Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid, 109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet; artikel 81, tweede lid en 153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 9, vierde lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid en 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34 handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Regels op grond van de Pensioenweten de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Aanwijzingen
Artikel 1. Aangewezen werknemers
Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:
- a. de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;
- b. de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder;
- c. de ambtsdragers behorende tot het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten;
- d. de predikanten die een pensioenovereenkomst hebben gesloten met de Stichting voor de predikantspensioenen;
- e. personen die zijn aangesteld als officieren door het Kerkgenootschap Leger des Heils in Nederland.
Artikel 2. Aangewezen instellingen
Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.
Artikel 3. Aangewezen verenigingen
Vervallen
Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip
Artikel 4. Vaststelling toeslagenlabel
Vervallen
Artikel 5. Consistentie verzekeraars
Voor de toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:
- a. gewekte verwachtingen: de toeslagambitie;
- b. financiering: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld; en
- c. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar.
Consistentie bestaat indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie.
Het rekeninstrument, bedoeld in het tweede lid, is door verzekeraars op te vragen bij het Verbond van Verzekeraars. Voor wijziging van dit rekeninstrument is instemming van De Nederlandsche Bank en Onze Minister vereist.
Artikel 6. Voorwaardelijkheidsverklaring
De voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld in artikel 95, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 103, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is vormvrij.
Paragraaf 3. Begroting, jaarverslag, jaarrekening of verantwoording
Artikel 7. Reële dekkingsgraad
De reële dekkingsgraad, bedoeld in artikel 133b van de Pensioenwet dan wel artikel 128b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de beleidsdekkingsgraad die ingevolge artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vereist voor voorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
Artikel 8. Vrijstelling termijn tien jaar en aantal van zes
Een fonds waarvan de dekkingsgraad op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 ligt onder het niveau dat nodig is om zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten in tien jaar te voldoen aan artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt vrijgesteld van de termijn van tien jaar, bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 133, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van dit artikel, een herstelplan indient met een looptijd van maximaal twaalf jaar.
Een fonds dat op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 voor de zesde maal opeenvolgend een beleidsdekkingsgraad heeft die ligt onder het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen en die op dat tijdstip een dekkingsgraad heeft die ook ligt onder dat niveau, wordt vrijgesteld van het in artikel 140, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 135, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, genoemde aantal van zes, indien het een herstelplan indient met inachtneming van dit artikel.
Een fonds dat gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het eerste of tweede lid, en dat op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 een dekkingsgraad heeft waarbij de technische voorzieningen voor minder dan 90% door waarden worden gedekt, neemt telkens binnen zes maanden maatregelen waardoor de dekkingsgraad van het fonds direct zodanig wordt dat de technische voorzieningen voor 90% door waarden worden gedekt.
Voor zover het bij de maatregelen, bedoeld in het derde lid, een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten betreft, worden deze direct in de technische voorzieningen verwerkt en ofwel direct doorgevoerd, ofwel in beginsel evenredig gespreid in de tijd gedurende maximaal de termijn die wordt gebruikt voor het herstelplan.
Een fonds dat gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het eerste of tweede lid:
- a. onderbouwt bij het indienen van het herstelplan waarom het vanuit het belang van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden gebruik maakt van de vrijstelling;
- b. verklaart dat het naar verwachting zal overgaan op een collectieve waardeoverdracht die ertoe strekt om in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten dan wel een wijziging van de beroepspensioenregeling naar aanleiding van de voorgenomen stelselwijziging de waarde van de pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij het fonds overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomsten of beroepspensioenregeling; en
- c. stelt informatie over het gebruik van de regeling en de onderbouwing daarvan tijdig ter beschikking van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden of verstrekt deze informatie tijdig.
Indien een fonds gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is artikel 140, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 135, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, van overeenkomstige toepassing bij iedere volgende vaststelling van de beleidsdekkingsgraad op grond van artikel 138, zevende lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 133, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, totdat de beleidsdekkingsgraad ligt op of boven het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen of de beleidsdekkingsgraad en de dekkingsgraad liggen onder dat niveau en maatregelen zijn genomen waardoor de dekkingsgraad voldoet aan het minimaal vereist eigen vermogen. Artikel 142 van de Pensioenwet dan wel artikel 137 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is van overeenkomstige toepassing bij iedere volgende vaststelling.
Artikel 9. Eisen aan de toelichting bij de begroting
Vervallen
Artikel 10. Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting
Vervallen
Artikel 11. Indienen van jaarverslag en jaarrekening of verantwoording
Vervallen
Artikel 12. Eisen aan jaarrekening of verantwoording
Vervallen
Artikel 13. Eisen aan het jaarverslag
Vervallen
Artikel 14. Informatie over de pensioenregeling
Vervallen
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 2a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
Artikel 15. Berekenen risicoblootstelling maatstaven
Voor de toepassing van artikel 14u van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:
- a. een mediaan scenario: het scenario van het 50e percentiel;
- b. een pessimistisch scenario: het scenario van het 5e percentiel.
Voor de berekening van de blootstelling behorend bij de risicomaatstaf, de verwachtingsmaatstaf en de lange termijn risicomaatstaf, bedoeld in artikel 14u van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de procedure, formules en symbolen in bijlage 1a gebruikt.
Paragraaf 3. Begroting, jaarverslag, jaarrekening of verantwoording
Artikel 16. Bepaling rente
De rente, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld.
Het in het eerste lid genoemde u-rendement is het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars.
Artikel 17. Verschuldigde rente
Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, eerste en vijfde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.
Artikel 18. Het standaardtarief
Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de periodetafel GBM/V 2010–2015 met de volgende leeftijdterugstellingen:
- a. 5 jaar voor mannelijke deelnemers;
- b. 3 jaar voor vrouwelijke deelnemers;
- c. 1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke deelnemers; en
- d. 3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke deelnemers.
De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.
De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.
Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.
Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.