee te maken hebben alleen globaal beschreven. Zo wordt bijvoorbeeld op het buitenlandse (diplomatieke) beleid alleen ingegaan voor zover dit direct invloed heeft op, of beïnvloedt wordt door het in- en uitvoerbeleid.
Hieronder volgt een overzicht van aanverwante beleidsterreinen. Daarbij wordt telkens aangegeven welk aspect van de in- en uitvoerregelingen het betreft, en waar de grens is getrokken tussen dit rapport en de aanpalende beleidsterreinen.
Het beleidsterrein in- en uitvoerregelingen maakt onderdeel uit van het algemene beleid inzake de buitenlandse economische betrekkingen. Nauw aanverwante (deel-)beleidsterreinen binnen EZ zijn de exportbevordering politiek, die zich bezighoudt met de ondersteuning en promotie van Nederlandse bedrijven en producten in het buitenland, en internationale samenwerking, dat verantwoordelijk was voor het afsluiten van handelsverdragen. Hierover handelt de PIVOT rapportage (145) Buitenlandse Economische Betrekkingen. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein buitenlandse economische betrekkingen over de periode 1945–2002.
Het beleid met betrekking tot de in- en uitvoer van (m.n. kern-)energie en delfstoffen wordt grotendeels in Europees verband opgesteld door de EGKS en Euratom. Daarnaast speelt ook de OESO een rol op dit terrein. De Minister van Economische Zaken coördineert het Nederlandse aandeel hierin. Het energiebeleid wordt besproken in de PIVOT rapporten 82 Energiebeleid (Den Haag 2001) en 83 Energiedelfstoffen (Den Haag 1999).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.