Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs (1945) 1960–1997

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-10-21
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 augustus 2006, nr. arc-2006.03077/10);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorterende actor de Onderwijsraad op het beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs over de periode (1945) 1960–1997’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument

De adviserende Onderwijsraad

Periode: 1945–2003

(Pivotnr. vooralsnog onbekend)

Waarbij het institutioneel onderzoek werd gebaseerd op de Pivot-rapporten nrs. 48, 52, 55, 62, 63, 64 en 69

Peter Brand, Digital display BV

In opdracht van de Onderwijsraad

1. Lijst met gebruikte afkortingen

ARBO: Adviesraad voor het basisonderwijs

ARHO: Adviesraad voor het hoger onderwijs

ARO: Adviesraad voor het onderwijs

ARVO: Adviesraad voor het voortgezet onderwijs

AWT: Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologie beleid

BSD: Basis Selectie Document

KB: Koninklijk Besluit

LNV: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

OCenW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

RVE: Raad voor de volwasseneneducatie

SER: Sociaal Economische Raad

Stb.: Staatsblad

TK: Tweede Kamer

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

WVO: Wet op het Voortgezet Onderwijs

2. Inleiding

Begin jaren negentig kwam de Bijzondere Commissie Vraagpunten Adviesorganen (de commissie-De Jong) met haar rapport ‘Raad op maat’ 1Het rapport werd in februari 1993 door de commissie aangeboden aan Tweede Kamervoorzitter Deetman (TK 1992–1993, 21427, nr. 29).. Dit rapport heeft geleid tot een rijksbrede herziening van het adviesstelsel en een ingrijpende reorganisatie van adviesorganen. De commissie stelde voor het aantal adviesorganen fors te reduceren en te komen tot de instelling van één adviesorgaan per ministerie. Een andere aanbeveling was het afschaffen van wettelijke verplichtingen om advies.

Om de gedane voorstellen te kunnen realiseren was een wijziging van bestaande wetgeving en het maken van nieuwe wetgeving noodzakelijk.

Deze wetten zouden een grote ‘impact’ hebben op bijna alle adviesorganen van de overheid.

De Herzieningenwet adviesstelsel2Stb. 1996, 377. leidde per 1-1-1997 tot de opheffing van alle vaste en tijdelijke colleges van advies. De ‘oude’ Onderwijsraad is als gevolg hiervan per die datum opgeheven.

De Kaderwet adviescolleges3Stb. 1996, 378. maakte het mogelijk om nieuwe adviescolleges in te stellen en regelt de hoofdstructuur van de nieuwe adviesorganen.

De Wet op de Onderwijsraad4Stb. 1997, 220 (Wet van 15 mei 1997, met terugwerkende kracht tot 1-1-1997 in werking getreden). is de instellingswet van de nieuwe Onderwijsraad. De Wet van 21 februari 1919, houdende instelling van eenen Onderwijsraad 5Stb. 1919, 49 (zoals gewijz. Stb. 1952, 355/Stb. 1958, 45/Stb. 1967, 386/Stb. 1983, 727/Stb. 1986, 273/Stb. 1992, 337). werd daarmee ingetrokken.

Het jaar 1997 is derhalve een belangrijk jaar voor de Onderwijsraad. Het markeert het begin van een ‘nieuw’ adviescollege op het gebied van het onderwijs

Algemene advieshandelingen en de noodzaak van een algemeen BSD

Tot 1997 was de Onderwijsraad in afdelingen naar onderwijsveld ingedeeld (zoals de afdelingen primair onderwijs, secundair onderwijs, tertiair onderwijs, kwartair onderwijs, enz.).

Behalve handelingen die specifiek betrekking hadden op een bepaald onderwijsveld, werden tot 1997 ook adviezen verstrekt met een algemeen (integraal) karakter of zoals artikel 4 van de Wet op de Onderwijsraad (1919) het stelt: ‘De Raad geeft aan onzen voornoemden Minister desgevraagd of eigener beweging advies omtrent vraagstukken van algemeene strekking op het gebied van het aan de zorg van diens Departement toevertrouwd onderwijs’.

Bovendien is de samenhang tussen de onderwijsvelden in de jaren negentig steeds groter geworden.

Door de invoering in 1997 van de ‘nieuwe’ Wet op de Onderwijsraad zijn de adviestaken niet langer meer gebonden aan specifieke onderwijssectoren. Het sectorenbeleid werd vervangen door een beleid dat meer is gericht op het verrichten van algemene advieshandelingen. Steeds vaker zullen we dus adviezen van de Onderwijsraad tegenkomen die een algemeen karakter hebben.

Dit brengt echter een praktisch probleem met zich mee.

De bestaande institutionele onderzoeken (RIO’s) en sectorale BSD’s bieden nl. geen mogelijkheid om algemene handelingen van de Onderwijsraad in op te nemen. Doordat bij alle vorige institutionele onderzoeken de beleidsterreinen werden afgestemd op de onderwijsvelden, zijn algemene handelingen, die zich uiteraard niet beperken tot één onderwijsveld, hiertoe niet meer te herleiden.

Het is dan noodzakelijk om deze algemene handelingen in een nieuw BSD op te nemen.

Het BSD ‘De adviserende Onderwijsraad’

Voor u ligt het BSD ‘De adviserende Onderwijsraad’ dat ingaat op de algemene adviestaken van dit adviescollege. Deze algemene adviestaken zijn deels op grond van nieuwe wetgeving en een veranderd takenpakket ontstaan. Voor wat betreft het institutioneel onderzoek kan worden verwezen naar de volgende PIVOT-rapporten:

Naast de algemene adviestaken zijn, uit praktische overwegingen, in deze selectielijst ook enkele andere beleidsterreinoverstijgende taken als het op- en vastellen van werkprogramma’s, jaarverslagen en algemene evaluatieverslagen opgenomen, in plaats van in elke afzonderlijke selectielijst.

In tegenstelling tot de overige handelingen in deze selectielijst, die aanvangen in 1980 of later, worden deze handelingen vastgesteld voor de periode vanaf 1945, omdat zij ook al voor 1980 werden uitgevoerd.

Het hoofdstuk Actoren bevat een beschrijving van het veranderende takenpakket en de algemene adviestaken die de Onderwijsraad uitvoert. In de selectielijst van het BSD zijn alle handelingen opgenomen die op grond van de algemene (advies)taken zijn geformuleerd.

3. Actoren

De Onderwijsraad

De instelling van vaste colleges van advies zoals de Onderwijsraad, geschiedt op basis van art. 79 van de Grondwet, bij of krachtens de wet (hier de Wet van 21 februari 1919, Stb. 49, houdende instelling van eenen Onderwijsraad) 6zoals gewijzigd Stb. 1952, 355/Stb. 1958, 45/Stb. 1967, 386/Stb. 1983, 727/Stb. 1986, 273/Stb. 1992, 337.

De Onderwijsraad is in 1919, kort na de oprichting van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, ingesteld als permanent en onafhankelijk adviesorgaan van de overheid op het gebied van het onderwijs. De instelling van de raad hing samen met de beëindiging van de schoolstrijd. De opdracht die de Onderwijsraad kreeg hield direct verband met het opnemen in de Grondwet van de bepaling dat het bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf wordt bekostigd als het openbaar onderwijs.

Doordat steeds meer commissies en andere raden van advies in de loop van de tijd werden ingesteld, werd de monopoliepositie van de Onderwijsraad als adviseur van de Minister van Onderwijs aangetast. In de jaren ’60 kregen onderwijsorganisaties en andere belangengroepen een steeds grotere rol bij de beleidsvoorbereiding. In art. 3 WVO (Wet op het voortgezet onderwijs) werden zij zelfs apart genoemd en werden zij deswege aangeduid als de ‘artikel-3 organisaties’. De finale advisering bleef echter uitsluitend de taak van de Onderwijsraad (d.w.z. de Onderwijsraad geeft advies over beleidsvoornemens van de minister, die deze na gevoerd overleg heeft vastgesteld, en over ontwerpregelgeving, nadat daarover door de art.3-organisaties advies is uitgebracht).

Steeds meer adviesraden zagen het licht zoals de in 1980 opgerichte Adviesraad voor het basisonderwijs (ARBO), de in 1982 ingestelde Adviesraad voor het voortgezet onderwijs (ARVO), de in 1985 opgerichte Adviesraad voor het hoger onderwijs (ARHO). De raden waren ingesteld vanwege de sterk in omvang toegenomen beleidsterreinen t.a.v. de diverse sectoren van het onderwijs. Zij zouden zich richten op strategische beleidsadvisering op hoofdlijnen in een vroege fase van de beleidscyclus.

De Onderwijsraad behield zijn finale adviestaak.

Een strikte scheiding tussen de verschillende onderwijssectoren in een vroeg stadium van beleidsvoorbereiding werd op den duur toch niet wenselijk geacht. De wens naar meer bundeling van deskundigheid leidde tot in 1991 tot één beleidsinitiërende adviesraad voor het gehele onderwijs, waarbij de drie adviesraden werden samengevoegd tot één adviesorgaan, de voorlopige Adviesraad voor het onderwijs (ARO). Uiteindelijk wordt deze raad per 1 augustus 1995 opgeheven a.g.v. de herziening van het adviesstelsel.

De Onderwijsraad had tot 1997 de volgende taken:

Bij de instelling van de Onderwijsraad in 1919 werd zij naar onderwijsveld verdeeld in een viertal afdelingen (art. 1 lid 2, Wet van 21 februari 1919, houdende instelling van eenen Onderwijsraad , Stb. 1919, 49). Sinds 1919 is het aantal afdelingen uitgebreid. Bij KB van 12 juni 1968, nr. 14 (laatst gewijzigd 14-2-1985, Stb. 99) werd de Onderwijsraad verdeeld in de volgende afdelingen:

Begin 1990 gaf de toenmalige voorzitter van de Tweede Kamer, drs. W. J. Deetman, in opdracht van de Kamer, het startsein voor een staatkundig, bestuurlijk en staatsrechterlijk vernieuwingsproces.

Een onderdeel van dit vernieuwingsproces vormde de ingrijpende reorganisatie van adviesorganen, m.u.v. de Raad van State, de SER en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Het startschot voor deze operatie vormde het rapport van de bijzondere commissie Vraagpunten Adviesorganen, genaamd ‘Raad op maat’. Dit rapport heeft geleid tot een algehele herziening van het adviesstelsel.

Gesteld werd dat de reorganisatie mede tot doel het primaat van de politiek op het punt van de besluitvorming te herstellen. Middelen om dat doel te bereiken waren onder andere: het terugdringen van het aantal adviesorganen (één adviesorgaan per ministerie, later gewijzigd in één adviesorgaan per beleidscluster), het omzetten van de verplichting voor de Regering om advies te vragen in een bevoegdheid om advies te vragen, het scheppen van de mogelijkheid dat adviesorganen op verzoek rechtstreeks aan het parlement adviseren, het versnellen van adviesprocedures, het terugdringen van ongevraagde advisering.

Realisatie van de bovengenoemde voorstellen vereiste wijziging van bestaande wetgeving en het maken van nieuwe wetgeving:

Voor de sector onderwijs, cultuur en wetenschappen leidde de herziening tot:

De afschaffing van de adviesverplichting zoals in het rapport ‘Raad op maat’ is beschreven, heeft geleid tot het ‘protocol adviestaak Onderwijsraad’. Dit protocol werd op 7 december 1994 ondertekend door de Minister van OCenW en de voorzitter van de Onderwijsraad. In het protocol was vastgelegd in welke gevallen de Onderwijsraad om advies zou worden gevraagd en in welke gevallen niet. Het protocol was geldig tot 1-1-1997.

De wettelijke taken (art. 2 Wet op de Onderwijsraad):

De gemeenten kunnen advies vragen over bepaalde aspecten van het lokale onderwijsbeleid, te weten huisvesting, onderwijsachterstandenbeleid, het onderwijs in de allochtone levende talen en de schoolbegeleiding.

De raad heeft zijn werkwijze nader uitgewerkt in een Reglement van Orde.

Krachtens art. 21 Kaderwet adviescolleges kan een adviescollege (i.c. de Onderwijsraad) zijn werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde.

Adviezen en verkenningen worden in plenaire vergadering vastgesteld (art. 20 Kaderwet adviescolleges/art. 11 e.v. Reglement van Orde).

De raad komt in de regel om de vier weken plenair bijeen, o.a. om adviezen en verkenningen vast te stellen. Een advies is de behandeling van een concrete vraag die meestal betrekking heeft op de korte termijn. Een verkenning is een langetermijnvisie op een bepaalde ontwikkeling in het onderwijs. Uit deze visie kunnen onderwerpen voor advisering voortkomen.

Adviezen en verkenningen worden voorbereid in raadscommissies en meestal in rapportvorm of als briefadvies uitgebracht.

De Kaderwet adviescolleges (art. 23) maakt het mogelijk dat bij de adviesverlening wordt samengewerkt met andere adviescolleges en dat gezamenlijk advies wordt uitgebracht (te denken valt aan adviescolleges zoals de SER, de Raad voor Cultuur, de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling).

Voorts is er sprake van het uitwisselen van ervaringen tussen de verschillende adviesorganen. De voorzitters en secretarissen komen jaarlijks bijeen om met elkaar van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van het overheidsbeleid en de positie van de adviesorganen hierbij.

Ieder jaar dient de Onderwijsraad, in overleg met de minister, een werkprogramma op te stellen met onderwerpen waarover geadviseerd zal worden (art. 26 Kaderwet adviescolleges/art. 5 Reglement van Orde).

Het programma geeft een globaal beeld van de onderwerpen die aan de orde zullen komen; in de loop van het jaar worden de adviesvraag en de tijdsplanning verder gepreciseerd.

De raad dient jaarlijks voor 1 september een ontwerp voor een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar aan de Minister van OCenW te zenden. De minister stelt het programma vast en biedt het de beide Kamers der Staten-Generaal aan op Prinsjesdag. Het parlement kan adviesvragen aan het werkprogramma toevoegen.

Ieder jaar dient de Onderwijsraad een verslag vast te stellen van zijn werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar (art. 28 lid 1 Kaderwet adviescolleges/art. 6 Reglement van Orde).

De raad brengt jaarlijks vóór 1 april verslag uit van zijn werkzaamheden.

Iedere vier jaar dient de Onderwijsraad, op verzoek van de minister, een evaluatieverslag op te stellen waarin de Onderwijsraad aandacht besteedt aan zijn taakvervulling (art. 28 lid 2 Kaderwet adviescolleges/art. 7 Reglement van Orde).

Het evaluatieverslag wordt gezonden aan de minister wie het aangaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

De vernieuwing in werkwijze is in 2001 ingezet. Het takenpakket is niet drastisch veranderd, maar er zijn wel drie duidelijke accenten gelegd:

Het derde en laatste accent in de werkwijze van de raad is gelegd op interactiviteit. De raad betrekt meer dan voorheen actoren binnen en buiten de onderwijswereld bij de voorbereiding van adviezen en verkenningen. Via seminars en bijeenkomsten, maar ook via de website.

4. Selectie

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 19957Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.

De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.

Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum of afdoening van de archivistische neerslag.

Selectiecriteria

Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. In dit BSD zijn de criteria van 1997 gehanteerd.

De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria. De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden. De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.

De volgende algemene selectiecriteria worden door het Nationaal Archief gehanteerd om permanent te bewaren handelingen te selecteren:

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan: agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van het beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij de terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Op 7 april 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juli 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van OC&W en de regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 24 augustus 2006 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2006.03077/10), hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 26 september 2006 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld (C/S/06/2357).

5. Leeswijzer van de handelingen

In dit BasisSelectiedocument (BSD) worden de handelingen beschreven. Iedere handeling is vastgelegd in een gegevensblok met zes of zeven velden. Op deze wijze:

(..)

Actor: ...

Handeling: ....

Grondslag: …

Periode: ....

Product: ....

Opmerking: ....

Waardering: ….

Iedere handeling is voorzien van een uniek volgnummer. Dit BSD werd opgesteld terwijl er alreeds een Documentair Structuurplan (DSP) voorhanden was en door de Onderwijsraad in gebruik was genomen. Omdat een aantal handelingen uit het DSP in dit BasisSelectiedocument zijn verwerkt, kan de nummering afwijken van hetgeen gebruikelijk is.

Een actor is een orgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein en de bevoegdheid heeft tot het zelfstandig verrichten van handelingen op grond van attributie of delegatie. De naam die voor een actor wordt gebruikt komt overeen met de naam uit de actorenbeschrijving in het hoofdstuk Actoren. In dit BSD is er slechts één actor, nl. de Onderwijsraad.

Een handeling is een complex van activiteiten gericht op het totstandbrengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Een actor kan handelingen via mandatering door organisatieonderdelen of -leden laten verrichten. De handelingen zijn in principe positief geformuleerd. Dat wil zeggen dat bij een handeling als ‘het vaststellen van een regeling’ ook ‘het intrekken van een regeling’ inbegrepen wordt geacht.

De grondslag of bron geeft de wet of de regeling krachtens de wet waarop een handeling is gebaseerd. Een groot aantal aangetroffen gelijksoortige grondslagen is soms samengevat of tot een keuze beperkt. Niet alle handelingen zijn gebaseerd op een grondslag. Dan is de beschrijving van de handeling ontleend aan de literatuur of bronnen. Voor enkele (algemene) handelingen is geen grondslag of bron aangetroffen.

De periode geeft aan wanneer een handeling is uitgevoerd. Hoewel het institutioneel onderzoek zich beperkt tot de periode 1980–2003 zijn handelingen waarvan de grondslag een vroegere startdatum doet vermoeden niet voorzien van een eerder gelegen jaartal. Als een handeling nog niet is beëindigd, is achter het eerste jaartal alleen een streepje gezet (bijvoorbeeld: 1997–). Deze handelingen waren bij het afsluiten van het onderzoek nog niet beëindigd. Onderhoud aan de selectielijst zal eventuele eindjaren moeten achterhalen.

Het product vormt het resultaat van de handeling.

Soms was het noodzakelijk bepaalde velden in de gegevensblokken te verduidelijken met een opmerking of toelichting.

De waardering geeft aan welke selectiebeslissing genomen moet worden ten aanzien van de neerslag van de handeling. Zie hiervoor hoofdstuk 4.

De handelingennummers die in deze selectielijst worden gebruikt zijn gebaseerd op de handelingennummers uit het Structuurplan Documentaire Informatievoorziening. Het Structuurplan Documentaire Informatievoorziening was ten tijde van het opstellen van deze selectielijst in een vergevorderd stadium, er werd feitelijk al mee gewerkt. Er is toen voor gekozen om de nummering van de selectielijst aan te passen aan de nummering van het Structuurplan Documentaire Informatievoorziening.

6. Selectielijst van de Onderwijsraad

Advisering, periode 1980 t/m 1996

Handeling: Het adviseren aan de betrokken minister over hoofdlijnen van het beleid en de wet- en regelgeving op het gebied van het onderwijs

Grondslag: Wet van 21-2-1919, houdende instelling van eenen Onderwijsraad, art. 4 (Stb. 1919, 49 zoals gewijzigd Stb. 1952, 355/Stb. 1958, 45/Stb. 1967, 386/Stb. 1983, 727/Stb. 1986, 273/Stb. 1992, 337/ingetrokken per 1-1-1997)

Periode: 1980–1996

Product: (brief)advies, rapport

Waardering: B (1)

Handeling: Het adviseren aan de betrokken minister over specifieke zaken die het onderwijs betreffen

Grondslag: Wet van 21-2-1919, houdende instelling van eenen Onderwijsraad, art. 4 (Stb. 1919, 49 zoals gewijzigd Stb. 1952, 355/Stb. 1958, 45/Stb. 1967, 386/Stb. 1983, 727/Stb. 1986, 273/Stb. 1992, 337/ingetrokken per 1-1-1997)

Periode: 1980–1996

Product: (brief)advies, rapport

Opmerking: Adviesverlening over de kwaliteit van het onderwijs en het toezicht

Waardering: B (1)

Advisering, vanaf 1997

Handeling: Het (al dan niet samen met andere adviescolleges) adviseren aan de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het terrein van het onderwijs

Grondslag: Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220), art. 2, lid 1a

Kaderwet adviescolleges (Stb.1996, 378), art. 23

Periode: 1997–

Product: (brief)advies, rapport

Opmerking: Adviezen worden in raadscommissies voorbereid en in plenaire vergadering vastgesteld. Genoemde activiteiten maken deel uit van deze handeling

Waardering: B (1)

Handeling: Het (al dan niet samen met andere adviescolleges) adviseren aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het terrein van het onderwijs

Grondslag: Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220), art. 2, lid 1b

Kaderwet adviescolleges (Stb.1996, 378), art. 23

Periode: 1997–

Product: (brief)advies, rapport

Opmerking: Adviezen worden in raadscommissies voorbereid en in plenaire vergadering vastgesteld. Genoemde activiteiten maken deel uit van deze handeling

Waardering: B (1)

Handeling: Het adviseren aan gemeentebesturen in de bij de wet genoemde gevallen over aangelegenheden die het gemeentelijke onderwijsbeleid betreffen

Grondslag: Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220), art. 2, lid 2

Periode: 1997–

Product: (brief)advies, rapport

Opmerking: Advisering betreft huisvesting, onderwijsachterstandenbeleid, onderwijs in allochtone levende talen en schoolbegeleiding.

Adviezen worden in raadscommissies voorbereid en in plenaire vergadering vastgesteld. Genoemde activiteiten maken deel uit van deze handeling

Waardering: B (1)

Handeling: Het opstellen van verkenningen waarin langetermijnvisies op bepaalde ontwikkelingen in het onderwijs worden gegeven

Grondslag: Notitie producten van de Onderwijsraad, blz. VII/2

Kaderwet adviescolleges (Stb.1996, 378), art. 20/Reglement van orde, art. 11

Periode: 1997–

Product: rapport

Opmerking: Verkenningen worden in raadscommissies voorbereid en in plenaire vergadering vastgesteld

Waardering: B (1)

Handeling: Het verrichten van (achtergrond)studies/het opstellen van werkdocumenten op het gebied van het onderwijs

Grondslag: Notitie producten van de Onderwijsraad, blz. VII/3

Periode: 1997–

Product: rapport

Opmerking: Studies zijn wetenschappelijke analyses van bepaalde thema’s of probleemgebieden.

Werkdocumenten zijn vooral beschrijvend dan wel inventariserend van karakter en behoeven niet direct de noodzakelijke wetenschappelijke status te bevatten.

Achtergrondstudies en werkdocumenten hebben een rechtstreekse relatie met de uit te brengen adviezen

Waardering: B (1)

Algemene handelingen, vanaf 1980

Handeling: Het verstrekken van informatie aan individuele burgers, bedrijven en instellingen en overheidsorganen betreffende aangelegenheden op het terrein van de Onderwijsraad

Periode: 1980–

Product: brief

Opmerking: heeft betrekking op burgerbrieven

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het (mede) voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over congressen, symposia, workshops etc.

Grondslag: jaarverslag Onderwijsraad 2001, pag. 11 en 13

Periode: 1980–

Product: brief, rapport

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het voorbereiden van en deelnemen aan v ergaderingen en bijeenkomsten in het kader van de door de Onderwijsraad uit te brengen adviezen

Grondslag: Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996, 378), art. 20

Periode: 1980–

Product: agenda, notulen

Waardering: B (1)

Handeling: Het opstellen van het jaarlijkse werkprogramma

Grondslag: Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996, 378), art. 26/Reglement van Orde, art. 5

Periode: 1945–

Opmerking: Ieder jaar dient de Onderwijsraad, in overleg met de minister, een werkprogramma op te stellen met onderwerpen waarover geadviseerd zal worden. Het programma geeft een globaal beeld van de onderwerpen die aan de orde zullen komen; in de loop van het jaar worden de adviesvraag en tijdsplanning verder gepreciseerd

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het opstellen van evaluatieverslagen

Grondslag: Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996, 378), art. 28 lid 2/Reglement van Orde, art. 7

Periode: 1945–

Product: verslag

Opmerking: Iedere vier jaar dient de Onderwijsraad, op verzoek van de minister, een evaluatieverslag op te stellen waarin de Onderwijsraad aandacht besteedt aan zijn taakvervulling

Waardering: B (2)

Handeling: Het opstellen van jaarverslagen

Grondslag: Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996, 378), art. 28 lid 1/Reglement van Orde, art. 6

Periode: 1945–

Product: verslag

Opmerking: Ieder jaar dient de Onderwijsraad een verslag vast te stellen van zijn werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar

Waardering: B (3)

Handeling: Het voeren van overleg met voorzitters en secretarissen van andere adviesorganen

Grondslag: Kaderwet adviescolleges (Stb.1996, 378), art. 23

Periode: 1980–

Product: agenda, notulen

Waardering: V 5 jaar

7. Bronnen

Wet- en regelgeving

Overige bronnen

Speciaal Centraal

Periode: 1950–1996

(Pivotnr. 52)

Peter Brand, Digital display BV

In opdracht van de Onderwijsraad

1. Lijst met gebruikte afkortingen

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

art.: artikel

Besluit blo: Besluit buitengewoon lager onderwijs

Besluit buo: Besluit buitengewoon onderwijs

BSD: Basis Selectie Document

IO: Institutioneel Onderzoek

ISOVSO: Interimwet Speciaal Onderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs

KB: Koninklijk Besluit

LOM: Leer- en Opvoedingsmoeilijkheden

LOW: Lager Onderwijs Wet

MLK: Moeilijk Lerende Kinderen

OETC: Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur

OISOVSO: Overgangswet Interimwet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs

PI: Pedologisch Instituut

PIVOT: Project Invoering Verkorting OverbrengingsTermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

SO: Speciaal Onderwijs

Stcrt.: Staatscourant

Stb.: Staatsblad

ZMLK: Zeer Moeilijk Lerende Kinderen

ZMOK: Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen

2. Inleiding

Het PIVOT-rapport ‘Speciaal centraal’, een institutioneel onderzoek op het gebied van het deelbeleidsterrein ‘speciaal onderwijs’, periode 1950–1996 vormt de basis voor dit basisselectiedocument (BSD).

Het rapport en het BSD zijn het resultaat van institutionele onderzoeken welke zijn uitgevoerd binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Loco Secretaris-Generaal van het Ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt.

Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de verschillende actoren op het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs.

Na bestudering van de voor het beleidsterrein van toepassing zijnde wetgeving, bleken in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) één of meer handelingen te ontbreken. Daarom zijn in dit BSD ook nieuwe handelingen opgenomen (1000 series). Om die reden wijkt de nummering af van hetgeen gebruikelijk is.

In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de Archiefwet 1995.

Tevens kan dit BSD dienen als leidraad bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.

Het BSD is als volgt samengesteld:

3. Het beleidsterrein

Het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs

Het deelbeleidsterrein ‘speciaal onderwijs’ omvat zowel het speciaal onderwijs als het voortgezet speciaal onderwijs.

Het deelbeleidsterrein maakt, samen met het deelbeleidsterrein ‘basisonderwijs’ deel uit van het beleidsterrein ‘Primair Onderwijs’.

In zowel het RIO als in dit BSD worden zowel de termen ‘buitengewoon onderwijs’ als ‘speciaal onderwijs’ door elkaar heen gebruikt; het betreft evenwel in beide gevallen het onderwijs aan kinderen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere onderwijs, door maatschappelijke factoren dan wel door factoren op het gebied van het leren of van opvoedkundige aard. Het gebruik van ofwel de term ‘buitengewoon onderwijs’ ofwel de benaming ‘speciaal onderwijs’ is gerelateerd aan de periode waarin een bepaalde handeling plaatsvond: de benaming ‘speciaal onderwijs’ deed namelijk pas in 1977 (Nota Speciaal onderwijs) zijn intrede en het zou, historisch gezien, niet passen in beschrijvingen van handelingen die veel vroeger plaatsvonden.

De Lager-Onderwijswet van 1920, en met name het artikel 3, kan gezien worden als basis voor het overheidsbeleid op het gebied van het buitengewoon onderwijs. Artikel 3 spreekt namelijk van ‘kinderen, die wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijk oorzaak niet in staat zijn geregeld en met vrucht het gewone onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun buitengewoon onderwijs te doen geven’.

Door de jaren heen verandert de terminologie; ‘buitengewoon lager onderwijs’ wordt vervangen door ‘buitengewoon onderwijs’ en later door ‘speciaal onderwijs’. Ook de doelgroep is van wisselende samenstelling; behoren bijvoorbeeld schipperskinderen tot 1985 nog bij het buitengewoon onderwijs, na die tijd vallen zij onder de werkingssfeer van de Wet op het basisonderwijs.

In de Interimwet op het Speciaal Onderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO) van 1982 wordt het speciaal onderwijs als volgt gedefinieerd:

Speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs zijn bedoeld voor leerlingen vanaf drie tot twintig jaar voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische of orthodidactische benadering noodzakelijk is.

De verschillende onderwijsvormen binnen deze typen onderwijs zijn toegespitst op leerlingen met zeer uiteenlopende specifieke problemen:

De overheid, dat wil zeggen de minister belast met het onderwijs, heeft sinds 1920 de taak te zorgen dat er voldoende scholen voor speciaal onderwijs zijn, en dat er beleid ontwikkeld en uitgevoerd wordt op dit terrein. Verder moet hij zorg dragen voor de structurering en de bekostiging van het speciaal onderwijs, vernieuwingen binnen het speciaal onderwijs bevorderen en zorgdragen voor de evaluatie van het beleid.

De doelstellingen van het onderwijsbeleid op het gebied van het speciaal onderwijs zijn als volgt: het onderwijs dient te worden afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, en dient daarom zodanig ingericht te worden dat een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen kan worden. Zo mogelijk brengt het leerlingen tot het volgen van gewoon onderwijs in scholen voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs.

Verder moet het onderwijs zich richten op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling van de leerling binnen het speciaal onderwijs, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

4. Actoren

De Onderwijsraad

De Onderwijsraad is een permanent adviesorgaan met betrekking tot de uitvoering van het landelijk beleid, ingesteld bij wet (21-02-1919, Stb. 49) 8Deze wet is per 1-1-1997 vervangen door de Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220)..

De taken van de Raad zijn:

De adviesverplichting is voor een groot deel vervallen bij de wet van 10-07 -1995, Stb. 355.

5. Selectie

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 19959Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.

De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.

Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum of afdoening van de archivistische neerslag.

Selectiecriteria

Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. In dit BSD zijn de criteria van 1997 gehanteerd.

De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria. De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden. De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.

De volgende algemene selectiecriteria worden door het Nationaal Archief gehanteerd om permanent te bewaren handelingen te selecteren:

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan: agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van het beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij de terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Vaststelling BSD

Op 7 april 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juli 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van OC&W en de regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 24 augustus 2006 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2006.03077/10), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

– de waardering van de handelingen 1001, 22, 51, 66, 68, 70, 76, 82, 88, 219, 268, 270, 286, 1005, 380, 382 wordt gewijzigd van ‘B (1)’ naar ‘V, 5 jaar’.

Daarop werd het BSD op 26 september 2006 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld (C/S/06/2361).

Leeswijzer van de handelingen

In dit BasisSelectiedocument (BSD) worden de handelingen beschreven. Iedere handeling is vastgelegd in een gegevensblok met zes of zeven velden. Op deze wijze:

(..)

Actor: ....

Handeling: ....

Grondslag: ....

Periode: ....

Product: ....

Opmerking: ....

Waardering: ….

Iedere handeling is voorzien van een uniek volgnummer. Dit BSD werd opgesteld terwijl er alreeds een Documentair Structuurplan (DSP) voorhanden was en door de Onderwijsraad in gebruik was genomen. Omdat een aantal handelingen uit het DSP in dit BasisSelectiedocument zijn verwerkt, kan de nummering afwijken van hetgeen gebruikelijk is.

Een actor is een orgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein en de bevoegdheid heeft tot het zelfstandig verrichten van handelingen op grond van attributie of delegatie. De naam die voor een actor wordt gebruikt komt overeen met de naam uit de actorenbeschrijving in het hoofdstuk Actoren. In dit BSD is er slechts één actor, nl. de Onderwijsraad.

Een handeling is een complex van activiteiten gericht op het totstandbrengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Een actor kan handelingen via mandatering door organisatieonderdelen of -leden laten verrichten. De handelingen zijn in principe positief geformuleerd. Dat wil zeggen dat bij een handeling als ‘het vaststellen van een regeling’ ook ‘het intrekken van een regeling’ inbegrepen wordt geacht.

De grondslag of bron geeft de wet of de regeling krachtens de wet waarop een handeling is gebaseerd. Een groot aantal aangetroffen gelijksoortige grondslagen is soms samengevat of tot een keuze beperkt. Niet alle handelingen zijn gebaseerd op een grondslag. Dan is de beschrijving van de handeling ontleend aan de literatuur of bronnen. Voor enkele (algemene) handelingen is geen grondslag of bron aangetroffen.

De periode geeft aan wanneer een handeling is uitgevoerd. Hoewel het institutioneel onderzoek zich beperkt tot de periode 1980–2003 zijn handelingen waarvan de grondslag een vroegere startdatum doet vermoeden niet voorzien van een eerder gelegen jaartal. Als een handeling nog niet is beëindigd, is achter het eerste jaartal alleen een streepje gezet (bijvoorbeeld: 1997–). Deze handelingen waren bij het afsluiten van het onderzoek nog niet beëindigd. Onderhoud aan de selectielijst zal eventuele eindjaren moeten achterhalen.

Het product vormt het resultaat van de handeling.

Soms was het noodzakelijk bepaalde velden in de gegevensblokken te verduidelijken met een opmerking of toelichting.

De waardering geeft aan welke selectiebeslissing genomen moet worden ten aanzien van de neerslag van de handeling.

6. Selectielijst van de Onderwijsraad (periode 1950–1996)

Handelingen betreffende het speciaal onderwijs (so)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake aspecten van het beleid op het gebied van o.a. het (voortgezet) speciaal onderwijs

Periode: 1950–1996

Grondslag: Wet van 1-02-1919, art. 4

Product: adviezen

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake nadere voorschriften betreffende ondersteunende werkzaamheden van ouders binnen het speciaal onderwijs

Periode: 1985–1993

Grondslag: ISOVSO, art. 38

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de minisater van Onderwijs over de toelating van kinderen tot het speciaal onderwijs

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 10

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de samenstelling van de commissies van onderzoek ten behoeve van het speciaal onderwijs

Periode: 1967–1985

Grondslag: Besluit buo, art. 7

ISOVSO, art. 33 en 33a

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over voorschriften waaraan een onderzoek van de commissie van onderzoek moet voldoen

Periode: 1984–1985

Grondslag: OISOVSO, Q, lid 2

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de voorschriften waaraan onderwijskundige rapporten moeten voldoen

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 34, lid 2

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs bij geschillen tussen het schoolbestuur voor buitengewoon onderwijs en de (hoofd)inspecteur over het al dan niet verwijderen van een leerling

Periode: 1950–1996

Grondslag: Besluit blo, art. 4, lid 3

Besluit buo, art. 7, lid 7

Wet van 12-05-1993, art. 33a, lid 4

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over een te verlenen vergunning aan het schoolbestuur van een school voor buitengewoon onderwijs om af te wijken van het wettelijk bepaalde in het leerplan

Periode: 1950–

Grondslag: betreffende het bijzonder onderwijs:

Besluit blo , art. 9, lid 2

Besluit buo 1,art. 26, lid 7

betreffende het openbaar onderwijs:

Besluit buo, art. 21, lid 7

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het beslissen in geschillen tussen de hoofdinspecteur en het schoolbestuur over het leerplan, het lesrooster of de regeling van de vakantietijden

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit blo, art. 9, lid 4

Besluit buo 1967, art. 27, lid 3

Product: beschikking

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over een te verlenen goedkeuring aan het schoolbestuur betreffende afwijkingen in het vakkenpakket op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs

Periode: voortgezet) speciaal onderwijs

Periode: 1985

Grondslag: ISOVSO, art. 15

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over geschillen tussen inspectie en schoolbestuur betreffende het voldoen aan de wettelijke voorschriften van het schoolwerkplan en/of het activiteitenplan

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 21, lid 4

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het vakkenpakket voor meervoudig gehandicapte kinderen

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 14

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het maximum aantal vakken en de combinatie van deze vakken binnen het voortgezet speciaal onderwijs

Periode: 1982–1985

Grondslag: ISOVSO, art. 13, lid 4

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het vakkenpakket binnen het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen

Periode: 1982–1987

Grondslag: ISOVSO, art. 13, lid 5

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de regels betreffende de stages voor leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs

Periode: 1978–1985

Grondslag: Besluit van 06-11-1978, art. 21, lid 7

ISOVSO, art. 16, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs betreffende het verlenen van de bevoegdheid tot het geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

Periode: (1919) 1950–

Grondslag: Wet van 21-02–1919, art. 4

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een kwalificatieverklaring voor een vak waarvoor nog geen bewijs van bekwaamheid is aan-gewezen

Periode: 1988–1991

Grondslag: ISOVSO, art. 3, lid 6

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de geldigheid van aanvullende bewijzen van bekwaamheid ten behoeve van het geven van (voortgezet)speciaal onderwijs

Periode: 1985–1995

Grondslag: ISOVSO, art. 111, lid 8

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in de taal en cultuur van leerlingen met een niet-Nederlandse achtergrond binnen het (voortgezet) speciaal onderwijs

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 3, lid 5

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het bepalen welke leerlingen met een niet-Nederlandse achtergrond in aanmerking komen voor onderwijs in taal-en cultuur van het land van oorsprong

Periode: 1982–1985

Grondslag: ISOVSO, art. 18, lid 1

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het bepalen welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van OETC-onderwijs

Periode: 1984–1995

Grondslag: OISOVSO, art. 111, lid 7

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over symbiose-onderwijs, ambulante begeleiding en leerlingentelling

Periode: 1984–1995

Grondslag: OISOVSO, art. 19a

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de jaarlijkse bijdrage in de kosten van een school voor buitengewoon lager onderwijs

Periode: 1950–1996

Grondslag: Besluit blo 1949, art. 3

Besluit buo 1967, art.173

ISOVSO, art. 59, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het bekostigen van een school of afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 173, lid 3

Besluit van 19-09-1983, art. D, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het niet meetellen van scholen of leerlingen voor de berekening van vergoedingsbedragen voor een schoolsoort van openbaar buitengewoon onderwijs

Periode: 1955–1967

Grondslag: Besluit van 26-11-1955, art. 33a, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de hoogte van het vergoedingsbedrag per leerling binnen het bijzonder buitengewoon onderwijs

Periode: 1955–1967

Grondslag: Besluit van 26-11-1955, art. 34a, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het minimum aantal leerlingen van een school voor buitengewoon onderwijs dat nodig is voor het verkrijgen van een vergoeding

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo, art. 173, lid 4

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het toekennen van een vergoeding aan een school voor buitengewoon onderwijs welke een te laag aantal leerlingen heeft

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 173, lid 5

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van Gedeputeerde Staten over de hoogte van het vergoedingsbedrag per leerling van een school voor buitengewoon onderwijs

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit blo 1949, art. 32, lid 3

Besluit buo 1967, art. 186, lid 6

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het buiten aanmerking laten van een openbare school voor buitengewoon onderwijs bij de vaststelling van de vergoedingsbedragen per leerling

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 188, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het vergoedingsbedrag per leerling voor de administratiekosten van bijzondere scholen voor buitengewoon onderwijs

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 189, lid 8

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verhogen van het vergoedingsbedrag per leerling van een bijzondere school voor buitengewoon onderwijs

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 190, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van Gedeputeerde Staten over beroepszaken betreffende vergoedingen aan bijzondere scholen voor buitengewoon onderwijs

Periode: 1967–

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 191, lid 8

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor dove kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor kinderen die naast doofheid ook aan een ander gebrek lijden, dat niet het gevolg is van de doofheid

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 36, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor slechthorende kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die naast slechthorendheid ook aan een ander gebrek lijden dat niet het gevolg is van de slechthorendheid

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 42, lid 3

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor ernstig spraakgebrekkige kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die naast hun spraakgebrek ook aan een ander gebrek lijden, dat niet voortvloeit uit hun spraakgebrek

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 49, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor blinde kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die naast hun blindheid ook aan een ander gebrek lijden, dat niet voortvloeit uit hun blindheid

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 55, lid 3

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor lichamelijk gebrekkige kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die naast hun lichamelijke handicap, aan een ander gebrek lijden, dat niet voortvloeit uit hun lichamelijke handicap

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 69, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan school voor ziekelijke kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor ziekelijke leerlingen die naast hun ziekte, ook aan een ander gebrek lijden, dat niet voortvloeit uit hun ziekte

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 81, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor debiele kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die naast hun zwakzinnigheid, ook lijden aan een ander gebrek, dat niet voortvloeit uit hun zwakzinnigheid

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 94, lid 5

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor imbeciele kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die naast hun zwakzinnigheid, ook lijden aan een ander gebrek, dat niet voortvloeit uit hun zwakzinnigheid

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo, art. 102, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan het schoolbestuur van een school verbonden aan een gesticht, en bestemd voor zwakzinnige leerlingen, om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen, die naast hun zwakzinnigheid ook lijden aan een ander gebrek, dat niet voortvloeit uit hun zwakzinnigheid

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 108, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die lijden aan een zintuiglijk, lichamelijk of geestelijk gebrek

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 113, lid 3

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school verbonden aan een inrichting, als bedoeld in art. 5 van de Beginselenwet van de kinderbescherming, om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die lijden aan een zintuiglijk, lichamelijk of geestelijk gebrek

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 119, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan scholen verbonden aan pedologische instituten, om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen die in het instituut zijn opgenomen, en die in meer dan één opzicht gehandicapt zijn en waarvan geen oorzakelijk verband geconstateerd is tussen de verschillende gebreken

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 126, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, om een afzonderlijke afdeling aan de school te verbinden voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden die bovendien nog lijden aan een ander gebrek

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 133, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan een school voor meervoudig gebrekkige kinderen

Periode: 1967–1988

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 147

Besluit van 14-12-1972, Stb. 745, houdende wijziging van het besluit buo 1967, art. 140

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de beëindiging van de bekostiging van een (bijzondere of openbare) school voor speciaal onderwijs

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 103, art. 104

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het adviseren van Gedeputeerde Staten over beroepszaken betreffende de toekenning van vervoerskosten aan ouders in verband met schoolbezoek

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 54

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over een te verlenen ontheffing aan een school voor ligplaatsonderwijs inzake het minimum aantal leerlingen

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit blo 1949, art. 146, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het voortzetten van de rijksbijdrage voor scholen voor continu- of ligplaatsonderwijs of voor woonwagenkampkinderen in geval dat het leerlingaantal onder de minimumgrens gedaald is

Periode: 1955–

Grondslag: Besluit van 26-11-1955, art. 147, lid 4

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren over het voortzetten van de verlening van een rijksbijdrage aan scholen voor schipperskinderen met een te laag aantal leerlingen na januari 1952

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit blo 1949, art. 156, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan het schoolbestuur van een school voor continu-onderwijs aan schipperskinderen, om de leerstof voor de kernafdeling over zes jaren te verdelen in plaats van over vijf jaren

Periode: 1967–1977

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 141, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan het schoolbestuur van een school voor ligplaatsonderwijs aan schipperskinderen, om de leerstof voor de afdeling continu-onderwijs over zes jaren te verdelen in plaats van over vijf jaren

Periode: 1967–1977

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 148, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een rijksbijdrage aan het schoolbestuur van een school voor kinderen van kermisexploitanten om de leerstof te verdelen over zes jaren in plaats van over vijf jaren

Periode: 1967–1972

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 162, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het voorbereiden van voorschriften betreffende de aanvang van de bekostiging van scholen die voorkomen op het plan van scholen

Periode: 1985–1995

Grondslag: ISOVSO, art. 72, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het voorbereiden van nadere voorschriften omtrent de criteria waaraan het leerlingenbestand van een school voor speciaal onderwijs dient te voldoen in het kader van de vaststelling van de onderwijsachterstanden

Periode: 1993–1995

Grondslag: Wet van 21-04-1993, art. 107a, lid 8

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het voorbereiden van nadere voorschriften omtrent het landelijke beleidskader betreffende de onderwijsachterstanden

Periode: 1993–1995

Grondslag: Wet van 21-04-1993, art. 107a, lid 9

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het nader aangeven wat onder ‘ander onderwijs’ kan worden begrepen

Periode: 1984–1995

Grondslag: OISOVSO, art. 88g

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van Gedeputeerde Staten over beroepszaken betreffende de totstandkoming van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in de huisvesting

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 82

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het instellen van een adviesgroep welke zal adviseren over de programma’s van eisen

Periode: 1992–

Grondslag: Wet van 18-06-1992, art. 88j, lid 7

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het benoemen van een deskundige die zitting zal nemen in een commissie, die als taak heeft een schatting te geven voor de vergoeding voor en buitengebruikstelling van oude eigendoms- en huurscholen

Periode: 1989–

Grondslag: Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO 1987, Stb. 617, art. 57

Product: beschikking

Waardering: V 1 nadat de commissie ontbonden is

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake het beslissen over een verzoek van het schoolbestuur van een school voor speciaal onderwijs tot verhoging van het vergoedingsbedrag voor de materiële instandhouding wegens bijzondere omstandigheden

Periode: 1988–

Grondslag: Wet van 23-12-1987, art. 98, lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs bij het stellen van regels over het aantal leraren per school en het bepalen in welke gevallen niet-onderwijzend personeel aan de school werkzaam kan zijn

Periode: 1985–

Grondslag: ISOVSO, art. 23, art. 24

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het bepalen dat een lager aantal onderwijzers werkzaam zal zijn op een school voor buitengewoon onderwijs dan voordien bepaald was op grond van het leerlingenaantal

Periode: 1967–1985

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 15, lid 6

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verhogen of verlagen van de vergoeding voor personeelskosten binnen het buitengewoon onderwijs in geval van toename of afname van het leerlingenaantal of andere bijzondere omstandigheden

Periode: 1950–

Grondslag: Besluit blo 1949, art. 23, lid 2 en 3

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het verlenen van een vergoeding aan een school voor buitengewoon onderwijs ten behoeve van de aanstelling van een of meer extra onderwijzers voor een jaar of een gedeelte ervan

Periode: 1967–

Grondslag: Besluit buo 1967, art. 174, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het voorbereiden van regels om per schoolsoort de grondslag te kunnen vaststellen van de formatie voor de reguliere taken van de school voor speciaal onderwijs, met inbegrip van de formatieve fricties, en de formatie voor speciale doeleinden

Periode: 1992–1995

Grondslag: Wet van 27-02-1992, Stb. 113, art. 93a, lid 1

Product: advies

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)