← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Geldende tekst a fecha 2025-01-01

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;

Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;

De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Informatie

Artikel 2. Informatie over de pensioenregeling

De informatie over de kenmerken van de pensioenregeling en de uitvoering van de pensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval het volgende:

Artikel 3. Mogelijkheid toezichthouder tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid

De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer.

Artikel 4. Informatie over toeslagverlening
1.

De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel c, 40, eerste lid, onderdeel b, en 44, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel c, 51, eerste lid, onderdeel b, en 55, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 2, onderdeel e, wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd.

2.

De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 39, eerste lid, onderdeel b, 41, eerste lid, onderdeel b, 42, eerste lid, onderdeel b, 43, eerste lid, onderdeel c, en 45, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet en de artikelen 50, eerste lid, onderdeel b, 52, eerste lid, onderdeel b, 53, eerste lid, onderdeel b, 54, eerste lid, onderdeel c, en 56, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen vijf jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd.

3.

De informatie over toeslagverlening die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen tien jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd en of dit in overeenstemming met het toeslagenbeleid is geweest.

Artikel 5. Informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten
1.

De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel d, 40, eerste lid, onderdeel c, en 44, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel d, 51, eerste lid, onderdeel c, en 55, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 2, onderdeel e, wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste drie jaar is doorgevoerd.

2.

De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 39, eerste lid, onderdeel e, 41, eerste lid, onderdeel d, 42, eerste lid, onderdeel c, 43, eerste lid, onderdeel d, en 45, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet en de artikelen 50, eerste lid, onderdeel e, 52, eerste lid, onderdeel d, 53, eerste lid, onderdeel c, 54, eerste lid, onderdeel d, en 56, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste vijf jaar is doorgevoerd.

3.

De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste tien jaar is doorgevoerd.

Artikel 6. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming

De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over:

Artikel 7. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding

De uitvoerder verstrekt de gewezen partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens.

Artikel 8. Verstrekken informatie aan deelnemers vrijwillige pensioenregeling
1.

De uitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, waarbij de artikelen 2 en 3 van overeenkomstige toepassing zijn.

2.

De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken wordt overeenkomstig de artikelen 5a en 9, eerste en tweede lid, vastgesteld.

3.

De informatie over de beleggingsresultaten wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling en heeft betrekking op de resultaten van de afgelopen vijf jaar of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder.

4.

De informatie over de structuur van de kosten die door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden gedragen wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling en heeft betrekking op de administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, de kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, indien deze kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht.

Artikel 9. Informatie op verzoek
1.

De uitvoerder verstrekt de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner op verzoek in geval van een flexibele premieovereenkomst of premie-uitkeringsovereenkomst dan wel een flexibele premieregeling of premie-uitkeringsregeling een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum met de daarbij gehanteerde veronderstellingen.

2.

Bij de in het eerste lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.

3.

Indien sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer tijdens de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen.

4.

De uitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek:

5.

De uitvoerder verstrekt de deelnemer of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van uitruil als bedoeld in artikel 60, 61, 61a of 62 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 72, 73, 73a, of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor de deelnemer of gewezen deelnemer.

6.

De uitvoerder verstrekt op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling ten minste de afgelopen vijf jaar hebben behaald of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder.

7.

Voor zover sprake is van gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca verstrekt de uitvoerder op verzoek van de pensioengerechtigde in ieder geval informatie over:

Artikel 10. Kosten informatieverstrekking

De informatie op grond van de artikelen 10c, vierde lid, 21, 38 tot en met 44, 45, 46, eerste en tweede lid, 46a, eerste en tweede lid, 52, 52a, 61a, derde lid, 63b, 134, tweede lid, en 220e, tweede lid, en hoofdstuk 6b, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28c, vierde lid, 48 tot en met 55, 56, 57, eerste en tweede lid, 57a, eerste en tweede lid, 63, 63a, 73a, derde lid, 75b, 129, tweede lid en 214d, tweede lid, en hoofdstuk 5a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt kosteloos verstrekt.

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Artikel 11. Waarborging goed bestuur
1.

Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen voor fondsen de Code Pensioenfondsen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en de Pensioenfederatie en voor verzekeraars de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en het Verbond van Verzekeraars. Deze laatste code is van overeenkomstige toepassing op premiepensioeninstellingen. De codes, en iedere wijziging daarvan, behoeven de goedkeuring van Onze Minister

2.

Een uitvoerder doet in het bestuursverslag mededeling over de naleving van de principes, bedoeld in het eerste lid. Indien een uitvoerder de principes niet heeft nageleefd of niet voornemens is deze in het lopende en daarop volgende boekjaar na te leven, doet hij daarvan in het bestuursverslag gemotiveerd opgave.

Hoofdstuk 2. Informatie

Artikel 12. Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed

In aanvulling op artikel 34, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling besteedt een uitvoerder niet uit, indien:

Artikel 13. Overeenkomst tot uitbesteding
1.

Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.

2.

In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

Artikel 14. Beheersing van de risico’s
1.

Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

2.

Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

Een fonds legt het beleid met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden schriftelijk vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan.

4.

Een fonds hanteert een adequate selectieprocedure voor derden aan wie werkzaamheden worden uitbesteed. Het fonds legt vast op grond van welke afwegingen zij tot de keuze voor een bepaalde derde is gekomen.

5.

Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

6.

Een fonds draagt er zorg voor dat de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het fonds worden toegepast bij derden waaraan werkzaamheden van het fonds zijn uitbesteed, tenzij de derde valt onder een richtlijn, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2016/2341/EU. Indien de derde valt onder een richtlijn, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2016/2341/EU heeft het fonds zicht op het beloningsbeleid van de derde aan wie werkzaamheden worden besteed, betrekt het fonds het beloningsbeleid bij de keuze voor de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed en maakt zijn beleid dienaangaande openbaar.

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Artikel 15. Ruilvoet en opbouwkeuzevoet
1.

Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 60, 61, 61a of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72, 73, 73a, of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld.

2.

De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61, vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72, vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming.

Artikel 16. Afkoop kleine pensioenen en afkoop bovenmatig pensioen
1.

De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69 van de Pensioenwet dan wel bedoeld in de artikelen 78 en 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.

2.

Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.

3.

De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

Artikel 17. Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten

Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Artikel 18. Verzoek opgave informatie aan overdragende uitvoerder
1.

De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:

Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.

Artikel 19. Opgave informatie aan de uitvoerder

De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.

Artikel 20. Opgave informatie aan de rechthebbende

De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.

Artikel 21. Verzoek tot waardeoverdracht
1.

Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.

2.

Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder

De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Afhandeling waardeoverdracht
1.

De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.

2.

Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.

3.

De overdrachtswaarde wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.

4.

De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.

Artikel 24. Overschrijding termijnen

Overschrijding van de in dit hoofdstuk gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt de deelnemer niet tegengeworpen.

Artikel 25. Berekening overdrachtswaarde
1.

De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken die voortvloeien uit een premieovereenkomst of premieregeling, voor zover de premie wordt belegd, is het op de overdrachtsdatum voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55, eerste of tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, eerste of tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de overdrachtswaarde van pensioenaanspraken berekend op basis van het standaardtarief indien sprake is van:

3.

De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken als bedoeld in het tweede lid is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.

4.

Indien de overdrachtswaarde niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.

5.

In afwijking van het eerste lid wordt de overdrachtswaarde van pensioenaanspraken die voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet dan wel een kapitaalregeling, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen of uit een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de premie is aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal berekend op basis van de actuariële grondslagen van de overdragende uitvoerder. Onder actuariële grondslagen worden de grondslagen verstaan die de uitvoerder hanteert voor de vaststelling van de technische voorziening bij waardeoverdracht.

6.

Bij de berekening van de overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:

7.

Onze Minister stelt regels voor de berekening van de overdrachtswaarde, bedoeld in het eerste lid en voor het standaardtarief.

Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken

Indien bij een premieovereenkomst of een premieregeling, waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen is omgezet in een aanspraak op een uitkering, een uitkeringsovereenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet dan wel een uitkeringsregeling, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals deze artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, de overdrachtswaarde niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of van het fonds waar de regeling was ondergebracht.

Artikel 27. Aanwenden van overdrachtswaarde
1.

Onze Minister stelt regels voor de berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder.

2.

In geval van waardeoverdracht naar een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.

Artikel 28. Behandeling aanspraken na waardeoverdracht
1.

De na waardeoverdracht verkregen aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op dezelfde manier behandeld worden.

2.

Indien de ontvangende uitvoerder een beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.

3.

Indien in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.

4.

In een pensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het derde lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Artikel 29. Toets geschiktheid en betrouwbaarheid
1.

De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid en de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid van een fonds bepaalt of mede bepaalt, bedoeld in artikel 106 van de Pensioenwet dan wel artikel 110c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en op ieder ander moment, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.

2.

De Nederlandsche Bank toetst de betrouwbaarheid van een persoon die houder is van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en op ieder ander moment, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat. De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid van de houders van deze functies, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.

3.

De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid en betrouwbaarheid van een persoon die het intern toezicht van een fonds door een visitatiecommissie, de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie, niet zijnde het houderschap van deze functie, uitoefent, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.

Artikel 30. Geschiktheid
1.

De personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen voldoen aan de vereiste geschiktheid indien hun kwalificaties, kennis en ervaring, waaronder vaardigheden en professioneel gedrag, volstaan om een gezond en prudent bestuur van het fonds mogelijk te maken, met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief.

2.

De personen die de interne auditfunctie of actuariële functie vervullen voldoen aan de vereiste geschiktheid indien hun beroepskwalificaties, beroepskennis en beroepservaring volstaan om de functie naar behoren te vervullen.

3.

De personen die de risicobeheerfunctie vervullen voldoen aan de vereiste geschiktheid, indien hun kwalificaties, kennis en ervaring volstaan om de functie naar behoren te vervullen.

Artikel 31. Betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 106, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110c, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Artikel 32. Antecedenten

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in ieder geval in aanmerking de in de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.

Artikel 33. Bronnen
1.

De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

2.

Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

Artikel 34. Specifieke antecedenten
1.

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel indien:

2.

De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 35, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.

Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Artikel 36. Toedeling van taken
1.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 10c, derde lid, 21, eerste lid, tweede lid, tweede zin, vierde lid, 29, eerste lid, 29, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft communicatie en de klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 36, 38 tot en met 51a, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s tenzij het gaat om de juistheid van deze weergave, 52, tweede tot en met vierde lid, 52, vijfde lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 52, zesde lid, 52, zevende lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 52a, tweede lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 52a, derde tot en met vijfde lid, 52a, zesde lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 52b, voor zover het betreft het risicopreferentie-onderzoek, 61a, derde lid, 63b, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s tenzij het gaat om de juistheid van deze weergave, 66, vierde en vijfde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid, 69, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid, 76, derde en negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen, 102a, voor zover het betreft de regels, bedoeld in artikel 28d, tweede lid, aanhef en onderdelen b en e, van dit besluit, 134, tweede lid, 150a, eerste en vijfde lid, voor zover het betreft de communicatie, 150c, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, voor zover het betreft het communicatieplan, 150e, vijfde lid, 150f, tweede lid, 150i, vijfde lid, tweede zin, 150j, 150l, zesde lid, 150p, vierde lid, onderdeel b, 220e, tweede lid en 220i, tweede lid, voor zover het betreft het vermelden van informatie op de website van de Pensioenwet.

2.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 28c, derde lid, 38, 39, eerste lid, 39, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid, 42, voor zover het betreft communicatie en de klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 44, 48 tot en met 62a, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s tenzij het gaat om de juistheid van deze weergave, 63, tweede tot en met vierde lid, 63, vijfde lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 63, zesde lid, 63, zevende lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 63a, tweede lid, met uitzondering van de zorgplicht voor zover het betreft het beleggingsbeleid, 63a, derde tot en met vijfde lid, 63a, zesde lid, met uitzondering van de regels over de beleggingen en het beleggingsbeleid, 63b, voor zover het betreft het risicopreferentie-onderzoek, 73a, derde lid, 75b, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s tenzij het gaat om de juistheid van deze weergave, 78, vierde en vijfde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 80a, tweede lid, 82, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen, 109a, voor zover het betreft de regels, bedoeld in artikel 28d, tweede lid, aanhef en onderdelen b en e, van dit besluit, 129, tweede lid, 145b, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, voor zover het betreft het communicatieplan, 145d, vijfde lid, 145e, tweede lid, 145h, vijfde lid, voor zover het betreft het beschikbaar stellen van het implementatieplan op de website, 145i, 145k, zesde lid, 145o, vierde lid, onderdeel b, 214d, tweede lid en 214g, tweede lid, voor zover het betreft het vermelden van informatie op de website, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de regels genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden

De Stichting Autoriteit Financiële Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172, 173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 38. Wijze van samenwerking
1.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:

2.

De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.

Artikel 39. Contacten toezichthouder met Onze Minister
1.

De toezichthouder deelt Onze Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.

2.

De toezichthouder stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en taakverdeling binnen het bestuur of de directie.

Artikel 40. Eisen aan de toezichthouder
1.

De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.

2.

De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.

3.

De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.

4.

De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Artikel 41. Voorwaarden uitvoering nettopensioen
1.

De uitvoering van het nettopensioen door een fonds voldoet aan de volgende voorwaarden:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, onder 1° wordt het dekkingsgraadneutraal tarief gebaseerd op de dekkingsgraad van het fonds, wordt de risicovrije rente gehanteerd en wordt rekening gehouden met tariefgrondslagen passend bij de groep deelnemers aan het nettopensioen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen of premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verzekerd bij een verzekeraar.

Artikel 42. Overeenkomst met pensioenbewaarder

In een overeenkomst als bedoeld in artikel 124a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 120a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt in ieder geval geregeld dat:

Artikel 43. Risico-neutrale scenario’s

De risico-neutrale scenario’s die door uitvoerders worden gebruikt bij berekening van het netto profijt, bedoeld in de artikelen 150e, eerste lid, onderdeel a, 150p, vierde lid, onderdeel a, sub 5° en 220e, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 145d, eerste lid, onderdeel a, 145o, vierde lid, onderdeel a, sub 5° en 214d, vierde lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en bij de collectieve waardeoverdracht indien gebruik wordt gemaakt van de vba-methode, bedoeld in artikel 150n, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145m, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden door De Nederlandsche Bank beschikbaar gesteld.

Artikel 44. Transitieplan
1.

Bij de uitwerking van het transitieplan, bedoeld in artikel 150d, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145c, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt, naast de informatie, bedoeld in artikel 150d, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145c, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in ieder geval opgenomen:

2.

Indien de financiële positie van een fonds dusdanig is dat de gemaakte afspraken uit het transitieplan niet meer toereikend zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en nieuwe afspraken zijn gemaakt, zendt de werkgever het gewijzigde transitieplan binnen twee weken na afronding aan het fonds. Het fonds stelt het gewijzigde transitieplan op zijn website beschikbaar voor de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde.

Artikel 45. Samenstelling transitiecommissie
1.

De transitiecommissie bestaat uit vijf onafhankelijke leden waaronder een voorzitter.

2.

Onze Minister benoemt de leden van de transitiecommissie. Alvorens een kandidaat-lid te benoemen vraagt Onze Minister het oordeel van de Stichting van de Arbeid over de kandidaat.

3.

De leden van de transitiecommissie zijn deskundig ten aanzien van pensioen en hebben ruime werkervaring op pensioenterrein als bestuurder, wetenschapper of bestuursadviseur.

4.

In de transitiecommissie als geheel is deskundigheid op het gebied van pensioen en arbeidsvoorwaarden, actuariële deskundigheid, kennis van en ervaring met mediation-trajecten en kennis van en ervaring met onderhandelingsprocessen vertegenwoordigd.

5.

De leden van de transitiecommissie:

6.

De transitiecommissie voorkomt belangenverstrengeling of de schijn van belangenverstrengeling en stelt hiervoor nadere regels in het reglement.

7.

De voorzitter en commissieleden kunnen op eigen verzoek door Onze Minister worden ontslagen. Zij kunnen verder door Onze Minister worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

8.

De transitiecommissie wordt bekostigd door Onze Minister. De leden van de transitiecommissie kunnen een vergoeding ontvangen volgens de regels van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies.

9.

De transitiecommissie wordt uiterlijk vier weken nadat het jaarverslag over 2026, bedoeld in artikel 45b, is uitgebracht opgeheven, tenzij naar het oordeel van Onze Minister onvoorziene omstandigheden het opheffen van de transitiecommissie in de weg staan.

Artikel 46. Implementatieplan
1.

In het kader van de wijze waarop voorbereidingen worden getroffen voor de uitvoering van de gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel de gewijzigde beroepspensioenregeling en de besluiten op grond van de artikelen 150m en 150n van de Pensioenwet dan wel de artikelen 145l en 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt in het implementatieplan van fondsen ten minste opgenomen:

2.

Een fonds onderbouwt hoe zal worden omgegaan met de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, alsmede de berekeningen daarbij en de overwegingen daartoe. Indien een fonds zal overgaan tot een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet dan wel artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling betreft dit in ieder geval:

3.

Een fonds neemt een analyse op ten aanzien van:

4.

Een fonds moet kunnen aantonen dat de datakwaliteit voor, tijdens en na de transitie geborgd is. Dit doet zij door het uitvoeren van een risicoanalyse als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Een fonds dat besluit tot een collectieve waardeoverdracht van de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten geeft tevens aan hoe zij de kwaliteit van de data zekerstelt voor, tijdens en na de transitie. Dat doet zij door:

5.

Op verzekeraars en premiepensioeninstellingen is het eerste lid, onderdelen a en b, het tweede lid, eerste zin, en het derde lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing. Daar waar de onderdelen in het implementatieplan overeenkomen met het reeds doorlopen productontwikkelingsproces kan daarnaar verwezen worden.

6.

De uitvoerder dient het implementatieplan, zonder het communicatieplan, in bij De Nederlandsche Bank en informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden over de indiening en over de inhoud van het implementatieplan waaronder de voorgenomen wijzigingen in de pensioenregeling, de gemaakte keuzes en het verdere proces. De verzekeraar of premiepensioeninstelling die gebruikt maakt van artikel 150i, vierde lid, onderdeel b, van de Pensioenwet, of artikel 145h, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden tijdig maar uiterlijk wanneer de gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling bekend is.

Artikel 47. Financieel overbruggingsplan
1.

Het overbruggingsplan, bedoeld in artikel 150p van de Pensioenwet dan wel artikel 145o van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval:

2.

Een fonds dat een overbruggingsplan indient en nog geen implementatieplan heeft ingediend, onderbouwt in het overbruggingsplan de verwachting dat het zal overgaan tot een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

Het overbruggingsplan is ten aanzien van het eerste lid, onderdelen b en c, gebaseerd op een deterministische analyse op basis van een dekkingsgraadsjabloon.

4.

Voor toeslagverlening in de looptijd van het overbruggingsplan geldt dat geen toeslag wordt verleend:

5.

De in het eerste lid, onderdeel c, genoemde maatregelen mogen er niet toe leiden dat het risico dat niet wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van het eigen vermogen doelbewust worden vergroot. In afwijking hiervan kan een fonds eenmalig, na dit in het implementatieplan te hebben onderbouwd, het strategisch beleggingsbeleid aanpassen mits dit past bij de risicohoudingen per cohort die voor het implementatieplan zijn vastgesteld. Als het fonds besluit niet over te gaan tot collectieve waardeoverdracht, dan brengt het fonds het risico van het strategische beleggingsbeleid zo snel mogelijk terug naar het eerdere niveau.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Artikel 48. Vaststelling hoogte boete
1.

De toezichthouder stelt een bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het basisbedrag, bedoeld in artikel 179, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

3.

De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

Artikel 49. Recidive

De door de toezichthouder met toepassing van artikel 48 vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.

Artikel 50. Draagkracht
1.

De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.

2.

De toezichthouder kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.

Artikel 51. Schade voor derden bij pensioenuitvoerders
1.

De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden.

2.

De toezichthouder kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 48, 49 en 50 verlagen met maximaal 75 procent.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Artikel 52. Overgangsrecht in verband met artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
1.

Ten aanzien van de in artikel 18, derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.

Artikel 53. Overgangsrecht overdrachtsdatum

De definitie van overdrachtsdatum, bedoeld in artikel 1, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 2 december 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht (Stb. 469) blijft van toepassing indien de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, voor dat tijdstip aan de deelnemer heeft verstrekt.

Artikel 54. Overgangsrecht opdrachtaanvaarding

Artikel 28d is van toepassing vanaf de opdrachtaanvaarding die betrekking heeft op de overgang op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet dan wel een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel 1a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, blijft van toepassing op een eerdere opdrachtaanvaarding.

Artikel 55. Overgangsrecht nettopensioen

Artikel 41, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege aanpassing van de regeling voor nettopensioen (Stb. 2023, 220), blijft van toepassing tot het tijdstip dat het fonds overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel gewijzigde beroepspensioenregeling, bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet dan wel artikel 214g, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, maar uiterlijk tot 1 januari 2027.

Artikel 56. Overgangsrecht Wet waardeoverdracht klein pensioen

De overdragende uitvoerder die gebruikmaakt van het recht op waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak, bedoeld in artikel 70a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor de aanspraken van aanspraakgerechtigden van wie de verwerving is beëindigd, anders dan door individuele beëindiging van de dienstbetrekking dan wel individuele beëindiging van de deelneming, tussen 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022, doet in afwijking van artikel 17e, eerste lid, binnen een jaar vanaf 1 januari 2023, bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft, tenzij de uitvoerder aantoont dat aan uitvraag binnen deze termijn redelijkerwijs niet kan worden voldaan.

Artikel 57. Overgangsrecht in verband met de Wet toekomst pensioenen

Het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit toekomst pensioenen blijft van toepassing tot het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling, maar uiterlijk tot 1 januari 2027. In afwijking van de vorige zin zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A, D, E, F, G, L, M, O, P, Q, X, HH, II, JJ, KK, LL, MM en NN van het Besluit toekomst pensioenen van toepassing:

Artikel 58. Wijziging Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.

Artikel 59. Wijziging Besluit bestuursorganen WNo en Wob

Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.

Artikel 60. Wijziging Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 61. Wijziging bijlage Wet toezicht accountantsorganisaties

Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties.

Artikel 62. Wijziging Besluit op de huurtoeslag

Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag.

Artikel 63. Inwerkingtreding
1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 10 en artikel 15.

2.

De artikelen 2 tot en met 10 treden in werking met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 64. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Veroordelingen

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Veroordelingen

1. Strafrechtelijke antecedenten

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Wet op de economische delicten:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

Wetboek van Strafrecht:

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

1. Strafrechtelijke antecedenten

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

2.1. Veroordelingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 52a. Overgangsrecht in verband met artikel 35a

Artikel 35a is niet van toepassing op benoemingen tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een fonds voor 1 juli 2014.

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

1. Strafrechtelijke antecedenten

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Wetboek van Strafrecht:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Opiumwet:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties met de Officier van Justitie

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1a. Nadere regels arbeidsongeschiktheidspensioen
1.

Voor zover een aanvulling op een vervolguitkering of een loonaanvullingsuitkering geen arbeidsongeschiktheidspensioen is als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt deze aanvulling als arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van een van die artikelen aangemerkt indien:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aanvullingen op een vervolguitkering of op een loonaanvullingsuitkering, indien het verzoek tot algemeen verbindend verklaring is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 15 juli 2008 houdende enige wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten.

Hoofdstuk 2. Informatie

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Hoofdstuk 4b. Interne klachtenprocedure

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 51a. Indeling naar categorie
1.

Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet is als volgt beboetbaar:

Pensioenwet Boetecategorie
10a 2
10b 2
10c 2
10d 2
10e 2
17 2
21, eerste lid 2
21, tweede lid, tweede volzin 2
23 2
25 1
26 1
28 1
29, eerste lid 2
29, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid 2
34, eerste lid 2
35 2
36, eerste lid 2
38 tot en met 48 2
48a 2
48b 2
48c 2
49 2
50, tweede en vierde lid 1
51, eerste, tweede, vierde en vijfde lid 2
51a 2
52 2
52a 2
52b 2
58 2
60 2
61 2
61a 2
62 2
63 1
63b 2
66, vierde tot en met zesde, achtste en tiende lid 2
67, tweede lid 2
68, tweede lid 2
69, vierde, vijfde en zevende lid 2
70a, derde, vierde, vijfde en zevende lid 2
71, eerste tot en met vijfde en zevende lid 2
74, tweede en derde lid 2
76, eerste tot en met vierde en zevende lid 2
83, tweede en vierde lid 2
84, tweede en vierde lid 2
85, eerste lid 2
86, eerste en tweede lid 2
87 2
91 1
94, tweede lid 1
96 1
99 1
100 1
101 1
101a 1
102 1
102a 1
103 1
104 1
105 2
106 1
106a 1
107 1
111 1
112 1
112a 1
112b 2
113 1
115 1
115a 2
115b 1
115c 2
115e 1
115f 1
115g 1
115h 1
116 2
117 2
120, eerste en tweede lid 2
125 2
129 1
134 1
135, eerste lid 2
135, vierde lid 1
136 1
137 1
138 2
139 2
140 2
143 2
145 2
146 1
147, eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid 2
150 1
150a, eerste en vijfde lid 2
150g, tweede lid 2
150i 2
150j 2
150k 2
150l, derde en vierde lid 2
150m, tweede tot en met achtste en tiende lid 2
150p, derde tot en met zesde lid 2
150q, tweede en vierde lid 2
167 1
169 1
170, eerste tot en met vierde lid 1
171, eerste lid 2
172, vijfde lid 1
194 1
197 1
199 1
203, derde en vierde lid 2
204 2
2.

Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is als volgt beboetbaar:

Wet verplichte beroepspensioenregeling Boetecategorie
8 2
21 2
22 1
23 2
25 2
26 1
28a 2
28b 2
28c 2
28d 2
28e 2
35 1
36 1
38 1
39, eerste lid 2
39, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid 2
43 2
44 2
46 2
47 2
48, eerste en tweede lid 2
49 tot en met 59 2
59a 2
59b 2
59c 2
60 2
61, tweede en vierde lid 1
62, eerste, tweede, vierde en vijfde lid 2
62a 2
63 2
63a 2
63b 2
69 2
72 2
73 2
74 2
75 1
75b 2
78, vierde tot en met zesde, achtste en tiende lid 2
79, tweede lid 2
80, tweede lid 2
80a, vierde, vijfde en achtste lid 2
81a, derde, vierde, vijfde en zevende lid 2
82, eerste tot en met vijfde lid 2
85, tweede en derde lid 2
91, tweede lid 2
92, tweede lid 2
93, eerste lid 2
94, eerste en tweede lid 2
95 2
99 1
102, tweede lid 1
104 1
105 1
106 1
107 1
107a 2
108 1
109a 1
110 1
110a 1
110b 2
110c 1
110d 1
110e 2
110f 1
110g 1
110h 1
113 1
114 2
115 2
118 2
124 1
129 1
130, eerste lid 2
130, vierde lid 1
131 1
132 1
133 2
134 2
135, eerste tot en met derde lid 2
138 2
140 2
141 1
142, eerste, tweede, derde en vijfde lid 2
145 1
145f, tweede lid 2
145h 2
145i 2
145j 2
145k, derde en vierde lid 2
145l, tweede tot en met zevende en tiende lid 2
145o, derde tot en met zesde lid 2
145p, tweede en vierde lid 2
162 1
164 1
165, eerste tot en met vierde lid 1
166, eerste lid 2
167, vijfde lid 1
191 1
193 1
197, derde lid 2
198 2
3.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van de Algemene wet bestuursrecht is als volgt beboetbaar:

Algemene wet bestuursrecht Boetecategorie
5:20, eerste lid 2
4.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit is als volgt beboetbaar:

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Boetecategorie
1c 2
1e 2
1d 2
1f 2
1g 1
1h 2
2 2
5a 2
5c 2
6 2
7 2
7a 2
8 2
9 2
9a 2
9b 2
9c, derde lid 2
9f 2
10 2
10ba 2
10bb 2
14a 1
14b 1
14c 1
14d 1
14g 2
14h 2
14i 2
14j 2
14o 2
14r 1
14s 1
14t 2
14u 2
14v 2
15 2
16 2
25 2
26 2
27 2
28 2
28d 1
46 2
46a 2
46c 2
46d 2
46e 2
5.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is als volgt beboetbaar:

Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen Boetecategorie
12 1
13 2
13a 1
14 1
15 2
16 2
29 2
31 2
33 2
6.

Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit experiment pensioenregeling zelfstandigen is als volgt beboetbaar:

Besluit experiment pensioenregeling zelfstandigen Boetecategorie
3 2
9, vijfde en zesde lid 2

Hoofdstuk 4b. Interne klachtenprocedure

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 23a. Opschorting plicht tot waardeoverdracht
1.

De vaststelling door fondsen of de plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege de in artikel 72, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, vindt plaats per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de beleidsdekkingsgraad op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand.

2.

Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie na de datum waarop de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt, verhindert de opschorting de verdere afhandeling van deze waardeoverdracht niet.

3.

Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer die een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 schriftelijk over de opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan.

4.

De plicht tot waardeoverdracht herleeft zodra de ontvangende en de overdragende uitvoerder niet langer in de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie verkeren. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

5.

Als de plicht tot waardeoverdracht na een periode van opschorting vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie herleeft, geldt het volgende:

6.

Indien in de in het tweede lid beschreven situatie de deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 12 november 2009 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regeling voor waardeoverdracht en de kostenregeling (Stb. 2009, 598), een verzoek tot waardeoverdracht als bedoeld in artikel 21 heeft gedaan dat niet is afgehandeld vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, stelt de ontvangende uitvoerder de deelnemer in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken.

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 4c. Geschilleninstantie

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 35a. Tijdsbeslag bestuurders en toezichthouders
1.

Tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een fonds kunnen in ieder geval niet worden benoemd personen die door deze benoeming meer dan 1 voltijd equivalent aan werkzaamheden als bestuurder of in een toezichthoudend orgaan zouden verrichten.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij rechtspersonen een functie als:

3.

Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij grote fondsen een functie als:

4.

Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij kleine fondsen een functie als:

5.

Voor de toepassing van dit artikel:

6.

De nietigheid van de benoeming op grond van de vorige leden heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming waaraan is deelgenomen.

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Hoofdstuk 4b. Interne klachtenprocedure

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 19a. Tijdelijke regeling aanvullende bijdragen bij aanvang verwerving voor 2015
1.

De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en voldaan is aan de volgende voorwaarden:

2.

Een kleine werkgever als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarin de in het derde lid bedoelde situatie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv, is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar.

3.

Indien de overdragende pensioenuitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18 of de ontvangende pensioenuitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, stelt hij de betreffende werkgever in de gelegenheid om binnen een maand na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan te tonen dat de werkgever een kleine werkgever is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Tevens wordt de betreffende werkgever gevraagd of hij, indien hij een kleine werkgever is, bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende pensioenuitvoerder informeert de ontvangende pensioenuitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen.

4.

Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aantoont een kleine werkgever te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangenomen dat hij geen kleine werkgever is.

5.

Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende pensioenuitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.

6.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen.

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 5a. Variabele uitkeringen

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 4c. Geschilleninstantie

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Wet op de economische delicten:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Artikel 35b. Verklaring geen bezwaar bij omzetting fonds
1.

De Nederlandsche Bank verleent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 114 van de Pensioenwet en artikel 113a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

Bij de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstrekt:

Hoofdstuk 9. Kostenregeling

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

5.1. Persoonlijk

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 28a. Voorzitter omgekeerd gemengd bestuur
1.

De voorzitter van een omgekeerd gemengd bestuur als bedoeld in artikel 99 van de Pensioenwet bepaalt de agenda van de overleggen van het bestuur en het niet uitvoerend deel van het bestuur.

2.

De voorzitter van een omgekeerd gemengd bestuur ziet toe op een goede samenstelling en het functioneren van het bestuur en is namens het bestuur eerste aanspreekpunt voor het verantwoordingsorgaan over het functioneren van het bestuur.

Artikel 28b. Auditcommissie omgekeerd gemengd bestuur
1.

De niet uitvoerende bestuurders bij een omgekeerd gemengd bestuur als bedoeld in artikel 99 van de Pensioenwet stellen een auditcommissie bedrijfseconomische aspecten en risicobeheer in. Deze auditcommissie is in ieder geval belast met toezicht op:

2.

De Nederlandsche Bank kan ontheffing verlenen van het eerste lid indien op andere wijze wordt voorzien in adequaat toezicht op het in het vorige lid genoemde.

Artikel 28c. Raad van toezicht
1.

De raad van toezicht van een fonds kan de bestuurders van het fonds schorsen of ontslaan wegens disfunctioneren.

2.

Van disfunctioneren als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake indien het bestuur een besluit heeft genomen zonder de op grond van artikel 104, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 110a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling benodigde goedkeuring van de raad van toezicht en het bestuur niet aannemelijk maakt dat dit nodig was in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden dan wel voortvloeit uit een aanwijzing van de toezichthouder, een last onder dwangsom of rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift.

3.

Het bestuur van een fonds legt de benoeming van een kandidaat bestuurder voor aan de raad van toezicht. De raad van toezicht kan de benoeming van deze kandidaat bestuurder beletten indien deze niet voldoet aan de profielschets.

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

Wegenverkeerswet 1994:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Veroordelingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 10a. Informatie over uitvoeringskosten in bestuursverslag
1.

De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het pensioenbeheer. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor:

2.

De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het beheer van het belegde vermogen, met uitzondering van de transactiekosten. Onder de kosten van vermogensbeheer wordt onder meer begrepen de kosten voor:

3.

De transactiekosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor de transacties in vermogenstitels. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor:

4.

Kosten die niet kunnen worden toebedeeld aan een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden over de categorieën, bedoeld in het eerste en tweede lid, verdeeld.

Artikel 10b. Weergave uitvoeringskosten in bestuursverslag
1.

De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaalbedrag en als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde.

2.

De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaal bedrag en als percentage van het in het verslagjaar gemiddeld belegde vermogen.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 4d. Risicohouding

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Veroordelingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 17a. Vaste daling of toepassing projectierendement
1.

Bij toepassing van een periodieke vaste daling van de uitkering als bedoeld in artikel 63a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt de uitkeringshoogte vastgesteld door te rekenen met een periodieke vaste daling van de uitkering die niet meer bedraagt dan 35% van het verschil tussen de risicovrije rente en de parameter voor aandelenrendement en niet meer dan consistent is met de risicohouding en het beleggingsbeleid. De waarde van de met de risicovrije rente contant gemaakte kasstromen is gelijk aan het pensioenkapitaal op pensioendatum.

2.

Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de periodieke vaste daling als bedoeld in het eerste lid kan de risicovrije rentecurve worden omgerekend tot één rentepercentage door middel van een duratie benadering.

3.

De uitvoerder legt vast of en zo ja op welke wijze een periodieke vaste daling wordt toegepast.

4.

Het projectierendement, bedoeld in artikel 63a, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kan na de ingangsdatum van het pensioen wijzigen indien dit het gevolg is van wijziging van de parameter voor aandelenrendement, de risicovrije rente, de prijsinflatie of de risicohouding.

Artikel 19b. Tijdelijke regeling aanvullende bijdragen bij aanvang verwerving vanaf 2015
1.

De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en de aanvullende bijdrage meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde.

2.

Indien de overdragende uitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, of de ontvangende uitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, wordt de betreffende werkgever gevraagd binnen een maand na ontvangst van het verzoek aan te geven of hij bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende uitvoerder informeert de ontvangende uitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen.

3.

Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aangeeft bereid te zijn de aanvullende bijdragen te betalen, wordt aangenomen dat hij hiertoe niet bereid is.

4.

Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.

5.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling vanaf 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen.

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Hoofdstuk 4d. Risicohouding

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7a. Verstrekken informatie voorafgaand aan of bij pensioeningang
1.

De uitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde wordt voorafgaand aan of bij de pensioeningang in ieder geval informatie over:

2.

Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca verstrekt de uitvoerder degene die pensioengerechtigde wordt voorafgaand aan of bij de pensioeningang informatie. Hierbij geldt het volgende:

Artikel 9a. Algemene eisen uniform pensioenoverzicht
1.

De titel van het uniform pensioenoverzicht bevat het woord «pensioenoverzicht».

3.

Op het uniform pensioenoverzicht wordt elke wezenlijke wijziging ten opzichte van het uniform pensioenoverzicht van het voorgaande jaar duidelijk aangegeven.

Artikel 9b. Beschikbare informatie
1.

De verdere informatie over de pensioenregeling, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft in ieder geval informatie over:

3.

De informatie over uitvoeringskosten die op de website wordt geplaatst betreft:

5.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 9c. Het uniform pensioenoverzicht
1.

Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de modellen voor het uniform pensioenoverzicht vast.

2.

De modellen voor het uniform pensioenoverzicht worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars.

3.

Een uitvoerder verstrekt een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan een ieder die in de gehele of in een deel van de voor het uniform pensioenoverzicht relevante periode deelnemer bij die pensioenuitvoerder was.

4.

In afwijking van het derde lid kan de pensioenuitvoerder afzien van verstrekking van een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan degene die op het eind van de, voor dit pensioenoverzicht, relevante periode geen deelnemer bij de pensioenuitvoerder meer is, indien:

Artikel 9d. Elektronische informatieverstrekking
1.

Voor de elektronische verstrekking van informatie door middel van een externe berichtenbox wordt MijnOverheid.nl gebruikt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de elektronische informatieverstrekking.

Artikel 9e. Pensioenregister
1.

Een vermindering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten wordt door de uitvoerders binnen vier maanden verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt.

2.

Een andere wijziging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten dan bedoeld in het eerste lid wordt door de uitvoerders binnen vier maanden nadat de wijziging in de administratie van de uitvoerders is doorgevoerd verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt.

3.

Het pensioenregister geeft in ieder geval inzicht in de hoogte van het te bereiken pensioen door:

4.

Met betrekking tot de keuzes ten aanzien van ouderdomspensioen worden in ieder geval de indicatieve gevolgen op het pensioeninkomen getoond van het vervroegen of uitstellen van de pensioeningangsdatum.

5.

Met betrekking tot belangrijke gebeurtenissen worden in ieder geval bij nabestaandenpensioen de gevolgen getoond van overlijden op het moment van de uitvraag, na beëindiging van de deelneming en na pensionering.

6.

Voor weergave van ouderdomspensioen in scenario’s wordt gebruik gemaakt van een navigatiemetafoor die op een herkenbare plek in het pensioenregister is weergegeven. Een navigatiemetafoor bevat ten minste drie pijlen en de volgende bedragen en teksten:

Artikel 9f. Gegevensverstrekking voor keuzebegeleiding
1.

Bij toepassing van artikel 51, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling verstrekt het pensioenregister ten behoeve van de keuzebegeleiding aan de aangewezen uitvoerder:

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens gegevens over een derde zijn, indien dat voor een adequate keuzebegeleiding nodig is en indien die derde daar toestemming voor heeft verleend.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Artikel 40a. Publicatie gegevens
1.

De gegevens van fondsen die door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 204, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 198, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, kunnen worden gepubliceerd, hebben betrekking op

2.

De publicatie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop aan het fonds het besluit tot publicatie bekend is gemaakt.

3.

Bij periodieke publicatie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aan het fonds, voorafgaand aan de eerste publicatie in dat jaar, het besluit tot publicatie bekend gemaakt, waarbij vermeld wordt op welke data de gegevens in dat jaar gepubliceerd zullen worden.

4.

Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de publicatie opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.

Hoofdstuk 5a. Variabele uitkeringen

Artikel 52b. Overgangsrecht artikel 5a, tweede lid

Wijzigt dit besluit.

Artikel 52c. Overgangsrecht artikel 4

Vervallen

Artikel 52d. Overgangsrecht reglementair te bereiken pensioenaanspraken

Vervallen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

Wetboek van Strafrecht:

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Veroordelingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.

1. Strafrechtelijke antecedenten

2.1. Veroordelingen

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 10c. Kostenregeling in uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement
1.

Bij de regeling over de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling die volgens de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement in mindering kunnen worden gebracht of kunnen worden verhaald op een afgescheiden vermogen van een algemeen pensioenfonds of ten laste kunnen worden gebracht van de premie, wordt onderscheid gemaakt tussen:

2.

Overige kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling en niet als kosten in de zin van een van de categorieën, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden toebedeeld worden volgens een vaste verdeelsleutel over de categorieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b verdeeld. Daarbij worden deze kosten nader gespecificeerd.

3.

De wijze waarop de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bepaald is volledig en duidelijk gespecificeerd.

Artikel 10d. Kwaliteit van de dienstverlening

In de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt een regeling opgenomen waaruit blijkt welke diensten worden uitgevoerd, onder welke voorwaarden dat gebeurt en waarbij in ieder geval afspraken worden opgenomen over indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening.

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Artikel 40b. Procedure vergunning
1.

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 112a, tweede lid, van de Pensioenwet. Deze aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door De Nederlandsche Bank beschikbaar gesteld formulier.

2.

De Nederlandsche Bank bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.

3.

De Nederlandsche Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag.

4.

De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid te adviseren over gedragstoezichtaspecten van de vergunningaanvraag.

5.

De gegevens, bedoeld in artikel 40c, worden in zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door De Nederlandsche Bank mogelijk is.

Artikel 40c. Gegevens bij aanvraag vergunning
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 112a, derde lid, van de Pensioenwet zijn:

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:

3.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn:

4.

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bevat ten minste:

Artikel 40d. Intrekken of wijzigen vergunning
1.

De Nederlandsche Bank kan een verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:

2.

De Nederlandsche Bank kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat het algemeen pensioenfonds binnen een door De Nederlandsche Bank te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door De Nederlandsche Bank, wordt het algemeen pensioenfonds of de curator in faillissement van het algemeen pensioenfonds aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.

Artikel 40e. Weerstandsvermogen
1.

Het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet bedraagt ten minste 0,2% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen met een minimum van € 500.000 en een maximum van € 20 miljoen.

2.

Voor de dekking van aansprakelijkheidsrisico’s wordt het weerstandsvermogen, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met 0,1% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen, tenzij het algemeen pensioenfonds een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening heeft die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste 0,75% van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het weerstandsvermogen meer dan het resultaat van de berekeningswijze overeenkomstig dit artikel, indien de risicoanalyse van het algemeen pensioenfonds daartoe aanleiding geeft.

4.

Het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds wordt gevormd door de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 8 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

5.

Het algemeen pensioenfonds toetst ten minste een keer per jaar of de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog in overeenstemming is met de eisen, bedoeld in het tweede lid, dan wel vaker wanneer sprake is van een wijziging van omstandigheden die hierop van invloed zijn.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Opiumwet:

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

1. Strafrechtelijke antecedenten

Wetboek van Strafrecht:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.1. Veroordelingen

Opiumwet:

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties met de Officier van Justitie

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7b. Jaarlijkse informatieverstrekking aan pensioengerechtigden
1.

De opgave van zijn pensioenrecht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 55, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling heeft bij een variabele uitkering betrekking op:

2.

Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca geldt het volgende:

Artikel 7c. Informatieverstrekking over uitkeringen
1.

Bij de informatie die wordt verstrekt over een variabele uitkering, bedoeld in de artikelen 44a, eerste lid, of 63b, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a, eerste lid, of 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, geldt het volgende:

2.

De uitvoerder die een spreidingsperiode hanteert van meer dan vijf jaar neemt in de informatie die wordt verstrekt over een variabele uitkering, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, of artikel 63b, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 55a, eerste lid, of artikel 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de volgende tekst op:

De ontwikkeling van uw pensioen hangt onder meer af van economische omstandigheden. Uw pensioen kan hierdoor omhoog of omlaag gaan. Wij spreiden financiële meevallers en tegenvallers over jaar om grote schokken in de hoogte van uw pensioen te voorkomen. Bij langdurige tegenvallers en bij een spreidingsperiode van meer dan vijf jaar kan uw pensioen na verloop van tijd flink lager uitvallen.

3.

De uitvoerder die geen vastgestelde uitkeringen uitvoert, geeft bij de opgave van de hoogte van de vastgestelde uitkeringen, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 55a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, aan dat een vastgestelde uitkering naar verwachting lager is dan een variabele uitkering maar met minder of geen kans op afwijking.

Artikel 7d. Standaardmodellen
1.

Bij de informatieverstrekking, bedoeld in de artikelen 44a en 63b van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a en 75b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruikt gemaakt van standaardmodellen.

2.

Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de standaardmodellen vast. De modellen worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars.

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Artikel 14a. Eisen ten aanzien van beleggingen
1.

Bij uitvoering van een premieovereenkomst of premieregeling in de opbouwfase of een variabele uitkering is artikel 13, eerste lid, en derde tot en met achtste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen.

2.

De waarden worden door de uitvoerder belegd op een wijze die past bij de aard en duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.

3.

Indien de deelnemer of gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, neemt de uitvoerder het eerste en tweede lid in acht bij het advies, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 14b. Beleggingsbeleid
1.

Fondsen stellen voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het fonds. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen stellen voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat past bij de doelstellingen van de pensioenregeling of beroepspensioenregeling en de voor de toedelingskring vastgelegde risicohouding. Het strategisch beleggingsbeleid is gebaseerd op gedegen onderzoek.

2.

Artikel 13a, tweede tot en met vijfde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen.

3.

De uitvoerder die werkt met beleggingsprofielen geeft binnen het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan invulling aan die beleggingsprofielen en onderbouwt voor ieder profiel dat het past binnen de prudent person regel.

Artikel 14c. Verantwoordelijkheid beleggingen deelnemer
1.

Indien de deelnemer of gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen stelt de uitvoerder op basis van de informatie, bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer vast en baseert het advies, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, op dit risicoprofiel.

2.

Het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar, indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft en als de deelnemer of gewezen deelnemer om toetsing vraagt. Indien het nieuwe risicoprofiel daartoe aanleiding geeft adviseert de uitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer over een ander passend beleggingsprofiel.

3.

De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de voorwaarden die aan de beschikbare beleggingsmogelijkheden zijn verbonden.

Artikel 14d. Verantwoordelijkheid beleggingen uitvoerder
1.

De uitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen baseert het strategisch beleggingsbeleid op de risicohouding en toetst jaarlijks op basis van een scenarioanalyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels passend zijn bij de vastgestelde risicohouding en past het beleggingsbeleid aan indien dat niet het geval is.

2.

Het beleggingsbeleid in de opbouwfase van een flexibele premieovereenkomst of premie-uitkeringsovereenkomst dan wel een flexibele premieregeling of premie-uitkeringsregeling wordt door de uitvoerder gebaseerd op een vastgestelde of een variabele uitkering, naar gelang welke uitkeringsvorm in de pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling als standaard is opgenomen. Indien geen standaard uitkeringsvorm is opgenomen wordt het beleggingsbeleid gebaseerd op een vastgestelde uitkering.

3.

Zo nodig in afwijking van het tweede lid wordt de uitvoering van het beleggingsbeleid afgestemd op de uitkeringsvorm waarvan is gebleken dat de deelnemer of gewezen deelnemer daarvoor een voorkeur heeft. De uitvoerder vraagt de deelnemer of gewezen deelnemer naar diens voorkeur voor een vastgestelde of variabele uitkering, zodra dit voor de beleggingen relevant is. De uitvoerder verstrekt daarbij de voor de deelnemer of gewezen deelnemer relevante informatie over de gevolgen en risico’s.

4.

Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid in de uitkeringsfase vergroot de uitvoerder het beleggingsrisico niet tenzij sprake is van een wijziging van de risicohouding of een gewijzigd risicoprofiel dat aanleiding is voor een wijziging van het beleggingsprofiel.

5.

Het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar en indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft.

Artikel 14e. Inwinnen van informatie door pensioenuitvoerder
1.

De informatie, bedoeld in de artikelen 52, zesde lid, en 52a, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 63, zesde lid, en 63a, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling stelt de uitvoerder in staat om vast te kunnen stellen dat het advies of het beleggingsprofiel:

2.

De uitvoerder legt vast op welke wijze wordt vastgesteld of het advies of het beleggingsprofiel past bij het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde.

Hoofdstuk 4a. Beleggingen en zorgplicht

Artikel 17b. Risicovrije rente, parameter aandelenrendement en prijsinflatie
3.

De prijsinflatie, bedoeld in artikel 17a, vierde lid, is gebaseerd op zoveel mogelijk objectieve marktinformatie.

Artikel 17c. Collectief toedelingsmechanisme

Vervallen

Artikel 17d. Parameter aandelenrendement

Vervallen

Artikel 17a. Overgangsrecht termijn verzoek opgave pensioenaanspraken
1.

De deelnemer wiens verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen, vraagt een opgave als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling binnen zes maanden na aanvang van de verwerving.

2.

Indien op grond van artikel 74, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 85, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de plichten van de overdragende en de ontvangende uitvoerder, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, herleven, wordt de in het eerste lid omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen verlengd tot zes maanden na die herleving.

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 9a. Pensioenbewaarder

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wet op de economische delicten:

Wet wapens en munitie:

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

2.2. Strafbeschikkingen

2.4. Andere relevante feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.

3. Financiële antecedenten

2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.1. Persoonlijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

3.1. Persoonlijk

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 17e. Waardeoverdracht nieuw klein pensioen
1.

De overdragende uitvoerder die gebruikmaakt van het recht op waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak, bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vraagt binnen een jaar nadat de deelneming van de deelnemer is beëindigd bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft, tenzij de uitvoerder aantoont dat aan uitvraag binnen deze termijn redelijkerwijs niet kan worden voldaan.

2.

De overdragende uitvoerder herhaalt het verzoek om een opgave ten minste jaarlijks zolang de waardeoverdracht van de kleine pensioenaanspraak niet heeft plaatsgevonden. De uitvoerder registreert de verzoeken en registreert of deze tot een waardeoverdracht hebben geleid.

3.

Het pensioenregister meldt de overdragende uitvoerder zo spoedig mogelijk of, en zo ja bij welke uitvoerder, de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft en wat zijn klantherkenningsnummer bij deze uitvoerder is.

4.

De overdragende uitvoerder betaalt binnen tien werkdagen na de melding dat de aanspraakgerechtigde bij een uitvoerder pensioenaanspraken verwerft, de overdrachtswaarde aan de ontvangende uitvoerder. De overdragende uitvoerder verstrekt daarbij het klantherkenningsnummer en de geboortedatum van de aanspraakgerechtigde en andere relevante gegevens aan de ontvangende uitvoerder.

5.

De ontvangende uitvoerder wendt de overdrachtswaarde binnen een maand aan voor pensioenaanspraken en informeert de deelnemer daarna binnen tien werkdagen over de waardeoverdracht en de verworven pensioenaanspraken.

6.

De artikelen 25 tot en met 28 zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak met dien verstande dat als overdrachtsdatum wordt aangemerkt de datum waarop de overdragende uitvoerder de overdrachtswaarde aan de ontvangende uitvoerder betaalt.

7.

De overdragende uitvoerder verstrekt de aanspraakgerechtigde op verzoek binnen twee weken een opgave van de berekening van de overdrachtswaarde.

Artikel 7e. Rekenregels
2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de rekenmethodiek.

Artikel 10ba. Informatieverstrekking voorafgaand aan waardeoverdracht pensioendatum
1.

De verzekeraar die bereid is op te treden als ontvangend uitvoerder verstrekt een betrokkene die het uit een flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling of een premie-uitkeringsovereenkomst dan wel premie-uitkeringsregeling voortvloeiende kapitaal op de pensioendatum wenst aan te wenden voor een pensioenuitkering, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een pensioenuitkering ten minste de volgende informatie:

2.

De verzekeraar verstrekt de informatie in de Nederlandse taal of in elke andere taal die door partijen is overeengekomen.

3.

De verzekeraar verstrekt de informatie schriftelijk en kosteloos. De verzekeraar kan na toestemming van de betrokkene, de informatie elektronisch verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de betrokkene zaken doet. De elektronische verstrekking van informatie door de verzekeraar past in de context waarin de verzekeraar met de betrokkene zaken doet, indien is bewezen dat de betrokkene regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de betrokkene een e-mailadres opgeeft geldt in ieder geval als bewijs hiervan.

4.

Indien de informatie elektronisch wordt verstrekt, krijgt de betrokkene op zijn verzoek kosteloos een papieren afschrift.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Wetboek van Strafrecht:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wegenverkeerswet 1994:

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.3. Transacties

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.4. Andere relevante feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 14.0a. Kennisgeving uitbesteding
1.

Een fonds stelt De Nederlandsche Bank tijdig in kennis van het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde. Indien de uitbesteding de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie, actuariële functie of het beheer van het pensioenfonds betreft, wordt De Nederlandsche Bank daarvan in kennis gesteld voordat de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed in werking treedt.

2.

Een fonds stelt de Nederlandsche Bank in kennis van belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden.

Artikel 14ba. Keuze overnemen verantwoordelijkheid beleggingen deelnemer

Bij het op grond van artikel 52, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling aan een deelnemer of gewezen deelnemer bieden van de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen informeert de pensioenuitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer dat, indien de deelnemer of gewezen deelnemer hier niet voor kiest of geen keuze kenbaar maakt, de pensioenuitvoerder verantwoordelijk blijft voor de beleggingen en daarbij handelt overeenkomstig artikel 135 van de Pensioenwet dan wel artikel 130 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 14da. Uitzondering op verplichting tot uitvraag voorkeur
1.

De verplichting om de voorkeur van een gewezen deelnemer voor een vaste of variabele uitkering uit te vragen, bedoeld in artikel 14d, derde lid, geldt niet indien op basis van de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan het op basis van artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde bedrag, en voldaan is aan het tweede, derde, vierde of vijfde lid.

2.

Indien de deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2018 geldt de verplichting niet, indien de uitvoerder op grond van artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling probeert over te gaan tot waardeoverdracht van de aanspraken van de gewezen deelnemer of dit tenminste vijf maal jaarlijks tevergeefs heeft geprobeerd.

3.

Indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2018 geldt de verplichting niet tot de start van de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 17f, tweede lid, indien de uitvoerder voornemens is voor de aanspraken van de gewezen deelnemer een opgave te vragen als bedoeld in artikel 17f, eerste lid, onderdeel a.

4.

Indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2018 geldt de verplichting niet vanaf de start van de uitvoering van het plan, indien waardeoverdracht van de aanspraken van de gewezen deelnemer is opgenomen in het plan.

5.

Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de verwerving van pensioen is geëindigd om andere redenen dan beëindiging van de deelneming.

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Artikel 17f. Waardeoverdracht bestaand klein pensioen
2.

De uitvoerders maken, in overleg met de Stichting Pensioenregister, een plan voor een gefaseerde uitvoering van de waardeoverdracht voor de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van het pensioenregister en de belangen van de overdragende en ontvangende uitvoerders. Op voordracht van de uitvoerders en de Stichting Pensioenregister, en na advies van de toezichthouders, stelt Onze Minister het plan vast. Het plan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

3.

De overdragende uitvoerder die de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft gevraagd, vraagt op het moment dat dit is opgenomen in het plan, bedoeld in het tweede lid, bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft. Artikel 17e, derde tot en met zevende lid, is van toepassing.

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Artikel 17g. Overgangsrecht termijn verzoek opgave pensioenaanspraken
1.

De deelnemer wiens verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen, vraagt een opgave als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling binnen zes maanden na aanvang van de verwerving.

2.

Indien op grond van artikel 74, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 85, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de plichten van de overdragende en de ontvangende uitvoerder, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, herleven, wordt de in het eerste lid omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen verlengd tot zes maanden na die herleving.

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Hoofdstuk 5a. Variabele uitkeringen

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Wet wapens en munitie:

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

3. Financiële antecedenten

4.1. Toezichtantecedenten

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

4.1. Toezichtantecedenten

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.1. Persoonlijk

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 5a. Informatie over pensioenaanspraken op het pensioenoverzicht
1.

De opgave van de verworven pensioenaanspraken die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 49, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt betreft, voor zover het de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen op grond van een premieovereenkomst dan wel premieregeling betreft, het voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal.

2.

De opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken op grond van een premieovereenkomst dan wel premieregeling die op grond van artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt betreft onder meer het voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum. Bij de indicatie worden de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven gehanteerd.

3.

De opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Pensioenwet dan wel artikel 49, eerste lid, onderdeel g, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt bevat onder meer een indicatie van het te bereiken voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal op de pensioendatum en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum. Bij de indicatie worden de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven gehanteerd.

4.

Bij de in het derde lid bedoelde informatie wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de wijze van financieren.

Artikel 5b. Informatie over reserves en premies op pensioenoverzicht
1.

De informatie over de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel e, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 49, eerste lid, onderdeel e, en 51, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op het effect van de reserve op de opgebouwde pensioenaanspraken.

2.

De informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel h, van de Pensioenwet wordt verstrekt en de informatie over de premie in rekening gebracht bij de beroepsgenoot die op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel h, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de premies die over het afgelopen jaar in rekening zijn gebracht.

Artikel 10.0a. Taal informatie

De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt is beschikbaar in de Nederlandse taal.

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

4. Toezichtantecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

3.2. Zakelijk

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1b. Intrekken samenlevingsverklaring

Indien een samenlevingsverklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, of derde lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 2a, tweede lid, of derde lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt ingetrokken, informeert de uitvoerder de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde, partner of gewezen partner die de samenlevingsverklaring heeft ondertekend hierover.

Hoofdstuk 1a. Pensioenregelingen

Artikel 1c. Solidaire premieovereenkomst of solidaire premieregeling
1.

De uitvoerder berekent met een scenario-analyse de kans dat met de premie de beoogde pensioendoelstelling wordt gehaald, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

De uitvoerder legt vast of bescherming voor het renterisico in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling gebeurt door middel van beschermingsrendement gekoppeld aan:

3.

Bij de keuze voor koppeling aan de rentetermijnstructuur:

4.

Bij de keuze voor koppeling aan een directe beschermingsportefeuille:

5.

Indien een uitvoerder bij koppeling aan een directe beschermingsportefeuille reële bescherming wil bieden door ook voor inflatie gerelateerde instrumenten te kiezen in de directe portefeuille, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

6.

De uitvoerder toetst jaarlijks of het derde of vierde lid de gewenste mate van bescherming tegen renterisico per leeftijdscohort biedt en neemt maatregelen als dat niet het geval is.

Artikel 1d. Herverdelingseffecten
1.

In de artikelen 10a, vijfde lid, 10b, vierde lid, en 63a, vierde lid, van de Pensioenwet, dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, 28b, vierde lid, en 75a, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is bepaald dat er op voorhand geen herverdelingseffecten plaatsvinden. Hieronder wordt verstaan dat het niet is toegestaan om het risico van een belegging toe te delen aan een deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde en de bijbehorende risicobeloning van deze belegging toe te delen aan een andere deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde. De toedeling van het risico en de bijbehorende risicobeloning is consistent met prijzen, zoals geobserveerd op financiële markten.

2.

Indien van toepassing onderbouwt de uitvoerder kwantitatief dat herverdelingseffecten plaatsvinden voor zover dat nodig is om gelijke aanpassingen van ingegane uitkeringen en van de opgebouwde aanspraak op nabestaandenpensioen van pensioengerechtigden te realiseren en daarbij alleen herverdelingseffecten optreden tussen pensioengerechtigden onderling als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 10b, vierde lid, van de Pensioenwet, dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 28b, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3.

Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca leidt een projectierendement lager dan een risicovrije rente op voorhand niet tot herverdelingseffecten.

Artikel 1e. Opheffing leenrestrictie
1.

Een uitvoerder die voor bepaalde leeftijdscohorten de leenrestrictie opheft en deze daarmee effectief blootstelt aan meer dan 100% beleggingsrisico, voor zover dit passend is bij de risicohouding van deze cohorten, onderbouwt waarom dit in het belang van de deelnemers is.

2.

Onder blootstelling aan meer dan 100% beleggingsrisico wordt verstaan: de effectieve blootstelling aan meer dan 100% zakelijke waardenrisico als bedoeld in artikel 13, achtste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Effectieve blootstelling houdt in dat wordt getoetst aan hoeveel beleggingsrisico’s deelnemers worden blootgesteld, inclusief toepassing van toedeelregels.

3.

De uitvoerder legt regels vast waarin wordt beschreven op welke wijze negatieve pensioenvermogens of kapitalen worden voorkomen waarbij verdeelregels worden vastgesteld voor de verschillende bronnen.

4.

Voor de onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, en de regels, bedoeld in het derde lid, maakt de uitvoerder gebruik van een stochastische ALM-analyse.

5.

De uitvoerder draagt er zorg voor dat de pensioenvermogens of kapitalen niet negatief zijn op 31 december van ieder jaar en bij beëindiging van de verwerving door de deelnemer op een ander tijdstip dan 31 december.

Artikel 1f. Flexibele premieovereenkomst of flexibele premieregeling
1.

De uitvoerder legt de toedelingskring vast en informeert de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde hierover voorafgaand aan zijn toetreding tot de toedelingskring.

2.

De uitvoerder legt de vormgeving van het toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico vast en onderbouwt dat daarbij op voorhand geen sprake is van herverdelingseffecten tussen leeftijdsgroepen.

3.

Bij een fonds gelden voor de omzetting van het kapitaal voortvloeiend uit de premies in een vastgestelde uitkering op de pensioendatum de volgende voorwaarden:

Artikel 1g. Premie-uitkeringsovereenkomst of premie-uitkeringsregeling

De verzekeraar of premiepensioeninstelling informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de mogelijkheid te kiezen voor een vastgestelde uitkering in ieder geval voorafgaand aan het moment dat de deelnemer of gewezen deelnemer voor het eerst deze keuze kan maken.

Artikel 1h. Solidariteitsreserve en risicodelingsreserve
1.

De uitvoerder heeft een solidariteitsreserve of, indien van toepassing, risicodelingsreserve voor iedere afzonderlijke pensioenregeling of kan, indien kruissubsidiëring tussen de pensioenregelingen niet kan voorkomen, een reserve hebben voor meerdere pensioenregelingen.

2.

De uitvoerder berekent voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve in het kader van de toetsing van evenwichtigheid de baten en lasten voor alle cohorten die worden onderscheiden voor de risicohouding en onderbouwt dat deze baten en lasten in lijn zijn met de doelstellingen van de reserve. Het inzichtelijk maken van deze kwantitatieve effecten wordt toegelicht, waarbij de baten en lasten voor de cohorten met en zonder de reserve worden vergeleken. Voor de kwantitatieve onderbouwing wordt gebruik gemaakt van een scenario-analyse of een stochastische ALM-analyse.

3.

De evenwichtigheid van afspraken rond de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve wordt door de uitvoerder beoordeeld en in de besluitvorming onderbouwd. Onder evenwichtigheid wordt onder meer verstaan dat bij de inrichting van de reserve op voorhand wordt voorkomen dat een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of lasten heeft van de reserve. Voor de kwantitatieve onderbouwing wordt gebruik gemaakt van een scenario-analyse of een stochastische ALM-analyse.

4.

De uitvoerder legt de regels voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve in beginsel vast voor een periode van minimaal vijf jaar. Bij bijzondere omstandigheden kan van deze minimale termijn afgeweken worden. De uitvoerder onderbouwt dat deze afwijking van de minimale termijn in het belang van alle deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden is.

5.

De uitvoerder past het tweede en derde lid toe bij vaststelling van de regels voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve, bij wijziging van de inrichting van de reserve of bij een wijziging van het beleid of het deelnemersbestand indien de wijziging relevant is voor de doelstellingen of regels voor het vullen van en uitdelen uit de reserve.

6.

Indien van toepassing legt de uitvoerder van tevoren vast bij welk inflatieniveau sprake is van afdekking van onverwachte inflatie via de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve. De uitvoerder onderbouwt dit inflatieniveau op basis van objectief te verifiëren informatie.

7.

De vaststelling of de omvang van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve blijft binnen de maximale omvang van 15% van het geheel voor pensioen gereserveerde vermogen inclusief de reserve, vindt plaats op 31 december van enig jaar.

8.

Als bij een risicodelingsreserve wordt ingelegd uit vermogen bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme voor de collectieve uitkeringsfase, bedraagt de inleg uit vermogen niet meer dan het verschil tussen het percentage dat op grond van het pensioenreglement het voorgaande jaar uit premie is ingelegd en 10%.

9.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de wijze waarop de berekeningen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden gemaakt en toegelicht.

Hoofdstuk 2. Informatie

Artikel 10bb. Informatieverstrekking over voortzetting dekking partnerpensioen
1.

De uitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer van wie de dekking voor nabestaandenpensioen is voortgezet op grond van artikel 55, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling informatie over het keuzerecht om in plaats van ouderdomspensioen te kiezen voor het voortzetten van het partnerpensioen op risicobasis als bedoeld in artikel 61a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 73a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

De informatie, bedoeld in het eerste lid, betreft in ieder geval:

3.

De uitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer die gebruik maakt van de mogelijkheid tot voortzetting jaarlijks de volgende informatie:

4.

Bij de informatie die wordt verstrekt wordt uitgegaan van de situatie op de dag van aanvang van de voortzetting van de dekking dan wel de dag waarop de voortzetting zou worden gecontinueerd.

Artikel 14f. Definitie klacht en geschil

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 14g. Beschrijving klachtenprocedure
1.

De uitvoerder stelt een algemene beschrijving van de klachtenprocedure beschikbaar aan de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.

2.

De uitvoerder stelt aan alle personen die binnen de organisatie betrokken zijn bij de afhandeling van klachten een beschrijving beschikbaar van de te volgen procedure voor de afhandeling van die klachten.

Artikel 14h. Klachtenadministratie
1.

De uitvoerder beschikt met het oog op een adequate behandeling van klachten over een behoorlijke administratie van klachten, waarin ten minste wordt vastgelegd:

2.

De uitvoerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende een periode van ten minste zeven jaren na het boekjaar waarin de klacht door haar is afgehandeld.

Artikel 14i. Doorverwijzing geschilleninstantie

De uitvoerder informeert de klager bij een gehele of een gedeeltelijke afwijzing van diens klacht over de uitvoering van het pensioenreglement over de mogelijkheid om dit geschil voor te leggen aan de op grond van artikel 48c van de Pensioenwet dan wel artikel 59c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling aangewezen geschilleninstantie waarbij zij is aangesloten, onder vermelding van de adresgegevens en de geldende termijnen. Daarbij wordt tevens vermeld dat een geschil ook direct bij een burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt.

Artikel 14j. Redelijke termijn
1.

De uitvoerder draagt er zorg voor dat klachten binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.

2.

De uitvoerder bevestigt de ontvangst van de klacht en bericht de klager binnen twee weken na ontvangst van de klacht binnen welke termijn de klacht zal worden afgehandeld.

3.

De klager kan vanaf tien weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, bedoeld in het tweede lid, of twaalf weken na het indienen van de klacht, de klacht die betrekking heeft op de uitvoering van het pensioenreglement rechtstreeks voorleggen aan de geschilleninstantie waarbij de uitvoerder is aangesloten.

4.

Indien de uitvoerder voor de afwikkeling van de klacht nadere informatie nodig heeft van de klager, verzoekt zij deze informatie van de klager en geeft een termijn voor de beantwoording. De termijnen, bedoeld in het derde lid, worden verlengd met de termijn voor beantwoording, of met de termijn waarin de verzochte informatie is ontvangen door de uitvoerder.

Artikel 14k. Waarborg

De uitvoerder voorziet in procedures en maatregelen die waarborgen dat klachten zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en binnen de gestelde termijnen worden afgehandeld.

Artikel 14l. Vereisten geschillenbeslechting
1.

De geschilleninstantie voldoet, in aanvulling op de uit de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten voortvloeiende vereisten, aan de volgende vereisten:

2.

Aan de aanwijzing van een geschilleninstantie kunnen door Onze Minister voorschriften worden verbonden.

Artikel 14m. Onafhankelijkheid bestuursleden
1.

De geschilleninstantie heeft een onafhankelijk en naar behoren samengesteld bestuur.

2.

De onafhankelijkheid van het bestuur vereist ten minste dat de leden vanaf de aanvaarding van hun functie en gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet werkzaam zijn of zijn geweest voor of enige functie bekleden of bekleed hebben bij een uitvoerder of een belangenvereniging voor uitvoerders.

3.

De bij de benoeming van bestuursleden te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd. De procedure wordt ter goedkeuring aan Onze Minister voorgelegd.

Artikel 14n. Onafhankelijkheid geschilbeslechters
1.

De geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de met buitengerechtelijke geschillenbeslechting belaste personen vanaf de aanvaarding van hun functie en gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet werkzaam zijn of zijn geweest voor of enige functie bekleden of bekleed hebben bij een uitvoerder of belangenvereniging voor uitvoerders.

2.

De bij de benoeming van een persoon, bedoeld in het eerste lid, te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd. De procedure behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 14o. Reglement
1.

De geschilleninstantie beschikt over en handelt in overeenstemming met een reglement voor de behandeling van geschillen dat ten minste omvat:

2.

De geschilleninstantie houdt het reglement, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar en verstrekt het kosteloos op verzoek aan iedere belanghebbende.

Artikel 14p. Instemming Minister

Het reglement, de samenstelling van het bestuur en de voorzitters van organen belast met buitengerechtelijke geschillenbeslechting behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Een geschilleninstantie kan voorgenomen wijzigingen in de samenstelling van het bestuur, de voorzitters van organen belast met buitengerechtelijke geschillenbeslechting of het reglement, bedoeld in artikel 14o, niet doorvoeren dan na instemming van Onze Minister.

Artikel 14q. Aansluiting uitvoerders

Een erkende geschilleninstantie stelt aan een uitvoerder die zich bij haar wil aansluiten niet als voorwaarde voor aansluiting dat de uitvoerder andere regels naleeft dan die welke betrekking hebben op het aanhangig maken van een geschil bij de geschilleninstantie of de verdere behandeling van een geschil door de geschilleninstantie.

Artikel 14r. Publicatie bindende adviezen

Een geschilleninstantie publiceert de bindende adviezen, bedoeld in artikel 14o, eerste lid, onderdeel l, en houdt deze elektronisch beschikbaar en algemeen toegankelijk.

Artikel 14s. Rapportage
1.

Een geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister jaarlijks voor 1 juli een opgave van de in het afgelopen kalenderjaar bij de geschilleninstantie aangesloten uitvoerders.

2.

Een geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens en inlichtingen die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van diens in dit hoofdstuk omschreven taken.

3.

Een geschilleninstantie verstrekt de toezichthouders de gegevens en inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

4.

Een geschilleninstantie stelt jaarlijks een begroting op en zendt deze voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister.

5.

Een geschilleninstantie stelt jaarlijks een bestuursverslag en een jaarrekening op. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de geschilleninstantie aangewezen accountant.

6.

Een geschilleninstantie zendt de jaarrekening voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.

Artikel 14t. Risicohouding
1.

De uitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen legt de risicohouding vast waarop het beleggingsbeleid of de toedelingsregels zijn gebaseerd. De risicohouding wordt per leeftijdscohort vastgelegd.

2.

Een fonds stelt de risicohouding vast na overleg met de organen van het fonds. Een verzekeraar of premiepensioeninstelling streeft ernaar van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over hun doelstellingen en risicohouding.

3.

Het vaststellen van de risicohouding wordt gebaseerd op in ieder geval de uitkomsten van het risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De uitvoerder onderbouwt hoe en in welke mate deze elementen hebben bijgedragen aan de risicohouding.

4.

Bij het vaststellen van de risicohouding en het beleggingsbeleid voor deelnemers of gewezen deelnemers wordt voor ieder leeftijdscohort rekening gehouden met de duur van de periode tot aan de pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert.

5.

Een leeftijdscohort heeft een maximale omvang van vijf geboortejaren. In afwijking hiervan kan een leeftijdscohort betrekking hebben op een groter aantal geboortejaren indien de uitvoerder op basis van het risicopreferentie-onderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten onderbouwt dat dit in het belang is van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden.

6.

De vaststelling en toetsing van de risicohouding vindt plaats in vier fasen:

Artikel 14u. Maatstaven risicohouding
1.

De vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort wordt vertaald naar de volgende maatstaven waarvoor gebruik wordt gemaakt van een scenario-analyse:

2.

Voor zover fondsen een beëindigde uitkeringsovereenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet dan wel een beëindigde uitkeringsregeling, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die artikelen luidden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, of vastgestelde uitkeringen uitvoeren voldoet de risicohouding aan de prudent person regel en komt deze voor de lange termijn tot uitdrukking in de door het fonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets en voor de korte termijn in de hoogte van het vereist eigen vermogen of een bandbreedte hiervoor.

3.

Onze Minister stelt regels voor de vaststelling van de maatstaven.

Artikel 14v. Risicopreferentie-onderzoek
1.

Het risicopreferentie-onderzoek onderzoekt de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Hierbij zal tenminste de mate van relatieve risicoaversie van deze groep worden afgeleid uit het onderzoek. Bij de vaststelling van de uitvraag voor het risicopreferentie-onderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van de groep, op basis van onder meer deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De uitkomsten van het onderzoek zijn bruikbaar voor het vaststellen van de risicohouding op cohortniveau.

2.

Het risicopreferentie-onderzoek sluit aan bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en geeft in de uitvraag een realistisch beeld van de hoogte van de te verwachte pensioenuitkering en de te verwachten zekerheid van de pensioenuitkering. Hiervoor wordt een realistische inschatting van de hoogte van de pensioenpremie gebruikt.

3.

De inrichting van het risicopreferentie-onderzoek is zodanig dat naar verwachting voor ieder cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden. De grootte van ieder cohort moet onderbouwd worden op grond van de uitkomsten van het onderzoek.

4.

De uitvoerder streeft ernaar dat de respons per cohort een adequate weerspiegeling is van de cohortpopulatie. De cohortpopulaties samen zijn een weerspiegeling van de deelnemerspopulatie. De uitvoerder onderbouwt dat sprake is van een adequate weerspiegeling en dat de vertaling van individuele uitkomsten naar cohortniveau zo representatief als mogelijk zijn.

5.

Het risicopreferentie-onderzoek levert een zo objectief mogelijk, controleerbaar, systematisch, reproduceerbaar en kwantitatief interpreteerbare uitkomst op.

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Hoofdstuk 6b. Opdrachtbevestiging

Artikel 28d. Opdrachtbevestiging
1.

Uiterlijk bij de opdrachtaanvaarding, bedoeld in artikel 102a, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 109a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en bij elke ingrijpende wijziging, informeert het fonds de vertegenwoordigers van werkgevers of werkgeversverenigingen, werknemers of werknemersverenigingen of beroepspensioenverenigingen die de pensioenregeling zijn overeengekomen ten minste en voor zover van toepassing over:

2.

Het fonds licht toe welke overwegingen aan de vormgeving van de pensioenregeling, waaronder de in het eerste lid genoemde onderdelen ten grondslag liggen. Gezien de samenhang tussen de verschillende onderdelen, beoordeelt het fonds de afwegingen bij de verschillende onderdelen ook in samenhang met elkaar. Hierbij wordt ten minste toegelicht:

3.

Het fonds informeert de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, aanhef, bij de opdrachtbevestiging over de consequenties van arbeidsvoorwaardelijke keuzes, waaronder ten minste de gevolgen voor:

4.

De toezichthouder kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de informatie wordt gegeven.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 9a. Pensioenbewaarder

Paragraaf 9b.1. Risico-neutrale scenario’s

Paragraaf 9b.1. Risico-neutrale scenario’s

Artikel 43a. Mijlpalen

Aan de mijlpalen, bedoeld in artikel 150c van de Pensioenwet dan wel artikel 145b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt uiterlijk voldaan op de volgende tijdstippen:

Paragraaf 9b.2

Artikel 44a. Hoorrecht

Een vereniging van gewezen deelnemers respectievelijk van pensioengerechtigden, vertegenwoordigt een substantieel gedeelte van de gewezen deelnemers respectievelijk van de pensioengerechtigden als bedoeld in artikel 150g van de Pensioenwet dan wel artikel 145f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 45a. Ondersteuning transitiecommissie
1.

De transitiecommissie wordt ondersteund door een secretariaat. Het secretariaat is ondergebracht bij de Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de Wet op de Sociaal-Economische Raad.

2.

De werkzaamheden en huisvesting van het secretariaat van de transitiecommissie worden, voor zover goedgekeurd, gefinancierd door Onze Minister. Hieronder worden in ieder geval verstaan:

Artikel 45b. Jaarverslag transitiecommissie
1.

De transitiecommissie maakt een jaarverslag van haar werkzaamheden dat bestaat uit een financieel jaarverslag en een verslag van de werkzaamheden.

2.

De transitiecommissie maakt het jaarverslag over het afgelopen jaar steeds openbaar voor 1 april. Het jaarverslag over 2026 dient uiterlijk voor 1 juli 2026 openbaar gemaakt te worden.

Artikel 45c. Reglement transitiecommissie
1.

De transitiecommissie stelt een reglement vast waarin in ieder geval is vastgelegd:

2.

De transitiecommissie kan in het reglement nadere regels opnemen met betrekking tot de informatie en opgaven, bedoeld in artikel 45d, eerste lid.

3.

Het reglement wordt door de transitiecommissie vastgesteld na overleg met Onze Minister.

Artikel 45d. Bindend advies
1.

Indien de aanvraag een verzoek tot bindend advies betreft overleggen de aanvragers bij de aanvraag:

2.

De transitiecommissie maakt een bindend advies openbaar binnen vier weken na bekendmaking aan de aanvragers.

Artikel 45e. Tijdstip verzoeken aan transitiecommissie
1.

Een verzoek tot bemiddeling door de transitiecommissie dient voor 1 januari 2024 te worden ingediend bij de transitiecommissie als partijen de pensioenovereenkomst dan wel de beroepspensioenregeling willen laten uitvoeren door een pensioenfonds en voor 1 januari 2025 als partijen deze willen laten uitvoeren door een verzekeraar of premiepensioeninstelling.

2.

Een verzoek tot het bindend adviseren door de transitiecommissie dient voor 1 juli 2024 te worden ingediend bij de transitiecommissie als partijen de pensioenovereenkomst dan wel de beroepspensioenregeling willen laten uitvoeren door een pensioenfonds en voor 1 januari 2026 als partijen deze willen laten uitvoeren door een verzekeraar of premiepensioeninstelling.

Paragraaf 9b.4. Implementatieplan

Artikel 46a. Communicatieplan
1.

De uitvoerder neemt in het communicatieplan op dat bij het informeren van de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden, naast de informatie, bedoeld in artikel 150j, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145i, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in ieder geval ook het volgende wordt opgenomen:

2.

De uitvoerder geeft verder informatie over het stellen van vragen aan de uitvoerder, over de interne klachtenprocedure van de uitvoerder en neemt een verwijzing op naar het pensioenregister.

3.

De uitvoerder legt de wijze waarop de pensioenuitvoerder omgaat met inkomende waarden in het kader van de collectieve waardeoverdracht, waaronder begrepen de wijze waarop wordt omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, vast in het pensioenreglement.

4.

In geval de gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling is ondergebracht bij een nieuwe uitvoerder, is de oude uitvoerder verplicht op verzoek van de nieuwe uitvoerder de relevante informatie tijdig te verstrekken.

5.

De uitvoerder dient het communicatieplan in bij de Stichting Autoriteit Financiële Markten en informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden over de indiening en de inhoud van het communicatieplan en over het verdere proces. De verzekeraar of premiepensioeninstelling die gebruikt maakt van artikel 150i, vierde lid, onderdeel b, van de Pensioenwet, of artikel 145h, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden tijdig maar uiterlijk wanneer de gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling bekend is.

6.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen over de vormgeving en wijze van leveren van het communicatieplan.

Paragraaf 9b.5. Interne collectieve waardenoverdracht en aanwenden vermogen

Artikel 46b. Interne collectieve waardeoverdracht fondsen
1.

De toezichthouder beoordeelt het voornemen tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 150m, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling op de volgende aspecten:

2.

Het fonds verstrekt het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan ten behoeve van de advisering, dan wel goedkeuring, bedoeld in artikel 150m, vierde en zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, vierde en zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in ieder geval de volgende gegevens:

3.

Indien van toepassing verstrekt het fonds aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, alsmede het advies van het verantwoordingsorgaan of de reactie op het verzoek tot goedkeuring van het belanghebbendenorgaan.

Artikel 46c. vba-rekenmethodiek
1.

Bij de vba-methode, bedoeld in de artikelen 150n van de Pensioenwet dan wel 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en bij het berekenen van transitie-effecten als bedoeld in 150e van de Pensioenwet dan wel 145d van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van de value based ALM-rekenmethodiek.

2.

Bij de vba-rekenmethodiek geldt voor de berekeningen het volgende:

3.

Bij de vba-rekenmethodiek geldt voor de berekeningen door een fonds het vastgestelde fondsbeleid. Bij de vaststelling van het fondsbeleid geldt het volgende:

4.

Voor zover een uitvoerder bij de berekening gebruik maakt van maatmensen leidt deze vereenvoudiging niet tot materiële afwijkingen in de berekening van de marktwaarden van de te verwachte pensioenuitkeringen van deelnemers, gewezen deelnemers en andere aanspraakgerechtigden.

5.

De uitvoerder onderbouwt de aannames, vereenvoudigingen en, voor zover van toepassing, de afwijking van het fondsbeleid op adequate wijze en neemt dit op in het implementatieplan.

Artikel 46d. Omrekenmethoden en aanwenden vermogen
1.

Bij de standaardmethode, bedoeld in artikel 150n van de Pensioenwet dan wel artikel 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van een standaardregel.

2.

Bij de vba-methode, bedoeld in artikel 150n van de Pensioenwet en artikel 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van de rekenmethodiek in artikel 46c.

3.

Bij dekkingsgraden, na de initiële vulling van een solidariteitsreserve, een risicodelingsreserve of een compensatiedepot, tussen 105% en 110% als bedoeld in artikel 150n, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145m, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kan 5% van het vermogen verschoven worden om evenwichtiger uitkomsten te bereiken.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de voorgeschreven standaardregel.

Artikel 46e. Transitie-effecten
1.

Bij de netto profijt berekening, bedoeld in de artikelen 150e, 150p, vierde lid, en 220e, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 145d, 145o, vierde lid, en 214d, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt de vba- rekenmethodiek, bedoeld in artikel 46c gehanteerd met dien verstande dat de berekening wordt uitgevoerd met minimaal 10.000 risico-neutrale scenario’s als bedoeld in artikel 43.

2.

Het netto profijt effect van het financieel toetsingskader tijdens de transitie, bedoeld in artikel 150p, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel in artikel 145o, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt berekend door het netto profijt van het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling af te zetten tegen het netto profijt dat ontstaat door het indienen van een overbruggingsplan.

3.

Het netto profijt effect wanneer gebruik is gemaakt van de mogelijkheid in het jaar 2022 en 2023 toeslag te verlenen bij een beleidsdekkingsgraad vanaf 105% wordt berekend door het netto profijt van het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling af te zetten tegen het netto profijt dat ontstaat door het gebruik maken van deze mogelijkheid.

4.

Het resultaat van de netto profijt berekening in de artikelen 150e, 150p, vierde lid, en 220e, vierde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 145d, 145o, vierde lid en 214d, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt uitgedrukt als percentage van de marktwaarde van te verwachte pensioenuitkeringen bij het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling.

6.

Bij de bruto profijt berekening, bedoeld in de artikelen 150e, derde lid, en 220e, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 145d, derde lid, en 214d, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt op moment van berekening het volgende gehanteerd:

7.

Het resultaat van de bruto profijt berekening in de artikelen 150e, derde lid, en 220e, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 145d, derde lid, en 214d, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt uitgedrukt als percentage van de marktwaarde van te verwachte pensioenuitkeringen bij het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling.

8.

De uitvoerder onderbouwt de voor de uitvoerder specifieke uitgangspunten, bedoeld in het zesde lid, onderdeel c, op adequate wijze en neemt dit op in het implementatieplan.

9.

De transitie-effecten netto profijt, pensioenverwachting en bruto profijt worden berekend in ieder geval per leeftijdscohort in hele geboortejaren waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.

Artikel 46f. Ontheffing bij interne collectieve waardeoverdracht fonds
1.

Een fonds dient een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 150oa, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145na, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, tegelijk in met het doen van de melding aan de toezichthouder van het voornemen tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 150m, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

De toezichthouder neemt een besluit over de aanvraag tot ontheffing tegelijk met het besluit of het een verbod tot waardeoverdracht zal opleggen. De toezichthouder verleent geen ontheffing indien een verbod tot waardeoverdracht wordt opgelegd.

3.

Van redelijkerwijs niet kunnen voldoen als bedoeld in artikel 150oa, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145na, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is sprake indien het fonds aan de toezichthouder aantoont dat:

4.

Bij de aanvraag voor ontheffing toont het fonds aan dat:

Paragraaf 9b.5. Interne collectieve waardenoverdracht en aanwenden vermogen

Paragraaf 9b.6. Financieel overbruggingsplan

Artikel 47a. Opschorting individuele waardeoverdracht
1.

De vaststelling door fondsen of de plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege een van de omschreven situaties van opschorting in artikel 150r van de Pensioenwet of artikel 145q van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vindt plaats per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de situatie op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand.

2.

Het ontvangende fonds informeert de deelnemer over de opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan als de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege een van de omschreven situaties van opschorting in artikel 150r van de Pensioenwet of artikel 145q van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, na de datum dat het ontvangende fonds de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt of zodra de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18.

3.

De plicht tot waardeoverdracht herleeft zodra niet langer sprake is van een van de in artikel 150r van de Pensioenwet of artikel 145q van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situaties van opschorting. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

4.

Als de plicht tot waardeoverdracht na een periode van opschorting herleeft, geldt het volgende:

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Veroordelingen

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2.1. Veroordelingen

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Veroordelingen

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

2.1. Veroordelingen

Wegenverkeerswet 1994:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

2.3. Transacties

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

2.3. Transacties

3. Financiële antecedenten

2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

4. Toezichtantecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.1. Persoonlijk

3.2. Zakelijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

4.1. Toezichtantecedenten

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9g. Verwerkingsverantwoordelijken bij keuzebegeleiding

Voor de gegevensverwerking in het kader van keuzebegeleiding:

Artikel 9h. Taakverdeling bij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid keuzebegeleiding

Bij de toepassing van artikel 9g, onderdeel a, dragen de volgende organisaties zorg voor de toepassing van de artikelen 12 tot en met 22, 33 en 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming:

Hoofdstuk 4d. Risicohouding

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Paragraaf 9b.1. Risico-neutrale scenario’s

Paragraaf 9b.4. Implementatieplan

Paragraaf 9b.5. Interne collectieve waardenoverdracht en aanwenden vermogen

Paragraaf 9b.7. Aanvullende maatregelen transitieperiode voor pensioenfondsen

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Wegenverkeerswet 1994:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

3.2. Zakelijk

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3. Financiële antecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5.1. Persoonlijk

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1ca. Gelijke aanpassingen met spreiden in uitkeringsfase bij solidaire premieovereenkomst of solidaire premieregeling
1.

Bij pensioeningang verdeelt de uitvoerder het voor pensioenuitkering bestemd vermogen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in een uitkeringsvermogen en een spreidingsvermogen, indien sprake is van toepassing van de toedelingsregels om gelijke aanpassingen als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 63a, achtste lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 75a, achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met spreiden te realiseren.

2.

De hoogte van de variabele uitkering wordt vastgesteld op basis van het uitkeringsvermogen en het projectierendement. Voor het projectierendement wordt ten hoogste uitgegaan van de risicovrije rente.

3.

De pensioenuitvoerder bepaalt het financiële resultaat als gevolg van het behaalde beschermingsrendement en overrendement als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor alle pensioengerechtigden. Uit dit financiële resultaat van het collectief van pensioengerechtigden wordt het beschermingsrendement, dat volledige bescherming biedt voor het renterisico, ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat, toebedeeld aan het uitkeringsvermogen van iedere pensioengerechtigde.

4.

Na toedeling van het beschermingsrendement, bedoeld in het derde lid, wordt het resterende financiële resultaat op het moment van vaststelling volledig en onvoorwaardelijk verwerkt in het spreidingsvermogen en op basis van de spreidingsmethodiek, bedoeld in artikel 1cb, eerste lid, onvoorwaardelijk vastgesteld en verwerkt in het uitkeringsvermogen, de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden.

5.

De wijze waarop financiële resultaten, bedoeld in het vierde lid, worden verwerkt in het uitkeringsvermogen en de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden, houdt in dat over de vastgestelde duur van de spreidingsperiode de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken onvoorwaardelijk in gelijke stappen dan wel in afnemende mate worden aangepast.

6.

Een uitvoerder kan bij het vaststellen en onvoorwaardelijk verwerken van het financiële resultaat in het uitkeringsvermogen, bedoeld in het vijfde lid, in een betreffend jaar rekening houden met de reeds eerder onvoorwaardelijk vastgestelde en verwerkte aanpassingen als gevolg van financiële resultaten. Hierbij geldt het volgende:

7.

Indien de uitvoerder heeft gekozen voor toepassing in afnemende mate als bedoeld in het vijfde lid, kan de uitvoerder een afwijkende verwerking doorvoeren om het financiële resultaat binnen de duur van de spreidingsperiode volledig te verwerken in de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden, mits:

Artikel 1cb. Spreidingsmethodiek bij gelijke aanpassingen met spreiden
1.

Voor toepassing van de artikelen 1ca en 1cc stelt de uitvoerder een spreidingsmethodiek vast. Een spreidingsmethodiek is de wijze waarop de uitvoerder de pensioenuitkeringen bij gelijke aanpassingen met spreiden vaststelt, waarbij onder de spreidingsmethodiek wordt begrepen:

2.

De spreidingsmethodiek is evenwichtig, transparant en consistent. De uitvoerder maakt de uitkomsten van de spreidingsmethodiek inzichtelijk aan de hand van een stochastische ALM-analyse en onderbouwt de gemaakte keuzes en vormgeving aan de hand van deze analyse.

3.

De uitvoerder legt de spreidingsmethodiek vast voor minimaal vijf jaar. Onder omstandigheden kan hiervan afgeweken worden. De uitvoerder onderbouwt waarom deze keuze is gemaakt.

4.

Een wijziging van de spreidingsmethodiek heeft geen gevolgen voor de al onvoorwaardelijk verwerkte en toebedeelde financiële resultaten in het spreidingsvermogen, het uitkeringsvermogen en de pensioenuitkeringen.

5.

De uitvoerder legt de spreidingsmethodiek vast in de opdrachtbevestiging, het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement.

Artikel 1cc. Gelijke aanpassingen met spreiden bij pensioeningang van een solidaire premieregeling
1.

Indien de toedelingsregels met gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca van toepassing zijn, geldt bij pensioeningang het volgende:

2.

Het op de pensioendatum door verdeling ontstane spreidingsvermogen wordt op basis van de spreidingsmethodiek, genoemd in artikel 1cb, eerste lid, verwerkt in het uitkeringsvermogen, de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van de pensioengerechtigde.

Artikel 5c. Informatie over gelijke aanpassingen met spreiden

Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca geldt vanaf vijf jaar voor pensioendatum het volgende:

Hoofdstuk 4c. Geschilleninstantie

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 6b. Opdrachtbevestiging

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9a. Pensioenbewaarder

Hoofdstuk 9b. Transitie

Paragraaf 9b.2

Paragraaf 9b.3. Transitieplan en transitiecommissie

Paragraaf 9b.4. Implementatieplan

Paragraaf 9b.6. Financieel overbruggingsplan

Paragraaf 9b.7. Aanvullende maatregelen transitieperiode voor pensioenfondsen

Paragraaf 9b.8. Gelijke aanpassingen met spreiden

Artikel 47b. Gelijke aanpassingen met spreiden pensioengerechtigden
1.

De artikelen 1ca, 1cb en 1cc zijn van overeenkomstige toepassing voor personen die pensioengerechtigden zijn op het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst dat een solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling inhoudt waarbij de toedelingsregels om gelijke aanpassingen als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 63a, achtste lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 75a, achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met spreiden te realiseren van toepassing zijn en waarbij sprake is van een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet dan wel artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

Het tijdstip van het verdelen van het voor pensioenuitkering bestemd vermogen van pensioengerechtigden is het moment van de gewijzigde uitvoering.

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

2.2. Strafbeschikkingen

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.