Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens 1968- (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer)
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin voor het College Bescherming Persoonsgegevens regels worden gegeven omtrent:
de bezoldiging van de voorzitter;
de vergoeding voor de leden;
het zittingsgeld voor de plaatsvervangende en de buitengewonde leden.
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 53 lid 3, art. 55 lid 1 en 2 (Stb. 2000, 302)
Product: Besluit van 5 augustus 1989, houdende uitvoering van artikel 40, eerste lid van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1989, 335) en Rechtspositiebesluit leden Registratiekamer (Stb. 1998, 10)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin voor de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens regels worden gegeven omtrent de vergoeding voor de leden
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 53 lid 4 (Stb. 2000, 302)
Product: Besluit van 5 augustus 1989, houdende uitvoering van artikel 40, eerste lid van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1989, 335) en Rechtspositiebesluit leden Registratiekamer (Stb. 1998, 10)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de ambtenaren van het secretariaat van het College Bescherming Persoonsgegevens, op voordracht van de voorzitter
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 56 lid 1 (Stb. 2000, 302)
Product: Ministeriële beschikking
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)
Handeling: Het goedkeuren van het bestuursreglement van het College Bescherming Persoonsgegevens
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 56 lid 4 (Stb. 2000, 302)
Product: Ministeriële beschikking
Waardering: B 4
Handeling: Het vaststellen van beleidsregels over de uitoefening van de bevoegdheid van het College Bescherming Persoonsgegevens tot de oplegging van boeten
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 74 (Stb. 2000, 302)
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B 5
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren van het secretariaat van het College Bescherming Persoonsgegevens die belast zijn met de opsporing van belastbare feiten
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 75 lid 4 (Stb. 2000, 302)
Product: Ministeriële regeling
Waardering: V, 7 jaar na einde dienstverband
Handeling: Het afgeven van een vergunning voor een doorgifte of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt.
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 77 lid 2 (Stb. 2000, 302)
Product: vergunning
Opmerking: Wanneer een land buiten de Europese Unie onvoldoende bescherming van persoonsgegevens biedt, is verkeer van persoonsgegevens niet uitgesloten, maar onderworpen aan aanvullende regels. De bepaling bevat een aantal alternatieve criteria. Indien aan één daarvan is voldaan, kan de doorgifte aan dat land plaatsvinden.
Aan de vergunning worden de nadere voorschriften verbonden die nodig zijn om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele rechten en vrijheden van personen, alsmede de uitoefening van de daarmee verband houdende rechten te waarborgen.
Waardering: B 5
Handeling: Het in kennis stellen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de gevallen waarin, naar zijn oordeel, een derde land geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt voor de te verwerken persoonsgegevens, en een vergunning voor een doorgifte of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 78 lid 1 (Stb. 2000, 302)
Product: melding
Waardering: B 5
Handeling: Het bepalen dat:
de doorgifte naar een land buiten de Europese Unie is verboden;
een land buiten de unie geacht wordt een passend beschermingsniveau te waarborgen; of een verleende vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 78 lid 2 (Stb. 2000, 302)
Product: Ministeriële regeling
Waardering: B 5
Handeling: Het aan de Staten-Generaal zenden van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet Bescherming Persoonsgegevens in de praktijk binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 80 (Stb. 2000, 302)
Product: Evaluatieverslag
Waardering: B 2
8.1.2 Staatscommissie Koopmans
Handeling: Het adviseren van de overheid inzake wettelijke en andere maatregelen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het gebruik van persoonsregistraties
Periode: 1972–1976
Grondslag: KB van 21 februari 1972 (Stcrt. 1972, 43)
Product: Nota’s, rapporten, notulen van de commissievergaderingen
Waardering: B 1
8.2 Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
8.2.1 Algemene handelingen
Handeling: Het voorbereiden vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ten aanzien de bescherming van persoonsgegevens.
Periode: 1968–
Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties, etc.Opmerking Onder deze handeling valt ook:
Het voeren van overleg met de andere betrokken actoren op het beleidsterrein;
Het voorbereiden van een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het beleidsterrein;
Het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het beleidsterrein;
Het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het beleidsterrein; zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’;
Het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie).;
Het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het beleidsterrein; zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’, handeling 295, 357 en 374;
Het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het beleidsterrein;
Het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het beleidsterrein;
Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument).
Waardering: B 1,2
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Grondslag: o.a. Wet bescherming persoonsgegevens, artt. 22 lid 7, 24 lid 2, 26 lid 1, 28 lid 5, 29 lid 1 en 3, 31 lid 3, 39 lid 1 en 3, 40 lid 3 (Stb. 2000, 302)
Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, circulaires;
o.a.:
Wet Politieregisters (Stb. 1990, 414)
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Stb. 2000, 365)
Wet tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 2001, 180)
Besluit gebruik sofi-nummer Wbp (Stb. 2001, 383)
Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305)
Meldingsbesluit Wbp (Stb. 2001, 244)
Meldingsregeling Wbp (Stcrt. 2002, 137)
Vrijstellingsbesluit Wbp (Stb. 2001, 250)
Vaststellingsbesluit enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2001, 382)
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het beleidsterrein de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen
Waardering: B 3: jaarverslagen; V, 2 jaar: overige verslagen
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake het beleid ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Grondslag: Grondwet
Product: Brieven, notities
Opmerking: Deze handeling vond verschillende malen per jaar plaats (bron: interview met mr. p. J. Hustinx
Waardering: B 2, 3
Handeling: Het informeren van de Commissies voor Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Brieven, notities
Waardering: B 3
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen
Periode: 1968–
Product: Beschikkingen, verweerschriften
Waardering: V, 5 jaar na uitspraak
Handeling: Het medevoorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake de bescherming van persoonsgegevens en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties
Periode: 1968–
Product: Internationale regelingen, nota’s, notities en rapporten
Waardering: B 1
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Brieven, notities
Waardering: V, 1 jaar
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Voorlichtingsmateriaal
Waardering: V, 2 jaar; B 5 één exemplaar
Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Offerte, brieven en rapport
Waardering: B 1, 2
Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek naar de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Notities, notulen en brieven
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Notities, brieven, etc.
Waardering: B 2
Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek naar de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Rekeningen en declaraties
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het beslissen op een subsidieaanvraag van een particuliere instelling die actief is op het beleidsterrein de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Ministeriële beschikking
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het detacheren/benoemen van ambtenaren bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EG
Periode: 1968–
Product: Besluit
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)
Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan werkgroepen van de Europese Commissie inzake de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Opmerking: Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen over de geleverde inbreng in de werkgroepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1989–
Product: Conceptfiches
Opmerking: De interdepartementale WBCN stelt de informatiefiches vast. De handeling hiervoor is opgenomen in het concept-RIO ‘Gedane Buitenlandse Zaken’.
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Opmerking: Met ‘Raad’ wordt hier de Raad van de Europese Unie bedoeld.
Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;
De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raadswerkgroepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;
De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raden/Attachés.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;
De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van Buitenlandse Zaken;
De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot conceptinstructies; bij de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van de vergaderingen van het Coreper.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;
De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten.
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van High Level groepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo);
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1993–
Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken ministers.
Waardering: B 1
Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité
Periode: 1968–
Opmerking: De Raad benoemt de leden van de comités.
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens, die besproken worden in een raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité
Periode: 1968–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;
Wanneer meerdere departementen betrokken zijn leidt het eerstverantwoordelijke ministerie het coördinatieoverleg;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over de Europese Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens, voor zover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden besproken in commissies en werkgroepen
Periode: 1968–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;
Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het eerstverantwoordelijke ministerie het coördinatieoverleg;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.
Waardering: B 1
8.2.2 Handelingen op het beleidsterrein
Handeling: Het voorbereiden van een KB waarin een Staatscommissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met persoonsregistraties wordt ingesteld (Staatscommissie-Koopmans)
Periode: 1971–1972
Bron: Zie product
Product: KB van 21 februari 1972 (Stcrt. 1972, 43)
Opmerking: Op voordracht van de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Economische Zaken werd besloten tot instelling van de Staatscommissie-Koopmans. De Minister van Justitie werd met de uitvoering van dit besluit belast. De Minister van Economische Zaken was betrokken bij de instelling van deze commissie omdat het CBS onder zijn verantwoordelijkheid viel.
Waardering: B 4
Handeling: Het instellen van een ambtelijke werkgroep die de Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid voorbereidt
Periode: 1974–1975
Bron: Inleiding op de Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1975, 50)
Product: Ministeriële beschikking
Opmerking: Deze werkgroep is ingesteld kort nadat de Staatscommissie-Koopmans in 1974 haar interim-rapport had uitgebracht.
De handeling werd verricht door de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken [staatssecretaris]
Waardering: B 4
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van de Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid
Periode: 1974–
Bron: Inleiding op de Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inverband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1975, 50)
Product: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1975, 50)
Opmerking: Een ambtelijke werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de departementen van Justitie en Binnenlandse Zaken, stelde de bovengenoemde regelgeving op. Namens de ministerraad stelde de Minister-President op 7 maart 1975 deze aanwijzingen vast. Met uitzondering van art. 17 t/m 24 zijn de aanwijzingen tot op heden formeel nooit ingetrokken.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van de Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid
Periode: 1982–1994
Bron: Zie product
Product: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1982, 156), vervallen 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Opmerking: De handeling werd verricht door de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken. In de totstandkoming van deze aanwijzingen speelde het departement van Justitie een ondergeschikte rol (bron: interview met mr. P.J. Hustinx).
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een wetsvoorstel (1981) voor een Wet persoonsregistraties
Periode: 1974–1984
Grondslag: Verdrag van Straatsburg (Trb. 1988, 7), art. 4 en Grondwet 1983 (Stb. 1983, 70) art. 10
Product: Wetsvoorstel
Opmerking: De handeling werd verricht door de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken.
Opmerking: B 1
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van het wetsvoorstel Tijdelijke wet aanmelding geautomatiseerde persoonsregistraties
Periode: 1982–1984
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 111–113
Product: Wetsvoorstel
Opmerking: De handeling werd verricht door de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken.
Waardering: B 1
Handeling: Het adviseren van het bestuursorgaan inzake het opstellen van een regeling voor een geautomatiseerde registratiesysteem met persoonsgegevens
Periode: 1975–*
Bron: Inleiding op de Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1975, 50)
Product: Advies
Opmerking: Voor onderwerpen die de organisatie en beveiliging van geautomatiseerde registraties raken kon zonodig worden overlegd met de Directie Overheidsorganisatie en -automatisering van het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Dit adviseren vond nauwelijks plaats (bron: interview met mr. P.J.Hustinx).
Waardering: B 5
Handeling: Het adviseren inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid
Periode: 1982–1994
Bron: Inleiding op de Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1993, 173)
Product: Advies
Waardering: B 5
Handeling: Het gezamenlijk met de betrokken minister(s) bepalen op welke geautomatiseerde persoonsregistraties met persoonsgegevens de geldende voorschriften niet van toepassing zijn in verband met de staatsveiligheid
Periode: 1975–
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 26 (Stcrt. 1975, 50)
Product: Beschikkingen
Opmerking: Deze handeling wordt verricht door de Minister-President, de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en (eventueel) de Vakminister. Het gaat hierbij om registraties zoals eventueel in gebruik door inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Waardering: B 5
Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van de Wet persoonsregistraties
Periode: 1985–2000
Grondslag: Verdrag van Straatsburg (Trb. 1988, 7) en Grondwet 1983 (Stb. 1983, 70), art. 10
Product: Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665)
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van een wet tot ratificatie van het Verdrag van Straatsburg
Periode: 1989–
Bron: Wet van 20 juni 1990 tot goedkeuring van het op 28 januari 1990 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Stb. 1990. 351) en Wet van 27 november 1991, houdende wijziging van de Wet van 20 juni 1990, Stb. 351, tot goedkeuring van het op 28 januari 1990 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens
Product: Zie Bron
Opmerking: De Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van het wetsvoorstel voor de Wet bescherming persoonsgegevens
Periode: 1995–2000
Grondslag: Europese Richtlijn 95/46/EG (PbEG L 281)
Product: Wetvoorstel voor de Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2000, 302)
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en verrichten deze handeling.
Waardering: B 1
Handeling: Het instellen en financieel ondersteunen van de Stuurgroep Voorlichting Persoonsregistraties
Periode: 1989–1993
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 528-529
Product: Instellingsbesluit
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en verrichten deze handeling.
Waardering: B 4 (archiefbescheiden betreffende het instellen van de Stuurgroep)
V, 7 jaar (archiefbescheiden betreffende het financieel ondersteunen van de Stuurgroep)
Handeling: Het vaststellen van opdracht en eindproduct van de evaluatiecampagne Voorlichting Persoonsregistraties
Periode: 1992–1993
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 528, noot 31.
Product: Offerte, brieven en rapport
Waardering: B 2
Handeling: Het begeleiden van de evaluatiecampagne Voorlichting Persoonsregistraties
Periode: 1992–1993
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 528, noot 31.
Product: Notities, notulen en brieven
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van de evaluatiecampagne Voorlichting Persoonsregistraties
Periode: 1992–1993
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 528, noot 31.
Product: Notities, brieven, etc.
Waardering: B 2
Handeling: Het financieren van de evaluatiecampagne Voorlichting Persoonsregistraties
Periode: 1992–1993
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 528, noot 31.
Product: Rekeningen en declaraties
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin wordt vastgesteld op welke wettelijke ingestelde persoonsregistraties de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 54, lid 4 (Stb. 1988, 665)
Product: Besluit van 16 juni 1989, houdende aanwijzing van persoonsregistraties waarop de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is (Stb. 1989, 238), gewijzigd 1994 (Stb. 1994, 690), gewijzigd 1996 (Stb. 1996, 278)
Opmerking: De Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister [staatssecretaris] van Economische Zaken verrichten deze handeling.
Bij de invoering van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) bestond reeds een aantal wettelijk ingestelde registraties. Bij diverse van deze registraties was het geldende wettelijke regime strijdig met de Wet persoonregistraties. Een voorbeeld hiervan waren de registers ingesteld bij of krachtens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395).
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van het juridische evaluatieonderzoek van de Wet persoonsregistraties
Periode: 1993–1995
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie(z.p., 1995) p. V. + 5
Product: Offerte, brieven en rapport
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: B 2
Handeling: Het begeleiden van het juridische evaluatieonderzoek van de Wet persoonsregistraties
Periode: 1993–1995
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie(z.p., 1995) p. V. + 5
Product: Notities, notulen en brieven
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van het juridische evaluatieonderzoek van de Wet persoonsregistraties
Periode: 1993–1995
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie(z.p., 1995) p. V. + 5
Product: Notities, notulen en brieven
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: B 2
Handeling: Het financieren van het juridische evaluatieonderzoek van de Wet persoonsregistraties
Periode: 1993–1995
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie(z.p., 1995) p. V. + 5
Product: Rekeningen en declaraties
Opmerking: De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het aan de Staten-Generaal zenden van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet Bescherming Persoonsgegevens in de praktijk binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 80 (Stb. 2000, 302)
Product: Evaluatieverslag
Waardering: B 2
8.3 Minister van Buitenlandse Zaken
Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van een wet tot ratificatie van het Verdrag van Straatsburg
Periode: 1989–
Bron: Wet van 20 juni 1990 tot goedkeuring van het op 28 januari 1990 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Stb. 1990. 351) en Wet van 27 november 1991, houdende wijziging van de Wet van 20 juni 1990, Stb. 351, tot goedkeuring van het op 28 januari 1990 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens
Product: Zie Bron
Opmerking: De Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Zaken verrichten deze handeling.
Waardering: B 1
8.4 Minister van Defensie
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 2000–
Grondslag: o.a. Wet bescherming persoonsgegevens, artt. 22 lid 7, 24 lid 2, 26 lid 1, 28 lid 5, 29 lid 1 en 3, 31 lid 3, 39 lid 1 en 3, 40 lid 3 (Stb. 2000, 302)
Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, circulaires;
o.a.:
Wet Politieregisters (Stb. 1990, 414)
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Stb. 2000, 365)
Wet tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 2001, 180)
Besluit gebruik sofi-nummer Wbp (Stb. 2001, 383)
Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305)
Meldingsbesluit Wbp (Stb. 2001, 244)
Meldingsregeling Wbp (Stcrt. 2002, 137)
Vrijstellingsbesluit Wbp (Stb. 2001, 250)
Vaststellingsbesluit enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2001, 382)
Waardering: B 1
Handeling: Het beslissen of de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde.
Periode: 2000–
Bron: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 2 lid 3 (Stb. 2000, 302)
Product: Beslissing
Opmerking: Van de beslissing wordt mededeling gedaan aan het CBP.
Waardering: B 1
8.5 Minister van Economische Zaken
Handeling: Het voorbereiden van een KB waarin een Staatscommissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met persoonsregistraties wordt ingesteld (Staatscommissie-Koopmans)
Periode: 1971–1972
Bron: Zie product
Product: KB van 21 februari 1972 (Stcrt. 1972, 43)
Opmerking: Op voordracht van de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Economische Zaken werd besloten tot instelling van de Staatscommissie-Koopmans. De Minister van Justitie werd met de uitvoering van dit besluit belast. De Minister van Economische Zaken was betrokken bij de instelling van deze commissie omdat het CBS onder zijn verantwoordelijkheid viel.
Waardering: B 4
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin wordt vastgesteld op welke wettelijke ingestelde persoonsregistraties de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 54, lid 4 (Stb. 1988, 665)
Product: Besluit van 16 juni 1989, houdende aanwijzing van persoonsregistraties waarop de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is (Stb. 1989, 238), gewijzigd 1994 (Stb. 1994, 690), gewijzigd 1996 (Stb. 1996, 278)
Opmerking: De Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister [staatssecretaris] van Economische Zaken verrichten deze handeling.
Bij de invoering van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) bestond reeds een aantal wettelijk ingestelde registraties. Bij diverse van deze registraties was het geldende wettelijke regime strijdig met de Wet persoonregistraties. Een voorbeeld hiervan waren de registers ingesteld bij of krachtens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395).
Waardering: B 5
8.6 Minister van Financiën (staatssecretaris)
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin is vastgesteld in welke gevallen het is toegestaan om een wettelijk identificatienummer op te nemen in een persoonsregistratie of daaruit te verstrekken
Periode: 1966–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 6a (Stb. 1988, 665), zoals ingevoegd bij de Wet op de identificatieplicht (Stb. 1993, 660)
Product: Besluit gebruik sofi-nummer (Stb. 1996, 190), gewijzigd 1996 (Stb. 1996, 430), gewijzigd 1998 (Stb. 1998, 118)
Opmerking: Het gaat hierbij om nummers die ter identificatie van personen wettelijk zijn voorgeschreven. De voordracht tot het Besluit gebruik sofi-nummer deed de Minister van Justitie mede namens de staatssecretaris van Financiën. De voordracht van het Besluit van 18 juli 1996 tot wijziging van het Besluit gebruik sofi-nummer (aanvulling) deed hij mede namens de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Over het Besluit gebruik sofi- nummer en de wijzigingen werd de Registratiekamer gehoord.
Waardering: B 1
8.7 Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (staatssecretaris)
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin is vastgesteld in welke gevallen het is toegestaan om een wettelijk identificatienummer op te nemen in een persoonsregistratie of daaruit te verstrekken
Periode: 1966–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 6a (Stb. 1988, 665), zoals ingevoegd bij de Wet op de identificatieplicht (Stb. 1993, 660)
Product: Besluit gebruik sofi-nummer (Stb. 1996, 190), gewijzigd 1996 (Stb. 1996, 430), gewijzigd 1998 (Stb. 1998, 118)
Opmerking: Het gaat hierbij om nummers die ter identificatie van personen wettelijk zijn voorgeschreven. De voordracht tot het Besluit gebruik sofi-nummer deed de Minister van Justitie mede namens de staatssecretaris van Financiën. De voordracht van het Besluit van 18 juli 1996 tot wijziging van het Besluit gebruik sofi-nummer (aanvulling) deed hij mede namens de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Over het Besluit gebruik sofi-nummer en de wijzigingen werd de Registratiekamer gehoord.
Waardering: B 1
8.8 Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin wordt vastgesteld op welke wettelijke ingestelde persoonsregistraties de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 54, lid 4 (Stb. 1988, 665)
Product: Besluit van 16 juni 1989, houdende aanwijzing van persoonsregistraties waarop de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is (Stb. 1989, 238), gewijzigd 1994 (Stb. 1994, 690), gewijzigd 1996 (Stb. 1996, 278)
Opmerking: De Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister [staatssecretaris] van Economische Zaken verrichten deze handeling.
Bij de invoering van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) bestond reeds een aantal wettelijk ingestelde registraties. Bij diverse van deze registraties was het geldende wettelijke regime strijdig met de Wet persoonregistraties. Een voorbeeld hiervan waren de registers ingesteld bij of krachtens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395).
Waardering: B 5
8.9 Minister van Verkeer en Waterstaat
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin wordt vastgesteld op welke wettelijke ingestelde persoonsregistraties de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 54, lid 4 (Stb. 1988, 665)
Product: Besluit van 16 juni 1989, houdende aanwijzing van persoonsregistraties waarop de Wet persoonsregistraties niet van toepassing is (Stb. 1989, 238), gewijzigd 1994 (Stb. 1994, 690), gewijzigd 1996 (Stb. 1996, 278)
Opmerking: De Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister [staatssecretaris] van Economische Zaken verrichten deze handeling.
Bij de invoering van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) bestond reeds een aantal wettelijk ingestelde registraties. Bij diverse van deze registraties was het geldende wettelijke regime strijdig met de Wet persoonregistraties. Een voorbeeld hiervan waren de registers ingesteld bij of krachtens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395).
Waardering: B 5
8.10 Minister-President
Handeling: Het gezamenlijk met de betrokken minister(s) bepalen op welke geautomatiseerde persoonsregistraties met persoonsgegevens de geldende voorschriften niet van toepassing zijn in verband met de staatsveiligheid
Periode: 1975–
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 26 (Stcrt. 1975, 50)
Product: Beschikkingen
Opmerking: Deze handeling wordt verricht door de Minister-President, de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en (eventueel) de Vakminister. Het gaat hierbij om registraties zoals eventueel in gebruik door inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Waardering: B 5
8.11 Vakminister
Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens.
Periode: 1968–
Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties, etc.
o.a.: Beleidsregels Protocollaire Basisadministratie (BuZa) (Stcrt. 2002, 214)
Opmerking: Onder deze handeling valt ook:
Het voeren van overleg met de andere betrokken actoren op het beleidsterrein;
Het voorbereiden van een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het beleidsterrein;
Het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het beleidsterrein;
Het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het beleidsterrein; zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’;
Het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie).;
Het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het beleidsterrein; zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’, handeling 295, 357 en 374;
Het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het beleidsterrein;
Het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het beleidsterrein;
Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument).
Waardering: B 1, 2
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, circulaires
o.a.:
Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie van Financiën (Stcrt. 2002, 163)
Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie van VROM (Stcrt. 2001, 198)
Regeling bescherming persoonsgegevens V&W (Stcrt. 2002, 226)
Regeling bescherming persoonsgegevens in personeelsdossiers en Emplaza BZK (Stcrt. 2003, 237)
Regeling taken en bevoegdheden functionaris gegevensbescherming OCW (Stcrt. 2004, 150)
Regeling toezichtbevoegdheden privacyfunctionaris V&W (Stcrt. 2002, 226)
Tijdelijk besluit gebruik sofi-nummer experimenten informatietechnologie zorg (VWS) (Stb. 2005, 566)
Tijdelijk besluit nummergebruik overheidstoegangsvoorziening (Stb. 2004, 584)
Wijzigingsbesluit Algemeen Rijksambtenarenreglement (VWS) (Stb. 2005, 435)
Wijzigingsbesluit Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, enz. (Fin.) (Stb. 2005, 692)
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het beleidsterrein bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen
Waardering: B 3; V, 2 jaar: overige verslagen
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake het beleid ten aanzien van bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Grondslag: Grondwet
Product: Brieven, notities
Opmerking: Deze handeling vond verschillende malen per jaar plaats (bron: interview met mr. P. J. Hustinx
Waardering: B 2, 3
Handeling: Het informeren van de Commissies voor Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid ten aanzien van bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Brieven, notities
Waardering: B 3
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende bescherming van persoonsgegevens en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen
Periode: 1968–
Product: Beschikkingen, verweerschriften
Waardering: V, 5 jaar na uitspraak
Handeling: Het medevoorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake bescherming van persoonsgegevens en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties
Periode: 1968–
Product: Internationale regelingen, nota’s, notities en rapporten
Waardering: B 1
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid ten aanzien van bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Brieven, notities
Waardering: V, 1 jaar
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Voorlichtingsmateriaal
Waardering: V, 2 jaar; B 5 één exemplaar
Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Offerte, brieven en rapport
Waardering: B 1, 2
Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek naar bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Notities, notulen en brieven
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Notities, brieven, etc.
Waardering: B 2
Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek naar bescherming van persoonsgegevens
Periode: 1968–
Product: Rekeningen en declaraties
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het vaststellen van algemene richtlijnen waaraan de beveiliging van geautomatiseerde systemen dienen te voldoen
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 5, lid 1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Richtlijnen
Opmerking: De vakminister kan in dit geval ook de secretaris-generaal zijn.
Waardering: B 5
Handeling: Het aanwijzen van een beveiligingsambtenaar (BVA) die met de beveiliging van de persoonsgegevens is belast
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 1, lid1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Aanwijzing
Opmerking: Bij elk departement was de secretaris-generaal belast met de algemene zorg voor de beveiliging van persoonsgegevens berustend bij het ministerie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen. Het feitelijke toezicht werd echter uitgeoefend door de bovengenoemde ambtenaar.
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)
Handeling: Het aanwijzen van een G-beveiligingsfunctionaris (GBF) die met de beveiliging van de persoonsgegevens is belast
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 1, lid 2 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Aanwijzing
Opmerking: Het hoofd van het G-geheel was verantwoordelijk voor de uitvoering van en voor de controle op de beveiligingsmaatregelen binnen dat G-geheel. Hij werd in de uitoefening van zijn beveiligingstaak terzijde gestaan door een G-beveiligingsfunctionaris.
De vakminister kan in dit geval ook de secretaris-generaal zijn.
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)
Handeling: Het gezamenlijk met de betrokken minister(s) bepalen op welke geautomatiseerde persoonsregistraties met persoonsgegevens de geldende voorschriften niet van toepassing zijn in verband met de staatsveiligheid
Periode: 1975–
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 26 (Stcrt.1975, 50)
Product: Beschikkingen
Opmerking: Deze handeling wordt verricht door de Minister-President, de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en (eventueel) de Vakminister. Het gaat hierbij om registraties zoals eventueel in gebruik door inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Waardering: B 5
Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarin voor de persoonsregistraties in bepaalde sectoren nadere regels worden gegeven
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 16, lid 1 en 2 (Stb. 1988, 665)
Product: AMvB
Opmerking: Een dergelijk AMvB kan (drie jaar na de inwerkingtreding van de bovenstaande grondslag) worden ingesteld, wanneer de zelfregulering via gedragscodes in bepaalde sectoren onvoldoende van de grond komt. De Registratiekamer geeft in haar jaarverslag aan in hoeverre zij de totstandkoming van een dergelijke AMvB wenselijk acht.
Overigens schrijft art. 3 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) voor dat indien een AMvB mede een andere minister dan de Minister van Justitie aangaat, de voordracht door de betrokken ministers gezamenlijk moet worden gedaan.
Een soortgelijke handeling op grond van de Wbp valt onder algemene handeling 2.
Waardering: B 5
Handeling: Het adviseren van de Minister van Justitie inzake de vaststelling van instellingen uit de (semi-) publieke sector op wie paragraaf 5 van de Wet persoonsregistraties van toepassing moet zijn
Periode: 1990–
Bron: Nota van Toelichting op het Besluit van 19 december 1989, houdende uitvoering van artikel 17, onder b en c, van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1989, 569)
Product: Advies
Opmerking: Ter uitvoering van het bovengenoemde besluit is desgevraagd door alle ministeries een opgave verstrekt, terwijl ook van elders nuttige suggesties werden ontvangen. Het opstellen van het besluit en in het bijzonder de keuze van de instellingen en voorzieningen welke uiteindelijk daarin zijn aangewezen, geschiedde in nauwe samenwerking met de ministeries.
Waardering: B 1
Handeling: Het verrichten van meldingen bij de Europese Commissie van afwijkingen van het verbod om gevoelige persoonsgegevens te verwerken, in het geval de afwijking is gebaseerd op de Wbp.
Periode: 2000–
Grondslag: Wet Bescherming Persoonsgegevens, art. 23 lid 3 (Stb. 2000, 302)
Europese richtlijn, art. 8 (PbEG L 281)
Product: melding
Opmerking: De meldingen worden door het Ministerie van Justitie verzameld en van daaruit naar de EC doorgestuurd.
Waardering: B 5
8.12 Minister als bestuursorgaan
Handeling: Het opstellen van een regeling/ reglement voor het geautomatiseerde registratiesysteem met persoonsgegevens
Periode: 1975–
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 1 (Stcrt. 1975, 50)
Product: Regeling
Waardering: B 5
Handeling: Het opstellen van een regeling voor het geautomatiseerde registratiesysteem met persoonsgegevens
Periode: 2005–
Grondslag: Registratieverordening HBD 2005, art. 18 (Vbbo. 2005, 41)
Product: Verordening registratie en inzage van boeken en bescheiden Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (Vbbo. 2003, 37)
Waardering: V, 5 jaar na vervallen belang
Handeling: Het geven van opdrachten tot het treffen van voorzieningen zodat op verzoek van een geregistreerde:
wordt medegedeeld welke gegevens over hem/haar zijn opgenomen;
gegevens die onjuist zijn of ten onrechte in de registratie zijn opgenomen worden verbeterd of verwijderd;
ontbrekende gegevens in de registratie worden aangevuld;
wordt medegedeeld welke gegevens uit de registratie aan andere instanties zijn verstrekt.
Periode: 1975–
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 4, 5 en 6 (Stcrt. 1975, 50)
Product: Opdracht
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het beslissen op een verzoek van een registreerde tot:
het verstrekken van gegevens welke over de geregistreerde zijn opgenomen;
verbeteren of verwijderen van gegevens die onjuist zijn of ten onrechte in de registratie zijn opgenomen;
het aanvullen van ontbrekende gegevens in de registratie;
mededelen welke gegevens uit de registratie aan andere instanties zijn verstrekt.
Periode: 1975–
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid art. 4, 5 en 6 (Stcrt. 1975, 50)
Product: Beschikking
Opmerking: Deze handeling vond niet of nauwelijks plaats (bron: interview met mr. P.J. Hustinx)
Waardering: V, 3 jaar
Handeling: Het beslissen op een beroep inzake een correctieprocedure
Periode: 1975–
Bron: Inleiding op de Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1975, 50)
Product: Beschikking
Opmerking: Deze handeling vond niet of nauwelijks plaats (bron: interview met mr. P.J. Hustinx)
Waardering: B 5: zaken leidend tot jurisprudentie; V, 5 jaar na definitieve afdoening: rest
Handeling: Het aanwijzen van een instantie die belast is met het houden van intern toezicht op een geautomatiseerde registraties met persoonsgegevens
Periode: 1975–
Bron: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 16 (Stcrt. 1975, 50)
Product: Instellingsbeschikking
Waardering: B 3
Handeling: Het benoemen van een eigen functionaris voor de gegevensbescherming.
Periode: 2000–
Bron: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 62 (Stb. 2000, 302)
Product: Benoemingsbesluit
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)
Handeling: Het vooraf melden van het verstrekken van gegevens bij de functionaris voor de gegevensbescherming of het CBP
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 27 (Stb. 2000, 302)
Product: Meldingenregister
Waardering: B 3
Handeling: Het vaststellen van de eisen waaraan de beveiliging van het geautomatiseerde systeem dient te voldoen
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 5, lid 1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Eisen
Opmerking: In zijn hoedanigheid als houder stelde het bestuursorgaan vast aan welke eisen zijn geautomatiseerde systeem moest voldoen. Uiteraard deed hij dit met inachtneming van de richtlijnen die de secretaris-generaal in het kader van zijn algemene zorg voor de beveiliging had uitgevaardigd.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het geven van opdrachten tot het treffen van voorzieningen ten aanzien van de organisatie ter
– bescherming en
– beveiliging van geautomatiseerde registraties met persoonsgegevens bij de rijksoverheid, en
– waarborging dat bij verlies of beschadiging van gegevens herstel kan plaatsvinden.
Periode: 1975 –1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 8 en 17 t/m 24 (Stcrt. 1975, 50) en Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid 1, lid 1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Opdrachten
Opmerking: Het ging hierbij om voorzieningen die de persoonlijke levenssfeer van de personen over wie gegevens in die registratie zijn opgenomen, in voldoende mate moesten verzekeren.
De gegevens werden beschermd tegen:
verlies of beschadiging door brand, water, straling of luchtverontreiniging en andere calamiteiten;
kwaadaardigheid, onachtzaamheid, verkeerd gebruik door het personeel en verlies of beschadiging door derden.
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het goedkeuren van de getroffen beveiligingsmaatregelen in het G-geheel waar de bestuursorgaan in zijn hoedanigheid van houder gegevens laat verwerken
Periode: 1982–1994
Grondslag: Inleiding op de Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Beschikking
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het rapporteren in het kader van de periodieke controle van beveiligingsvoorzieningen voor geautomatiseerde registraties met persoonsgegevens
Periode: 1975–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 24 (Stcrt. 1975, 50), Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art.1, lid 5 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Rapport
Waardering: V, 3 jaar
Handeling: Het stellen van voorwaarden voor de beveiliging van elektronische verbindingen voor geautomatiseerde registraties met persoonsgegevens
Periode: 1982–1994
Bron: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 9, lid 1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Voorwaarden
Opmerking: In de bovengenoemde regelgeving waren geen bepalingen opgenomen inzake de beveiliging van verbindingen of apparatuur tegen compromitterende straling. Ook was er geen verplichting opgenomen tot vercijfering van over externe verbindingslijnen te versturen gegevens. De wetgever achtte maatregelen op dit gebied ten aanzien van persoonsgegevens nog te zwaar. Natuurlijk bestond de mogelijkheid dat de houder van zeer privacygevoelige gegevens, of het hoofd van het G-geheel, ook in dit opzicht maatregelen nodig achtte. Voor de realisering van de bestaande wensen moest men zich dan wenden tot de beveiligingsambtenaar van het departement, die vervolgens de noodzakelijk contacten legde.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het opstellen van een rampenplan voor een geautomatiseerde registratie met persoonsgegevens
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 10, lid 1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Rampenplan
Waardering: V, 3 jaar na vervanging
Handeling: Het opstellen van een noodvernietigingsplan voor een geautomatiseerde registratie met persoonsgegevens
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 10, lid 3 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Noodvernietigingsplan
Waardering: V, 3 jaar na vervanging
Handeling: Het opstellen van een taak- en werkbeschrijving voor het personeel dat betrokken is bij een geautomatiseerde registratie met persoonsgegevens
Periode: 1975–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 20 (Stcrt. 1975, 50), Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 2, lid 1 sub 4. (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Taak- en werkbeschrijving
Waardering: V, 10 jaar na vervanging
Handeling: Het registreren wie de volgende werkzaamheden heeft verricht bij een geautomatiseerde -registratie met persoonsgegevens:
– het ontwerpen van toepassingen;
– het programmeren van toepassingen en het onderhoud van programma’s;
– het uitvoeren van acceptatietests;
– de bediening van G-apparatuur;
– het vervaardigen, onderhouden en aanpassen van bedrijfs- en steunprogrammatuur;
– het ontvangen en afleveren van gegevens;
– het beheren van bestanden;
– controle.
Periode: 1975–1994
Bron: Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de rijksoverheid, art. 20 (Stcrt. 1975, 50), Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 2, lid 1 sub 4 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Registratie
Waardering: V, 3 jaar na beëindiging werkzaamheden
Handeling: Het aanstellen of in dienst nemen van G-personeel bij een geautomatiseerde registratie met persoonsgegevens
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 2, lid 1 sub 1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Aanstelling
Opmerking: De aanstelling of indienstneming van G-personeel kan slechts geschieden na een antecedentenonderzoek.
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)
Handeling: Het voorlichten van het eigen G-personeel over het belang van de geldende beveiligingsmaatregelen en -bepalingen binnen het G-geheel
Periode: 1982–1994
Bron: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 2, lid 1 sub 6 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Voorlichtingsmateriaal
Waardering: V, 2 jaar; B: één exemplaar. De voorbereidende stukken worden vernietigd.
Handeling: Het onderzoeken of door G-personeel inbreuk is gemaakt op binnen het G-geheel geldende beveiligingsmaatregelen en -bepalingen en het eventueel nemen van disciplinaire maatregelen
Periode: 1982–1994
Bron: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 2, lid 1 sub 7 en.8 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Rapporten
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het geven van schriftelijk toestemming voor de betrokkenheid van niet-ambtelijke instellingen, bedrijven of personen bij de verwerking of opslag van persoonsgegevens
Periode: 1982–1994
Grondslag: Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid, art. 8, lid 2 sub1 (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Beschikking
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het geven van een schriftelijke opdracht aan het hoofd van het G-geheel om bij de verwerking af te wijken van de in het reglement genoemde bepalingen
Periode: 1982–1994
Grondslag: Inleiding op Aanwijzingen inzake de beveiliging van persoonsgegevens verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksoverheid (Stcrt. 1982, 156), vervallen in 1994 (Stcrt. 1994, 173)
Product: Beschikking
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het opstellen van een reglement voor de persoonsregistratie
Periode: 1990–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 19, lid 1 (Stb. 1988, 665)
Product: Reglement
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van een deelvoorziening
Periode: 1989–
Bron: G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie (z.p., 1995) p. 674.
Product: Deelvoorziening
Opmerking: De op de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) gebaseerde gedragcodes zijn, zoals beoogd, in het bedrijfsleven gerealiseerd. In de overheidssector zijn geen gedragcodes gerealiseerd. Wel zijn vergelijkbare (deel-)voorzieningen vastgesteld op basis van verordeningen en ministeriële regelingen.
Waardering: B 5
Handeling: Het informeren van een geregistreerde/ betrokkene omtrent het verwerken van zijn/haar persoonsgegevens.
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 28, lid 1 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, artt. 33 en 34 lid 1 (Stb. 2000, 302)
Product: Mededeling
Opmerking: De houder/verantwoordelijke deelt een ieder over wie voor de eerste keer persoonsgegevens in de registratie worden opgenomen mede dat dit geval is. Deze mededeling geschiedt schriftelijk en binnen een tijdsbestek van drie maanden.
Op grond van de Wbp verstrekt de verantwoordelijke nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.
De voornoemde verplichting geldt niet wanneer de geregistreerde weet, c.q. redelijkerwijs kan weten dat een dergelijke opname heeft plaatsgevonden of wanneer een gewichtig belang van de geregistreerde zich verzet tegen het doen van een dergelijke mededeling.
Ingevolge art. 30 van de Wpr en art. 43 van de Wbp kan de houder/verantwoordelijke een dergelijke mededeling ook achterwege laten in belang van:
– de veiligheid van de staat;
– de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
– economische en financiële belangen van de staat en andere organen met een publiekrechtelijke taak;
– inspectie, controle en toezicht door of vanwege overheidsorganen of andere organen met een publiekrechtelijke taak;
– gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de houder daaronder inbegrepen.
Ingevolge art. 34 lid 3 van de Wbp hoeft de verantwoordelijke niets mee te delen indien mededeling van de informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. In dat geval legt de verantwoordelijke de herkomst van de gegevens vast.
Waardering: V, 3 jaar na vernietiging van de gegevens
Handeling: Het beslissen op een verzoek van de geregistreerde tot het verstrekken van:
een mededeling omtrent de aanwezigheid van zijn/haar persoonsgegevens in de betreffende registratie;
een overzicht van de opgenomen persoonsgegevens met inlichtingen over de herkomst hiervan.
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 29, lid 1 en 2 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 35 (Stb. 2000, 302)
Product: Mededelingen en overzichten
Opmerking: Ingevolge art. 30 van de Wpr en art. 43 van de Wbp kan de houder/verantwoordelijke een dergelijke mededeling ook achterwege laten in belang van:
– de veiligheid van de staat;
– de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
– economische en financiële belangen van de staat en andere organen met een publiekrechtelijke taak;
– inspectie, controle en toezicht door of vanwege overheidsorganen of andere organen met een publiekrechtelijke taak;
– gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de houder daaronder inbegrepen.
De houder/verantwoordelijke is verplicht om zorg te dragen voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.
Waardering: V, 3 jaar
Handeling: Het beslissen op het verzoek van een geregistreerde tot het verbeteren, aanvullen of verwijderen van zijn/haar gegevens in de registratie
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 31 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 36 lid 2 (Stb. 2000, 302)
Product: Beslissing
Waardering: V, 3 jaar
Handeling: Het registreren welke gegevens uit een persoonsregistratie aan derden zijn verstrekt (protocolplicht)
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 32 (Stb. 1988, 665)
Product: Register
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het beslissen op het verzoek van een geregistreerde tot het mededelen welke gegevens van hem/haar uit de registratie aan derden zijn verstrekt
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 32 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 38 lid 2 (Stb. 2000, 302)
Product: Beslissing
Opmerking: Ingevolge art. 30 van de Wpr en art. 43 van de Wbp kan de houder/ verantwoordelijke een dergelijke mededeling ook achterwege laten in belang van:
– de veiligheid van de staat;
– de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
– economische en financiële belangen van de staat en andere organen met een publiekrechtelijke taak;
– inspectie, controle en toezicht door of vanwege overheidsorganen of andere organen met een publiekrechtelijke taak;
– gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de houder daaronder inbegrepen.
Waardering: V, 3 jaar
Handeling: Het op verzoek van de Registratiekamer/ het CBP of op bevel van de rechtbank, Raad van State of de Centrale Raad voor Beroep alsnog:
verstrekken van een mededeling aan een geregistreerde omtrent de aanwezigheid van zijn/haar persoonsgegevens in de betreffende registratie, dan wel een overzicht van deze gegevens met inlichtingen over de herkomst hiervan;
verbeteren, aanvullen of verwijderen van de persoonsgegevens van de geregistreerde in de registratie;
mededelen aan een geregistreerde welke gegevens van hem/haar uit de registratie aan derden zijn verstrekt.
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 34 lid 3 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, artt. 45, 46 en 47
Product: Mededeling
Waardering: V, 3 jaar na afdoening
Handeling: Het geven van opdracht tot het treffen van technische en organisatorische voorzieningen ter beveiliging van een persoonsregistratie tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 8 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 13 en 14 (Stb. 2000, 302)
Product: Opdracht, bewerkersovereenkomst
Waardering: V, 5 jaar na vervanging/ na vervallen van de overeenkomst
Handeling: Het opdracht geven tot het treffen van voorzieningen ter bevordering van de juistheid en de volledigheid van de opgenomen persoonsgegevens
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 5, lid 2 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 11 lid 2 (Stb. 2000, 302)
Product: Opdracht, werkprocedure
Waardering: V, 3 jaar na vervanging
Handeling: Het vragen om toestemming voor de opname van gevoelige/ bijzondere gegevens in een persoonsregistratie
Periode: 1993–
Grondslag: Besluit gevoelige gegevens, art. 8, lid 1sub c en 2 (Stb. 1993, 158); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 23 lid 2 (Stb. 2000, 302)
Product: Verzoek
Waardering: V, 3 jaar na vernietiging van de gegevens
Handeling: Het beslissen inzake een ingediend bezwaar tegen de opname van gevoelige gegevens in een persoonsregistratie
Periode: 1993–2001
Grondslag: Besluit gevoelige gegevens, art. 8, lid 1 sub d (Stb. 1993, 158)
Product: Beslissing
Waardering: B 5: zaken leidend tot jurisprudentie; V, 10 jaar: rest
Handeling: Het beslissen inzake verzet van een betrokkene tegen verwerking van zijn gegevens.
Periode: 2000–
Grondslag: Wet bescherming persoonsgegevens, art. 40 (Stb. 2000, 302)
Product: Beslissing
Waardering: V, 5 jaar na definitieve afdoening
Handeling: Het opdracht geven tot het verstrekken van gegevens uit een persoonsregistratie aan derden omdat dit:
voortvloeit uit het doel van de registratie;
wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift;
geschiedt met toestemming van de geregistreerde;
geschiedt ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek dan wel op grond. van dringende redenen.
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 11 lid 1 en 2, artt. 12 t/m 14 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 7 t/m 11 (Stb. 2000, 302)
Product: Opdracht
Opmerking: De verstrekking van gegevens blijft achterwege voor zover uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift geheimhouding verplicht is. Indien de geregistreerde de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of onder curatele is gesteld, is in plaats van zijn toestemming die van zijn wettelijke vertegenwoordiger nodig.
Waardering: V, 5 jaar na verstrekking
Handeling: Het vragen om schriftelijke toestemming aan de geregistreerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger tot het verstrekken van gegevens uit een persoonsregistratie aan derden
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 11, lid 1 en 12 (Stb. 1988, 665)
Product: Verzoek
Opmerking: Wanneer voor de verstrekking van gegevens uit een persoonsregistratie toestemming van de geregistreerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger nodig is, kan deze slechts schriftelijk worden gegeven. Deze toestemming kan betrekking hebben op één geval of op een beperkte categorie en moet in de aanvraag nauwkeurig omschreven zijn. De gegeven toestemming kan altijd schriftelijk worden ingetrokken.
Waardering: V, 5 jaar na verstrekking
Handeling: Het beslissen op een aanvraag van personen of instanties met een publiekrechtelijke taak om gegevens uit persoonregistraties aan hen te verstrekken
Periode: 1990–2000
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 18 lid 3 (Stb. 1988, 665)
Product: Beslissing
Opmerking: Dergelijke gegevens worden alleen verstrekt voor zover de betreffende personen en instanties deze nodig hebben voor de uitoefening van hun taak en de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden niet onevenredig wordt geschaad. De verstrekking van gegevens blijft achterwege voor zover uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift geheimhouding verplicht is.
Waardering: B 5: zaken leidend tot jurisprudentie; V, 3 jaar na beslissing: rest
Handeling: Het opdracht geven tot het voeren van verweer in een rechtszaak tegen de aanklacht van een geregistreerde dat de Wet persoonsregistraties is overtreden
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 9 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, artt. 49 en 50 (Stb. 2000, 302)
Product: Opdracht
Waardering: B 5: zaken leidend tot jurisprudentie; V, 10 jaar
Handeling: Het op bevel van de rechter opdracht geven tot het:
uitbetalen van een schadeloosstelling;
het treffen van maatregelen tot staken van onrechtmatig gedrag;
het treffen van maatregelen tot herstel van de gevolgen van onrechtmatig gedrag.
Periode: 1989–2001
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 9 en 10 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, artt. 49 en 50 (Stb. 2000, 302)
Product: Opdracht
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het opdracht geven tot het verstrekken van inlichtingen aan de Registratiekamer/het CBP
Periode: 1989–
Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 45, lid 1 en 2 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 60 lid 1 (Stb. 2000, 302)
Product: Opdracht
Opmerking: De houder/verantwoordelijke van een persoonsregistratie en de personen die bij de werking daarvan zijn betrokken, zijn verplicht om aan de ambtenaren van het secretariaat van de Registratiekamer/ het CBP en andere door deze aangewezen personen alle gevraagde inlichtingen te verstrekken en aan hen de medewerking te verlenen die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
Onder deze handeling wordt ook verstaan het opstellen van een reactie op een onderzoeksrapport van het CBP.
Waardering: V, 15 jaar na oplevering van het rapport
8.13 Functionaris voor de gegevensbescherming
Handeling: Het opstellen van een jaarverslag van zijn werkzaamheden en bevindingen.
Periode: 2000–
Bron: Wet Bescherming Persoonsgegevens, art. 63 lid 5 (Stb. 2000, 302)
Product: Jaarverslag
Opmerking: Dit jaarverslag wordt door de functionaris aan zijn verantwoordelijke gestuurd. In de meeste gevallen is dat de vakminister.
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het bijhouden van een register van de bij hen aangemelde gegevensverwerkingen.
Periode: 2000–
Bron: Wet Bescherming Persoonsgegevens, art. 30 lid 1 (Stb. 2000, 302)
Product: Register
Opmerking: Het komt er in de praktijk op neer dat elk ministerie beschikt over een register, dat door de functionaris voor de gegevensbescherming wordt beheerd.
Waardering: V, 5 jaar na intrekking wet
9 Aanvulling op gebruikte wet- en regelgeving op het beleidsterrein bescherming van persoonsgegevens
Wet Bescherming Persoonsgegevens (Stb. 2000, 302)
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Stb. 2000, 365)
Wet tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 2001, 180)
Besluit gebruik sofi-nummer Wbp (Stb. 2001, 383)
Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305)
Meldingsbesluit Wbp (Stb. 2001, 244)
Meldingsregeling Wbp (Stcrt. 2002, 137)
Vaststellingsbesluit enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2001, 382)
Vrijstellingsbesluit Wbp (Stb. 2001, 250).
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)