← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)

Geldende tekst a fecha 2007-01-01

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01681 M;

Gelet op richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375), richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG 1987 L 42), richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L 228), richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen nr. 90/619/EEG, nr. 97/7/EG en nr. 98/27/EG (PbEG L 271), richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345) en richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) en de artikelen 4:3, vierde lid, 4:5, derde lid, 4:9, derde lid, 4:10, derde lid, 4:11, derde en vierde lid, 4:14, tweede lid, 4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel a en onderdeel b, onder 2°, 4:16, tweede en derde lid, 4:17, derde lid, 4:20, eerste lid, tweede lid, derde lid, aanhef en onderdeel b, vierde lid, en vijfde lid, 4:22, eerste lid, 4:25, eerste lid, 4:26, derde lid, 4:27, vierde lid, 4:30a, derde lid, 4:32, tweede lid, 4:33, derde en vierde lid, 4:34, derde lid, 4:43, tweede lid, 4:48, tweede lid, 4:49, tweede lid, aanhef en onderdeel e, 4:51, vierde lid, 4:52, derde lid, 4:56, eerste lid, 4:61, 4:71, vierde lid, 4:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, 4:73, derde lid, aanhef en onderdelen a en c, 4:74, tweede lid, 4:75, tweede lid, 4:76, tweede lid, 4:78, eerste lid, 4:85, derde lid, 4:86, 4:87, derde lid, 4:88, derde lid, en 4:89, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord (advies van 20 september 2006, nr. W06.06.0334/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006 (nr. FM 2006-02268 M);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

§ 1.1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 1.2. Bijzondere bepalingen

Artikel 2
1.

Het beleid van een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de houder van een ontheffing een orgaan is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de houder van een ontheffing wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

2.

De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet toont aan dat zal worden voldaan aan het eerste lid en legt ten aanzien van de betrokken personen de volgende gegevens over:

3.

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van de wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

4.

Op de vaststelling van de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 12 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3
1.

De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet:

2.

De houder van een ontheffing geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten twijfel staat. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de betrouwbaarheid:

3.

Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de houder.

4.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, legt de houder ten aanzien van de betrokken persoon de volgende gegevens over:

5.

Het tweede en vierde lid, onderdelen b, c en d, zijn niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.

Artikel 4

De rechtspersoon, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid, van de wet verstrekt bij de in dat lid bedoelde melding aan de Autoriteit Financiële Markten de volgende gegevens over de betrokken onderneming:

Hoofdstuk 2. Vakbekwaamheid van medewerkers

§ 2.1. Eindtermen van vakbekwaamheid

Artikel 5
1.

De personen, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, zijn vakbekwaam, indien zij voldoen aan de in onderdeel 1 van bijlage B genoemde eindtermen alsmede, voorzover zij zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten met betrekking tot de hierna in de onderdelen a tot en met d genoemde onderwerpen, aan de eindtermen genoemd in het daarop betrekking hebbende onderdeel van bijlage B:

2.

Indien de financiëledienstverlener, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, optreedt als gevolmachtigde agent of als ondergevolmachtigde agent, zijn de in dat lid bedoelde personen vakbekwaam, indien zij voldoen aan de in onderdeel 6 van bijlage B genoemde eindtermen en de in het eerste lid bedoelde onderdelen van die bijlage, met betrekking tot het financiële product waarmee zij zich rechtstreeks bezighouden.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen van financiële diensten met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsverzekeringverzekering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of d, of een opstal-, inboedel-, of overlijdensrisicoverzekering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die wordt gecombineerd met het in het desbetreffende onderdeel genoemde onderwerp.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op financiëledienstverleners die zich bezighouden met het verlenen van financiële diensten met betrekking tot financiële instrumenten, voorzover die financiële diensten geen betrekking hebben op een onderwerp als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of d.

§ 2.2. Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 6
1.

Een financiëledienstverlener voldoet aan artikel 4:9, tweede lid, eerste volzin, van de wet, indien:

2.

Een financiëledienstverlener voldoet aan artikel 4:9, tweede lid, tweede volzin, van de wet, indien:

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid, voldoet een financiëledienstverlener die zich bezighoudt met het verlenen van financiële diensten met betrekking tot financiële instrumenten, welke financiële diensten geen betrekking hebben op een onderwerp als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of d, met betrekking tot dat aspect van de financiële dienstverlening aan artikel 4:9, tweede lid, van de wet, indien hij zijn bedrijfsvoering zodanig inricht dat een vakbekwame financiële dienstverlening aan consumenten voldoende is gewaarborgd.

4.

Onverminderd het eerste en tweede lid voldoet een bemiddelaar als bedoeld in artikel 2:81, tweede lid, van de wet aan het bepaalde in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, indien zijn bedrijfsvoering onder de verantwoordelijkheid van de aanbieder voor welke hij bemiddelt zodanig is ingericht dat een vakbekwame financiële dienstverlening aan consumenten of, indien het verzekeringen betreft, cliënten voldoende is gewaarborgd.

5.

Onverminderd het eerste en tweede lid voldoet een aangesloten onderneming als bedoeld in artikel 2:105, eerste lid, van de wet aan het bepaalde in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, indien haar bedrijfsvoering onder de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon waarbij zij is aangesloten zodanig is ingericht dat een vakbekwame financiële dienstverlening aan consumenten of, indien het verzekeringen betreft, cliënten voldoende is gewaarborgd.

Artikel 7
1.

Een diploma is geldig, tenzij de houder ervan:

2.

Indien een houder van een diploma niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn heeft voldaan aan de in zijn geval relevante toetstermen voor permanente educatie, is het diploma ongeldig tot het moment dat hij alsnog daaraan voldoet.

§ 2.3. Vaststellen toetstermen

Artikel 8
1.

Bij ministeriële regeling worden toetstermen vastgesteld voor de examens die leiden tot afgifte van een diploma als bedoeld in artikel 10, eerste lid.

2.

Indien ontwikkelingen op de financiële markten of relevante wettelijke voorschriften daartoe aanleiding geven worden bij ministeriële regeling toetstermen vastgesteld met betrekking tot permanente educatie, alsmede de wijze waarop aan deze toetstermen kan worden voldaan.

3.

Onze Minister draagt er zorg voor dat de openbaarmaking van de toetstermen voor examens en de openbaarmaking van de daarbij aansluitende toetstermen voor permanente educatie gelijktijdig plaatsvinden.

§ 2.4. Exameninstituten

Artikel 9
1.

Onze Minister erkent een exameninstituut op aanvraag, indien de aanvrager heeft aangetoond te kunnen voldoen aan artikel 10, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, voorzover het in die leden bepaalde op de aanvrager van toepassing is.

2.

Onze Minister beslist op een aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee maanden worden verlengd.

3.

Onze Minister kan aan een erkenning voorschriften verbinden.

4.

Onze Minister kan een erkenning intrekken:

5.

Van een besluit tot erkenning of tot intrekking van de erkenning van een exameninstituut doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.

Artikel 10
1.

Een erkend exameninstituut geeft een diploma af aan een kandidaat die een door het erkende exameninstituut afgenomen examen met goed gevolg heeft afgelegd.

2.

Een erkend exameninstituut dat tevens opleidingen aanbiedt, brengt een zodanige scheiding aan in de bedrijfsvoering tussen het ontwikkelen en verzorgen van opleidingen en het afnemen van examens dat belangenverstrengeling tussen deze activiteiten wordt voorkomen. Daartoe treft een erkend exameninstituut in ieder geval adequate maatregelen, gericht op:

3.

Een erkend exameninstituut stelt de door hem aangeboden examens open voor een ieder.

4.

Een door een erkend exameninstituut af te nemen examen voldoet binnen zes maanden na de openbaarmaking ervan aan de door Onze Minister vastgestelde toetstermen, bedoeld in artikel 8, eerste lid.

5.

Een erkend exameninstituut neemt ten aanzien van de wijze van examinering de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om te bevorderen dat examens op een correcte en eerlijke wijze worden afgelegd.

6.

Een erkend exameninstituut draagt zorg voor een vakinhoudelijk juiste en objectieve beoordeling van afgenomen examens.

7.

Een erkend exameninstituut beschikt over en handelt in overeenstemming met een examenreglement waarin ten minste de volgende onderwerpen adequaat zijn geregeld:

8.

Een erkend exameninstituut verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een opgave van het aantal in het vorige kalenderjaar afgenomen en beoordeelde examens, alsmede een analyse van de resultaten van deze examens, de klachten die over de examinering en de resultaten zijn ingediend en de beslissingen hierop van het exameninstituut.

9.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op uit ’s rijks kas bekostigde opleidingen van instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 11
1.

Een erkend exameninstituut verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van zijn in dit hoofdstukomschreven taken.

2.

Met het toezicht op de naleving van de artikelen 9 en 10 zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.

3.

Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk 3. Betrouwbaarheid

Artikel 12

De Autoriteit Financiële Markten stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Artikel 13

De Autoriteit Financiële Markten neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 12, in ieder geval de volgende antecedenten in aanmerking:

Artikel 14
1.

De Autoriteit Financiële Markten verkrijgt inzicht in de in artikel 12 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

2.

Indien de gegevens en inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Autoriteit Financiële Markten aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Autoriteit Financiële Markten ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Autoriteit Financiële Markten stelt de betrokkene in dat geval schriftelijk vooraf in kennis van:

Artikel 15

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 12 staat niet buiten twijfel indien deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage C, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

Artikel 16

De Autoriteit Financiële Markten neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 12, in aanmerking:

Hoofdstuk 4. Integere uitoefening van het bedrijf

§ 4.1. Beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders

Artikel 17
1.

Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico´s.

2.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder draagt er zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de wet, zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.

3.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder stelt alle relevante bedrijfsonderdelen in kennis van het beleid en de procedures en maatregelen.

4.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder draagt zorg voor de uitvoering en de systematische toetsing van het beleid en de procedures en maatregelen.

5.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder draagt zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen.

6.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf tot een gepaste bijstelling leiden.

Artikel 18

Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van de privé-belangen van personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen, personen die onderdeel zijn van een orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, andere werknemers, of andere personen die in opdracht van de betrokken onderneming op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten met haar belangen of die van haar deelnemers.

Artikel 19
1.

Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.

2.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

3.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.

Artikel 20
1.

Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die hij onderscheidenlijk zij wil benoemen in een integriteitgevoelige functie.

2.

De beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.

Artikel 21
1.

Een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt ter bescherming van de integriteit van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van deelnemers.

2.

Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet identificatie bij dienstverlening beschikt de beleggingsinstelling over procedures en maatregelen met betrekking tot de identificatie van deelnemers en de verificatie daarvan. De beleggingsinstelling accepteert een deelnemer niet indien zij de identiteit niet heeft vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.

3.

De beleggingsinstelling beschikt ter bescherming van de integriteit van het bedrijf over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.

4.

De beleggingsinstelling beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van deelnemers, mede in relatie tot de door de deelnemer afgenomen producten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van deze procedures en maatregelen bepaalt de beleggingsinstelling tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.

5.

De beleggingsinstelling draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van transacties van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.

6.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing voorzover de beleggingsinstelling niet voorafgaand aan het intreden of uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling beslist omtrent acceptatie van deelnemers.

Artikel 22
1.

Een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet onderzoekt, op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten, of in haar administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.

2.

De beleggingsinstelling verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Autoriteit Financiële Markten vast te stellen termijn, aan de Autoriteit Financiële Markten.

§ 4.2. Beleggingsondernemingen

Artikel 23

Een beleggingsonderneming draagt er, met het oog op de integere uitoefening van haar bedrijf, zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de wet, zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.

Artikel 24
1.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de behandeling en administratieve vastlegging van incidenten.

2.

De beleggingsonderneming neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

3.

De beleggingsonderneming informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.

Artikel 25
1.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid dat zij wil benoemen in een integriteitgevoelige functie.

2.

De beleggingsonderneming draagt zorg voor de beoordeling van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten

Artikel 26
1.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van cliënten. Deze procedures en maatregelen hebben betrekking op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.

2.

Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet identificatie bij dienstverlening beschikt de beleggingsonderneming over procedures en maatregelen met betrekking tot de identificatie van cliënten en de verificatie daarvan. De beleggingsonderneming accepteert een cliënt niet indien zij de identiteit niet heeft vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.

3.

De beleggingsonderneming beschikt over procedures met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten en diensten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van deze procedures en maatregelen worden tevens de risico’s ten aanzien van bepaalde cliënten of producten bepaald.

4.

De beleggingsonderneming draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling van cliënten naar risico en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.

Artikel 27
1.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet onderzoekt, op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten, of in haar administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.

2.

De beleggingsonderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek aan de Autoriteit Financiële Markten, binnen een door deze vast te stellen termijn.

§ 4.3. Financiëledienstverleners

Artikel 28
1.

Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:11, tweede lid, van de wet draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten, buiten twijfel staat.

2.

Een persoon als bedoeld in het eerste lid is betrouwbaar, indien hij een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over kan leggen, en hij niet failliet is verklaard, tenzij rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet heeft plaatsgevonden.

Artikel 29
1.

Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de wet stelt procedures en maatregelen vast met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.

2.

De financiëledienstverlener neemt naar aanleiding van een incident passende maatregelen. Deze maatregelen zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

3.

De financiëledienstverlener informeert de Autoriteit Financiële Markten onverwijld omtrent incidenten.

Hoofdstuk 5. Beheerste uitoefening van het bedrijf

§ 5.1. Algemene aspecten van de bedrijfsvoering

Artikel 30
1.

De bedrijfsvoering van een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:

2.

Een beheerder richt voor iedere beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.

3.

De beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder legt zijn onderscheidenlijk haar bedrijfsvoering op een inzichtelijke wijze vast.

Artikel 31

De Autoriteit Financiële Markten stelt ten aanzien van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet regels met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet die betrekking hebben op het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s.

§ 5.2. Gedragsaspecten van de bedrijfsvoering

Artikel 32
1.

Een aanbieder als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert, bewaart, indien de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst inzake het aanbevolen product met de consument onderscheidenlijk de cliënt, de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het verkochte financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het moment van advisering.

2.

Een adviseur als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert, en het aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt aan de consument of cliënt of met betrekking tot het aanbevolen financiële product niet tevens bemiddelt of optreedt als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, bewaart de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het moment van advisering.

3.

Een bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt adviseert bewaart, indien de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst met de consument onderscheidenlijk de cliënt inzake het aanbevolen product, de informatie die hij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het moment van advisering.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen die bij de advisering uitsluitend te werk gaan volgens een gestandaardiseerde en gesystematiseerde procedure die voor de Autoriteit Financiële Markten verifieerbaar is, en die aan de hand van deze procedure aan de Autoriteit Financiële Markten kunnen aantonen welke informatie zij overeenkomstig artikel 4:23, eerste lid, onderdeel a, van de wet over consumenten onderscheidenlijk cliënten inwinnen en welke adviezen consumenten onderscheidenlijk cliënten op basis van de aldus ingewonnen informatie worden gegeven.

5.

Een aanbieder, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet die in het kader van een door hem verstrekt advies met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt een overeenkomst aangaat onderscheidenlijk bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomst inzake een ander financieel product dan waarover hij de consument onderscheidenlijk de cliënt heeft geadviseerd, is gedurende ten minste één jaar na de totstandkoming van de overeenkomst in staat om aan de Autoriteit Financiële Markten aan te tonen dat de consument onderscheidenlijk de cliënt in weerwil van het advies de keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die overeenkomst.

Artikel 33

Een aanbieder van krediet als bedoeld in artikel 4:15, eerste of derde lid, van de wet bewaart de informatie die hij ingevolge de artikelen 4:34, eerste lid, van de wet en 113 en 114 heeft ingewonnen, alsmede de door hem aangeboden overeenkomst inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, ten minste gedurende vijf jaren na de dag waarop die overeenkomst is afgewikkeld.

Artikel 34
1.

De bedrijfsvoering van een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet omvat ten minste procedures en maatregelen die waarborgen dat:

2.

De maatregelen en procedures, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel f, voorzien er in ieder geval in dat de voor de intrinsieke waardebepaling gebruikte subadministraties ten minste een keer per maand worden aangesloten met de saldibalans en dat de daaruit voortvloeiende verschillen worden geanalyseerd en gecorrigeerd.

3.

De procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, van een instelling voor collectieve belegging in effecten omvatten in ieder geval een procedure voor de waardevaststelling van financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld.

4.

Een beheerder richt voor iedere beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.

Artikel 35
1.

De Autoriteit Financiële Markten stelt ten aanzien van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet regels met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op:

2.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid, van de wet bewaart alle gegevens die betrekking hebben op haar bedrijfsvoering, waaronder de gegevens die betrekking hebben op door haar verrichte transacties in financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering aan een gereglementeerde markt, ten minste vijf jaren op systematische en overzichtelijke wijze.

Hoofdstuk 6. Uitbesteden van werkzaamheden

Artikel 36

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

Artikel 37

Een financiële onderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat een belemmering vormt voor een adequaat toezicht op de naleving van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet.

Artikel 38
1.

Indien een beheerder of bewaarder in het kader van het beheer van een beleggingsinstelling onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van de activa van een beleggingsinstelling een of meer werkzaamheden uitbesteedt:

2.

Een beheerder besteedt het bepalen van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling niet uit.

3.

Iedere overeenkomst die een beheerder of een bewaarder aangaat in het kader van het uitbesteden van het beheer van de beleggingsinstelling onderscheidenlijk in het kader van de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling, wordt schriftelijk vastgelegd.

Hoofdstuk 7. Klachtenafhandeling

§ 7.1. Interne klachtenprocedure

Artikel 39

Een beleggingsonderneming of financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de wet stelt aan alle personen die binnen haar onderscheidenlijk zijn onderneming betrokken zijn bij de afhandeling van klachten van cliënten of consumenten over financiële diensten of financiële producten van de financiële onderneming, een beschrijving beschikbaar van de te volgen procedure voor de afhandeling van die klachten.

Artikel 40

Met het oog op een adequate behandeling van klachten van cliënten of consumenten over financiële diensten of financiële producten van een beleggingsonderneming of financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de wet, beschikt de beleggingsonderneming of de financiëledienstverlener over een behoorlijke administratie van die klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:

Artikel 41

Een beleggingsonderneming of financiëledienstverlener bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 40, gedurende een periode van ten minste een jaar nadat de klacht door haar onderscheidenlijk hem is afgehandeld.

Artikel 42

Een beheerder als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de wet voorziet in procedures en maatregelen die waarborgen dat klachten van deelnemers in door hem beheerde beleggingsinstellingen zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.

§ 7.2. Erkende geschilleninstantie

Artikel 43
1.

Onze Minister erkent een geschilleninstantie als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel b, van de wet op aanvraag, indien de aanvrager heeft aangetoond te kunnen voldoen aan de artikelen 44 tot en met 48.

2.

Onze Minister beslist op een aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee maanden worden verlengd.

3.

Onze Minister kan aan een erkenning voorschriften verbinden.

4.

Een erkende geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister binnen een half jaar na afloop van elk kalenderjaar een opgave van:

5.

Een erkende geschilleninstantie informeert Onze Minister onverwijld over wijzigingen in het reglement, bedoeld in artikel 45, eerste lid, en van de samenstelling van het orgaan, bedoeld in artikel 44. Bij wijzigingen van de samenstelling van dit orgaan vermeldt de geschilleninstantie de leeftijd, genoten opleiding en professionele achtergrond van het betrokken lid.

6.

Een erkende geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van diens in deze paragraaf omschreven taken.

7.

Onze Minister kan een erkenning intrekken:

8.

Van een beslissing tot erkenning of tot intrekking van de erkenning van een geschilleninstantie wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 44
1.

Een erkende geschilleninstantie draagt zorg voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van het orgaan dat binnen haar organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van het geschil.

2.

De onafhankelijkheid van het orgaan wordt voldoende gewaarborgd indien de leden:

3.

Ter waarborging van de deskundigheid van het orgaan bezit in ieder geval de voorzitter van het orgaan de hoedanigheid van meester in de rechten.

4.

De bij de benoeming van een lid van het orgaan te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd.

Artikel 45
1.

Een erkende geschilleninstantie beschikt over en handelt in overeenstemming met een reglement voor de behandeling van geschillen dat ten minste omvat:

2.

Een erkende geschilleninstantie houdt het reglement, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar en verstrekt het kosteloos op verzoek aan iedere belanghebbende.

Artikel 46

Een erkende geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de kosten voor het aanhangig maken van een geschil zodanig beperkt blijven dat de toegang tot de geschilleninstantie niet onredelijk wordt belemmerd.

Artikel 47

Een erkende geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de behandeling van een geschil binnen een redelijke termijn wordt voltooid.

Artikel 48

Een erkende geschilleninstantie stelt aan een financiëledienstverlener die zich bij haar wil aansluiten niet als voorwaarde voor aansluiting dat de financiëledienstverlener andere regels naleeft dan die welke betrekking hebben op het aanhangig maken van een geschil bij de geschilleninstantie of de verdere behandeling van een geschil door de geschilleninstantie.

Hoofdstuk 8. Zorgvuldige dienstverlening

Afdeling 8.1. Informatieverstrekking

§ 8.1.1. Inleidende bepaling

Artikel 49
1.

Een financiële onderneming verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:72, eerste lid, en 4:73, eerste lid, van de wet aan de consument of cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling anders wordt bepaald. De financiële onderneming kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien zij zich ervan heeft vergewist dat de consument onderscheidenlijk cliënt over de benodigde middelen beschikt om kennis te nemen van de aldus te verstrekken informatie.

2.

De financiële onderneming verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de Nederlandse taal. De informatie kan in een andere taal worden verstrekt:

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het verstrekken van informatie met betrekking tot het verlenen van beleggingsdiensten en het in het kader daarvan adviseren over financiële instrumenten.

§ 8.1.2. Algemene informatie over beheerders, beleggingsinstellingen, bewaarders, beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Artikel 50
1.

Een beheerder houdt de volgende gegevens beschikbaar op zijn website:

De beheerder verstrekt deze gegevens desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan een ieder.

2.

Een beheerder publiceert ten behoeve van de deelnemers in een door hem beheerde beleggingsinstelling maandelijks een opgave met toelichting van de hierna te noemen gegevens op zijn website, waarbij tussen de tijdstippen van opstelling een periode van ten minste een week ligt. De opgave is, indien van toepassing, mede door de bewaarder ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens:

De beheerder verstrekt deze opgave desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan de deelnemers in de beleggingsinstelling.

3.

Een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, deelt desgevraagd aan ieder de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming mee. De intrinsieke waarde wordt bepaald op het meest recente moment van in- en uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 51
1.

Een beleggingsonderneming of kredietinstelling deelt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek mede aan welke systemen als bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de kredietinstelling deelneemt.

2.

Een beleggingsonderneming of kredietinstelling verstrekt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek informatie over de belangrijkste regels die gelden voor de werking van de systemen bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, waaraan de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de kredietinstelling deelneemt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.

§ 8.1.3. Reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie

Artikel 52
1.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

2.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de televisie informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product door het weergeven van een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

3.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de radio informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

4.

Indien een financiële onderneming voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over dat product, verwijst zij daarbij naar de financiële bijsluiter of, indien het rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat betreft, naar het vereenvoudigd prospectus, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de richtlijn beleggingsinstellingen.

5.

Indien een financiële onderneming voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product, anders dan in een reclame-uiting via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste kosten en de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, over de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

6.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de televisie of de radio informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement van een complex product, verstrekt zij daarbij of op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat product informatie over de belangrijkste kosten van dat product.

7.

Indien een financiële onderneming voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over een gegarandeerd rendement, verstrekt zij daarbij of, indien de informatie wordt verstrekt in een reclame-uiting, op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst inzake dat product, informatie over de belangrijkste voorwaarden van die garantie.

8.

Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.

9.

Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing indien het een complex product betreft, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling, ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan personen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of beroep.

Artikel 53
1.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage of een maandlast van een krediet, verstrekt zij daarbij, naast het effectief kredietvergoedingspercentage en de maandlast, tevens informatie over:

2.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet via de televisie of radio informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage dan wel een maandlast van een krediet in combinatie met een kredietsom of kredietlimiet, verstrekt zij:

3.

In een reclame-uiting over consumptief krediet wordt de maandlast, bedoeld in het eerste en tweede lid, in geval van doorlopend krediet, niet lager weergegeven dan twee procent van de betrokken kredietlimiet of, in geval van niet-doorlopend krediet, niet lager dan twee procent van de betrokken kredietsom.

4.

Een financiële onderneming geeft de informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en de onderdelen a tot en met c, het tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, en, indien van toepassing, het zesde en zevende lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.

5.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, verstrekt zij daarbij informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage.

6.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage of over een kredietvergoeding die voor een beperkte duur geldt, dan wel in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over een variabele kredietvergoeding die voor een beperkte duur afwijkt van de variabele kredietvergoeding die op het moment van het doen van de reclame-uiting geldt voor overeenkomsten over krediet van gelijke soort, omvang en duur:

7.

Als maandlast als bedoeld in dit artikel wordt in de reclame-uiting de gewogen gemiddelde maandlast die op het krediet van toepassing is of, indien het krediet aflossingsvrij is of een aflossingsvrije periode kent, de aflossingsvrije maandlast en de bij de aflossing te betalen maandlast genoemd.

8.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over de hoogte van de kredietvergoeding, verstrekt zij daarbij informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage.

9.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over de hoogte van een korting op een effectief kredietvergoedingspercentage of op een kredietvergoeding, verstrekt zij daarbij informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage, dan wel de kredietvergoeding waarop de korting van toepassing is.

10.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over het effectief kredietvergoedingspercentage, duidt zij deze aan als «effectieve rente op jaarbasis».

11.

Een financiële onderneming:

12.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting informatie verstrekt over een krediet, verstrekt zij daarbij informatie over de verkrijgbaarheid van het kredietprospectus, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet. De eerste volzin is niet van toepassing op reclame-uitingen over krediet, voorzover het krediet onderdeel uitmaakt van een complex product.

13.

Indien een financiële onderneming informatie verstrekt over de kenmerken van het krediet, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°, zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

14.

Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.

Artikel 54

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in de artikelen 52 en 53, wordt gepresenteerd of geformuleerd alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van historische of toekomstige rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in artikel 52, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid.

Artikel 55
1.

In een reclame-uiting over een beheerder of beleggingsinstelling worden in ieder geval vermeld:

2.

Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op reclame-uitingen op radio en televisie.

3.

Onverminderd artikel 52 wordt in een reclame-uiting anders dan via de televisie of radio over een instelling voor collectieve belegging in effecten, indien van toepassing, duidelijk de aandacht gevestigd op het feit dat:

Artikel 56

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot reclame-uitingen van beleggingsondernemingen.

§ 8.1.4. Verplichte precontractueleinformatie

Artikel 57
1.

Een financiëledienstverlener verstrekt een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product of financiële dienst ten minste de volgende informatie:

2.

In afwijking van artikel 49, eerste lid, kan de informatie, bedoeld in het eerste lid, en in artikel 4:73, eerste lid, van de wet, op verzoek van de cliënt mondeling worden verstrekt, indien het financiële product een verzekering is en onmiddellijke dekking noodzakelijk is. In dat geval verstrekt de financiëledienstverlener de informatie tevens onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst overeenkomstig artikel 49, eerste lid, aan de cliënt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiëledienstverleners voorzover zij in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten adviseren over financiële instrumenten.

Artikel 58

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 59

De Autoriteit Financiële Markten stelt nadere regels met betrekking tot de door een beleggingsonderneming voorafgaand aan het totstandkomen van een overeenkomst aan haar cliënten te verstrekken gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van haar financiële diensten en de financiële instrumenten waarop die diensten betrekking hebben.

Artikel 60
1.

Onverminderd de artikelen 57 en 58 verstrekt een levensverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:

2.

In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.

3.

Voorzover het financiële risico ingevolge een overeenkomst inzake een levensverzekering voor rekening van de cliënt is, kan de levensverzekeraar met de cliënt overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de cliënt blijft indien deze overeenkomstig het tweede lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.

4.

Indien een uitkering op grond van een overeenkomst inzake een levensverzekering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling stelt de levensverzekeraar aan de cliënt op diens verzoek informatie ter hand over het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling, waarin aandacht wordt besteed aan de volgende aspecten:

Artikel 61
1.

Onverminderd artikel 57 verstrekt een schadeverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een schadeverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:

2.

In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen veertien kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.

Artikel 62

Indien in geval van een overeenkomst inzake een schadeverzekering een risico is gelegen in een andere lidstaat wordt de aan de cliënt te verstrekken informatie gegeven volgens de in die andere lidstaat vastgestelde regels ter uitvoering van de artikelen 31 en 43 van richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L 228).

Artikel 63
1.

Onverminderd artikel 57 verstrekt een natura-uitvaartverzekeraar voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon, voorzover van toepassing, ten minste de volgendeinformatie:

2.

Indien de termijn van beëindiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, langer is dan een jaar, maakt de natura-uitvaartverzekeraar dit op een opvallende wijze uitdrukkelijk kenbaar aan de cliënt, bij gebreke waarvan een opzegtermijn van een jaar geldt ongeacht het in de overeenkomst bepaalde.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.

4.

Indien een natura-uitvaartverzekeraar bij de totstandkoming van een overeenkomst die strekt tot fondsvorming als bedoeld in 4:18, tweede lid, van de wet in afwijking van het eerste lid, de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van een overeenkomst of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekt in overeenstemming met het derde lid, komt de natura-uitvaartverzekeraar met de cliënt overeen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de cliënt blijft, indien deze overeenkomstig het derde lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.

§ 8.1.5. Financiële bijsluiter

Artikel 64
1.

Deze paragraaf is niet van toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op financiële ondernemingen voorzover zij overeenkomsten inzake complexe producten beheren of uitvoeren dan wel daarbij assisteren.

Artikel 65
1.

Een aanbieder van een complex product houdt een financiële bijsluiter beschikbaar op zijn website en verstrekt de financiële bijsluiter onverwijld kosteloos op verzoek van een consument of, indien het een recht van deelneming in een beleggingsinstelling betreft, cliënt.

2.

Indien een complex product wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, wordt een financiële bijsluiter door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent onverwijld kosteloos op verzoek van de consument onderscheidenlijk cliënt verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op complexe producten, met uitzondering van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan anderen dan consumenten.

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een complex product als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, 4° of 7°, samenstellen en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar stellen voor consumenten of, indien een recht van deelneming in een beleggingsinstelling betreft, cliënten.

Artikel 66
1.

In een financiële bijsluiter wordt informatie over de volgende onderwerpen opgenomen:

2.

In afwijking van het eerste lid wordt in een financiële bijsluiter die betrekking heeft op een recht van deelneming in een beleggingsinstelling, informatie over de volgende onderwerpen opgenomen:

3.

Een financiële bijsluiter bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het eerste of tweede lid.

4.

De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot de wijze waarop de informatie over de onderwerpen, bedoeld in het eerste en tweede lid, in de financiële bijsluiter wordt opgenomen, alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en g, en het tweede lid, onderdelen d en f.

5.

De Autoriteit Financiële Markten stelt met betrekking tot een financiële bijsluiter die betrekking heeft op rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten nadere regels ter uitvoering van de richtlijn beleggingsinstellingen.

§ 8.1.6. Informatie gedurende de looptijd van een overeenkomst

Artikel 67
1.

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een beleggingsobject verstrekt de aanbieder de consument ten minste de volgende informatie:

2.

De aanbieder houdt de informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, gedurende ten minste drie jaar beschikbaar op zijn website.

3.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt gepresenteerd of geformuleerd alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 68
1.

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet met een variabele kredietvergoeding informeert de aanbieder de consument over elke wijziging van de kredietvergoeding op het eerstvolgende rekeningafschrift, waarbij hij de consument tevens informeert over het gewijzigde effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis.

2.

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder de consument op diens verzoek een gespecificeerd overzicht van het uitstaand saldo. Hij kan daarbij een vergoeding in rekening brengen van ten hoogste het bedrag van de werkelijke kosten.

3.

Tot een jaar na de afwikkeling van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder van krediet aan de consument op diens verzoek kosteloos een gespecificeerde afrekening.

Artikel 69

Een beleggingsonderneming die transacties in financiële instrumenten en andere daarmee verband houdende handelingen verricht voor rekening van een cliënt, verstrekt aan die cliënt onverwijld een nota die voldoet aan door de Autoriteit Financiële Markten te stellen regels met betrekking tot op de nota te vermelden gegevens.

Artikel 70
1.

Een beleggingsonderneming stelt regelmatig aan iedere cliënt met wie zij een overeenkomst inzake vermogensbeheer heeft gesloten een opgave beschikbaar die een getrouw en volledig overzicht geeft van de samenstelling van het door de beleggingsonderneming voor die cliënt beheerde vermogen. Deze opgave bevat ten minste de volgende gegevens:

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de frequentie waarmee en de wijze waarop de opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan.

Artikel 71

De Autoriteit Financiële Markten stelt nadere regels met betrekking tot het verstrekken van informatie door een beleggingsonderneming aan haar cliënten gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake het verlenen van beleggingsdiensten.

Artikel 72
1.

Een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent die voor rekening van een verzekeraar een verzekering heeft gesloten, vermeldt in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd. In geval van een schadeverzekering vermeldt hij tevens elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel in een aanhangsel.

2.

Wordt, nadat de gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent de verzekering heeft gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent geaccepteerde aandeel in de verzekering is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel gegeven, dan verstrekt de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk de ondergevolmachtigde agent de in het eerste lid bedoelde gegevens aan de cliënt binnen vier weken na het sluiten van de verzekering of na het aanbrengen van de wijziging. Behoort de verzekering evenwel tot de portefeuille van een bemiddelaar, dan verstrekt de gevolmachtigde agent onderscheidenlijk de ondergevolmachtigde agent deze gegevens binnen twee weken aan deze bemiddelaar.

3.

Wordt, nadat een verzekering is gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel afgegeven waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, diens aandeel of daarin aangebrachte wijziging is vermeld, dan verstrekt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de verzekering behoort deze gegevens binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging aan de cliënt.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien binnen de desbetreffende termijn de verzekering is tenietgegaan en daaraan door de cliënt of andere belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.

5.

De gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent of de betrokken bemiddelaar stelt de cliënt desgevraagd onverwijld in kennis van de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van wijzigingen die daarin zijn aangebracht.

Artikel 73

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een levensverzekeraar de cliënt, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:

Artikel 74

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon verstrekt een natura-uitvaartverzekeraar de cliënt, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:

Artikel 75

Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een schadeverzekering stelt een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid Motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland de cliënt binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet.

§ 8.1.7. Informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand

Artikel 76

Deze paragraaf is niet van toepassing op financiëledienstverleners voorzover zij het in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten adviseren over financiële instrumenten.

Artikel 77
1.

In afwijking van artikel 57 en onverminderd de artikelen 60 tot en met 63 verstrekt een financiëledienstverlener een consument voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:

2.

Een financiëledienstverlener die financiële diensten verleent met betrekking tot levensverzekeringen voldoet aan het eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, h, m, n en s, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdelen h, i, l, m, n, o, r, s en t.

3.

Een financiëledienstverlener die financiële diensten verleent met betrekking tot natura-uitvaartverzekeringen voldoet aan het eerste lid, aanhef en onderdeel n, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdelen h, i, en j.

Artikel 78
1.

Indien een overeenkomst op afstand op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de in artikel 77 bedoelde informatie niet schriftelijk of via een andere duurzame drager als bedoeld in artikel 49, eerste lid, voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, kan de financiëledienstverlener onderneming de informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument verstrekken.

2.

In afwijking van artikel 77, eerste lid, aanhef, verstrekt de financiëledienstverlener een consument de in dat artikel bedoelde informatie:

3.

Voorzover het financiële risico ingevolge een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering voor rekening van de consument is, kan de financiëledienstverlener met de consument overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft indien deze de overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst ontbindt.

4.

Natura-uitvaartverzekeraars die overeenkomsten op afstand aangaan die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens en die overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, de in dat lid bedoelde informatie uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekken, komen met de consument overeen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft, indien deze ingevolge het tweede lid, onderdeel b, de overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst ontbindt.

Artikel 79
1.

Een financiëledienstverlener deelt aan een consument bij het gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, aan het begin van elk gesprek duidelijk de identiteit van de financiëledienstverlener, alsmede het commerciële oogmerk van de oproep mee. In afwijking van artikel 77, kan de financiëledienstverlener in dergelijke oproepen, indien de consument daarmee uitdrukkelijk instemt, volstaan met het informeren van de consument over:

2.

Indien een overeenkomst op afstand tot stand komt via spraaktelefonie, verstrekt een financiëledienstverlener de in artikel 77, eerste lid, bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument. Voorzover het een overeenkomst inzake een levensverzekering, natura-uitvaartverzekering of schadeverzekering betreft, is artikel 78, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onderdeel b, of het derde lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 80

Gedurende de looptijd van een overeenkomst op afstand verstrekt een financiëledienstverlener aan de consument op diens verzoek de voorwaarden van de overeenkomst. Voorts kan de consument het gebruik van een ander middel van communicatie op afstand verlangen, tenzij dat niet met de tot stand gekomen overeenkomst op afstand te verenigen is.

Afdeling 8.2. Overige bepalingen met betrekking tot zorgvuldige dienstverlening

Artikel 81
1.

Het gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen of elektronische berichten voor het overbrengen van ongevraagde informatie aan een consument, ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is uitsluitend toegestaan indien de consument daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend. Er zijn voor de consument geen kosten verbonden aan het verlenen van deze toestemming.

2.

Het gebruik van andere dan de in het eerste lid genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het overbrengen van ongevraagde informatie of het doen van ongevraagde mededelingen aan een consument, ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is toegestaan, tenzij de desbetreffende consument te kennen heeft gegeven dat hij informatie of mededelingen waarbij van deze technieken gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen. Er zijn voor de consument geen kosten verbonden aan voorzieningen waarmee wordt voorkomen dat aan een consument ongevraagde informatie wordt overgebracht.

3.

Een financiële onderneming die elektronische contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van een financieel product of het verlenen van een financiële dienst mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen van informatie ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige financiële producten of financiële diensten, indien bij de verkrijging van de contactgegevens aan de consument duidelijk en uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens, en, indien de consument hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hem bij elke tot stand gebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verdere gebruik van zijn elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij het gebruik van elektronische berichten ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand dienen telkens de volgende gegevens te worden vermeld:

Artikel 82
1.

Een beheerder, beleggingsmaatschappij of beleggingsonderneming benadert personen die geen professionele belegger zijn, die geen deelnemer zijn in de beleggingsinstelling of aan wie de beleggingsonderneming nog geen beleggingsdienst heeft verleend, direct noch indirect in persoon, anders dan door middel van een techniek voor communicatie op afstand als bedoeld in artikel 81, tenzij:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

Artikel 83
1.

Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder handelt in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

2.

Een beheerder of beleggingsmaatschappij behandelt deelnemers onder vergelijkbare omstandigheden op gelijke wijze.

3.

Door of namens een beleggingsinstelling worden geen transacties uitgevoerd voor haar rekening met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beheerder, de beleggingsinstelling of met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op:

Artikel 84

De Autoriteit Financiële Markten stelt regels die ertoe strekken dat een beleggingsonderneming handelt in het belang van haar cliënten.

Artikel 85

Een beleggingsonderneming verricht geen transactie voor rekening van een cliënt, indien de op naam van de cliënt aanwezige saldi ontoereikend zijn om aan de verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit die transactie.

Artikel 86
1.

Een beleggingsonderneming ziet er op toe dat cliënten die posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien voortdurend over voldoende saldi beschikken om aan de actuele verplichtingen die uit die posities voortvloeien te voldoen.

2.

Indien een cliënt als bedoeld in het eerste lid over onvoldoende saldi beschikt om te voldoen aan de actuele verplichtingen die voortvloeien uit posities in financiële instrumenten, ziet de beleggingsonderneming er op toe dat deze cliënt zekerheden stelt waaruit die verplichtingen kunnen worden voldaan. Indien de cliënt geen zekerheden kan stellen, sluit de beleggingsonderneming de posities zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijf werkdagen tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen.

Hoofdstuk 9. Meldingsplichten

Afdeling 9.1. Melding wijzigingen door financiële ondernemingen

§ 9.1.1. Beheerders

Artikel 87

Deze paragraaf is niet van toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat en op beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat.

Artikel 88
1.

Een beheerder meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens die eerder door hemzelf of door een andere financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van:

2.

De beheerder meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.

Artikel 89
1.

Een beheerder meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van het registratiedocument, bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, van de wet, voorzover het betreft gegevens over:

2.

De beheerder geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming binnen vier weken na ontvangst van de melding.

3.

De beheerder geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, c of d, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming:

4.

Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de beheerder.

5.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, legt de beheerder ten aanzien van te benoemen personen die het dagelijks beleid zullen bepalen de volgende gegevens over:

6.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, legt de beheerder ten aanzien van te benoemen personen die het beleid zullen bepalen of mede bepalen of die onderdeel zullen zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken de volgende gegevens over:

7.

Het zesde lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing indien de voorgenomen wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.

Artikel 90

Een beheerder zendt een afschrift van elke met een bewaarder gesloten overeenkomst alsmede van wijzigingen van een met een bewaarder gesloten overeenkomst binnen twee weken na ondertekening of wijziging van de overeenkomst aan de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 91
1.

Een beheerder meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 4:50, eerste lid, met uitzondering van onderdeel g, van de wet, van een door hem beheerde beleggingsinstelling ten minste twee weken voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.

2.

Een beheerder meldt een wijziging in de statuten van een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is ten minste twee weken voorafgaand aan de wijziging schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 92
1.

Een beheerder die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor rechten van deelneming in door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland aanbiedt, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:

2.

Een beheerder die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor rechten van deelneming in door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland aanbiedt, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van de financiële diensten die hij vanuit het bijkantoor verleent. De beheerder meldt de wijziging ten minste een maand tevoren schriftelijk aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat.

3.

De beheerder geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het tweede lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming binnen twee maanden na ontvangst van de melding en stemt in met de wijziging, tenzij de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beheerder gelet op de voorgenomen wijziging niet toereikend is.

§ 9.1.2. Beleggingsondernemingen

Artikel 93

Deze paragraaf is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 94
1.

Een beleggingsonderneming meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijzing in de gegevens die eerder door haarzelf of door een andere financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van:

2.

De beleggingsonderneming meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat zij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

Artikel 95
1.

Een beleggingsonderneming meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van:

2.

Een beleggingsonderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de instemming:

3.

Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de beleggingsonderneming.

4.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, legt de beleggingsonderneming ten aanzien van te benoemen personen die het dagelijks beleid zullen bepalen de volgende gegevens over:

5.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, legt de beleggingsonderneming ten aanzien van te benoemen personen die het beleid zullen bepalen of mede bepalen of die onderdeel zullen zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken de volgende gegevens over:

6.

Het vijfde lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.

7.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op:

Artikel 96
1.

Een beleggingsonderneming meldt aan de Autoriteit Financiële Markten ten minste twee weken tevoren schriftelijk een wijziging in:

2.

Het eerste lid, met uitzondering van de onderdelen b en d, is niet van toepassing op:

Artikel 97
1.

Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:

2.

Het eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die hebben voldaan aan artikel 92.

Artikel 98

Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat schriftelijk ten minste een maand tevoren:

Artikel 99
1.

Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk ten minste een maand tevoren:

2.

Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor beleggingsdiensten verleent, meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot wijziging van:

3.

De beleggingsonderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het tweede lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft ingestemd met de wijziging. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent instemming binnen twee maanden na ontvangst van de melding en stemt in met de wijziging, tenzij de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beleggingsonderneming gelet op de voorgenomen wijziging niet toereikend is.

4.

Zodra de beleggingsonderneming het voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

5.

De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat vergezeld van een vertaling van de desbetreffende gegevens, voorzover de Autoriteit Financiële Markten dat verlangt.

§ 9.1.3. Collectieve vergunninghouders

Artikel 100

Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:105, eerste lid, van de wet meldt aan de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een wijziging in:

§ 9.1.4. Financiëledienstverleners

Artikel 101

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

Artikel 102
1.

Een financiëledienstverlener meldt aan de Autoriteit Financiële Markten een wijziging in de gegevens die eerder door hemzelf of een andere financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van:

2.

De financiëledienstverlener meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiëledienstverleners die tevens beheerder of beleggingsonderneming zijn.

Artikel 103
1.

Een financiëledienstverlener meldt aan de Autoriteit Financiële Markten schriftelijk het voornemen tot benoeming van:

2.

Een financiëledienstverlener geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, voordat de Autoriteit Financiële Markten heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten twijfel staat. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit omtrent de betrouwbaarheid:

3.

Indien de Autoriteit Financiële Markten een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, doet zij daarvan mededeling aan de financiëledienstverlener.

4.

Bij de melding legt de financiëledienstverlener ten aanzien van de betrokken persoon de volgende gegevens over:

5.

Het tweede en vierde lid, onderdelen b, c en d, zijn niet van toepassing indien de voorgenomen benoeming een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet reeds is vastgesteld.

Artikel 104

Een financiëledienstverlener meldt aan de Autoriteit Financiële Markten binnen twee weken schriftelijk een wijziging in:

§ 9.1.5. Verzekeraars

Artikel 105

Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, meldt een wijziging in de naam of het adres van een door hem in een andere lidstaat aangestelde schaderegelaar als bedoeld in artikel 4:70, tweede lid, van de wet binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 106

Een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland meldt een wijziging in de akte van aanstelling van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, derde lid, van de wet binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.

Afdeling 9.2. Meldingsplicht accountant

Artikel 107
1.

De door een accountant als bedoeld in artikel 4:27, tweede lid, van de wet op grond van artikel 4:27, vierde lid, van de wet te verstrekken gegevens zijn:

2.

De directiebrieven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met betrekking tot een beheerder en een beleggingsinstelling bevatten in ieder geval een verklaring van de accountant of en zo ja, in hoeverre hij de inrichting van de bedrijfsvoering heeft beoordeeld.

Artikel 108
1.

Een accountant die voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 107 te verstrekken, stelt de financiële onderneming daarvan in kennis.

2.

Indien de financiële onderneming dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant daarvan in kennis. De accountant vergewist zich ervan dat de Autoriteit Financiële Markten de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de Autoriteit Financiële Markten te verstrekken.

3.

Indien de accountant schriftelijk gegevens verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten, zendt hij onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.

Hoofdstuk 10. Aanvullende regels betreffende aanbieden

Afdeling 10.1. Beleggingsobjecten

Artikel 109

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking van artikel 1, onderdeel m, verstaan onder gelieerde partij:

Artikel 110
1.

In het beleggingsobjectprospectus, bedoeld in artikel 4:30a, eerste lid, van de wet worden, voorzover van toepassing, de volgende gegevens opgenomen:

2.

Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van het beleggingsobjectprospectus door de aanbieder van het beleggingsobject onderscheidenlijk de bemiddelaar.

3.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in het beleggingsobjectprospectus worden opgenomen alsmede met betrekking tot de wijze van berekening van de kosten, risico’s en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 10.2. Krediet

§ 10.2.1. Kredietprospectus

Artikel 111

Artikel 4:33, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

Artikel 112
1.

In het kredietprospectus, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet worden de volgende gegevens opgenomen:

2.

Het eerste lid, onderdeel f, aanhef en onder 2°, is niet van toepassing op een beding als bedoeld in artikel 33, onderdeel b, onder 2°, van de Wet op het consumentenkrediet.

3.

Een aanbieder van doorlopend krediet neemt in het kredietprospectus tevens de volgende gegevens op:

4.

Een aanbieder van krediet, niet zijnde doorlopend krediet, neemt in het kredietprospectus tevens de volgende gegevens op:

5.

Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing op het kredietprospectus.

6.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, in het kredietprospectus worden opgenomen.

§ 10.2.2. Verplichting tot inwinnen van informatie

Artikel 113
1.

Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan de kredietsom of de kredietlimiet ten minste € 1000 bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voorzover zij krediet aanbieden tegen onderpand van effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, van welk krediet de kredietsom of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan zeventig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, dan wel niet hoger is dan tachtig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, en:

Artikel 114
1.

Alvorens met een consument een overeenkomst inzake krediet aan te gaan waarvan de kredietsom of kredietlimiet meer dan € 250 bedraagt, raadpleegt een aanbieder van krediet de bij het stelsel van kredietregistratie waaraan hij deelneemt geregistreerde gegevens over reeds aan de consument verleende kredieten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet als bedoeld in artikel 113, tweede lid.

3.

Artikel 4:32, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op aanbieders van krediet als bedoeld in artikel 113, tweede lid.

Artikel 115
1.

Ter voorkoming van overkreditering legt een aanbieder van krediet de criteria vast die hij ten grondslag legt aan de beoordeling van een kredietaanvraag van een consument en past hij deze criteria toe bij de beoordeling van een kredietaanvraag.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet als bedoeld in artikel 113, tweede lid.

Afdeling 10.3. Rechten van deelneming in een beleggingsinstelling

§ 10.3.1. Regels voor alle beheerders, belegginginstellingen en bewaarders

Artikel 116

De tussen een beheerder en een bewaarder te sluiten overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet, bepaalt in ieder geval dat:

Artikel 117

Het registratiedocument, bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de gegevens, genoemd in bijlage D.

Artikel 118
2.

In het prospectus worden in afzonderlijke paragrafen de gegevens opgenomen over:

3.

De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot de wijze waarop in het prospectus inzicht wordt verschaft in het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling en de daaraan ten grondslag liggende berekening. Voorts kan de Autoriteit Financiële Markten nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in bijlage E, worden opgenomen in het prospectus.

Artikel 119

Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder verstrekt de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, wat de indeling en inhoud betreft, onverminderd de artikelen 121 tot en met 124 en 146, in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.

Artikel 120
1.

Een beheerder stelt de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:52, eerste lid, van de wet en de halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 4:52, tweede lid, kosteloos verkrijgbaar voor deelnemers in de beleggingsinstelling.

2.

De openbaarmaking van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:52, eerste lid, van de wet, geschiedt door publicatie op de website van de beheerder. Gelijktijdig met de publicatie op de website deelt de beheerder in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer, mee dat voor deelnemers op verzoek bij de beheerder een afschrift van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens van de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder voor de deelnemers in de beleggingsinstelling kosteloos verkrijgbaar is.

3.

De openbaarmaking van de halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 4:52, tweede lid, van de wet geschiedt overeenkomstig het tweede lid.

4.

De beheerder houdt de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, gedurende ten minste drie jaar beschikbaar op zijn website.

Artikel 121
1.

Het jaarverslag van een beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, bevat een verklaring van de beheerder dat hij voor de beleggingsinstelling beschikt over een beschrijving van de inrichting van de bedrijfsvoering die voldoet aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, tweede lid, onderdeel c, en 4:14, eerste lid, van de wet, en dat de bedrijfsvoering van de beleggingsinstelling effectief en overeenkomstig de beschrijving functioneert.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het jaarverslag van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat.

Artikel 122
1.

De toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling bevat ten minste de volgende gegevens:

2.

Onverminderd artikel 379, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermeldt de beleggingsinstelling onder de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de wet, het totale persoonlijke belang dat de bestuurders van de beheerder of de beleggingsmaatschappij bij iedere belegging van de beleggingsinstelling aan het begin en het einde van het boekjaar hebben gehad.

Artikel 123
1.

De toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling bevat de volgende gegevens:

2.

Het eerste lid, onderdeel p, is niet van toepassing op beleggingsinstellingen die uitsluitend of vrijwel uitsluitend beleggen in onroerende zaken.

3.

De Autoriteit Financiële Markten stelt regels met betrekking tot de wijze waarop inzicht wordt verschaft in het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdelen l en m, en de daaraan ten grondslag liggende berekening en de wijze van berekening van de omloopsnelheid van de activa, bedoeld in het eerste lid, onderdeel p.

4.

De toelichting op de balans en de winst en verliesrekening van een beheerder bevat ten minste de volgende gegevens:

5.

De in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens worden cijfermatig en tekstueel toegelicht.

6.

In de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van de beheerder en de beleggingsinstelling worden de in het vierde onderscheidenlijk het eerste lid bedoelde gegevens in één paragraaf opgenomen.

Artikel 124
1.

Een beleggingsinstelling vermeldt in de toelichting op de balans en de winst en verliesrekening:

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen in de jaarrekening.

Artikel 125
1.

De halfjaarcijfers van een beleggingsinstelling bevatten ten minste de volgende gegevens:

2.

De halfjaarcijfers van een beheerder bevatten ten minste de balans en winst- en verliesrekening, alsmede een mutatieoverzicht van het eigen vermogen met inachtneming, voorzover de aard van deze stukken dat toelaat, van de bepalingen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 403, of de internationale jaarrekeningstandaarden.

3.

Indien de halfjaarcijfers van de beheerder of de beleggingsinstelling door een accountant zijn onderzocht, wordt diens verklaring gevoegd bij de stukken die ingevolge artikel 4:51, tweede lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële Markten worden verstrekt.

§ 10.3.2. Aanvullende regels voor instellingen voor collectieve belegging in effecten

Artikel 126
1.

Artikel 4:56, eerste lid, eerste volzin, van de wet is niet van toepassing op instellingen voor collectieve belegging in effecten die beleggingsmaatschappij zijn waarvan de rechten van deelneming zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten en die uitsluitend op die gereglementeerde markt of andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld. De statuten van de beleggingsmaatschappij vermelden in dat geval de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van die rechten.

2.

Artikel 4:56, eerste lid, eerste volzin, van de wet is tevens niet van toepassing op instellingen voor collectieve beleggingen in effecten die beleggingsmaatschappij zijn waarvan de rechten van deelneming voor ten minste tachtig procent op een in de statuten vermelde gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, indien:

Artikel 127
1.

Een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 126 draagt een accountant op om zich ten minste eenmaal per kwartaal ervan te vergewissen dat de berekening van de waarde van rechten van deelneming plaatsvindt overeenkomstig haar statuten en dit besluit en dat de activa van de beleggingsmaatschappij zijn belegd in overeenstemming met haar statuten en met de artikelen 130 tot en met 143, waarbij tussen elk van de tijdstippen van vergewissing een periode van ten minste een week ligt.

2.

Een instelling voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 126 koopt of verkoopt al dan niet door tussenkomst van een derde haar rechten van deelneming dan wel geeft deze uit, om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming op de gereglementeerde markt of andere markt in financiële instrumenten meer dan vijf procent afwijkt van de intrinsieke waarde.

Artikel 128

De statuten of het fondsreglement van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet vermelden:

Artikel 129

Een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet die belegt in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen die door haar beheerder worden beheerd of die worden beheerd door een beheerder waarmee haar beheerder in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden, brengt geen kosten in rekening voor inschrijving of aflossing ten aanzien van de rechten van deelneming in die andere beleggingsinstellingen.

Artikel 130

Het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt uitsluitend belegd in:

Artikel 131

In afwijking van artikel 130 kan het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten:

Artikel 132

Het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt niet belegd in edele metalen of in certificaten die deze metalen vertegenwoordigen.

Artikel 133
1.

De instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet doet de Autoriteit Financiële Markten regelmatig mededeling van de tot haar activa behorende soorten financiële derivaten, de onderliggende risico’s, de kwantitatieve begrenzingen en de methodes die zijn gekozen om de aan transacties in deze financiële instrumenten verbonden risico’s te ramen.

2.

Het totale risico van de instelling voor collectieve belegging in effecten bedraagt niet meer dan tweemaal de totale nettowaarde van de activa. Het totale risico van een beleggingsinstelling wordt met niet meer dan tien procent van de totale nettowaarde van haar portefeuille vergroot door het aangaan van kortlopende leningen, in welk geval het totale risico van de instelling voor collectieve belegging in effecten niet meer dan 210 procent bedraagt van de totale nettowaarde van haar portefeuille.

3.

Het totale risico van de instelling voor collectieve belegging in effecten in financiële derivaten overschrijdt niet de totale nettowaarde van de activa. Voor de berekening van het risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.

4.

Het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten kan in het kader van het beleggingsbeleid en binnen de in artikel 137 gestelde begrenzingen worden belegd in financiële derivaten voorzover het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal niet de in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 gestelde begrenzingen overschrijdt. Indien het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten in op een index gebaseerde financiële derivaten wordt belegd, worden die beleggingen voor de toepassing van de in de artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 gestelde begrenzingen bepaalde bovengrens niet samengeteld.

5.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de berekening van het risico, de wijze van vaststelling van de dagwaarde van de onderliggende activa, de soorten verplichtingen die leiden tot een tegenpartijrisico, het meewegen van toekomstige marktbewegingen bij de vaststelling en de methodes die mede afhankelijk van de aard van het financiële instrument waarin wordt belegd, voor berekening van de risico’s kunnen worden gehanteerd.

Artikel 134
1.

Het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt tot ten hoogste tien procent belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door dezelfde instelling. Een instelling voor collectieve belegging in effecten belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één bank.

2.

Het tegenpartijrisico van de instelling voor collectieve belegging in effecten bij een transactie in financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, bedraagt niet meer dan:

3.

De totale waarde van de effecten en de geldmarktinstrumenten die de instelling voor collectieve belegging in effecten houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, bij onderscheidenlijk met instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.

4.

Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:

5.

Bij de berekening van de door de instelling voor collectieve belegging in effecten gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de instelling voor collectieve belegging in effecten wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de instelling voor collectieve belegging in effecten gelopen tegenpartijrisico.

Artikel 135
1.

In afwijking van artikel 134 kan het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten tot ten hoogste vijfentwintig procent worden belegd in obligaties die worden uitgegeven door een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat en die ingevolge de wet van die lidstaat is onderworpen aan een bijzonder overheidstoezicht met het oog op de bescherming van de houders van deze obligaties voor zover de opbrengst van die obligaties overeenkomstig de wet van die lidstaat belegd wordt in activa die gedurende de gehele looptijd van de obligaties voldoende dekking bieden voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen en die bij een in gebreke blijven van de uitgevende instelling bij voorrang bestemd zijn voor de aflossing van de hoofdsom en betaling van de opgebouwde rente.

2.

Indien het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten voor meer dan vijf procent wordt belegd in obligaties als bedoeld in het eerste lid die door één instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van deze beleggingen niet meer dan tachtig procent van de activa van die uitgevende instelling.

Artikel 136
1.

In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is, of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan een instelling voor collectieve belegging in effecten op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien:

Artikel 137
1.

De in de artikelen 135 en 136, eerste lid, bedoelde financiële instrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in artikel 134, derde lid, bedoelde begrenzing van veertig procent.

2.

De overeenkomstig de artikelen 134, 135, en 136, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven effecten en geldmarktinstrumenten dan wel in deposito’s bij of financiële derivaten van die instelling, bedragen samen in geen geval meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten.

3.

Voor de berekening van de in de artikelen 134, 135, en 136, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de richtlijn geconsolideerde jaarrekening of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, tezamen als een instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 134, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot die groep behoren ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten kunnen bedragen.

4.

De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de instelling voor collectieve belegging in effecten belegt worden voor het vaststellen van de in artikelen 134, 135, 136, eerste lid, en 137 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de instelling voor collectieve belegging in effecten.

Artikel 138
1.

In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten tot ten hoogste twintig procent worden belegd in aandelen en obligaties van dezelfde uitgevende instelling indien in het fondsreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging in effecten is bepaald dat het beleggingsbeleid van de instelling voor collectieve belegging in effecten erop is gericht de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te volgen, en deze index voldoet aan de volgende voorwaarden:

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien uitzonderlijke marktomstandigheden daartoe aanleiding geven. In dat geval kan het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in aandelen en obligaties van dezelfde uitgevende instelling.

Artikel 139
1.

Het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt tot ten hoogste twintig procent belegd in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 130, onderdeel d of e, die zijn uitgegeven door dezelfde beleggingsinstelling.

2.

De beleggingen in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 130, onderdeel e, bedragen in totaal niet meer dan dertig procent van het beheerde vermogen van de instelling voor collectieve belegging in effecten.

Artikel 140
1.

Een beheerder verwerft, voor de door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet gezamenlijk, niet meer dan twintig procent van de aandelen met stemrecht in dezelfde uitgevende instelling.

2.

Het beheerde vermogen van een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet wordt niet belegd in meer dan:

3.

De begrenzingen, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdelen b, c en d, hoeven niet in acht te worden genomen indien de bruto waarde van de obligaties of geldmarktinstrumenten of de nettowaarde van de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend.

Artikel 141

Artikel 140, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op het verwerven van onderscheidenlijk het beleggen in:

Artikel 142

De artikelen 134 tot en met 139 zijn gedurende zes maanden na het eerste aanbod van de rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten niet van toepassing. De instelling voor collectieve belegging in effecten neemt gedurende die periode de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht.

Artikel 143
1.

De in deze paragraaf gestelde begrenzingen gelden niet bij de uitoefening van voorkeurrechten die zijn verbonden aan effecten en geldmarktinstrumenten die deel uitmaken van de activa van de instelling voor collectieve belegging in effecten.

2.

Wanneer de in deze paragraaf gestelde begrenzingen buiten de wil van de instelling voor collectieve belegging in effecten of ten gevolge van de uitoefening van voorkeurrechten worden overschreden, treft de instelling voor collectieve belegging in effecten, met inachtneming van de belangen van de deelnemers, de nodige maatregelen opdat deze overschrijding zo snel mogelijk ongedaan wordt gemaakt.

Artikel 144

Een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet legt binnen vier weken na een verzoek daartoe van de Autoriteit Financiële Markten, dan wel binnen vier weken na afloop van het boekjaar, een mededeling van een accountant over aan de Autoriteit Financiële Markten waaruit blijkt dat de instelling voor collectieve belegging in effecten in overeenstemming heeft gehandeld met de artikelen 130 tot en met 143.

Artikel 145

Gelijktijdig met de verkrijgbaarstelling van het prospectus, bedoeld in artikel 4:50, tweede lid, van de wet, zendt de beheerder een afschrift van het prospectus en van de financiële bijsluiter van de instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 146
1.

De balans en winst- en verliesrekening van een instelling voor collectieve belegging in effecten of de toelichtingen daarop bevatten de volgende gegevens:

2.

Onverminderd artikel 125, eerste lid, neemt een instelling voor collectieve belegging in effecten in de halfjaarcijfers de gegevens op, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zoals deze luidden aan het einde van de eerste helft van het boekjaar.

Artikel 147
1.

Een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet publiceert telkens wanneer zij of haar beheerder rechten van deelneming aanbiedt, verkoopt, inkoopt, of daarop terugbetaalt de koers, de verkoop- onderscheidenlijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling op de website van haar beheerder. De Autoriteit Financiële Markten kan op verzoek besluiten dat de instelling voor collectieve belegging in effecten deze bekendmaking eenmaal per maand doet, indien de belangen van de deelnemers daardoor niet worden geschaad.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op instellingen voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 126, eerste lid.

3.

Onverminderd artikel 4:46a van de wet brengt een instelling voor collectieve beleggingen in effecten als bedoeld in artikel 126 de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming ten minste tweemaal per week ter kennis van de Autoriteit Financiële Markten en publiceert zij de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming tweemaal per maand op de website van haar beheerder waarbij tussen elk van de tijdstippen van publicatie een periode van ten minste een week ligt.

4.

Een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de wet verschaft desgevraagd aan een deelnemer gegevens betreffende kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn op het risicobeheer, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico’s en rendementen van de voornaamste categorie financiële instrumenten.

Afdeling 10.4. Verzekeringen

Artikel 148
1.

De aanstelling van een schade-afhandelaar als bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet wordt niet beëindigd, tenzij de beëindiging gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger.

2.

De schadeverzekeraar meldt de beëindiging van de aanstelling van de schade-afhandelaar binnen twee weken aan de Autoriteit Financiële Markten, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar, waaruit diens naam, adres en bevoegdheden blijken.

Artikel 149
1.

De schade-afhandelaar houdt van rechtswege op schade-afhandelaar te zijn vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling.

2.

De schadeverzekeraar meldt het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de schade-afhandelaar binnen twee weken aan de Autoriteit Financiële Markten, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar met ingang van de dag van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling. Uit de akte van aanstelling blijken de naam, het adres en de bevoegdheden van de opvolger van de schade-afhandelaar.

Hoofdstuk 11. Aanvullende regels betreffende bemiddelen

Afdeling 11.1. Algemeen

Artikel 150
1.

Een aanbieder betaalt aan een bemiddelaar als bedoeld in artikel 4:73, eerste lid, van de wet geen afsluitprovisie die meer bedraagt dan de helft van de som van die afsluitprovisie en de totale doorlopende provisie terzake van de desbetreffende overeenkomst.

2.

Een aanbieder betaalt aan een bemiddelaar als bedoeld in het eerste lid de doorlopende provisie evenredig uit gedurende ten minste tien jaar na totstandkoming van de desbetreffende overeenkomst. Indien de looptijd van de overeenkomst korter is dan tien jaar, betaalt de aanbieder de doorlopende provisie evenredig uit gedurende die looptijd.

Artikel 151

Indien een overeenkomst inzake een complex product tijdens de eerste vijf jaar na de totstandkoming vroegtijdig wordt beëindigd, anders dan door overlijden van de verzekerde of anders dan door verkoop van de onroerende zaak waarop het complexe product betrekking heeft, wordt de afsluitprovisie evenredig verminderd.

Afdeling 11.2. Krediet

Artikel 152

Artikel 4:74, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op:

Artikel 153
1.

De artikelen 154 tot en met 158 zijn uitsluitend van toepassing op het verlenen van financiële diensten met betrekking tot consumptief krediet.

2.

Het in deze afdeling bepaalde met betrekking tot de verhouding tussen een aanbieder en een bemiddelaar is van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen een bemiddelaar en een onderbemiddelaar.

Artikel 154

Een bemiddelaar heeft slechts aanspraak op provisie ter zake van tot stand gekomen overeenkomsten.

Artikel 155
1.

Een bemiddelaar heeft alleen per maand gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet welke door zijn bemiddeling tot stand is gekomen aanspraak op provisie ten bedrage van een percentage van het uitstaand saldo ter zake van die overeenkomst, zoals dat saldo luidt op de laatste dag van de desbetreffende maand.

2.

De aanbieder en bemiddelaar kunnen het ter zake van de bemiddeling overeengekomen provisiepercentage, met uitzondering van het provisiepercentage voor reeds tot stand gekomen overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, wijzigen, met dien verstande dat:

Artikel 156

Een bemiddelaar heeft over de periode waarin een consument ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, geen aanspraak op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.

Artikel 157
1.

Met ingang van het tijdstip waarop een aanbieder het door een consument verschuldigde vervroegd opeist in een geval als bedoeld in artikel 33, aanhef en onderdeel c, van de Wet op het consumentenkrediet, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.

2.

Met ingang van het tijdstip waarop een overeenkomst van rechtswege wordt ontbonden op grond van artikel 41, derde lid, van de Wet op het consumentenkrediet, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst, met dien verstande dat indien de ontbinding ongedaan wordt gemaakt op grond van artikel 42, tweede lid, van de Wet op het consumentenkrediet, hij weer aanspraak heeft opprovisie over de periode gerekend vanaf het tijdstip waarop de ontbinding ongedaan is gemaakt.

Artikel 158
1.

Een bemiddelaar krijgt geen provisie uitbetaald indien hij uit hoofde van dit besluit geen aanspraak heeft op provisie.

2.

Provisie wordt uitsluitend betaald in giraal geld.

Afdeling 11.3. Verzekeringen

Artikel 159
1.

De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 4:75, eerste lid, van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de bemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.

2.

De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij:

Artikel 160
1.

Onder een vergelijkbare voorziening als bedoeld in artikel 4:75, eerste lid, van de wet wordt verstaan een onvoorwaardelijke garantstelling voor alle verplichtingen voortvloeiend uit aansprakelijkheid van de bemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.

2.

De onvoorwaardelijke garantstelling wordt verstrekt door:

Hoofdstuk 12. Aanvullende regels betreffende herverzekeringsbemiddelen

Artikel 161

De artikelen 159 en 160 zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de vergelijkbare voorziening, bedoeld in artikel 4:76, eerste lid, van de wet.

Hoofdstuk 13. Aanvullende regels betreffende optreden als clearinginstelling

Artikel 162
1.

Een clearinginstelling stelt een cliënt na afloop van elke handelsdag schriftelijk of langs elektronische weg in kennis van de aantallen en waarden van de financiële instrumenten die op zijn naam staan.

2.

Indien de waarde van de verplichtingen worden berekend overeenkomstig tussen de clearinginstelling en een cliënt overeengekomen parameters en de waarde van de financiële instrumenten van de cliënt onvoldoende dekking bieden ten opzichte van de door de cliënt aangegane verplichtingen, stelt de clearinginstelling de cliënt daar onverwijld van in kennis.

Hoofdstuk 14. Aanvullende regels betreffende verlenen van beleggingsdiensten

Artikel 163
1.

Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland verstrekt de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, van de wet, wat de indeling en inhoud betreft in de vorm waarin deze zijn opgemaakt krachtens Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.

2.

Een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is verstrekt de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 4:85, vierde lid, wat de indeling en inhoud betreft in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge het recht van de staat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft of de internationale jaarrekeningstandaarden.

Artikel 164
1.

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot door een beleggingsonderneming te rapporteren gegevens over door haar verrichte transacties in financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering aan een markt in financiële instrumenten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 165

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot:

Artikel 166

Een vermogensbeheerder die tevens beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland is, belegt in het kader van het beheer van een individueel vermogen de gelden van de cliënt niet geheel of gedeeltelijk in door hem beheerde beleggingsinstellingen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de cliënt.

Artikel 167

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot het in artikel 4:88, eerste lid, van de wet bedoelde beleid.

Artikel 168
1.

In een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:89, eerste lid, van de wet zijn ten minste bepaald:

2.

Indien de overeenkomst betrekking heeft op individueel vermogensbeheer is daarin tevens bepaald:

Hoofdstuk 15. Slotbepalingen

Artikel 169

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet die is verleend voor 15 september 2004.

Artikel 170

Tot 1 oktober 2007 is artikel 6 niet van toepassing op financiëledienstverleners die niet bemiddelen in verzekeringen, optreden als gevolmachtigde agent of optreden als ondergevolmachtigde agent, voorzover zij op 1 januari 2006 niet voldeden aan artikel 17 van het Besluit financiële dienstverlening en aannemelijk kunnen maken dat zij vanaf 1 oktober 2007 wel zullen voldoen aan artikel 6.

Artikel 171
1.

Een diploma is voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, geldig, indien het diploma:

2.

Een diploma is voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, geldig, indien het diploma:

3.

Indien het diploma, bedoeld in het eerste of tweede lid, een diploma betreft voor hypothecair krediet of levensverzekering, voldoet de houder van het diploma vanaf 1 oktober 2007 tevens op de door Onze Minister bij ministeriële regeling vast te stellen wijze aan de eindtermen, opgenomen in de onderdelen 2.5 tot en met 2.7 onderscheidenlijk 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B.

4.

Onze Minister kan in aanvulling op het eerste en tweede lid bij ministeriële regeling een ander diploma aanwijzen als geldig diploma, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a. Indien een op grond van de vorige volzin aangewezen diploma is behaald voor 1 januari 2000 is het slechts geldig indien de houder van het diploma in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 ten minste drie jaar relevante werkervaring heeft opgedaan.

5.

De instellingen, genoemd in de tweede kolom van bijlage F beschikken van rechtswege over een erkenning als bedoeld in artikel 9 voor het afgeven van diploma’s genoemd in de eerste kolom. Onverminderd het eerste en tweede lid, is een diploma als genoemd in de eerste kolom van bijlage F dat wordt afgegeven na 1 januari 2006, slechts geldig voor de toepassing van 6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, indien de in de tweede kolom genoemde instelling op het moment van het afgeven van het diploma over een erkenning beschikt.

Artikel 172

Artikel 28, tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van personen die zich op 1 januari 2006 reeds onder de verantwoordelijkheid van de financiëledienstverlener, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, rechtstreeks bezighielden met het verlenen van financiële diensten.

Artikel 173

Tot 1 april 2007 is artikel 52, vijfde lid, niet van toepassing op financiële ondernemingen voorzover zij:

Artikel 174
1.

De artikelen 150 en 151 zijn uitsluitend van toepassing op overeenkomsten aangegaan na inwerkingtreding van dit besluit.

2.

In afwijking van artikel 150, eerste lid, betaalt een aanbieder aan bemiddelaar ter zake van overeenkomsten die voor 1 januari 2008 zijn aangegaan geen afsluitprovisie die meer bedraagt dan tachtig procent van de som van die afsluitprovisie en de doorlopende provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst. Voor overeenkomsten die vanaf 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 en vanaf 1 januari 2009 tot 31 december 2009 worden aangegaan bedraagt het in de vorige volzin benoemde percentage zeventig onderscheidenlijk zestig.

3.

Artikel 150, tweede lid, is uitsluitend van toepassing op overeenkomsten aangegaan voor 1 januari 2010.

Artikel 175

De artikelen 153 tot en met 157 zijn niet van toepassing op overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, die zijn afgesloten voor 1 januari 1992.

Artikel 176

De artikelen 122, eerste lid, aanhef en onderdeel g, 123, eerste lid, aanhef en onderdeel m, en 124, eerste lid, aanhef en onderdeel j, zijn van toepassing met ingang van het boekjaar dat aanvangt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 177

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 178

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Bijlage A. behorend bij artikel 1, onderdeel dd

Bijlage B. behorend bij artikel 5

1. Basismodule vakbekwaamheid

1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden de eindtermen genoemd in de onderdelen 1.2 tot en met 1.7.

1.2. De personen zijn in staat:

1.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het aanbieden van:

1.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in financiële producten:

1.5. De personen zijn in staat de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van het verlenen van beleggingsdiensten te beschrijven.

1.6. De personen zijn in staat met betrekking tot het verlenen van financiële diensten inzake:

1.7. De personen zijn in staat met betrekking tot:

2. Hypothecair krediet

2.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden, met betrekking tot hypothecair krediet, de eindtermen genoemd in de onderdelen 2.2 tot en met 2.4.

2.2. De personen zijn in staat met betrekking tot hypothecair krediet:

2.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over hypothecair krediet:

2.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake hypothecair krediet:

2.5. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:

2.6. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten:

2.7. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:

3. Consumptief krediet

3.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden met betrekking tot consumptief krediet de eindtermen genoemd in de onderdelen 3.2 tot en met 3.4.

3.2. De personen zijn in staat met betrekking tot consumptief krediet:

3.3. De personen zijn in staat met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet:

3.4. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake consumptief krediet:

4. Schadeverzekeringen

4.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 4.2 tot en met 4.5.

4.2. De personen zijn in staat met betrekking tot schadeverzekeringen inzake bezit, verkeer, transport, aansprakelijkheid en rechtsbijstand, inkomen en arbeidsongeschiktheid en gezondheid en zorg, hierna te noemen: «de schadeverzekeringen»:

4.3. De personen zijn in staat, met betrekking tot het bemiddelen in en adviseren over de schadeverzekeringen:

4.4. De personen zijn in staat, met betrekking tot beheer en mutatie van de overeenkomst inzake de schadeverzekeringen:

4.5. De personen zijn in staat, met betrekking tot schadeverzekeringen bij een mogelijke aanspraak/vordering:

5. Levensverzekeringen

5.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet gelden met betrekking tot levensverzekeringen de eindtermen genoemd in de onderdelen 5.2 tot en met 5.8.

5.2. De personen zijn in staat:

5.3. De personen zijn in staat met betrekking tot bemiddelen in en adviseren over levensverzekeringen:

5.4. De personen zijn in staat met betrekking beheer en mutatie van de overeenkomst inzake levensverzekeringen:

5.5. De personen zijn in staat bij een mogelijke aanspraak/vordering op een bestaande (aanvullende) levensverzekering:

5.6. De personen zijn in staat met betrekking tot financiële instrumenten:

5.7. De personen zijn in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten:

5.8. De personen zijn in staat met betrekking tot het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake financiële instrumenten:

6. Volmacht

6.1.1. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake schadeverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2 tot en met 6.5 en 6.7 tot en met 6.9.

6.1.2. Voor de vaststelling van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, gelden voor de personen, werkzaam bij een gevolmachtigde agent inzake levensverzekeringen de eindtermen genoemd in 6.2, 6.6 en 6.7 tot en met 6.9.

6.2. De personen beschikken over:

6.3. De personen beschikken met betrekking tot brandverzekeringen over:

6.4. De personen beschikken met betrekking tot transportverzekeringen over:

6.5. De personen beschikken met betrekking tot variaverzekeringen over:

6.6. De personen beschikken met betrekking tot levensverzekeringen over:

6.7. De personen beschikken over:

6.8. De personen beschikken met betrekking tot verzekeringstechniek over:

6.9. De personen beschikken over:

Bijlage C. behorend bij artikel 13

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel a

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving, artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties en de artikelen 2, eerste, tweede en zesde lid, 5, 6, 7, 8 van de Wet identificatie bij dienstverlening 1993.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties met de Officier van Justitie

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.4. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel b

3.1. Persoonlijk

3.2. Zakelijk

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel c

4.1. Toezichtantecedenten

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel d

5.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Autoriteit Financiële Markten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 13, onderdeel e

Bijlage D. behorend bij artikel 117

1. Gegevens over de werkzaamheden van de beheerder

De werkzaamheden van de beheerder, te onderscheiden in:

2. Gegevens over de personen die het (dagelijks) beleid van de beheerder en iedere bewaarder (mede) bepalen of onderdeel zijn van een toezichthoudend orgaan van de beheerder en iedere bewaarder

2.1. De namen van:

2.2. Vermelding van de voornaamste door de personen, bedoeld onder 2.1, buiten de beheerder, de door hem beheerde beleggingsinstellingen en iedere bewaarder uitgeoefende activiteiten voor zover deze activiteiten verband houden met de werkzaamheden van de beheerder, de door hem beheerde beleggingsinstellingen en iedere bewaarder.

3. Algemene gegevens over de beheerder en de bewaarders

3.1. De naam en rechtsvorm van de beheerder, de statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor van de beheerder indien deze plaats afwijkt van die van de statutaire zetel alsmede de oprichtingsdatum en de tijd waarvoor de rechtspersoon is opgericht die de functie van beheerder vervult indien deze niet voor onbepaalde tijd is aangegaan.

3.2. Het nummer van inschrijving van de beheerder in het handelsregister en de plaats van inschrijving.

3.3. Een beschrijving van de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur waarin de beheerder met andere personen is verbonden.

3.4. Indien van toepassing: de naam en rechtsvorm van iedere bewaarder, de statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor van iedere bewaarder indien deze plaats afwijkt van die van de statutaire zetel alsmede de oprichtingsdatum en de tijd waarvoor de rechtspersonen zijn opgericht die de functie van bewaarder vervullen indien deze niet voor onbepaalde tijd zijn aangegaan.

3.5. Indien van toepassing: het nummer van inschrijving van iedere bewaarder in het handelsregister en de plaats van inschrijving.

3.6. Indien van toepassing: een beschrijving van de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur waarin iedere bewaarder met andere personen is verbonden.

3.7. Indien van toepassing: de organisatiestructuur van iedere bewaarder die de activa van meer dan een beleggingsinstelling bewaart.

4. Financiële gegevens over de beheerder en de bewaarders

4.1. Een verklaring van een accountant dat aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:53 en 3:57 van de wet is voldaan.

4.2. Indien beschikbaar: een verklaring van een accountant dat de jaarrekening van de beheerder en iedere bewaarder is onderzocht. Indien de verklaring voorbehouden bevat dan wel een oordeelonthouding worden de redenen daarvan in de tekst van de verklaring vermeld.

5. Gegevens over informatieverstrekking

5.1. De wijze waarop de beheerder periodiek informatie verschaft.

5.2. De datum waarop de jaarrekening en de halfjaarcijfers van de beheerder op grond van zijn statuten of Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek moeten zijn afgesloten.

5.3. De datum waarop de jaarrekening van iedere bewaarder op grond van zijn statuten of Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek moet zijn afgesloten.

5.4. Vermelding van het feit dat de statuten, de jaarrekeningen en jaarverslagen van de beheerder en iedere bewaarder en de halfjaarcijfers van de beheerder op de website beschikbaar zijn en dat deze stukken voor de deelnemers bij de beheerder kosteloos verkrijgbaar zijn.

6. Gegevens over vervanging van de beheerder of de bewaarder

6.1. De regels en voorwaarden die gelden bij een vervanging van de beheerder of de bewaarder.

6.2. Een verklaring dat een verzoek aan de Autoriteit Financiële Markten ingevolge artikel 1:104, eerste lid, onderdeel a, van de wet tot intrekking van de vergunning bekend wordt gemaakt in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer alsmede op de website van de beheerder.

Bijlage E. behorend bij artikel 118, eerste lid

1. Algemene gegevens over de beleggingsinstelling

1.1. De rechtsvorm van de beleggingsinstelling.

1.2. De naam van de beleggingsinstelling, de statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor van de beleggingsinstelling, de oprichtingsdatum, de tijd waarvoor de beleggingsinstelling is opgericht indien deze niet voor onbepaalde tijd is aangegaan, en, indien van toepassing, het nummer van de inschrijving van de beleggingsinstelling in het handelsregister en de plaats van de inschrijving.

1.3. Indien in het kader van het beheer of de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling werkzaamheden zijn of worden uitbesteed ten minste de volgende gegevens:

1.4. De naam van adviseurs en adviesbureaus van wier diensten de beleggingsinstelling ter zake van haar beleggingen gebruik maakt. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft: de werkzaamheden van de adviseurs en adviesbureaus, voor zover het beroep op hun diensten bij overeenkomst is vastgelegd, en op welke wijze de kosten van de werkzaamheden ten laste komen van het resultaat van de beleggingsinstelling, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins direct of indirect ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling, en de vermelding van belang kan zijn voor de deelnemers.

1.5. Indien van toepassing: de naam en het kantooradres van de accountant die de jaarrekening van de beleggingsinstelling over het laatste boekjaar heeft gecontroleerd.

1.6. Indien van toepassing: de naam van de bewaarder die de activa van de beleggingsinstelling bewaart.

1.7. Indien van toepassing: een beschrijving van de hoofdlijnen van de overeenkomst ter zake van beheer en bewaring tussen de beheerder en de bewaarder van de beleggingsinstelling en mededeling dat op verzoek een afschrift van de overeenkomst kan worden verkregen tegen ten hoogste de kostprijs.

1.8. Een verklaring dat de bewaarder volgens het recht van de staat waar de beleggingsinstelling haar zetel heeft jegens de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade voorzover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook wanneer de bewaarder de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of ten dele aan een derde heeft toevertrouwd.

1.9. Een beschrijving van de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur waarin de beleggingsmaatschappij met andere personen is verbonden.

1.10. De namen van eventuele andere beleggingsinstellingen die worden beheerd door de beheerder van de beleggingsinstelling.

1.11. De wijze waarop deelnemers klachten over de belegginginstelling kunnen indienen bij de beheerder.

2. Gegevens over de personen die het (dagelijks) beleid van de beleggingsmaatschappij (mede) bepalen of onderdeel zijn van een toezichthoudend orgaan van de beleggingsmaatschappij

De namen van de personen die het beleid van de beleggingsmaatschappij bepalen of mede bepalen of die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsmaatschappij, vermelding van de voornaamste door deze personen buiten de beleggingsmaatschappij uitgeoefende activiteiten voor zover deze activiteiten verband houden met de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij.

3. Gegevens over wijzigingen in de voorwaarden

3.1. De wijze waarop de voorwaarden die gelden tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers kunnen worden gewijzigd.

3.2. Vermelding van het feit dat een voorstel tot wijziging van de voorwaarden die gelden tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers bekend wordt gemaakt in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer alsmede op de website van de beheerder en dat het voorstel tot wijziging op de website van de beheerder wordt toegelicht.

3.3. Vermelding van het feit dat een wijziging van de voorwaarden die gelden tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers bekend wordt gemaakt in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer alsmede op de website van de beheerder, en dat de wijziging op de website van de beheerder wordt toegelicht.

3.4. Dat een wijziging van de voorwaarden die gelden tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers waardoor rechten of zekerheden van de deelnemers worden verminderd of lasten aan de deelnemers worden opgelegd tegenover de deelnemers niet wordt ingeroepen voordat drie maanden zijn verstreken na bekendmaking van de wijziging als bedoeld onder 3.3 en dat deelnemers binnen deze periode onder de gebruikelijke voorwaarden kunnen uittreden.

3.5. Vermelding van het feit dat een wijziging van de voorwaarden die gelden tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers waardoor het beleggingsbeleid wordt gewijzigd niet wordt ingevoerd voordat drie maanden zijn verstreken na bekendmaking van de wijziging als bedoeld onder 3.3 en dat deelnemers binnen deze periode onder de gebruikelijke voorwaarden kunnen uittreden.

4. Gegevens over informatieverstrekking

4.1. De wijze waarop de beleggingsinstelling periodiek informatie verstrekt.

4.2. De datum waarop de jaarrekening en de halfjaarcijfers van de beleggingsinstelling op grond van haar voorwaarden of Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek moeten zijn afgesloten, vermelding van het feit dat deze stukken op de website van de beheerder beschikbaar zijn en dat deze stukken voor de deelnemers bij de beheerder kosteloos verkrijgbaar zijn.

4.3. De plaatsen waar de vergunning van de beheerder van de beleggingsinstelling en het fondsreglement of de statuten van de beleggingsinstelling verkrijgbaar zijn.

4.4. Vermelding van het feit dat aan een ieder op verzoek kosteloos een afschrift van het fondsreglement of de statuten wordt verstrekt.

4.5. Vermelding van het feit dat aan ieder op verzoek tegen ten hoogste de kostprijs de gegevens omtrent de beheerder, de beleggingsinstelling en, indien van toepassing, de bewaarder welke ingevolge enig wettelijk voorschrift in het handelsregister moeten worden opgenomen, worden verstrekt.

4.6. Vermelding van het feit dat aan de deelnemers in de beleggingsinstelling op verzoek tegen ten hoogste de kostprijs de volgende gegevens worden verstrekt:

4.7. Vermelding van het feit dat de betaalbaarstelling van uitkeringen aan deelnemers in de beleggingsinstelling, de samenstelling van de uitkeringen alsmede de wijze van betaalbaarstelling worden bekendgemaakt per advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer alsmede op de website van de beheerder.

5. Gegevens over de activiteiten en het beleggingsbeleid

5.1. Een beschrijving van de beleggingsdoeleinden met inbegrip van de financiële doelstellingen, zoals kapitaalgroei of inkomsten, de beleggingsportefeuille en het beleggingsbeleid, zoveel mogelijk onderverdeeld naar economische sector en geografische spreiding, de aard van de goederen waarin wordt belegd en de aan het beleggingsbeleid en de aard van de goederen waarin wordt belegd, verbonden risico’s.

5.2. De wijze waarop wordt bepaald of de opbrengsten van de beleggingsinstelling worden uitgekeerd of herbelegd.

5.3. De eventueel aan de beleggingsactiviteiten gestelde grenzen en de wijze waarop hierin wijziging kan worden aangebracht.

5.4. Indien van toepassing: de bevoegdheid om als debiteur leningen aan te gaan of financiële instrumenten uit te lenen.

5.5. Indien van toepassing: een beschrijving van de hoofdlijnen van overeenkomsten met de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen.

5.6. Indien transacties worden verricht met de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen:

5.7. Indien van toepassing: een verklaring dat de belegginginstelling in met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen kan beleggen.

5.8. Indien van toepassing: een verklaring dat de beleggingsinstelling direct of indirect kan beleggen in andere beleggingsinstellingen.

5.9. Indien de beleggingsinstelling twintig procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling:

5.10. Indien van toepassing: een verklaring dat de beleggingsinstelling belegt in een andere beleggingsmaatschappij die een met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partij is of in een andere beleggingsinstelling die beheerd wordt door een met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partij en de voorwaarden waaronder verkoop of inkoop van, alsmede terugbetaling op de rechten van deelneming in de andere beleggingsinstelling plaatsvindt.

5.11. Indien de beleggingsinstelling 95 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling: een beschrijving van het beleggingsbeleid van de andere beleggingsinstelling.

5.12. Indien de beleggingsinstelling 95 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling:

5.13. Indien van toepassing: de gereglementeerde markt en de andere markten in financiële instrumenten waar de financiële instrumenten worden verhandeld waarin de beleggingsinstelling belegt.

5.14. Indien van toepassing: de wijze waarop en de voorwaarden waaronder derden in opdracht van de beleggingsmaatschappij of in opdracht van haar beheerder de markt in deelnemingsrechten onderhouden.

5.15. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft: het profiel van het type belegger tot wie de beleggingsinstelling zich richt.

5.16. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft en indien van toepassing: de staat, het openbaar lichaam met verordende bevoegdheid of de internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen, die effecten of geldmarktinstrumenten uitgeeft of garandeert waarin de beleggingsinstelling voor meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen belegt alsmede van de ontheffing daartoe ingevolge artikel 136, tweede lid.

5.17. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft: de categorieën effecten, geldmarktinstrumenten of financiële derivaten waarin de beleggingsinstelling mag beleggen; een verklaring of de beleggingsinstelling transacties met betrekking tot financiële derivaten mag verrichten en zo ja, dan wordt duidelijk vermeld of dat gebruik van de financiële derivaten mag dienen voor risicodekking dan wel ter verwezenlijking van beleggingsdoelstellingen, alsmede het mogelijke effect van het gebruik van deze effecten, geldmarktinstrumenten of financiële derivaten op het risicoprofiel.

5.18. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft en indien van toepassing: vermelding van het feit dat de beleggingsinstelling voornamelijk in financiële derivaten belegt of een aandelen- of obligatie-index als bedoeld in artikel 138, eerste lid, volgt.

5.19. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft en indien van toepassing: vermelding van het feit dat de waarde van de activa als gevolg van het beleggingsbeleid sterk kan fluctueren.

6. Gegevens over kosten en vergoedingen

6.1. De kosten van oprichting van de beleggingsinstelling en de wijze waarop deze kosten ten laste komen van het resultaat van de beleggingsinstelling, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling en welk gedeelte ten goede komt aan de beheerder, de bewaarder, de bestuurders van de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder, de bewaarder of aan met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen.

6.2. De kosten gemoeid met het beheer van de beleggingsinstelling, de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling, de accountant, het toezicht en de marketing, inclusief de berekeningsgrondslag, en de wijze waarop deze kosten ten laste komen van het resultaat van de beleggingsinstelling, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

6.3. De transactiekosten die geïdentificeerd en gekwantificeerd kunnen worden en de wijze waarop deze kosten ten laste komen van het resultaat van de beleggingsinstelling, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

6.4. Indien van toepassing: de kosten die worden gemaakt of vergoedingen die worden gevraagd in verband met het in- en uitlenen van financiële instrumenten, en de wijze waarop deze kosten ten laste komen van het resultaat, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling, onderscheidenlijk aan wie deze vergoedingen ten goede komen.

6.5. Indien van toepassing: de kosten van het verlenen van opdrachten aan derden om een of meer werkzaamheden in het kader van het beheer van de beleggingsinstelling of de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling te verrichten en de wijze waarop deze kosten ten laste komen van het resultaat, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

6.6. Alle andere dan onder 6.1 tot en met 6.5 bedoelde naar soort onderscheiden kosten die hoger zijn dan tien procent van de totale kosten, inclusief de berekeningsgrondslag, en de wijze waarop deze kosten ten laste komen van het resultaat van de beleggingsinstelling, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

6.7. Indien de hoogte van de in 6.1 tot en met 6.6 bedoelde kosten nog niet bekend is: het maximum van deze kosten.

6.8. De som van de in 6.1 tot en met 6.6 bedoelde kosten.

6.9. De naar soort onderscheiden kosten die voortvloeien uit directe of indirecte beleggingen in andere beleggingsinstellingen.

6.10. Indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling per boekjaar, gerelateerd aan haar gemiddelde intrinsieke waarde in dat boekjaar, onder vermelding van de kosten die bij de berekening daarvan buiten beschouwing zijn gelaten. Indien de beleggingsinstelling tien procent of meer van haar vermogen direct of indirect belegt in andere beleggingsinstellingen, worden de kosten van de andere beleggingsinstellingen meegenomen bij het bepalen van het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling of wordt vermeld dat en waarom het niet mogelijk is de kosten van een andere beleggingsinstelling mee te nemen, alsmede dat de kosten van de betreffende andere beleggingsinstelling van invloed zijn op het resultaat van de beleggingsinstelling.

6.11. Indien de beleggingsinstelling 95 procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling en de bestaansduur van de andere beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: het niveau van de kosten van de andere beleggingsinstelling per boekjaar, gerelateerd aan de gemiddelde intrinsieke waarde van de andere beleggingsinstelling in dat boekjaar, onder vermelding van de kosten die bij de berekening daarvan buiten beschouwing zijn gelaten.

6.12. De wijze waarop de op- en afslagen worden berekend en aan wie de op- en afslagen ten goede komen, alsmede alle overige eenmalige bedragen die de deelnemers in de beleggingsinstelling betalen bij toe- en uittreding, inclusief de berekeningsgrondslag.

6.13. Indien van toepassing: beschrijving van afspraken over retourprovisies met vermelding van degenen aan wie de retourprovisies ten goede komen.

6.14. Indien van toepassing: beschrijving van afspraken over goederen die de beheerder, de bewaarder, de bestuurders van de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder, met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen of derden voor het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de beheerder of de beleggingsinstelling ontvangen of in het vooruitzicht worden gesteld.

7. Gegevens over de rechten van deelneming

7.1. De wijze waarop en voorwaarden waaronder het aanbieden van de rechten van deelneming plaatsvindt.

7.2. De aard en de voornaamste kenmerken van de rechten van deelneming in de beleggingsinstelling, waaronder een beschrijving van het eventuele aan de rechten van deelneming verbonden stemrecht alsmede van de vorm waarin en de eventuele beperkingen waaronder zij verhandeld kunnen worden.

7.3. Een verklaring omtrent een eventuele notering van de beleggingsinstelling op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten.

7.4. De wijze waarop en voorwaarden waaronder verkoop of inkoop van, alsmede terugbetaling op de rechten van deelneming plaatsvindt.

7.5. Indien van toepassing: de wijze waarop de bepaling plaatsvindt van de prijs bij het aanbieden, de verkoop- of inkoopprijs, alsmede van het bedrag bij terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming, in het bijzonder:

Deze verplichting is niet van toepassing op beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming zijn toegelaten tot de notering op een door de Autoriteit Financiële Markten aangewezen gereglementeerde markt of andere markt in financiële instrumenten of waarvan aannemelijk is dat die rechten van deelneming daartoe spoedig zullen worden toegelaten; deze verplichting is evenmin van toepassing op de in artikel 126, eerste lid, bedoelde beleggingsmaatschappijen.

7.6. Een beschrijving van de voorschriften waaraan de winstbepaling en -bestemming is onderworpen, alsmede van de wijze waarop en de frequentie waarmee winstuitkering zal geschieden.

7.7. Een verklaring dat elk recht van deelneming van dezelfde soort recht geeft op een evenredig aandeel in het vermogen van de beleggingsinstelling voor zover dit aan de deelgerechtigden toekomt.

7.8. Een verklaring dat behalve ingeval van gratis verstrekking, rechten van deelneming slechts worden aangeboden indien de nettoprijs binnen de vastgestelde termijnen in het vermogen van de beleggingsinstelling is gestort.

7.9. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft: een verklaring dat de beleggingsinstelling gehouden is om, op verzoek van de deelnemers, haar rechten van deelneming ten laste van de activa direct of indirect in te kopen of de waarde van de rechten van deelneming terug te betalen. Deze verplichting geldt niet voor de beleggingsmaatschappij, bedoeld in artikel 126, eerste lid.

7.10. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft: de plaatsen in elke lidstaat waar de beleggingsinstelling haar rechten van deelneming in de handel brengt dan wel doet brengen.

7.11. Indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft die rechten van deelneming aanbiedt met een verschillend risicoprofiel:

7.12. Indien het een beleggingsinstelling betreft waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, voorzover redelijkerwijs voorzienbaar: de gevallen waarin in het belang van de deelnemers de inkoop van de rechten van deelneming of de terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming kunnen worden opgeschort, alsmede de wijze waarop onderscheidenlijk inkoop en terugbetaling kan worden opgeschort.

7.13. Indien het een beleggingsinstelling betreft waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald: een verklaring dat er voldoende waarborgen aanwezig zijn opdat, behoudens wettelijke bepalingen en de in 7.12 bedoelde gevallen, aan de verplichting om in te kopen en terug te betalen kan worden voldaan.

7.14. Indien het een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 126, tweede lid, betreft: de gereglementeerde markt of de andere markt in financiële instrumenten in de staat van verhandeling waarvan de notering de prijs bepaalt voor de transacties die door de beleggingsmaatschappij in die staat buiten de gereglementeerde markt of de markt in financiële instrumenten om worden verricht.

8. Gegevens over het risicoprofiel van de beleggingsinstelling

8.1. De mededeling dat de waarde van de beleggingen zowel kan stijgen als kan dalen en dat de beleggers mogelijk minder terugkrijgen dan zij hebben ingelegd.

8.2. Een beschrijving van elk risico dat beleggers kunnen lopen met hun deelneming, voor zover dit risico van betekenis en relevant is in het licht van de gevolgen en de waarschijnlijkheid ervan. Deze beschrijving dient een korte en begrijpelijke uitleg te bevatten over ieder specifiek risico dat voortvloeit uit een gegeven beleggingsbeleid of dat verband houdt met specifieke voor de beleggingsinstelling relevante markten of beleggingen, waaronder:

8.3. De in 8.2 bedoelde beschrijving besteedt, voorzover van toepassing, ook aandacht aan de volgende factoren die van invloed kunnen zijn op de beleggingsinstelling:

8.4. De informatie, bedoeld in 8.1 tot en met 8.3 wordt geordend volgens de belangrijkheid ervan, welke wordt bepaald op basis van de omvang en relevantie van de risico’s.

8.5. Indien van toepassing: een afzonderlijke en herkenbare melding dat een beleggingsinstelling is onderverdeeld in te onderscheiden categorieën van deelnemers, waarbij voor de categorieën een afzonderlijk beleggingsbeleid geldt en een of meerdere categorieën van deelnemers op grond van het beleggingsbeleid financiële risico’s lopen die verder gaan dan het door hen ter belegging in de beleggingsinstelling bijeengebrachte vermogen.

8.6. Indien de beleggingsinstelling financiële instrumenten in- of uitleent:

8.7. Indien de beleggingsinstelling belegt met namens of voor rekening en risico van de deelnemers geleend geld:

9. Gegevens over het behaalde rendement van de beleggingsinstelling

9.1. Indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: het behaalde rendement van de beleggingsinstelling.

9.2. Indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: een vergelijkend overzicht van de ontwikkeling van het vermogen van de beleggingsinstelling alsmede van de baten en lasten van de beleggingsinstelling over de afgelopen drie jaar, de jaarrekeningen over de laatste drie boekjaren, en voor zover op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vereist, de op die jaarrekeningen betrekking hebbende verklaringen, bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van dat boek, en de laatste halfjaarcijfers.

10. Gegevens over opheffing van de beleggingsinstelling

Een beschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder opheffing en vereffening van de beleggingsinstelling plaatsvindt, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

11. Gegevens over de vergadering van deelnemers

11.1. De gevallen waarin vergaderingen van deelnemers in de beleggingsinstelling worden gehouden, de regelingen voor het oproepen van deze vergaderingen en de wijze waarop het stemrecht is geregeld.

11.2. Een verklaring dat een oproeping voor een vergadering van deelnemers in de beleggingsinstelling ten minste veertien dagen voor de aanvang van die vergadering, per advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad dan wel aan het adres van iedere deelnemer, alsmede op de website van de beheerder, geschiedt.

12. Gegevens over waardering activa

12.1. Een beschrijving van de intrinsieke waardebepaling van de beleggingsinstelling met een opgave van de regelmaat waarmee deze waardebepaling plaatsvindt alsmede de valuta waarin de intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling wordt berekend. De waardering van de activa en passiva geschiedt naar maatstaven die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

12.2. Vermelding van het feit dat de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming in de beleggingsinstelling bekend wordt gemaakt op de website van de beheerder.

12.3. Vermelding van de omstandigheden waaronder en wijze waarop deelnemers gecompenseerd worden voor een onjuist berekende intrinsieke waarde, in het bijzonder het eventuele maximale afwijkingspercentage ten opzichte van de juist berekende intrinsieke waarde dat gecompenseerd wordt.

13. Gegevens over het belastingstelsel

13.1. Een beknopte beschrijving van het op de beleggingsinstelling toepasselijke belastingstelsel met, voor zover van toepassing, vermelding van inhouding van bronbelasting op inkomsten en kapitaalwinsten welke door de beleggingsinstelling aan houders van rechten van deelneming worden uitgekeerd.

13.2. Officieel bekend gemaakte aanpassingen in het toepasselijke belastingstelsel waarvan vaststaat dat zij ongewijzigd qua vorm en inhoud in werking zullen treden, een en ander voor zover deze voor de deelnemers in de beleggingsinstelling van rechtstreeks belang zijn.

14. Gegevens over het beleid ten aanzien van stemrechten en -gedrag

Een beschrijving van het beleid met betrekking tot stemrechten en -gedrag op aandelen in andere ondernemingen door de beleggingsinstelling.

Bijlage F. behorend bij artikel 171

Diploma Instelling Eindtermen
Algemeen
Oriëntatie Financiële instellingen NIBE-SVV Onderdeel 1 van bijlage B
Algemene Opleiding Bankbedrijf NIBE-SVV Onderdeel 1 van bijlage B
Oriëntatie Bankbedrijf NIBE-SVV Onderdeel 1 van bijlage B
Inleiding verzekeringsbedrijf SEA/SEFD Onderdeel 1 van bijlage B
Basiscursus Intermediair SEA/SEFD Onderdeel 1 van bijlage B
A-Algemeen SEA/SEFD Onderdeel 1 van bijlage B
Financiële planning (IFAP1 en IFAP2) NIBE-SVV Onderdeel 1 van bijlage B
FFP diploma1 en aansluitende ononderbroken FFP PE FFP Onderdeel 1 van bijlage B
Consumptief krediet
Consumentenkrediet NIBE-SVV Onderdelen 1 en 3 van bijlage B
Financiering SEA/SEFD Onderdelen 1 en 3 van bijlage B
FFP diploma1 en aansluitende ononderbroken FFP PE FFP Onderdelen 1 en 3 van bijlage B
Financiële planning (IFAP1 en IFAP2) NIBE-SVV Onderdelen 1 en 3 van bijlage B
Consumptief krediet SEA/SEFD Onderdelen 1 en 3 van bijlage B
Consumentenkrediet Innovam Onderdelen 1 en 3 van bijlage B
Hypothecair krediet
Erkend hypotheekadviseur2 SEH Onderdelen 1 en 2 van bijlage B. Onderdeel 3 van bijlage B voor zover de houder van het diploma vanaf 1/10/07 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijze voldoet aan eindtermen, opgenomen in onderdeel 3 van bijlage B.
FFP diploma1 en aansluitende ononderbroken FFP PE FFP Onderdelen 1 en 2 van bijlage B. Onderdeel 3 van bijlage B voor zover de houder van het diploma vanaf 1/10/07 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijze voldoet aan eindtermen, opgenomen in onderdeel 3 van bijlage B
Hypotheekadviseur en Assurantiebemiddeling B SEA/SEFD Onderdelen 1 en 2 van bijlage B. Onderdeel 3 van bijlage B voor zover de houder van het diploma vanaf 1/10/07 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijze voldoet aan eindtermen, opgenomen in onderdeel 3 van bijlage B
Financiële Planning (IFAP1 en IFAP2) NIBE-SVV Onderdelen 1 en 2 van bijlage B. Onderdeel 3 van bijlage B voor zover de houder van het diploma vanaf 1/10/07 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijze voldoet aan eindtermen, opgenomen in onderdeel 3 van bijlage B
Woningfinanciering 2 en Assurantiebemiddeling B NIBE-SVV/ SEA/SEFD Onderdelen 1 en 2, voorzover dit onderdeel geen betrekking heeft op kapitaalverzekeringen, van bijlage B. Onderdeel 3 van bijlage B voor zover de houder van het diploma vanaf 1/10/07 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijze voldoet aan eindtermen, opgenomen in onderdeel 3 van bijlage B
Beleggingsproducten (variant b)
DSI-registratie als (senior) Beleggingsadviseur (DSI) Onderdeel 1 van bijlage B
DSI-registratie als (senior) Vermogensbeheerder (DSI) Onderdeel 1 van bijlage B
Beleggingsproducten (variant a)
DSI-registratie als (senior) Beleggingsadviseur (DSI) Onderdelen 1 en 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B
DSI-registratie als (senior) Vermogensbeheerder (DSI) Onderdelen 1 en 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B
FFP diploma1 en aansluitende ononderbroken FFP PE FFP Onderdelen 1 en 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B
Financiële Planning (IFAP1 en IFAP2) NIBE-SVV Onderdelen 1 en 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B
Vermogensplanning NIBE-SVV Onderdelen 1 en 5.6 tot en met 5.8 van bijlage B
Gevolmachtigd agent
Assurantiebemiddeling A en Gevolmachtigde Agent SEA/SEFD Onderdelen 1 en 6 van bijlage B
Schadeverzekeringen
Assurantiebemiddeling B SEA/SEFD Onderdelen 1 en 4 van bijlage B
Erkend Assurantieagent (B) SEA/SEFD Onderdelen 1 en 4 van bijlage B
Assurantiebemiddeling A SEA/SEFD Onderdelen 1 en 4 van bijlage B
Verklaring bedoeld in artikel 4, achtste lid, tweede volzin, Wabb Sociaal-Economische Raad Onderdelen 1 en 4 van bijlage B
A-modules: Algemeen, Brand, Transport en Varia SEA/SEFD Onderdelen 1 en 4 van bijlage B
Branchediploma’s: Brand, Transport, M&S en Varia SEA/SEFD Onderdelen 1 en 4 van bijlage B
Levensverzekeringen
Assurantiebemiddeling B SEA/SEFD Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
Erkend assurantieagent (B) SEA/SEFD Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
Assurantiebemiddeling A SEA/SEFD Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
Verklaring bedoeld in artikel 4, achtste lid, tweede volzin, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf Sociaal-Economische Raad Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
A-modules: Algemeen en Leven SEA/SEFD Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
Branche diploma Leven SEA/SEFD Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
FFP diploma1 en aansluitende ononderbroken FFP PE FFP Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
Financiële Planning (IFAP1 en IFAP2) NIBE-SVV Onderdelen 1 en 5 van bijlage B
VP-leven en Pensioenpraktijk SEA/SEFD Onderdelen 1 en 5 van bijlage B

1 Of daaraan door de FFP tot en met 2002 gelijk gestelde diplomavereisten.

2 Of anderszins bij de SEH geregistreerd als Erkend Hypotheekadviseur.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.