Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
De artikelen 23, eerste en derde lid, 24, 25, 27 en 28 zijn van overeenkomstige toepassing op de individuele waardeoverdracht bij het shoprecht, bedoeld in artikel 150l, zesde lid, en artikel 80, van de Pensioenwet, dan wel artikel 145k, zesde lid, en artikel 88, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met dien verstande dat:
- a. als overdrachtsdatum wordt aangemerkt de datum waarop de overdragende uitvoerder de overdrachtswaarde, bedoeld in artikel 25, aan de ontvangende uitvoerder betaalt; en
- b. de overdragende uitvoerder de overdrachtswaarde kan vermeerderen met de vulling van de risicodelingsreserve uit het kapitaal van de gepensioneerde bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme, bedoeld in artikel 10e, tweede lid, van de Pensioenwet, dan wel artikel 28e, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepast aan de procentuele waardeverandering van de risicodelingsreserve in de periode tussen de toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme en de overdrachtsdatum, voor zover deze waardeverandering is opgetreden als gevolg van deling van de financiële mee- of tegenvallers.
De overdragende uitvoerder keert de pensioenuitkeringen voortvloeiend uit de pensioenregeling van de overdragende uitvoerder tot de overdrachtsdatum aan de gepensioneerde uit. Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen pensioenrechten, komt met ingang van de overdrachtsdatum, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.
Paragraaf 9b.8. Gelijke aanpassingen met spreiden
Hoofdstuk 10. Boeteregeling
Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen
Artikel 51b. Transitiedata Wet toekomst pensioenen
De tijdstippen, bedoeld in de hierna genoemde artikelen uit de Pensioenwet, luiden als volgt:
| Artikel van de Pensioenwet | Onderwerp | Transitiedatum | |
|---|---|---|---|
| a. | 150c | Mijlpalen in transitieperiode | Aan de mijlpalen, bedoeld in artikel 150c van de Pensioenwet, wordt uiterlijk voldaan op de volgende tijdstippen: a. voor de mijlpaal, bedoeld in artikel 150c, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet: 1 januari 2025; b. voor de mijlpaal, bedoeld in artikel 150c, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet: 1 juli 2025 voor pensioenfondsen die uiterlijk op 1 juli 2026 overgaan op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i, tweede lid, van de Pensioenwet en uiterlijk 12 maanden voor de beoogde overgang op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i, tweede lid, van de Pensioenwet, indien deze beoogde overgang na 1 juli 2026 plaatsvindt; en c. voor de mijlpalen, bedoeld in artikel 150c, tweede lid, onderdelen a en b, van de Pensioenwet: 1 oktober 2027. |
| b. | 150f, eerste lid, onderdeel b | Compensatieperiode | De compensatieperiode, bedoeld in artikel 150f, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet, eindigt uiterlijk op 31 december 2036. |
| c. | 150n, negende lid | Maximale omvang solidariteitsreserve of risicodelingsreserve na afwijking van de artikelen 10d of 10e van de Pensioenwet | De eis van de maximale omvang van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve van 15%, bedoeld in artikel 150n, negende lid, van de Pensioenwet, geldt, na afwijking van de artikelen 10d of 10e, van de Pensioenwet, op 1 januari 2037 of zoveel eerder als de omvang van de reserve maximaal 15% is gaan bedragen. |
| d. | 150p, tweede lid | Indienen overbruggingsplan | Een pensioenfonds als bedoeld in artikel 150p, tweede lid, van de Pensioenwet, dat uiterlijk op 1 juli 2026 overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i, tweede lid, van de Pensioenwet en dat op 1 juli 2025 geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, kan voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen. Een pensioenfonds als bedoeld in artikel 150p, tweede lid, van de Pensioenwet, dat na 1 juli 2026 overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i, tweede lid, van de Pensioenwet en dat uiterlijk 12 maanden voor deze beoogde overgang geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, kan voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen. |
| e. | 150p, derde lid | Beschrijving financiële situatie pensioenfonds | In het overbruggingsplan beschrijft het pensioenfonds, als bedoeld in artikel 150p, derde lid, van de Pensioenwet, de financiële situatie van het pensioenfonds in de periode tot het pensioenfonds overgaat tot collectieve waardeoverdracht maar uiterlijk op 1 januari 2028. |
| f. | 150q, eerste lid | Indienen herstelplan | Een pensioenfonds dient het herstelplan, bedoeld in artikel 150q, eerste lid, van de Pensioenwet, in binnen drie maanden na de in onderdeel g genoemde tijdstippen. |
| g. | 150q, tweede lid | Indienen overbruggingsplan | Het pensioenfonds dient het overbruggingsplan, bedoeld in artikel 150q, tweede lid, van de Pensioenwet, in: 1°. in het jaar 2023: uiterlijk 1 september 2023; 2°. in het jaar 2024: uiterlijk 1 juli 2024; 3°. in het jaar 2025: uiterlijk 1 juli 2025; 4°. in het jaar 2026: uiterlijk 1 april 2026; 5°. in het jaar 2027: uiterlijk 1 april 2027. |
| h. | 150q, derde lid | Looptijd overbruggingsplan | Het overbruggingsplan, als bedoeld in artikel 150q, derde lid, van de Pensioenwet, heeft steeds een looptijd tot het tijdstip waarop het pensioenfonds verwacht over te gaan tot collectieve waardeoverdracht maar eindigt niet later dan op 1 januari 2028. |
| i. | 220e, eerste lid | Start deelneming deelnemer (overgangsrecht progressieve premie) | De deelneming van de deelnemer, als bedoeld in artikel 220e, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet, vangt uiterlijk aan op 31 december 2027. |
| j. | 220e, derde lid | Wijziging pensioenovereenkomst (overgangsrecht progressieve premie) | Artikel 220e, derde lid, van de Pensioenwet, is van toepassing indien op of na 1 januari 2028 de pensioenovereenkomst zodanig wordt gewijzigd dat de door of voor een deelnemer verschuldigde premie niet langer een met de leeftijd oplopend premiepercentage bedraagt, maar een voor alle deelnemers gelijk premiepercentage. |
| k. | 220g, eerste lid | Uiterste overgangstijdstip nabestaandenpensioen | Het uiterste overgangstijdstip voor het nabestaandenpensioen, als bedoeld in artikel 220g, eerste lid, van de Pensioenwet, is 1 januari 2028. |
| l. | 220ha, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Recht op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid | Het recht op premievrije voorzetting vanwege arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 220ha, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van de Pensioenwet, is uiterlijk op 31 december 2029ontstaan. |
| m. | 220i, eerste lid, aanhef, eerste zin | Overgangsrecht gewijzigde pensioenovereenkomst | De uiterste datum waarop de Pensioenwet, zoals die luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, nog van toepassing is op pensioenuitvoerders die nog niet zijn overgegaan op een gewijzigde pensioenovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 220i, eerste lid, aanhef, eerste zin, van de Pensioenwet, is 31 december 2027. |
De tijdstippen, bedoeld in de hierna genoemde artikelen uit de Wet verplichte beroepspensioenregeling, luiden als volgt:
| Artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling | Onderwerp | Transitiedatum | |
|---|---|---|---|
| a. | 145b | Mijlpalen in transitieperiode | Aan de mijlpalen, bedoeld in artikel 145b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt uiterlijk voldaan op de volgende tijdstippen: a. voor de mijlpaal, bedoeld in artikel 145b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling: 1 januari 2025; b. voor de mijlpaal, bedoeld in artikel 145b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling: 1 juli 2025voor beroepspensioenfondsen die uiterlijk op 1 juli 2026 overgaan op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en uiterlijk 12 maanden voor de beoogde overgang op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien deze beoogde overgang na 1 juli 2026 plaatsvindt; en c. voor de mijlpalen, bedoeld in artikel 145b, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling: 1 oktober 2027. |
| b. | 145e, eerste lid, onderdeel b | Compensatieperiode | De compensatieperiode, bedoeld in artikel 145e, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, eindigt uiterlijk op 31 december 2036. |
| c. | 145m, negende lid | Maximale omvang solidariteitsreserve of risicodelingsreserve na afwijking van de artikelen 28d of 28e van de Wet verplichte beroepspensioenregeling | De eis van de maximale omvang van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve van 15%, bedoeld in artikel 145m, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, geldt, na afwijking van de artikelen 28d of 28e, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, op 1 januari 2037 of zoveel eerder als de omvang van de reserve maximaal 15% is gaan bedragen. |
| d. | 145o, tweede lid | Indienen overbruggingsplan | Een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 145o, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, dat uiterlijk op 1 juli 2026 overgaat op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en dat op 1 juli 2025 geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, kan voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen. Een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 145o, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, dat na 1 juli 2026 overgaat op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en dat uiterlijk 12 maanden voor deze beoogde overgang geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, kan voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen. |
| e. | 145o, derde lid | Beschrijving financiële situatie beroepspensioenfonds | In het overbruggingsplan beschrijft het beroepspensioenfonds, als bedoeld in artikel 145o, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de financiële situatie van het beroepspensioenfonds in de periode tot het beroepspensioenfonds overgaat tot collectieve waardeoverdracht maar uiterlijk op 1 januari 2028. |
| f. | 145p, eerste lid | Indienen herstelplan | Een beroepspensioenfonds dient het herstelplan, bedoeld in artikel 145p, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in binnen drie maanden na de in onderdeel g genoemde tijdstippen. |
| g. | 145p, tweede lid | Indienen overbruggingsplan | Het beroepspensioenfonds dient het overbruggingsplan, als bedoeld in artikel 145p, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in: 1°. in het jaar 2023: uiterlijk 1 september 2023; 2°. in het jaar 2024: uiterlijk 1 juli 2024; 3°. in het jaar 2025: uiterlijk 1 juli 2025; 4°. in het jaar 2026: uiterlijk 1 april 2026; 5°. in het jaar 2027: uiterlijk 1 april 2027. |
| h. | 145p, derde lid | Looptijd overbruggingsplan | Het overbruggingsplan, als bedoeld in artikel 145p, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, heeft steeds een looptijd tot het tijdstip waarop het beroepspensioenfonds verwacht over te gaan tot collectieve waardeoverdracht maar eindigt niet later dan op 1 januari 2028. |
| i. | 214d, eerste lid | Start deelneming deelnemer (overgangsrecht progressieve premie) | De deelneming van de deelnemer, als bedoeld in artikel 214d, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vangt uiterlijk aan op 31 december 2027. |
| j. | 214d, derde lid | Wijziging beroepspensioenregeling (overgangsrecht progressieve premie) | Artikel 214d, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is van toepassing indien op of na 1 januari 2028 de beroepspensioenregeling zodanig wordt gewijzigd dat de door of voor een deelnemer verschuldigde premie niet langer een met de leeftijd oplopend premiepercentage bedraagt, maar een voor alle deelnemers gelijk premiepercentage. |
| k. | 214e, eerste lid | Uiterste overgangstijdstip nabestaandenpensioen | Het uiterste overgangstijdstip voor het nabestaandenpensioen, als bedoeld in artikel 214e, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is 1 januari 2028. |
| l. | 214fa, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Recht op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid | Het recht op premievrije voorzetting vanwege arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 214fa, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is uiterlijk op 31 december 2029 ontstaan. |
| m. | 214g, eerste lid, aanhef, eerste zin | Overgangsrecht gewijzigde beroepspensioenregeling | De uiterste datum waarop de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, nog van toepassing is op pensioenuitvoerders die nog niet zijn overgegaan op een gewijzigde beroepspensioenregeling, zoals bedoeld in artikel 214g, eerste lid, aanhef, eerste zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is 31 december 2027. |
Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.
5.1. Persoonlijk
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.2. Zakelijk
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
5.3. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
6. Overige antecedenten
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)