← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Geldende tekst a fecha 2009-08-01

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;

Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;

De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Informatie

Artikel 2. Informatie over basispensioenregeling
1.

De informatie over de inhoud van de basispensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval het volgende:

2.

Indien er sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling informeert de uitvoerder de werknemer dan wel beroepsgenoot over:

3.

Tevens wordt informatie verstrekt over:

Artikel 3. Mogelijkheid toezichthouder tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid

De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer.

Artikel 4. Informatie over toeslagverlening
1.

De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 21 en 38 tot en met 45 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 56 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op:

2.

Bij de verlening van informatie over de verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening wordt door fondsen gebruik gemaakt van de continuïteitsanalyse.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de informatieverstrekking over toeslagverlening.

Artikel 5. Verstrekken informatie aan deelnemers jaarlijks
1.

Aan de deelnemers wordt jaarlijks een opgave van de verworven pensioenaanspraken verstrekt waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een uitkeringsovereenkomst dan wel uitkeringsregeling, een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling en een premieovereenkomst dan wel premieregeling.

2.

De opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken bevat:

3.

Bij de in het tweede lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.

Artikel 6. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming

De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over:

Artikel 7. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding

De uitvoerder verstrekt de gewezen partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens.

Artikel 8. Verstrekken informatie aan deelnemers vrijwilligepensioenregeling
1.

De uitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, waarbij artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3 van overeenkomstige toepassing zijn.

2.

De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken wordt overeenkomstig artikel 5, tweede lid, vastgesteld. Indien bij een premieovereenkomst of een premieregeling de premie wordt belegd wordt een indicatie gegeven van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum en de daarbij gehanteerde veronderstellingen.

3.

De indicatie van het te bereiken kapitaal, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van drie scenario’s: een historisch, een vier procent rendement en een pessimistisch opbrengstscenario.

4.

De regels op grond van artikel 66, vierde lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9. Verstrekken van informatie op verzoek
1.

Indien sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer tijdens de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer en de gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen.

2.

Bij een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd verstrekt de pensioenuitvoerder op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum en de daarbij gehanteerde veronderstellingen. Artikel 8, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal, bedoeld in het tweede lid en artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, onder 2°, daarvoor wordt aangewend.

4.

Bij de indicatie, bedoeld in het derde lid, worden de op het moment van het verzoek bij de pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd. De periodieke uitkeringen worden gecorrigeerd voor te verwachten prijsinflatie. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald met welke te verwachten prijsinflatie gecorrigeerd wordt.

5.

Bij het verstrekken van de indicatie, bedoeld in het derde lid, dient de pensioenuitvoerder er op te wijzen dat het risico dat de definitieve pensioenuitkering afwijkt van de indicatie bij de betrokkene ligt.

6.

Het fonds verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek de verklaring inzake beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet dan wel artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

7.

De uitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek:

8.

De uitvoerder verstrekt de deelnemer of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van uitruil als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 72, 73 of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor de deelnemer.

Artikel 10. Kosten informatieverstrekking

De informatie op grond van de artikelen 21, 38 tot en met 45 en 46, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 56, 57, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt kosteloos verstrekt. De informatie op grond van artikel 9, eerste en achtste lid, wordt eveneens kosteloos verstrekt.

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Artikel 11. Waarborging goed bestuur

Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen de Principes voor goed pensioenfondsbestuur, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid op 16 december 2005.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Artikel 12. Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed

Een uitvoerder besteedt niet uit:

Artikel 13. Overeenkomst tot uitbesteding
1.

Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.

2.

In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

Artikel 14. Beheersing van de risico’s
1.

Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

2.

Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Artikel 15. Ruilvoet en opbouwkeuzevoet
1.

Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72, 73, 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld.

2.

De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61, vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72, vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming.

Artikel 16. Afkoop kleine pensioenen en afkoop bovenmatig pensioen
1.

De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel bedoeld in artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.

2.

Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.

3.

De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

Artikel 17. Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten

Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Artikel 18. Verzoek opgave informatie aan overdragende uitvoerder
1.

De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:

Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.

Artikel 19. Opgave informatie aan de uitvoerder

De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder.

Artikel 20. Opgave informatie aan de rechthebbende

De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21. Verzoek tot waardeoverdracht
1.

Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.

2.

Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn of worden verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder

De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Afhandeling waardeoverdracht
1.

De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.

2.

Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.

3.

De overdrachtswaarde wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.

4.

De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.

5.

De termijnen, genoemd in dit hoofdstuk, zijn op waardeoverdracht van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, niet eerder van toepassing dan nadat de overdragende uitvoerder de FVP-bijdrage heeft ontvangen.

Artikel 24. Overschrijding termijnen

Overschrijding van de in dit hoofdstuk gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt de deelnemer niet tegengeworpen.

Artikel 25. Berekening overdrachtswaarde
1.

De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.

2.

Indien de overdrachtswaarde niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.

3.

Bij de berekening van de overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:

4.

De overdrachtswaarde wordt, in afwijking van het eerste lid, niet berekend op basis van het standaardtarief indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit:

5.

Onze Minister stelt regels voor de berekening van de overdrachtswaarde in de in het vierde lid genoemde gevallen.

Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken

Indien bij een uitkeringsovereenkomst, een uitkeringsregeling of een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering de overdrachtswaarde niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of van het fonds waar de regeling was ondergebracht.

Artikel 27. Aanwenden van overdrachtswaarde
1.

Onze Minister stelt regels voor de berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder.

2.

In geval van waardeoverdracht naar een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.

Artikel 28. Behandeling aanspraken na waardeoverdracht
1.

De na waardeoverdracht verkregen aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op dezelfde manier behandeld worden.

2.

Indien de ontvangende uitvoerder een beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.

3.

Indien in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.

4.

In een pensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.

Hoofdstuk 7. Eisen ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid

Artikel 29. Toets deskundigheid en betrouwbaarheid

Voorafgaand aan de benoeming van een persoon die het beleid van een fonds gaat bepalen of mede bepalen toetst de Nederlandsche Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die persoon, bedoeld in artikel 105 van de Pensioenwet dan wel artikel 110 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 30. Deskundigheid
1.

Voor het voldoen aan de vereiste deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis en ervaring aanwezig dat het fonds, mede gelet op artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, behoorlijk wordt bestuurd.

2.

Ten minste twee personen in de kring van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een organisatie.

3.

De in het eerste lid bedoelde deskundigheid heeft betrekking op:

4.

Het fonds geeft op verzoek van de Nederlandsche Bank aan:

Artikel 31. Betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Artikel 32. Antecedenten

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in ieder geval in aanmerking de in de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.

Artikel 33. Bronnen
1.

De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

2.

Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

Artikel 34. Strafrechtelijke veroordeling

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Artikel 36. Toedeling van taken
1.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede zin, vierde lid, 28, eerste lid, indien het fonds geen deelnemersraad heeft, 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars, 36, 38 tot en met 47, 48, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de kwalitatieve en beeldende maatstaf, 49 tot en met 51, 52, tweede tot en met zesde lid, 66, derde en vierde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid,76, derde en negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 134, tweede lid van de Pensioenwet.

2.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 38, 39, eerste lid, 42, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars, 44, 48 tot en met 58, 59, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de kwalitatieve en beeldende maatstaf, 60 tot en met 62, 63, tweede tot en met zesde lid, 78, derde en vierde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 129, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de regels genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden

De Stichting Autoriteit Financiële Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172, 173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 38. Wijze van samenwerking
1.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:

2.

De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.

Artikel 39. Contacten toezichthouder met Onze Minister
1.

De toezichthouder deelt Onze Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.

2.

De toezichthouder stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en taakverdeling binnen het bestuur of de directie.

Artikel 40. Eisen aan de toezichthouder
1.

De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.

2.

De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.

3.

De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.

4.

De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.

Hoofdstuk 9. Kostenregeling

Artikel 41. Incidentele kosten
1.

De Nederlandsche Bank kan eenmalig een bedrag in rekening brengen aan een uitvoerder ter vergoeding van kosten van de behandeling van:

2.

Bij regeling van Onze Minister wordt op voorstel van de Nederlandsche Bank de hoogte van de eenmalig in rekening te brengen bedragen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 42. Jaarlijkse kosten
1.

De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan uitvoerders ter zake van kosten als bedoeld in artikel 160 van de Pensioenwet dan wel artikel 155 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover de desbetreffende kosten niet al op grond van artikel 41 in rekening worden gebracht.

2.

De op grond van het eerste lid in rekening te brengen kosten worden op basis van de begroting waarmee is ingestemd door Onze Minister, geraamd voor het jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft.

3.

De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieën van uitvoerders naar de mate van het beslag op de werkzaamheden van de toezichthouder, bedoeld in artikel 160 van de Pensioenwet en artikel 155 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

4.

De per categorie toegerekende geraamde kosten worden verminderd of vermeerderd met het aan de desbetreffende categorie toe te rekenen exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 155, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en verminderd met de aan de desbetreffende categorie toe te rekenen opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen als bedoeld in artikel 160, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 155, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling die niet reeds zijn opgenomen in het exploitatiesaldo.

5.

De in het derde lid bedoelde categorieën van pensioenuitvoerders zijn:

6.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere categorieën worden vastgesteld.

Artikel 43. Vaststelling verschuldigd bedrag
1.

Het bedrag, bedoeld in artikel 42, eerste lid, bestaat uit per categorie vast te stellen minimumbedragen ter dekking van de minimale toezichtkosten per uitvoerder in de desbetreffende categorie, vermeerderd met een bedrag dat:

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen op voorstel van de toezichthouder per onderwerp van toezicht worden vastgesteld:

Artikel 44. Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar
1.

Het bedrag, bepaald op basis van artikel 43, wordt voor een uitvoerder die niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar onder een categorie valt, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat de uitvoerder onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.

2.

Aan een uitvoerder die niet langer onder een categorie valt, wordt het bedrag terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden van het jaar dat de uitvoerder niet langer onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.

Artikel 45. Gegevensverstrekking
1.

Een uitvoerder verstrekt binnen een door de toezichthouder te stellen redelijke termijn een opgave van de maatstafgegevens.

2.

Indien een uitvoerder niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een opgave heeft gedaan of een kennelijk onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan, kan de toezichthouder een schatting maken van de maatstafgegevens.

Artikel 46. Betaling
1.

De toezichthouder bepaalt de wijze en het tijdstip van betaling van de bedragen, bedoeld in de artikelen 41 en 42.

2.

Indien als wijze van betaling automatische incasso is overeengekomen, kan de toezichthouder bij het in rekening brengen van het bedrag per factuur een korting toepassen.

Artikel 47. Fusie uitvoerders

Indien een uitvoerder het vermogen heeft gekregen van een uitvoerder die in het lopende jaar of in het voorafgaande jaar is opgehouden onder een categorie te vallen, wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 42, eerste lid, die door de toezichthouder ten aanzien van laatstbedoelde uitvoerder zijn gemaakt, in rekening gebracht bij de verkrijgende uitvoerder, voor zover deze kosten niet reeds bij de laatstbedoelde uitvoerder in rekening zijn gebracht.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Artikel 48. Vaststelling hoogte boete
1.

De toezichthouder stelt een bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het basisbedrag, bedoeld in artikel 179, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

3.

De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

Artikel 49. Recidive

De door de toezichthouder met toepassing van artikel 48 vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.

Artikel 50. Draagkracht
1.

De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.

2.

De toezichthouder kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.

Artikel 51. Schade voor derden bij pensioenuitvoerders
1.

De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden.

2.

De toezichthouder kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 48, 49 en 50 verlagen met maximaal 75 procent.

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Artikel 52. Overgangsrecht in verband met artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
1.

Ten aanzien van de in artikel 18, derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Artikel 53. Intrekken besluiten
Artikel 54. Wijziging vanwege invoering Wft

Wijzigt dit besluit.

Artikel 55. Overgangsrecht

Wijzigt dit besluit.

Artikel 56. Wijziging Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000

Wijzigt het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000.

Artikel 57. Wijziging Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000

Wijzigt het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000.

Artikel 58. Wijziging Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.

Artikel 59. Wijziging Besluit bestuursorganen WNo en Wob

Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.

Artikel 60. Wijziging Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 61. Wijziging bijlage Wet toezicht accountantsorganisaties

Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties.

Artikel 62. Wijziging Besluit op de huurtoeslag

Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag.

Artikel 63. Inwerkingtreding
1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 10 en artikel 15.

2.

De artikelen 2 tot en met 10 treden in werking met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 64. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Veroordelingen

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties met de Officier van Justitie

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

2.4. Andere relevante feiten of omstandigheden

2.4. Andere relevante feiten of omstandigheden

3. Financiële antecedenten

3. Financiële antecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.2. Zakelijk

3.3. Andere feiten of omstandigheden

4. Toezichtantecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4.1. Toezichtantecedenten

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 52a. Informatieverstrekking pensioenuitvoerder

Vervallen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties en artikel 2, eerste, tweede en zesde lid, 5, 6,7 en 8 van de Wet identificatie bij dienstverlening.

Wet wapens en munitie:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Wegenverkeerswet 1994:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties met de Officier van Justitie

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

2.4. Andere relevante feiten of omstandigheden

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

3.1. Persoonlijk

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1a. Nadere regels arbeidsongeschiktheidspensioen
1.

Voor zover een aanvulling op een vervolguitkering of een loonaanvullingsuitkering geen arbeidsongeschiktheidspensioen is als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt deze aanvulling als arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van een van die artikelen aangemerkt indien:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aanvullingen op een vervolguitkering of op een loonaanvullingsuitkering, indien het verzoek tot algemeen verbindend verklaring is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 15 juli 2008 houdende enige wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten.

Hoofdstuk 2. Informatie

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Hoofdstuk 7. Eisen ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 9. Kostenregeling

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 51a. Indeling naar categorie
1.

Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet is als volgt beboetbaar:

Pensioenwet Boetecategorie
21, eerste lid 2
21, tweede lid, tweede volzin 2
23 2
25 1
26 1
28 1
29, eerste lid 2
34, eerste lid 2
35 2
36, eerste lid 2
38 tot en met 48 2
49 2
50, tweede en vierde lid 1
52 2
58 2
60, eerste tot en met tiende lid 2
61, eerste tot en met vijfde lid 2
62, eerste tot en met vijfde lid 2
63 1
66, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid 2
67, tweede lid 2
68, tweede lid 2
69, tweede en derde lid 2
71, eerste tot en met vijfde lid 2
74, tweede en derde lid 2
76, eerste, tweede, derde en vierde lid 2
83, tweede lid 2
84, tweede lid 2
85, eerste lid 2
86, eerste en tweede lid 2
87 2
91 1
94, tweede lid 1
95 2
96 1
98 1
99 1
100 1
101 1
102 1
103 1
105, eerste, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid 1
106 1
109 1
110 1
111 1
113 1
114 1
115 1
116 2
117 2
118, eerste, tweede en derde lid 2
119, eerste, tweede en derde lid 2
120, eerste, tweede en derde lid 2
125 2
128 1
129 1
130 1
134, tweede, vierde en vijfde lid 1
135, eerste lid 1
136, eerste lid 1
137, eerste lid 1
138, eerste t/m vierde lid 2
139 2
140, eerste tot en met derde lid 2
143 1
145 1
146 1
147, eerste, tweede, derde en vijfde lid 2
150 1
167 1
169 1
170 1
171, eerste lid 2
172, vijfde lid 1
194 1
197 1
199 1
203, derde lid 2
204 2
2.

Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is als volgt beboetbaar:

Wet verplichte beroepspensioenregeling Boetecategorie
8 2
21 2
22 1
23 2
25 2
26 1
35 1
36 1
38 1
39, eerste lid 2
43, eerste lid 2
44, eerste lid 2
46 2
47 2
48, eerste en tweede lid 2
49 tot en met 59 2
60 2
61, tweede en vierde lid 1
63 2
69 2
72, eerste tot en met tiende lid 2
73, eerste tot en met derde lid 2
74, eerste tot en met vijfde lid 2
75 1
78, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid 2
79, tweede lid 2
80, tweede lid 2
82, eerste tot en met vijfde lid 2
85, tweede en derde lid 2
91, tweede lid 2
92, tweede lid 2
93, eerste lid 2
94, eerste en tweede lid 2
95 2
99 1
102, tweede lid 1
103 2
104 1
105 1
106 1
107 1
108 1
110, eerste, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid 1
113 1
114 2
115 2
116 2
117 2
118 2
123 1
124 1
125 1
129, tweede, vierde en vijfde lid 1
130, eerste lid 1
131, eerste lid 1
132, eerste lid 1
133, eerste tot en met vierde lid 2
134 2
135, eerste tot en met derde lid 2
138 1
140 1
141 1
142, eerste, tweede, derde en vijfde lid 2
145 1
162 1
164 1
165 1
166, eerste lid 2
167, vijfde lid 1
191 1
193 1
197, derde lid 2
198 2
3.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van de Algemene wet bestuursrecht is als volgt beboetbaar:

Algemene wet bestuursrecht Boetecategorie
5:20 2
4.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit is als volgt beboetbaar:

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Boetecategorie
2 2
5 2
6 2
7 2
8 2
9 2
10 2
11 1
15 2
16 2
25 2
26 2
27 2
28 2
5.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is als volgt beboetbaar:

Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen Boetecategorie
12 1
13 1
14 1
15 2
16 2
29 2
31 2
33 2

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.