Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bosbouw 1945–1983 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, nr. arc-2006.03203/4);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bosbouw over de periode 1945–1983’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers
1. Lijst van afkortingen
AMvB: Algemene maatregel van bestuur
art.: artikel
BZK: (Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BSD: Basis Selectiedocument
CAS: Centrale Archief Selectiedienst
CRM: (Ministerie van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
EZ: (Ministerie van) Economische Zaken
KB: Koninklijk Besluit
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
LVV: 1946–1960 (Ministerie van) Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening
LenV: 1960–1989 (Ministerie van) Landbouw en Visserij
LNV: 1989–2003 (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
2003– (Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
NA: Nationaal Archief
OCW: (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OKW: (Ministerie van) Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
SBB: Staatsbosbeheer
Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Stcrt.: Nederlandse Staatscourant
SZV: (Ministerie van) Sociale Zaken en Volksgezondheid
TK: Tweede Kamer (Kamerstukaanduiding)
VenW: (Ministerie van) Verkeer en Waterstaat
VB: Verordeningenblad voor het Nederlandsche bezette gebied
VoMil: (Ministerie van) Volksgezondheid en Milieuhygiëne
VROM: (Ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS: (Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WVC: (Ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
2. Verantwoording
Doel en werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
De definitie van het beleidsterrein
Het Bosbouwbeleid houdt zich bezig met:
De afbakening van het beleidsterrein
Dit BSD is gebaseerd op het RIO nr. 44, ‘Bomen met beleid’ en de selectielijst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor dit beleidsterrein. Deze lijst is in 1998 vastgesteld (Stcrt. 1998, 51).
In het onderhavige BSD zijn de handelingen opgenomen van de actoren ‘de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen’ en ‘de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk’ respectievelijk voor de periode 1945–1965 en de periode 1965–1983. In dit BSD zijn de handelingen van deze actoren geschaard onder de kop ‘de minister (mede) belast met Bosbouw’. Er zijn hoofdzakelijk handelingen opgenomen die deze actoren in de genoemde periode hebben uitgevoerd en die reeds in de selectielijst van LNV zijn benoemd. De nummering van de handelingen komt overeen met die in het vastgestelde BSD van het Ministerie van LNV uit 1998.
Ter aanvulling op handelingen uit de LNV-lijst zijn nog enkele algemene handelingen toegevoegd. Het gaat om de handelingen met de nummers 205–222. Het oorspronkelijke BSD voor het beleidsterrein Bosbouw dateert van 1998 en hierin waren deze handelingen nog niet opgenomen. Het is echter gebruikelijk dat deze handelingen worden opgenomen in het BSD, omdat ze op vrijwel elk beleidsterrein voorkomen.
Ook zijn handelingen opgenomen voor de verschillende commissies die in de periode 1945–1983 actief zijn geweest. De handelingen van deze actoren zijn in een eerder stadium door het Ministerie van LNV vastgesteld. Hierbij werd verondersteld dat het Ministerie van LNV zorgdrager is voor de archieven van deze commissies. Het is echter niet uitgesloten dat ook het Ministerie van OCW en het Ministerie van VWS (unieke) archiefbescheiden van de bedoelde commissies in bezit hebben. Om te voorkomen dat dit archiefmateriaal niet kan worden geselecteerd en bewerkt, worden de commissiehandelingen bij deze ook vastgesteld voor de zorgdragers OCW en VWS.
Door de verschillende functies van het bos, heeft het bosbouwbeleid nauwe relaties met veel andere beleidsterreinen zoals openluchtrecreatie, natuur, landschap, milieu, landbouw, water, houtvoorziening en ruimtelijke ordening. Binnen deze beleidsterreinen is het bos niet het centrale object waarvoor de beleidsbeslissingen worden gemaakt. De recreatieve en de natuurbehoudmatige functies van het bos bijvoorbeeld worden behandeld in de Pivot-onderzoeken nummer 51 en 79, respectievelijk betreffende de beleidsterreinen ‘Openluchtrecreatie’ en ‘Natuur- en landschapsbeheer en relatienotabeleid.’ Bij het Ministerie van Economische Zaken is het beleid onderzocht ten aanzien van de houtverwerkende industrie.
In het onderhavige onderzoek zullen de raakvlakken die het bosbouwbeleid heeft met die andere functies van het bos louter worden behandeld vanuit het gezichtspunt: de instandhouding, uitbreiding en het beheer van het bosareaal in Nederland.
Doelstellingen en taken van de overheid op het beleidsterrein Bosbouw
Eind 19de eeuw kreeg de overheid belangstelling voor de bosbouw. Hiervoor waren drie motieven:
Vooral het verhogen van de productie van hout werd belangrijk omdat door de toenemende mijnbouw een grotere afzetmarkt voor hout was ontstaan. De bossen waren hoofdzakelijk in handen van particuliere boseigenaren, die uit waren op winst en zich niet bekommerden om de houtvoorraad. Om houtschaarste te voorkomen moest de rijksoverheid zich actief met de aanleg van bossen en ontginning van woeste gronden gaan bemoeien. Een grote stap ter bewaring van de bossen was de oprichting van het Staatsbosbeheer in 1899.
Naar aanleiding van de excessieve vellingen tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt in 1917 de Nood Boschwet vastgesteld. In 1922 werd deze wet vervangen door de Boschwet. Deze wet bevatte bepalingen voor het behoud van het bos en van het natuurschoon.
Dezelfde problemen met betrekking tot het bosareaal uit de Eerste Wereldoorlog kwamen in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog ook aan de orde. Er ontstond een grote behoefte aan hout. De overheid nam echter vroegtijdig maatregelen door de uitvoering van de Bodemproductie-beschikking uit 1939 waarin het vellen en rooien van bossen zonder vergunning werd verboden. Nieuw was de plicht tot het herbeplanten van de gekapte bossen. In de oorlogsjaren verscherpte men de maatregel door de totstandkoming van het Besluit Staatstoezicht op de Bosschen in 1943. Alle bossen, ook die in handen van particuliere eigenaren, werden onder toezicht gebracht van het Staatstoezicht op de Bossen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het Besluit Staatstoezicht op de Bosschen ingetrokken en vervangen door Bodemproductie-beschikking 1949 Bosbouw en Houtteelt.
In de eerste Memorie van Toelichting bij de Begrotingen van het Ministerie van Landbouw na 1945, waarin bosbouw als apart item voorkomt, worden als doelstellingen vergroting van het bosareaal en verbetering van de kwaliteit ervan genoemd.
In de jaren vijftig werd de nadruk gelegd op bebossing en herbebossing, het inperken van schadelijke ziekten en het verbeteren van de kwaliteit van de houtopstanden. In 1952 heeft de Commissie tot Herziening van de Boschwet 1922 een ontwerp-Boswet gereed. In 1958 wordt het ontwerp ingediend bij de Tweede Kamer. De nieuwe Boswet wordt in 1961 in het Staatsblad gepubliceerd.
In 1964 komt het Ministerie van Landbouw tot het inzicht dat bos niet meer uitsluitend moet worden bezien vanuit een economisch gezichtspunt. Het recreatieve gebruik van bos wordt steeds belangrijker.
Gaandeweg ging het aankoopbeleid van de overheid zich richten op de verwerving van bossen en natuurterreinen welke uit hoofde van hun algemene belang, namelijk als natuur en landschapsschoon of door acute bedreiging noodzakelijk in beheer moesten worden overgenomen. Overweging daarvoor was ook om door schaalvergroting het bosbeheer rendabeler te krijgen.
In de jaren zeventig ging de regering de sociaal-culturele functies van het bos voorop stellen. Het was echter geen gemakkelijke opdracht om enerzijds de houtproductie op te voeren, vooral vanwege de schaarste aan beschikbare grond enerzijds en anderzijds de wenselijkheid het bos ook aan andere functies dienstbaar te maken.
In 1977 formuleerde de Minister van Landbouw de volgende vier beleidsvoornemens:
Deze voornemens werden omgezet in een Meerjarenplan Bosbouw (1985), dat het bosbeleid tot het jaar 2000 uitzette. Als hoofddoelstelling werd geformuleerd: ‘Het binnen het kader van het totale overheidsgebied bevorderen van zodanige voorwaarden en omstandigheden, dat het bosareaal in Nederland naar omvang en kwaliteit zo goed mogelijk tegemoet komt aan de in de samenleving bestaande wensen ten aanzien van de functievervulling van het bos, nu en in de toekomst, op een door die samenleving geaccepteerd kostenniveau.’
De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen
de Minister die (mede) is belast met Bosbouw (1945–1983)
Commissie voor de Bosstatistiek (1938–1946)
Commissie tot herziening van de Boschwet (1948–1962)
Commissie Onderzoek Beheer Terreinen Staatsbosbeheer (Commissie Kampfraath, 1972–1975)
Interdepartementale Commissie inzake de voorbereiding van een visie op de instandhouding en uitbreiding bos (1975–1977)
De handelingen worden vastgesteld voor de zorgdragers de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, omdat zij de rechtsopvolgers zijn van respectievelijk de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
3. Selectiedoelstelling
In de productbeschrijving BSD van maart 2004 is de selectiedoelstelling van het Nationaal Archief als volgt verwoord. ‘De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.’
Selectiecriteria
Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben verantwoordingvan beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in overleg met het Nationaal Archief, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7).
Overigens kan, ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen, betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
4. Verslag van de vaststellingsprocedure
Op 6 maart 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van OCW en de Minister van VWS aan de Staatssecretaris van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 september 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers, het Ministerie van OCW en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 27 oktober 2006 bracht de RvC advies uit (arc-2006.03203/4), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.
5. Leeswijzer
Handelingnr.: Dit is het volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.
Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.
Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.
Vermeld worden:
de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit of de ministeriële regeling;
het betreffende artikel en lid daarvan;
de vindplaats, dwz. de vermelding van Staatsblad of Staatscourant;
wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.
Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.
Product: Waar mogelijk wordt hier vermeld welke documenten uit de handeling zijn voortgekomen.
Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.
Waardering: Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).
Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.