Wet van 17 februari 2007, houdende regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2a. Zorgplicht
Een ieder is verplicht op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen, biociden, de daarbij behorende werkzame stoffen of daarbij gebruikte toevoegingsstoffen, alsmede restanten daarvan of de aangebroken verpakkingen. Die zorgvuldigheid houdt in ieder geval in, dat een ieder, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor een mens, voor een dier of voor planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren, voor de bodem of voor het water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, tenzij zulks in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, dan wel onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
Hoofdstuk 2. Het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4. Gewasbeschermingsmiddelen
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. De toelatingsprocedure
§ 3. Bijzondere vormen van toelating
§ 4. Afwijkingen
§ 5
§ 6. Bekendmaking
Hoofdstuk 5. Biociden
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 43a. Verbod op handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of beperkingen die bij de toelating, vergunning, melding, erkenning, registratie, vrijstelling, voorziening of goedkeuring zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Het is verboden een toegelaten of geregistreerde biocide op de markt te brengen, voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, in Nederland te brengen of te gebruiken, indien de wettelijke of door het college bij de toelating of registratie vastgestelde voorschriften voor het gebruik niet of niet op de voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking zijn vermeld.
Het is verboden een toegelaten of geregistreerde biocide op de markt te brengen, voorhanden te hebben, in voorraad te hebben, in Nederland te brengen of te gebruiken, indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling waaronder kleur, vorm, afwerking, verpakking, andere aanduidingen of vermeldingen afwijkt van de toelating of de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet.
De in de artikelen 42, eerste lid, 43 en het tweede en derde lid bedoelde verboden gelden niet voor zover het college een voorziening heeft getroffen voor het op de markt brengen, voorhanden hebben of gebruiken van de biocide als bedoeld in artikel 68, vijfde lid.
§ 2. De toelatingsprocedure
§ 3. Bijzondere vormen van toelating
§ 4. De registratieprocedure
§ 5. De Kaderformulering en de basisstof
§ 6. Vrijstelling
§ 7. Verandering van besluiten en informatieplicht
§ 8. Bekendmaking en openbaarmaking
Hoofdstuk 6. Handel en gebruik
§ 1. Vakbekwaamheidseisen, reclame en opslag
§ 2. Gebruik
Artikel 80a. Bescherming van milieu en volksgezondheid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van richtlijn 2009/128/EG. Deze regels kunnen een verbod inhouden dan wel zijn gericht op een vermindering van het gebruik van alle of een bepaald type gewasbeschermingsmiddelen of biociden in bij die maatregel aangewezen gebieden.
Artikel 81a. Nationaal actieplan
Onze Ministers stellen een nationaal actieplan op ter uitvoering van artikel 4 van richtlijn 2009/128/EG.
Het plan wordt ten minste iedere vijf jaren herzien.
Op de voorbereiding en wijziging van een nationaal actieplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
Titel 1. Algemeen
§ 3. Civielrechtelijke handhaving
Titel 2. Bestuurlijke boetes
§ 1. Bevoegdheid
§ 2. Hoogte bestuurlijke boete
§ 3. De procedure
§ 1. Algemeen verbindend verklaring
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
§ 1. Algemeen verbindend verklaring
§ 2. Implementatie
§ 3. Beroepen
§ 2. Bepalingen inzake nog niet in bijlagen I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG opgenomen werkzame stoffen
Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlagen I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG
§ 3. Overgangsbepalingen in verband met de opneming of niet opneming van werkzame stoffen bij richtlijn 98/8/EG
§ 3. Overgangsbepalingen in verband met de opneming of niet opneming van werkzame stoffen bij richtlijn 98/8/EG
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 130a. Overgangsrecht ingevolge de verordening
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235) blijft voor zover nodig van toepassing in de in artikel 80, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 bedoelde gevallen.
Op de voet van artikel 8o, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009 blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 25 en 27 van toepassing zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235).
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Stb. 235), blijft van toepassing op aanvragen tot toelating, in de in artikel 80, vijfde lid, van verordening (EG) 1107/2009 bedoelde gevallen, totdat op die aanvragen is beslist.
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 6 november 2013 houdende wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ter uitvoering van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU, L 167) (Stb. 459) blijven voor zover nodig van toepassing in de in artikelen 89, tweede lid, en 93 van verordening (EG) Nr. 528/2012 bedoelde gevallen.
§ 2. Wijzigingsbepalingen
§ 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 6. Handel en gebruik
§ 1. Vakbekwaamheidseisen, reclame en opslag
§ 2. Gebruik
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
Titel 1. Algemeen
§ 1. Toezicht op de naleving
§ 2. Bestuursrechtelijke handhaving
§ 3. Civielrechtelijke handhaving
Titel 2. Bestuurlijke boetes
§ 3. Civielrechtelijke handhaving
§ 1. Bevoegdheid
§ 2. Hoogte bestuurlijke boete
§ 4. Betaling
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
§ 2. Implementatie
§ 2. Implementatie
Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlagen I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG
§ 3. Beroepen
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
§ 3. Overgangsbepalingen in verband met de opneming of niet opneming van werkzame stoffen bij richtlijn 98/8/EG
§ 2. Wijzigingsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 81b. Bevoegde autoriteit
Onze Minister wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EU) 2017/625 voor zover het betreft het gebied, genoemd in artikel 1, tweede lid, onderdeel h, van verordening (EU) 2017/625.
Artikel 84a
Distributeurs en gebruikers zijn een retributie verschuldigd voor herinspectie.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de retributie.
Het tarief van de retributie wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Onze Minister kan de verschuldigde bedragen, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen bij dwangbevel.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Een krachtens het derde lid vast te stellen ministeriële regeling wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging.
§ 2. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 87a. Andere bestuursrechtelijke maatregelen
Onze Minister is bevoegd ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 138, tweede lid, onderdelen d en g, van verordening (EU) 2017/625.
Titel 2. Bestuurlijke boetes
§ 1. Bevoegdheid
§ 3. De procedure
§ 4. Betaling
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
§ 1. Algemeen verbindend verklaring
§ 3. Beroepen
Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlagen I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
§ 2. Wijzigingsbepalingen
§ 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 88a
De ingevolge artikel 82, eerste lid, aangewezen ambtenaren, zijn in afwijking van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdelen a, d en e, van verordening (EU) nr. 2019/1020.
Voor het uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is een voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het tweede lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.
De artikelen 2 en 3 van de Algemene wet op het binnentreden zijn niet van toepassing.
Artikel 88b
Een krachtens artikel 82, eerste lid, aangewezen ambtenaar is bevoegd om, ter uitvoering van verordening (EU) nr. 2019/1020, onder verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens met betrekking tot zijn identiteit en hoedanigheid, biociden te verkrijgen en hieraan gerelateerde handelingen te verrichten, verrichten voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is. Artikel 5:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maakt daarvan een schriftelijk verslag op waarin hij vermeldt:
- a. zijn naam of nummer en hoedanigheid;
- b. de motivering van de noodzaak tot uitoefening van de bevoegdheid;
- c. de voorschriften op de naleving waarvan wordt toegezien;
- d. het adres, waaronder indien van toepassing het elektronische adres, waar de biocide is verkregen, en voor zover bekend, de omschrijving van de betrokken marktdeelnemer;
- e. de onjuiste of onvolledige gegevens die zijn verstrekt de verkrijging van de biocide;
- f. de wijze waarop en het tijdvak waarin de handelingen hebben plaatsgevonden;
- g. wat de uitkomst is van het onderzoek van de verkregen biocide.
Artikel 88c
Ter uitvoering van verordening (EU) nr. 2019/1020 kan Onze Minister, indien er geen andere doeltreffende middelen voorhanden zijn om een ernstig risico als bedoeld in artikel 3, onderdeel 20, van verordening (EU) nr. 2019/1020, gevormd door een biocide, weg te nemen, een zelfstandige last opleggen aan degene die daartoe in staat is, om inhoud te verwijderen van of de toegang te beperken tot een online interface als bedoeld in artikel 3, onderdeel 15, van verordening (EU) 2019/1020 of opdracht te geven tot de duidelijke weergave van een waarschuwing voor eindgebruikers, bedoeld in artikel 3, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 2019/1020, wanneer zij zich toegang verschaffen tot een online interface.
Indien niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan een last als bedoeld in het eerste lid is voldaan, kan Onze Minister een zelfstandige last opleggen aan een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van verordening (EU) nr. 2019/1020 om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de toegang tot een online interface te beperken, onder meer door een daarvoor in aanmerking komende derde te verzoeken dergelijke maatregelen uit te voeren.
Degene tot wie een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is gericht, handelt overeenkomstig die last.
Op grond van het eerste of tweede lid kan geen zelfstandige last worden opgelegd die leidt tot het blokkeren of filteren van internetverkeer.
Voor een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het vijfde lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister, binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.
Onze Minister maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in het eerste of tweede lid, bekend.
Artikel 88d
Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing voor zover een krachtens artikel 82, eerste lid, aangewezen ambtenaar bijstand verleent aan een markttoezichtautoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 2019/1020, uit een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van artikel 22 of artikel 23 van die verordening.
Titel 2. Bestuurlijke boetes
§ 3. De procedure
§ 4. Betaling
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
§ 1. Algemeen verbindend verklaring
Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met bijlagen I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG
§ 2. Bepalingen inzake nog niet in bijlagen I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG opgenomen werkzame stoffen
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
§ 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)