Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kansspelen 1945-2000 (Minister van Financiën)

Type Archiefselectielijst
Publication 2007-07-21
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007 nr. arc-2007.03707/10);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kansspelen over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument voor het beleidsterrein Kansspelen 1945–

Voor de zorgdragers:

versie juni 2007

PWAA / Pim Fijnheer

Rotterdam

Gebruikte afkortingen

ALN: Stichting Algemene Loterij Nederland

AmvB: Algemene Maatregel van Bestuur

BSD: Basisselectiedocument

CRM: Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

GeKa: Gereglementeerd Kansspel

HC: Holland Casino’s (Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland)

IBP: Interdepartementale Begeleidingscommissie Privatisering

IVO: Instituut voor Verslavingsonderzoek

KARGO: Kansspelen Als Riskante Gewoonte Onderzoek

KB: Koninklijk Besluit

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

KNVB: Koninklijke Nederlandse Voetbalbond

KvK: Kamer van Koophandel

LNV: Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

MDW: Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit

MvA: Memorie van Antwoord

MvT: Memorie van Toelichting

NBT: Nederlands Bureau voor Toerisme

NIL: Stichting Nederlandse Instantloterij

NMI: Nederlands Meetinstituut

NSF: Nederlandse Sportfederatie

PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging

OKW: Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

SENS: Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij

SFP: Stichting Fondsen Promoties

SNP: Stichting Nationale Postcodeloterij

SNS: Stichting de Nationale Sporttotalisator

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

SUFA: Stichting Uitvoeringsorgaan Financiële Akties

TK: Tweede Kamer

VAN: Vereniging Automatenhandel in Nederland

VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

ZBO: Zelfstandig Bestuursorgaan

Definitie van het BSD

Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.

Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.

Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie leeswijzer onder 3.8).

In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.

Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.

Functies van het BSD

Het BSD heeft de volgende functies:

Verantwoording

Dit basisselectiedocument geeft vorm aan de selectielijst, bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277).

Het basisselectiedocument bestaat uit één of meer selectielijsten voor de archiefbescheiden van actoren, voor zover zij op een bepaald beleidsterrein actief zijn of waren en onder de werkingssfeer van de Archiefwet 1995 vallen.

Het BSD is gebaseerd op: drs. L.P.A. Siepel, Het kanaliseren van de menselijke speelzucht. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid met betrekking tot het beleidsterrein kansspelen (1945-2000) Den Haag 2002, PIVOT-rapport 130.

De handelingen in het BSD zijn geordend naar actor. De actoren zijn geordend naar de zorgdrager. Het BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Er is echter een aantal verschillen. Handeling 18 komt in het BSD te vervallen; deze handeling is reeds ondervangen in handeling 9 van het BSD ‘Openbaar Ministerie’.

Ook zijn diverse nieuwe handelingen geformuleerd.

Handeling 18, ‘het geven van aanwijzingen aan de procureur-generaal t.a.v. de vervolging van strafbare feiten op het vlak van kansspelen, werd door de contactpersoon van het Projectbureau opgemerkt dat deze handeling hoorde bij het beleidsterrein Openbaar Ministerie’, komt te vervallen. De neerslag van deze handeling valt onder handeling 9 van het BSD Openbaar Ministerie.

Voor de toetsing van dit ontwerp-BSD is het raadzaam om eerst de leeswijzer bij de handelingenlijst te raadplegen. Afwijkingen van de handelingenlijst uit het RIO worden hierin toegelicht.

Het beleidsterrein

De houding van (centrale) overheden ten opzichte van de menselijke speelzucht is reeds lang een ambivalente. Enerzijds wordt onderkend dat ongelimiteerd gokken tot maatschappelijke en persoonlijke problemen kan leiden. Anderzijds wordt echter ook vastgesteld dat de behoefte om aan kansspelen deel te nemen nu eenmaal een gegeven is en dat hieraan ook positieve kanten zitten. Zo kunnen fondsen worden verworven voor goede doelen middels het organiseren van kansspelen. Een gevolg van deze ambivalentie is dat de houding van overheden ten opzichte van het gokken nooit volledig repressief is geweest, maar dat bij het bepalen van het kansspelbeleid altijd is gezocht naar een evenwicht tussen een repressieve en een meer liberale benadering.

Sinds de Tweede Wereldoorlog – maar ook al geruime tijd daarvoor – heeft de Nederlandse overheid geprobeerd om de menselijke speelzucht te kanaliseren door de verschillende kansspelen te reglementeren. Dit houdt in dat loterijen, prijsvragen, speelautomaten en later ook casino’s, onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan. De gestelde voorwaarden hebben over het algemeen betrekking op de wijze waarop de kansspelen worden georganiseerd en op de manier waarop met de opbrengsten wordt omgegaan. Het instrumentarium dat wordt ingezet om tot een kanalisatie van het kansspelaanbod te komen, bestaat uit het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht op vergunninghouders en het formuleren van voorwaarden en richtlijnen voor de legale kansspelen, alsmede het opsporen en vervolgen van aanbieders van illegale kansspelen.

De wettelijke basis voor het kansspelbeleid wordt gevormd door de Wet op de kansspelen uit 1964. Het werkingsgebied van deze wet komt grotendeels overeen met het terrein waarop het institutioneel onderzoek betrekking heeft. De belangrijkste onderdelen van de Wet op de kansspelen zijn in het RIO terug te vinden in de verschillende hoofdstukken: loterijen, de Staatsloterij, sportprijsvragen en de lotto, casinospelen en kansspeelautomaten.

Actoren op het beleidsterrein

In het bsd zijn de handelingen van de volgende actoren voorzien van een voorstel voor waardering:

Actoren onder de zorg van de Minister van Justitie

Minister van Justitie

Raad voor de Casinospelen

Commissie Tenkink

Commissie Loterijwezen

Werkgroep invoering casinospelen

Interdepartementale Werkgroep Speelautomaten

Commissie Coördinatie en Harmonisatie Kansspelbeleid

Werkgroep kansspelen herijkt

MDW-werkgroep Wet op de kansspelen

Actoren onder de zorg van de Minister van Economische Zaken

Minister van Economische Zaken

Werkgroep/projectgroep beheersstructuur casino’s

Commissie kansspeelautomaten

Actoren onder de zorg van de Minister van Financiën

Minister van Financiën

Directeur der Staatsloterij

Collecteur van de Staatsloterij

Trekkingscommissie Staatsloterij

Klachtencommissie voor collecteurs- en debitantenaangelegenheden

Werkgroep Privatisering Staatsloterij (Commissie Van Aardenne)

Interdepartementale Begeleidingscommissie Privatisering

Actoren onder de zorg van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Minister belast met sportzaken

Werkgroep Oranje

Projectgroep Lotto en Toto (Commissie-Verhoeve)

Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

Selectiecriteria

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

Selectiecriteria

Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoordingvan beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen door de zorgdrager(s) en het Nationaal Archief, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, gezamenlijk beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7).

Conform het Archiefbesluit 1995, art. 5, onder d 1° worden in het BSD de algemene criteria en eventuele beleidsterrein-specifieke criteria opgesomd om verantwoording te geven van de wijze waarop toepassing is gegeven aan het selectiebeleid.

Overigens verlangt art. 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in speciale gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. Hiertoe wordt de volgende formule in het BSD opgenomen:

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Vaststellingsprocedure

In 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Justitie mede namens de Ministers van Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan destijds de Minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt. In dit verslag zijn ook de uitkomsten van de historisch maatschappelijke analyse (HMA) opgenomen alsmede het verslag van de HMA als bijlage. Dit alles is tegelijk met het BSD naar de RvC verstuurd.

Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis heeft in het kader van het Project Wegwerken Archief Achterstanden ook genoemde documenten ter advisering ontvangen. Een kopie van het advies van het is vóór het verstrijken van de inzage termijn aan de RvC gezonden.

Vanaf 1 maart 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage via de website van het Nationaal Archief en de website van het Ministerie van OCW alsmede bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. De inzage was aangekondigd in de Staatscourant.

Op 4 april bracht het ING advies uit (07.066) waarbij het eindoordeel luidde: geen bezwaar.

Het advies heeft echter wel aanleiding gegeven tot de volgende wijzingen in de ontwerp-selectielijst:

– De waardering van de handelingnummers 217, 265 en 273 wijzigt naar B.

Op 23 april bracht de RvC advies uit (arc-2007.03707/10), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 22 juni 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Project Directeur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de Minister van Economische Zaken (C/S&A/07/1607), de Minister van Financiën (C/S&A/07/1609), de Minister van Justitie (C/S&A/07/1608) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/07/1606) vastgesteld.

Leeswijzer van de handelingen

In het BSD dient een leeswijzer opgenomen worden welke duidelijk maakt, welke informatie in een handelingenblok te vinden is. Dit kan met behulp van het onderstaande voorbeeld

Dit is het volgnummer van de handeling.

Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Bijvoorbeeld:

Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945- genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend, kan op twee manieren worden vermeld.

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)

De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3

NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is.

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.

Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.

Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

Actorenoverzicht

Overheidsorganen actief op het terrein van kansspelen

Handelingen onder de zorg van de Minister van Justitie

Het Ministerie van Justitie is gedurende de gehele periode het eerstverantwoordelijke departement op het beleidsterrein kansspelen. De staatssecretaris van dit departement is onder meer belast met het voorbereiden en coördineren van het algemene kansspelbeleid. Verder verleent het Ministerie vergunningen voor landelijke loterijen alsmede, samen met de Minister belast met sportzaken, voor het organiseren van de sportprijsvragen (zoals de voetbaltoto) en de lotto. Ook het toezicht van overheidswege op de organisatie en de financiële administratie van de aanbieders van dergelijke kansspelen gebeurd geheel (loterijen) of gedeeltelijk (sportprijsvragen en de lotto) vanuit de Ministerie van Justitie.

Ten aanzien van de Staatsloterij is de rol van de Minister van Justitie beperkt: vanaf 1992 dient deze overeen te stemmen met de Minister van Financiën inzake het verlenen van een vergunning voor het houden van de Staatsloterij. In het kader van het beleid ten aanzien van speelcasino’s treedt de Minister van Justitie in vrijwel alle handelingen samen op met de Minister van Economische Zaken. Dat betekent dat de Minister van Justitie mede vergunning verleent voor het organiseren van speelcasino’s en ook mede verantwoordelijk is voor het toezicht van overheidswege op het handelen van de vergunninghouder. Ten aanzien van speelautomaten is de directe rol van de Minister Justitie beperkt tot speelautomaten in een casino en regelgeving met het oog op toezicht en opsporing.

In de loop der tijd waren de volgende dienstonderdelen van het departement van Justitie belast met de voorbereiding en uitvoering van het beleid ten aanzien van kansspelen: 2e Afdeling Bureau A (jaren veertig), 6e Afdeling, onderafdeling publiekrecht (jaren vijftig), Hoofdafdeling Publiekrecht, afdeling Staats- en Strafrecht (begin jaren zestig), Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht (vanaf eind jaren zestig tot begin jaren negentig), Directie Staats- en Strafrecht (tot 1995) en de Directie Bestuurszaken (vanaf 1996). De beleidsvorming vindt momenteel plaats bij de Directie Sanctie- en Preventiebeleid (DSP).

De taak van deze bij Stb. 1974, 441 ingestelde en op 1 maart 1975 geïnstalleerde Raad was het gevraagd of uit eigener beweging geven van advies aan de Ministers van Justitie en Economische Zaken inzake het beleid ten aanzien van casino’s. Verder moest de Raad instemmen met een aantal beslissingen die door de Ministers werden genomen. Tenslotte hield de Raad toezicht op de vergunninghouder voor het organiseren van casinospelen, de Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland (NSECN). In een advies van de Raad uit 1988 werd gepleit voor de vorming van een adviesorgaan met een breder takenpakket. Met de instelling van dit orgaan, het College van Toezicht op de kansspelen, werd de Raad voor de Casinospelen in 1996 opgeheven; het beheer van het archief ging toen over op de zorgdrager, de Minister van Justitie.

Het College van Toezicht op de Kansspelen is in 1995 ingesteld bij de Wet van 18 mei 1995 tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 300). Voor een deel is het College opvolger van de opgeheven Raad voor de Casinospelen. Het College heeft echter een breder takenpakket dan de Raad had, namelijk:

Het College bestaat uit ten hoogste twaalf leden, die allen worden benoemd en ontslagen door de Kroon. De helft van het College, waaronder de voorzitter, wordt gevormd door onafhankelijke deskundigen, de andere helft bestaat uit ambtenaren met een raadgevende stem. Het College wordt verder bijgestaan door een secretaris, eveneens benoemd bij Koninklijk Besluit, die daarnaast de leiding heeft over een ambtelijk secretariaat dat de werkzaamheden van het College ondersteunt. Het College zal mogelijk een eigen selectielijst vervaardigen voor de handelingen op dit beleidsterrein gezien de ZBO-status.

Commissie F26

De Commissie Tenkink werd ingesteld bij besluit van de Minister van Justitie van 9 maart 1954. De commissie had de opdracht om de Minister te adviseren over verbetering van de regelgeving ten aanzien van loterijen. De commissie had in het bijzonder tot taak de toepasbaarheid van de wetgeving voor het kanaliseren van de menselijke speelzucht te toetsen. In haar eindverslag van 30 november 1954 concentreerde de Commissie zich op problemen rond de verschillende particuliere loterijen in relatie tot artikel 3 van de Loterijwet.

De commissie Wiarda werd op 3 maart 1959 geïnstalleerd en had de opdracht om ‘het gehele vraagstuk van de loterijen en de daaraan verwante activiteiten in beschouwing te nemen’. Daarbij moest worden overwogen in hoeverre wijzigingen of aanvullingen op de bestaande wettelijke regelingen noodzakelijk waren. De Commissie kwam in december 1958 met een interim-rapport waarin onder meer een regeling met betrekking tot de voetbaltoto was opgenomen. Op 20 juni 1963 presenteerde de commissie haar eindrapport, waar ook het wetsvoorstel voor de Wet op de kansspelen deel van uitmaakte.

De werkgroep werd in januari 1974 ingesteld door de Minister van Justitie. De wijziging van de Wet op de kansspelen (Stb. 1974, 441) waarmee casino’s in Nederland werden gelegaliseerd was vastgesteld en er moest een begin worden gemaakt met de uitwerking van de regeling. Op basis van een studie van buitenlandse wetgeving maakte de werkgroep een eerste opzet van de voorschriften die aan een vergunning tot het organiseren van een speelcasino verbonden zouden moeten worden. In oktober 1974 hield de werkgroep op te bestaan; de leden gingen over naar de voorlopige Raad de Casinospelen.

De Interdepartementale Werkgroep Speelautomaten, ook bekend als de Commissie Kuyper, werd eind 1974 door de Minister van Justitie ingesteld. De werkgroep had als opdracht om de problematiek rond de speelautomaten te onderzoeken. In 1977 presenteerde zij haar interim-rapport waarin werd gepleit voor het creëren van een wettelijk systeem, waarin alle speelautomaten onder een vergunningsysteem zouden moet worden gebracht. Voor de uitwerking van een dergelijke regeling werd een nieuwe Interdepartementale Werkgroep Speelautomaten ingesteld, bekend als de Commissie Van Tilburg.

De tweede Interdepartementale Werkgroep Speelautomaten werd in 1978 ingesteld door de Minister van Justitie en staat ook bekend als de Commissie Van Tilburg. De betrokken Ministeries waren die van Economische Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken en Financiën. Verder waren het Openbaar Ministerie, de politie en het VNG vertegenwoordigd. De werkgroep had tot taak om het wetsvoorstel ten aanzien van speelautomaten – zoals voorgesteld door de Commissie Kuyper – voor te bereiden. Hierbij werd de pas opgerichte speelautomatenbrancheorganisatie (VAN) eveneens nauw betrokken. In 1980 werd het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer aangeboden.

Commissie ingesteld door de Staatssecretaris van Justitie, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (Stcrt. 1991, 50). De Commissie had tot taak advies uit te brengen over de wijze waarop aan een verbeterde coördinatie en harmonisatie van de regelgeving en uitvoering op het gebied van de kansspelen vorm kan worden gegeven. Daarnaast diende de Commissie te onderzoeken of in dit kader een orgaan in het leven moest worden geroepen met advies- of beheersbevoegdheden op het terrein van de kansspelen. In maart 1992 presenteerde de Commissie haar eindrapport, Gelijke Kansen, waarmee zij werd ontbonden.

De werkgroep kansspelen herijkt werd begin 1997 ingesteld om advies uit te brengen over een integrale (justitiële) benadering van de kansspelproblematiek, als uitvloeisel van de nota Kansspelen Herijkt. In de werkgroep hadden vertegenwoordigers zitting van het openbaar Ministerie, politie, de belastingdienst en de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken.

In het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit is vanaf 1998 ook gekeken of er verbeteringen mogelijk waren op het terrein van de kansspelen. De werkgroep stond onder het voorzittersschap van prof. Huls, het secretariaat lag bij de Ministeries van Justitie en Economische Zaken. In 2000 presenteerde de werkgroep het rapport ‘Nieuwe ronde, nieuwe kansen’.

Handelingen onder de zorg van de Minister van EZ

De Minister van Economisch zaken is de verantwoordelijke vakMinister voor het beleid ten aanzien van casino’s en speelautomaten. De Minister verleent vergunningen voor het exploiteren en aanwezig hebben van speelautomaten, en houdt toezicht op de toelating van de verschillende typen speelautomaten. Verder is het Ministerie van Economische Zaken betrokken bij besluitvorming op andere onderdelen van het kansspelbeleid wanneer daarbij het midden- en kleinbedrijf in het geding is. Wanneer het gaat om het verlenen van vergunningen gebeurt dit door de Directie Wetgeving en andere Juridische Zaken van het departement.

Het gaat hier eigenlijk om twee commissies, beide ingesteld door de Minister van Economische Zaken. In eerste instantie werd in 1984 een werkgroep ingesteld onder leiding van directeur-generaal de Boer van het Ministerie van Economische Zaken om de herziening van de beheersstructuur van de casino’s te verkennen. De werkgroep werd al snel in een kleinere projectgroep omgezet, waarin naast de voorzitter van de Raad voor de casinospelen (Hustinx), de voorzitter van de NSECN (De Vriese) en een onafhankelijke wetenschapper (Horringa) zitting hadden. De conclusie van de projectgroep was dat de NSECN een zelfstandiger bestuursvorm zou moeten krijgen.

De Commissie kansspeelautomaten, ook bekend als de Commissie Nijpels, werd ingesteld in 1994 door de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie, en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (Stcrt. 1994, 60). De Commissie had tot taak om de betrokken Ministers te adviseren over een aanscherping van de normen die werden gesteld aan kansspeelautomaten waardoor het risico dat deze automaten tot problematisch speelgedrag kunnen leiden, tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau zou worden beperkt. Daarnaast diende de commissie zich te buigen over de formulering van een modelconvenant dat gemeenten zouden kunnen sluiten met speelautomatenexploitanten. In maart 1995 presenteerde de Commissie het rapport Op de kast gejaagd.

Handelingen onder de zorg van de Minister van Financiën

De Minister van Financiën is de eerstverantwoordelijke Minister voor het beleid ten aanzien van de Staatsloterij. Verder heeft de Minister met kansspelen te maken via de Wet op de kansspelbelasting. Handelingen ten aanzien van de kansspelbelasting worden echter niet in dit rapport beschreven daar zij reeds zijn behandeld in het RIO Belastingen: De geheiligde schuld (zie: handeling 360, 361 en 907). Bij het Ministerie van Financiën waren verschillende dienstonderdelen betrokken bij de Staatsloterij. Lange tijd was de Afdeling Indirecte Belastingen in ieder geval verantwoordelijk voor het algemene beleid.

De directeur der Staatsloterij was tot 1992 door de Minister van Financiën belast met het beheer van de Staatsloterij. Dit hield in dat de Directeur de dagelijkse gang van zaken rond de Staatsloterij regelde, zoals het benoemen van de collecteurs en debitanten van de Staatsloterij, het geven van aanwijzingen ten aanzien van hun werkwijze en het opstellen van een officieel plan voor de Staatsloterij. De Directeur werd door de Kroon benoemd en ontslagen.

De Collecteur van de Staatsloterij was tot 1992 door de Minister van Financiën belast met het uitbetalen van de prijzen van de staatsloterij, dan wel het uitstellen van deze betaling wanneer er gerede twijfel bestaat ten aanzien van de rechtmatigheid van het bezit van een lot door de aanbieder.

De Trekkingscommissie was aanwezig bij elke trekking van de Staatsloterij en stelde over de resultaten een proces-verbaal op. Een exemplaar van het proces-verbaal werd naar de Minister van Financiën gezonden. De leden van de Trekkingscommissie werden aangewezen door de Minister van Financiën.

De Klachtencommissie voor collecteurs- en debitantenaangelegenheden werd in 1983 ingesteld bij de Rechtspositieregeling staatslotenverkopers (Stcrt. 1983, 60). De taak van de commissie was het adviseren van de Minister van Financiën over klachten van collecteurs en debitanten tegen besluiten, of weigeringen daartoe, van of namens de Minister van Financiën of de Directeur der Staatsloterij. De Klachtencommissie bestond uit een voorzitter en drie leden en was onderverdeeld in twee kamers: één voor klachten van collecteurs en één voor klachten van debitanten. De belangenverenigingen van collecteurs en debitanten konden elk één lid voor benoeming in de klachtencommissie bij de Minister van Financiën voordragen.

De Werkgroep Privatisering Staatsloterij, ook bekend als de Commissie van Aardenne, werd op 23 december 1986 door de Staatssecretaris van Financiën ingesteld. De Werkgroep had als opdracht om de verschillende privatiseringsvarianten van de Staatsloterij te onderzoeken. Op 16 december 1987 presenteerde de commissie haar eindrapport, Het lot in eigen handen.

Deze algemene adviescommissie op het gebied van privatisering werd in 1988 door de Staatssecretaris van Financiën om advies gevraag over de voorgenomen privatisering van de Staatsloterij.

Handelingen onder de zorg van de Minister van VWS

De actor Minister belast met sportzaken verwijst in de loop der tijd naar verschillende Ministeries. Van 1945 tot 1968 was de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) onder meer belast met zaken betreffende de sport. Na 1968 was dit tot 1984 de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). In 1984 werd dit Ministerie omgedoopt in het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC), waarbij de staatssecretaris van volksgezondheid verantwoordelijk was voor sportzaken. De laatste verandering vond plaats in 1994 toen er een staatssecretaris voor sport kwam op het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

De Minister belast met sportzaken is betrokken bij het beleid ten aanzien van sportprijsvragen, de lotto en de krasloterij (een vorm van instantloterij). Concreet betekent dit dat de Minister samen met de Minister van justitie op deze gebieden nadere regels stelt, vergunningen verleent en toezicht houdt op de vergunninghouders.

Deze interdepartementale werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie, Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM), Financiën, Landbouw en Visserij en Economische zaken, had tot taak om te adviseren over de financiële positie van de sporttotalisator. Concreet betekende dit dat de Werkgroep Oranje de voorstellen voorbereidde tot wijziging van de Wet op de kansspelen ten aanzien van sportprijsvragen. Met deze wijziging (Stb. 1968, 288) werden de wettelijke beperkingen verruimd die aan de sporttotalisator waren opgelegd.

De Projectgroep Lotto en Toto werd op 15 oktober 1973 ingesteld door de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) en stond onder leiding van secretaris-generaal Verhoeve van het betreffende Ministerie. De projectgroep moest de Minister van CRM adviseren over de opzet van de instelling die zou worden belast met het organiseren van de lotto en de toto en die eveneens een belangrijke rol zou krijgen bij de verdeling van de opbrengst daarvan. De instelling van de projectgroep was een gevolg van het door de kamerleden Geurtsen en Van Schaik ingediende initiatiefwetsvoorstel waarmee een legale lotto in Nederland mogelijk zou worden. De discussie rond dit wetsvoorstel spitste zich toe op de vraag door welke organisatie de lotto georganiseerd moest worden. De Commissie Verhoeve adviseerde de Ministers uiteindelijk om de Stichting de Nationale Sporttotalisator (SNS) naast de toto ook de lotto te laten organiseren.

Selectielijsten

Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Justitie

Actor: Minister van Justitie

Kansspelbeleid in het algemeen

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het algemene beleid betreffende kansspelen

Periode: 1945–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten en adviezen

Bijvoorbeeld:

– Nota kansspelen in perspectief (1989);

– Nota Kansspelen in balans (1994);

– Nota kansspelen herijkt (1995).

Waardering: B 1

Handeling: Het evalueren van het beleid ten aanzien van kansspelen

Periode: 1945–

Waardering: B 1

Handeling: Het instellen van commissies en (interdepartementale) werkgroepen ten behoeve van het algemene kansspelenbeleid alsmede het formuleren van de onderzoeks- of adviesopdracht

Periode: 1945–

Product: Instellingsbeschikking Commissie Loterijwezen (Commissie Wiarda) van 3 maart 1959

– Werkgroep invoering casinospelen (1974);

– Interdepartementale werkgroep speelautomaten (Commissies Kuyper en Van Tilburg – 1974–1977) ;

– Instellingsbeschikking commissie coördinatie en harmonisatie kansspelbeleid (commissie Haars) (Stcrt. 1991, 50);

– Werkgroep kansspelen herijkt (1997).

Opmerking: Uit de instellingsbeschikking van de Commissie Haars valt op te maken dat de Minister van Justitie (advies)commissies voor het algemene kansspelbeleid instelt, maar daarbij vaak in overeenstemming handelt met de andere betrokken Ministers.

Waardering: B 4

Handeling: Het voorbereiden van de wijziging of intrekking van de Loterijwet

Periode: 1945–1964

Product: Besluit houdende nadere regelen inzake de verbindende kracht van maatregelen op het gebied van het loterijbedrijf, welke zijn uitgevaardigd gedurende de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa (Stb. 1945, F103);

– Wet houdende wijziging van de Loterijwet 1905 en vaststelling van enige met het loterijwezen verband houdende bepalingen (Stb. 1950, K619);

– Wet houdende nadere wijziging van de Loterijwet (Stb. 1955, 339);

– Wet houdende wijziging van de Loterijwet (Stb. 1961, 312);

– Wet op de loterijbelasting (Stb. 1961, 313).

Opmerking: De Minister belast met sportzaken zal hierbij niet vanaf 1945 bij betrokken zijn, aangezien deze Minister wettelijk gezien pas bij de toevoeging van regels met betrekking tot sportprijsvragen in 1961 een actor werd op het beleidsterrein.

Waardering: B 1

(10.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming en wijziging van de Wet op de kansspelen

Periode: 1945–

Product: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483)

Wijzigingen bij: (Stb. 1967, 108); (Stb. 1968, 288); (Stb. 1970, 612); (Stb. 1971, 287); (Stb. 1973, 287); (Stb. 1974, 441); (Stb. 1976, 229); (Stb. 1981, 154); (Stb. 1984, 91); (Stb. 1985, 600); (Stb. 1988, 672); (Stb. 1988, 673); (Stb. 1991, 394); (Stb. 1992, 282); (Stb. 1992, 371); (Stb. 1992, 636); (Stb. 1993, 650); (Stb. 1993, 658); (Stb. 1994, 573); (Stb. 1995, 300); (Stb. 1997, 63); (Stb. 1997, 510); (Stb. 1998, 270); (Stb. 1998, 298); (Stb. 1998, 446); (Stb. 1999, 9); (Stb. 1999, 30)

Opmerking: De Minister van Economische Zaken was niet vanaf het begin betrokken bij de totstandkoming en wijziging van de Wet op de kansspelen; hij is voor het eerst medeondertekenaar van de wetswijziging in 1974, waarbij casino’s en de lotto werden gelegaliseerd.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over kansspelen

Periode: 1945–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Opmerking: Het betreft hier de verslaglegging waarvoor geen grondslag kan worden aangewezen in de voor het beleidsterrein specifieke wet- en regelgeving. Bij de selectie dient rekening te worden met het feit dat jaarverslagen vaak een samenvatting geven van de verslagen die betrekking hebben op een kortere periode.

Bewaring op het hoogste niveau betekent dat kwartaalverslagen alleen worden bewaard als er geen jaarverslagen zijn, en maandverslagen alleen als er geen jaar- en kwartaalverslagen zijn, etcetera.

Waardering: B, 3 voor verslagen op het hoogste niveau

V 2 jaar voor verslagen op onderliggend niveau

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende het kansspelbeleid

Periode: 1945–

Grondslag: GW 1938/46/48, art. 97; GW 1953/56/72, art. 104; GW 1983/87/95, art. 68

Product: brieven, notities

Opmerking: De Minister van Justitie is als coördinerend bewindspersoon betrokken bij de beantwoording van alle Kamervragen. Wanneer het over specifieke zaken gaat, zal hierbij tevens de betreffende vakMinister betrokken zijn, bijvoorbeeld de Minister van Economische Zaken voor speelautomaten of casino’s. In het geval van loterijen en premieleningen treedt de Minister van Justitie eveneens op als vakMinister (zie de betreffende handeling in hoofdstuk 4)

Waardering: B 2,3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het algemene beleid betreffende kansspelen

Periode: 1945–

Product: brieven, notities

Waardering: B 2,3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende kansspelen

Periode: 1945–

Product: brieven, notities

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van kansspelen

Periode: 1945–

Product: voorlichtingsmateriaal

Opmerking: Zie voor het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (voorlichting als beleidsinstrument) handeling 1.

Waardering: B 5 één exemplaar van het eindprodukt, overige neerslag V 10 jaar

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek ten behoeve van het algemene kansspelbeleid

Periode: 1945–

Product: nota’s, notities, onderzoeksrapporten

Voorbeelden:

M. Heuvel en J van Kalmthout, Lucky 10 in Nederland. Een evaluatie van de dagelijkse lotto. Vakgroep Vrijetijdswetenschappen van de Katholieke Universiteit Brabant 1994

Waardering: B 1

Handeling: Het financieren en begeleiden van intern en extern (wetenschappelijk) onderzoek ten behoeve van het algemene kansspelbeleid

Periode: 1945–

Product: notities, notulen, brieven, begrotingen, rekeningen, declaraties

Waardering: V 10 jaar

Vervallen

Handeling: Het voorbereiden van koninklijke besluiten waarbij de voorzitter, de overige leden, of de secretaris van het College van toezicht op de kansspelen worden benoemd en ontslagen

Periode: 1996–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 36, lid 1; zoals ingevoegd bij (Stb. 1995, 300)

Besluit College van toezicht op de kansspelen, art. 12 jo. art. 14, lid 1 jo. 16, lid 3

Product: Koninklijke Besluiten

Opmerking: De voordracht voor de benoeming of het ontslag van deze functionarissen gebeurt in overeenstemming met de Ministers wie het mede aangaat. Dat wil zeggen: de Minister van Economische Zaken, de Minister van Financiën, de Minister belast met sportzaken en de Minister van Landbouw. Wanneer het gaat om een voordracht voor ontslag dient het College te worden gehoord.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming of het ontslag van de voorzitter, de overige leden of de secretaris van het College van toezicht op de kansspelen

Periode: 1996–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 36, lid 1; zoals ingevoegd bij (Stb. 1995, 300)

Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595) art. 12 jo. art 14, lid 1 jo. 16, lid 3

Product: Brief

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het voorbereiden van koninklijke besluiten waarbij de voorzitter, een lid of de secretaris van het College van toezicht op de kansspelen wordt geschorst

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595), art. 17

Product: Koninklijke Besluiten

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het benoemen van de leden van het bureau van het College van toezicht op de kansspelen

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595), art. 14, lid 2

Opmerking: Het gaat hier om de benoeming van alle leden van het bureau van het College van toezicht op de kansspelen behalve de secretaris.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij nadere regels worden gegeven met betrekking tot de taak, bevoegdheden, samenstelling en benoeming van de leden en de secretaris van het College van toezicht op de kansspelen

Periode: 1996–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 37; zoals ingevoegd bij (Stb. 1995, 300)

Product: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595)

Opmerking: Deze regels hebben mede betrekking op de werkwijze en de vergoeding van de kosten van het College

Waardering: B 5

Deze handeling komt te vervallen

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij nadere regels worden gegeven ten aanzien van de wijze waarop het College van toezicht op de kansspelen aanbevelingen kan doen aan personen en instellingen die op grond van de Wet op de kansspelen een vergunning hebben voor het houden van kansspelen

Periode: 1996–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 35, lid 2; zoals ingevoegd in 1995 (Stb. 1995, 300)

Product: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595)

Waardering: B 5

Handeling: Het geven van toestemming voor het vaststellen van en het goedkeuren van het reglement van orde waarin het College van toezicht op de kansspelen nadere regels geeft ten aanzien van zijn werkwijze

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen, art. 20; zoals laatstelijk gewijzigd in 1997 (Stb. 1997, 764)

Opmerking: Het reglement van orde bevat onder meer regels met betrekking tot het aanwijzen van plaatsvervangende voorzitters, de openbaarheid van vergaderingen en de wijze waarop eventuele voorstellen en aanbevelingen bekend worden gemaakt. Het reglement van orde wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Voor de wetswijziging diende de Minister het reglement goed te keuren, daarna is sprake van het vaststellen met toestemming van de Minister.

Waardering: V 10 jaar als het alleen gaat om de toestemming

V 20 jaar als ook de beleidsmatige aspecten van de toestemming worden bedoeld

B 4 mbt goedkeuren reglement

Handeling: Het goedkeuren van het bestedingsplan en het bekostigen van de uitgaven van het College van toezicht op de kansspelen

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595) art. 22, lid 2

Opmerking: In afwijking van de normale procedure ziet het Besluit voor dat de Minister van Justitie het bestedingsplan voor het kalenderjaar 1996 opstelt.

De Minister van Justitie bekostigt de uitgaven.

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het richten van een verzoek om advies aan het College van toezicht op de kansspelen

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595), art. 2, lid 1

Opmerking: Verzoeken om advies van andere Ministers die het kansspelbeleid aangaat worden tevens via de Minister van Justitie gedaan.

Waardering: B 5 advies met bijlagen

V 10 jaar overige neerslag

Handeling: Het richten van het verzoek aan het College van toezicht op de kansspelen om een onderzoek in te stellen naar de naleving van de wettelijke bepalingen, de statuten en reglementen door een rechtspersoon waaraan een vergunning voor het organiseren van kansspelen is verleend

Periode: 1996–

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595), art. 5

Opmerking: Verzoeken tot het verrichten van een onderzoek door andere Ministers die het kansspelbeleid aangaat, lopen eveneens via de Minister van Justitie.

Waardering: B 5 advies met bijlagen

V 10 jaar overige neerslag

Handeling: Het afgeven van legitimatiebewijzen aan de leden van het College van toezicht op de kansspelen, de secretaris en de overige medewerkers van het bureau van het College

Periode: 1996–1997

Grondslag: Besluit College van toezicht op de kansspelen, art. 6, lid 1; vervallen in 1997 (Stb. 1997, 764)

Waardering: V 5 jaar

Loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid ten aanzien van loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: notities, nota’s, rapporten

Opmerking: Hier treedt de Minister niet op als coördinerend bewindspersoon maar als vakMinister.

Waardering: B 1

Handeling: Het evalueren van het beleid ten aanzien van loterijen, premieleningen prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: evaluaties, verslagen

Waardering: B 2

Handeling: Het instellen van commissies en (interdepartementale) werkgroepen ten behoeve van het beleid ten aanzien van loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen, alsmede het formuleren van de onderzoeks- of adviesopdracht

Periode: 1945–

Product: Instellingsbeschikking Commissie Tenkink van 9 maart 1954

Waardering: B 4

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten waarbij nadere voorschriften worden gegeven ten aanzien van legale loterijen, premieleningen en prijsvragen

Periode: 1945–

Grondslag: Loterijwet 1905, art. 4, lid 1 en 4, zoals ingevoegd bij Stb. 1925, 242; ingetrokken bij Stb. 1964; 483

Wet op de kansspelen, art. 6, lid 1

Product: Koninklijk Besluit tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4, 1e en 4e lid, der Loterijwet 1905 (Stb. 1928, 380);

– Koninklijk Besluit van 24 mei 1947, houdende wijziging van het Koninklijk besluit van 21 september 1928 (Stb. 1947, H159);

– Koninklijk Besluit van 9 april 1951 (Stb. 1951, 105);

– Kansspelenbesluit (Stb. 1964, 509) en (Stb. 1997, 616).

Opmerking: Deze nadere voorschriften kunnen betrekking hebben op:

– de wijze waarop en de middelen waarmee prijs- en premietrekkingen moeten plaats hebben;

– de waarde van de gezamenlijk uit te geven aandelen in loterijen en premieleningen op geldelijke waarborgen die van de houders van een loterij kunnen worden verlangd die onder hierbij vast te stellen omstandigheden verbeurd kunnen worden verklaard;

– voorschriften die dienen te worden verbonden aan vergunningen.

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij regels worden gegeven met betrekking tot het bedrag dat is verschuldigd voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een vergunning tot het organiseren van een loterij, een premielening of prijsvragen

Periode: 1996–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art 6, lid 2; zoals ingevoegd bij in 1995 (Stb. 1995, 300)

Product: Besluit van 26 oktober 1995 tot wijziging van het Kansspelenbesluit (Stb. 1995, 523)

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het aanmerken van bepaalde handelingen als een verboden loterij

Periode: 1943–1951

Grondslag: Besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Financiën en van Justitie betreffende het loterijbedrijf (Stcrt. 1943, 142) art. 2, lid 3; zoals vervallen (Stb. 1950, K619)

Waardering: B 5

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Opmerking: Bewaring op het hoogste niveau betekent dat kwartaalverslagen alleen worden bewaard als er geen jaarverslagen zijn, en maandverslagen alleen als er geen jaar- en kwartaalverslagen zijn, etcetera.

Waardering: B, 3 voor verslagen op het hoogste niveau

V 5 jaar voor verslagen op onderliggend niveau

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Grondslag: GW 1938/46/48, art. 97; GW 1953/56/72, art. 104; GW 1983/87/95, art. 68

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2,3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2,3

Handeling: Het beslissen op beroepsschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen, alsmede het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor administratief rechterlijke organen

Periode: 1945–

Product: Beschikkingen, verweerschriften

Waardering: V 10 jaar na uitspraak

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: brieven, notities

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: B 5 één exemplaar van het eindprodukt, overige neerslag V 10 jaar

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek ten behoeve van het beleid ten aanzien van loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: Nota’s, notities, onderzoeksrapporten

Waardering: B 1

Handeling: Het financieren en begeleiden van interne of extern (wetenschappelijk) onderzoek ten behoeve van loterijen, premieleningen, prijsvragen en bijzondere vormen van kansspelen

Periode: 1945–

Product: Notulen, rekeningen, declaraties

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het op verzoek verlenen van toestemming om bij loterijen en premieleningen de trekking te laten plaatsvinden op een wijze die afwijkt van de hiervoor gestelde regels

Periode: 1947 -

Grondslag: Koninklijk Besluit tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4, 1e en 4e lid, der Loterijwet 1905 (Stb. 1928, 380) art. I; zoals ingevoegd in 1947 (Stb. 1947), H159); gewijzigd bij in 1951 (Stb. 1951, 105); vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483);

Kansspelenbesluit, art. 5; zoals laatstelijk gewijzigd in 1997 (Stb. 1997, 616).

Product: Beschikking

Opmerking: De bedoelde toestemming is alleen mogelijk voor loterijen waarvan de prijzen gezamenlijk een grotere waarde hebben dan 4.500 euro. De Minister kan de toestemming onder voorwaarden verlenen. Het gaat hier overigens om toestemming voor afwijking van bepalingen die in de achtereenvolgende uitvoeringsbesluiten (zie grondslag) zelf zijn gegeven, en niet die van de Loterijwet.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het aanwijzen van een onafhankelijke deskundige of keuringsinstelling die de methode van prijsbepaling goedkeurt wanneer daarbij mechanische, elektrische of elektronische processen gebruikt worden

Periode: 1996–

Grondslag: Kansspelenbesluit, art. 5, lid 3; zoals laatstelijk gewijzigd in 1997 (Stb. 1997, 616)

Product: Beschikking

Opmerking: Een dergelijke goedkeuring is overigens alleen vereist indien de gezamenlijke waarde van prijzen en premies meer is dan 45.000 euro.

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de methode volgens welke de prijsbepaling bij premieleningen en prijsvragen geschiedt

Periode: 1964–

Grondslag: Kansspelenbesluit, art. 6; zoals laatstelijk gewijzigd in 1997 (Stb. 1997, 616)

Product: Beschikking

Opmerking: De prijsbepaling geschiedt door de notaris in overleg met de organisator.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten waarbij toestemming wordt gegeven voor het houden van een loterij

Periode: (1905) 1945–1951

Grondslag: Loterijwet 1905, art. 3; zoals vervallen bij in 1950 (Stb. 1950, K619)

Product: Koninklijke Besluiten

Opmerking: De Minister van Justitie draagt de toestemming voor een loterij voor aan de Kroon wanneer de totale waarde van de prijzen meer is dan 45 euro. Wanneer het minder is dan kan toestemming worden verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente waar de loterij zal worden gehouden.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen en intrekken van een vergunning voor het houden van een loterij alsmede het vaststellen, wijzigen of intrekken van de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden

Periode: 1951–

Grondslag: Loterijwet, art. 3; zoals laatstelijk gewijzigd in 1950 ( Stb. 1950, K619); ingetrokken in 1964 (Stb. 1964, 483)

Wet op de kansspelen (Stb, 483) art. 3, lid 1

Product: Verlening vergunning Stichting de Nationale Sporttotalisator voor organiseren kansspel (Stcrt. 1981, 208); (Stcrt. 1986, 101); (Stcrt. 1987, 65); (Stcrt. 1988, 24); (Stcrt. 1989; 14); (Stcrt. 1989, 247); (Stcrt. 1991, 36); Stcrt. 1992, 46); Beschikking sporttotalisator (Stcrt. 1992, 244; (Stcrt. 1994, 242); (Stcrt. 1995, 251); (Stcrt. 1997, 197); (Stcrt. 1997, 249); (Stcrt. 1999, 246

Beschikking BankLoterij en GiroLoterij (beschikking 14 december 1990, L.O. 700/088/207.71; (Stcrt. 1994,5); (Stcrt. 1995, 15); (Stcrt. 1997, 153)

Beschikking Sponsorloterij (Beschikking 16 november 1988, L.O. 730/002/221.88; (Stcrt. 1994, 5; (Stcrt. 1995, 15); (Stcrt. 1997, 248); (Stcrt. 1999, 80); (Stcrt. 1999, 109)

Beschikking Postcodeloterij (Stcrt. 1993, 48); (Stcrt. 1995, 251); (Stcrt. 1997, 73); (Stcrt. 1997; 248; (Stcrt. 1998, 142); (Stcrt. 1999, 33)

Opmerking: Wanneer de prijzen en premies samen een waarde hebben van minder dan 225 euro of, wanneer het gaat om een gemeente met meer dan vijftigduizend inwoners, 450 euro, zal deze toestemming worden gegeven door de burgemeester en wethouders van die gemeente. Deze bedragen zijn overigens regelmatig naar boven aangepast sinds 1951. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften worden in het besluit waarbij de vergunning wordt verleend, opgenomen.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen en intrekken van tijdelijke, zogenaamde artikel 3-vergunningen

Periode: 1951–

Grondslag: Loterijwet, art. 3; zoals laatstelijk gewijzigd in 1950 ( Stb. 1950, K619); ingetrokken in 1964 (Stb. 1964, 483)

Wet op de kansspelen (Stb, 483) art. 3, lid 1

Product: Beschikking

Opmerking: De bankgiroloterij, de Sponsorloterij en de postcodeloterij zijn sinds geruime tijd semi-permanente vergunninghouders. Jaarlijks worden enige honderden artikel 3-vergunningen verstrekt.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het verlenen of intrekken van een vergunning tot het organiseren van een instantloterij aan één rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid alsmede het vaststellen, wijzigen of intrekken van de voorschriften die aan deze vergunning worden verbonden

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 14b, lid 1 en 14c; zoals ingevoegd in 1993 (Stb. 1993, 658)

Product: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5)

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92)

Opmerking: Over het voornemen tot verlening of intrekking van de vergunning wordt vanaf 1996 het College van toezicht op de kansspelen gehoord. Wanneer de voorschriften betrekking hebben op het deel van de opbrengst dat de houder van een instantloterij aan de Staat moet overdragen, op inrichtingen waar tevens deelnamebewijzen van de staatsloterij verkrijgbaar zijn of op de vertegenwoordiging namens de organisator van de Staatsloterij in het bestuur van de vergunninghouder van de instantloterij, worden deze vastgesteld in overeenstemming met de Minister van Financiën.

Waardering: B 5

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Financiën en de Minister belast met sportzaken inzake de vaststelling van voorschriften die worden verbonden aan de vergunning voor het organiseren van een instantloterij

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 14c, lid 4; zoals ingevoegd in 1993 (Stb. 1993, 658)

Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5), art 3, lid 4; art. 11; art. 16, lid 3; art. 19, lid 2; art. 20, lid 4; vervallen 30 april 1996

Product: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5)

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92)

Opmerking: In de beschikking instantloterij is precies aangegeven met de vaststelling of wijziging van welke voorschriften de Minister van Financiën moet overeenstemmen. Het gaat om bepalingen in de beschikking instantloterij waarbij is bepaald:

– dat de Minister van Financiën de bepalingen in de statuten van de Stichting Nationale Instantloterij moet goedkeuren voor zover zij betrekking hebben op de vertegenwoordiging van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (SENS);

– wat het maximum aantal verkooppunten is, waarvan 1500 eenmalig worden aangewezen op bindende voordracht van de SENS;

– dat een bepaald deel van de netto-opbrengst van de instantloterij wordt afgedragen aan de Minister van Financiën;

– dat de Stichting Nationale Instantloterij elk kwartaal een financieel verslag aan de Minister van Justitie en de Minister belast met sportzaken stuurt, alsmede een afschrift daarvan aan de Minister van Financiën;

– dat de Stichting Nationale Instantloterij de jaarrekening tevens aan de Minister van Financiën zendt

In de beschikking instantloterij 1996 keren deze bepalingen niet terug.

Waardering: B 5

Handeling: Het goedkeuren van de statuten en reglementen van de Stichting Algemene Loterij Nederland en de Stichting Uitvoeringsorgaan Financiële Akties

Periode: 1970–

Grondslag: Beschikking BankLoterij en GiroLoterij, art. 4, lid 2; zoals laatstelijk gewijzigd in 1995 (Stcrt. 1995, 251)

Opmerking: Alvorens tot goedkeuring over te gaan vraagt de Minister het College van toezicht op de kansspelen om advies

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het bepalen dat de omvang van de reservering die door de Stichting Uitvoeringsorgaan Financiële Akties wordt gevormd hoger kan zijn dan in de verleende vergunning tot het organiseren van de BankLoterij en de GiroLoterij is vastgelegd

Periode: 1970–

Grondslag: Beschikking BankLoterij en GiroLoterij, art. 12, lid 3

Opmerking: Volgens de beschikking mag de reservering hoogstens 2,5 % van de totale bruto jaaropbrengst zijn.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan de Stichting Algemene Loterij Nederland en de Stichting Uitvoeringsorgaan Financiële Akties ten aanzien van de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag

Periode: (1970) 1994–

Grondslag: Beschikking BankLoterij en GiroLoterij, art. 17, lid 1; zoals laatstelijk gewijzigd in 1995 (Stcrt. 1995, 251)

Opmerking: De Minister vraagt hierover advies aan het College van toezicht op de kansspelen

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan de Stichting Algemene Loterij Nederland en de Stichting Uitvoeringsorgaan Financiële Akties ten aanzien van wervings- en reclameactiviteiten

Periode: 1996–

Grondslag: Beschikking BankLoterij en GiroLoterij art. 6, lid 4; zoals ingevoegd in 1995 (Stcrt. 1995, 251)

Opmerking: De Minister vraagt hierover advies aan het College van toezicht op de kansspelen.

Waardering: B 5

Handeling: Het goedkeuren van de statuten en reglementen van de Stichting Fondsen Promoties

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking sponsorloterij (Stcrt. 1994, 5), art. 3, lid 2

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het aanwijzen van een onafhankelijke deskundige of keuringsinstantie die de mechanische, elektrische en elektronische processen die gebruikt worden bij de deelneming, prijsbepaling en vaststelling van de winnaars van de sponsorloterij goedkeuren en periodiek controleren

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking sponsorloterij (Stcrt. 1994, 5), art. 7, lid 1

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bepalen dat de omvang van de reserveringen van de Stichting Fondsen Promoties hoger mogen zijn dan het percentage dat is vastgesteld in de vergunning

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking sponsorloterij (Stcrt. 1994, 5), art. 14, lid 3

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan de Stichting Fondsen Promoties omtrent de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking sponsorloterij (Stcrt. 1993, 48), art. 18, lid 1

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de (wijziging) van de statuten en reglementen van de Stichting Nationale Postcode Loterij

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking Postcodeloterij (Stcrt. 1993, 48) art. 3, lid 2

Opmerking: Vanaf 1996 moet de Minister hierover advies vragen aan het College van toezicht op de kansspelen

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de benoeming van de leden van de raad van toezicht van de Stichting Nationale Postcode Loterij

Periode: 1989

Grondslag: Beschikking Postcodeloterij (Stcrt. 1993, 48), art. 3, lid 4

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan de Stichting Nationale Postcode Loterij ten aanzien van wervings- en reclameactiviteiten

Periode: 1996–

Grondslag: Beschikking Postcodeloterij, art. art. 5, lid 4; zoals ingevoegd in 1995 (Stcrt. 1995, 251)

Opmerking: De Minister vraagt hierover om advies bij het College van toezicht op de kansspelen.

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van onafhankelijke deskundigen of keuringsinstellingen die de mechanische, elektrische en elektronische processen die gebruikt worden bij de deelneming, prijsbepaling en vaststelling van de winnaars van de postcodeloterij goedkeuren en periodiek controleren

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking Postcodeloterij (Stcrt. 1993, 48), art. 10, lid 1

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het bepalen dat de omvang van de reservering die de Stichting Nationale Postcode Loterij vormt, hoger mag zijn dan is vastgelegd in de verleende vergunning tot het organiseren van de postcodeloterij

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking Postcodeloterij (Stcrt. 1993, 48), art. 11, lid 3

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan de Stichting Nationale Postcodeloterij ten aanzien van de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking Postcodeloterij (Stcrt. 1993, 48) art. 15, lid 1

Opmerking: Vanaf 1996 vraagt de Minister hierover eerst advies aan bij het College van toezicht op de kansspelen.

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het bepalen dat een gedeelte van de opbrengst van de instantloterij ten goede komt aan de schatkist

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 14b, lid 4; zoals ingevoegd in 1993 (Stb. 1993, 658)

Product: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5) en

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92)

Opmerking: Hierbij wordt tevens vastgesteld hoe groot dit deel moet zijn. Een en ander gebeurd pas nadat overeenstemming is bereikt met de Minister van Financiën.

Waardering: B 5

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Financiën en de Minister belast met sportzaken inzake de bepaling dat een gedeelte van de opbrengst van de instantloterij moet worden afgedragen aan de Staat

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 14b, lid 4; zoals ingevoegd in 1993 (Stb. 1993, 658)

Product: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5)

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92)

Waardering: B 5

Handeling: Het rapporteren aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de werking van de Wet tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het organiseren van de instantloterij en de op basis daarvan verleende vergunning

Periode: 1994–1996

Grondslag: Wet van 2 december 1993 tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het organiseren van de instantloterij (Stb. 1993, 658) art. III

Product: De Krasloterij in Nederland. Deelname, deelnemers, risico’s en handhaving (Ministerie van Justitie/Den Haag, 1995)

Opmerking: De eerste vergunning tot het organiseren van de instantloterij werd als proef voor de duur van twee jaar verleend aan de Stichting Nationale Instantloterij. Het onderzoek voor het rapport aan de Tweede Kamer werd in opdracht van het Ministerie van Justitie uitgevoerd door Bakkenist Management Consultants en het Instituut voor Verslavingsonderzoek (IVO)

Waardering: B 2,3

Handeling: Het goedkeuren van de statuten en reglementen van de Stichting Nationale Instantloterij

Periode: 1994–

Grondslag: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5) art. 3, lid 2; vervallen 30 april 1996

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92) art. 3, lid 2

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het instemmen met de (wijziging van de) bepalingen in de statuten van de Stichting Nationale Instantloterij die betrekking hebben op de vertegenwoordiging van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij in het bestuur van de stichting.

Periode: 1994–

Grondslag: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5) art. 3, lid 4; vervallen 30 april 1996

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92), art. 3, lid 4

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het aanwijzen van een onafhankelijke deskundige of keuringsinstelling die de mechanische, elektrische en elektronische processen die worden gebruikt bij de prijsbepaling en vaststelling van de winnaars van de instantloterij, goedkeuren en periodiek controleren

Periode: 1994–

Grondslag: Beschikking instantloterij (Stcrt. 1994, 5), art. 14, lid 1; vervallen 30 april 1996

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92), art. 11, lid 1

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het goedkeuren van het aanmerken van kosten, die niet rechtstreeks verband houden met het organiseren van de instantloterij of met de normale bedrijfskosten, als exploitatiekosten

Periode: 1994–

Grondslag: Beschikking instantloterij, (Stcrt. 1994, 5) art. 17, lid 2; vervallen 30 april 1996

Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92), art. 13, lid 2; zoals laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2000, 111

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het aanwijzen van een onafhankelijke instelling die van de Stichting Nationale Instantloterij de opdracht krijgt tot het opstellen en uitvoeren van een plan tot controle van de verkooppunten van de instantloterij

Periode: 1996–

Grondslag: Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92), art. 5, lid 2

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan de Stichting Nationale Instantloterij omtrent de inrichting van haar jaarrekening en jaarverslag

Periode: 1996–

Grondslag: Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92), art. 17, lid 1

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het overeenstemmen met de Stichting Nationale Instantloterij inzake het verlenen van de opdracht aan een onafhankelijke instelling tot het gedurende een periode van tenminste vier jaar verrichten van longitudinaal onderzoek naar het gedrag van deelnemers aan de instantloterij

Periode: 1996–

Grondslag: Beschikking instantloterij 1996 (Stcrt. 1996, 92), art. 18, lid 1

Opmerking: De aangewezen instelling rapporteert jaarlijks aan de Ministers en het College van toezicht op de kansspelen.

In 2006 en 2007 zal een onderzoek plaatsvinden naar gokverslaving onder allochtonen.

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten waarbij naamloze vennootschappen, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen en stichtingen, toestemming wordt verleend tot het openstellen van een premielening

Periode: 1945–1964

Grondslag: Loterijwet 1905, art. 2bis, zoals ingevoegd in 1925 (Stb. 1925, 242); vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483)

Product: KB’s

Opmerking: In de wet wordt gesteld dat het hier moet gaan om tegen een niet hogere dan de parikoers uitgegeven werkelijke geldleningen, die een jaarlijkse en jaarlijks ter beschikking te stellen rente geven van tenminste drie procent.

Bij het verlenen van de toestemming tot het houden van een premielening kan worden bepaald dat de houder een waarborg onder berusting van de Staat moet stellen (hetzij in een geldbedrag, hetzij in een fonds), zodat is verzekerd dat de verplichtingen aan de deelnemers kunnen worden nagekomen. Het beheer van deze waarborgsommen en fondsen is in handen van de Agent van het Ministerie van Financiën in Amsterdam.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen en intrekken van een vergunning aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid voor het openstellen van een premielening

Periode: 1964–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 4, lid 1; zoals laatstelijk gewijzigd in 1976 (Stb. 1976, 229)

Product: Beschikking

Opmerking: Een dergelijke vergunning kan alleen worden verleend voor geldleningen waarvan het geplaatste geld algemene belangen moet dienen.

Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften worden in het besluit waarbij de vergunning wordt verleend, opgenomen.

Tot 1971 was er sprake van het verlenen van een vergunning aan een: naamloze vennootschap, een coöperatieve of andere rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of een stichting

Waardering: B 5

Handeling: Het beslissen of, en zo ja in hoeverre, de waarborgsom dient te worden aangesproken wanneer de houder van een premielening niet aan zijn verplichtingen jegens de deelnemers kan voldoen

Periode: 1945–1964

Grondslag: Koninklijk Besluit tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4, 1e en 4e lid, der Loterijwet 1905 (Stb. 1928, 380) art. IV; vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483)

Opmerking: De Minister van Justitie voerde bij het nemen van de beslissing overleg met de Minister van Financiën

Waardering: V 20 jaar na uitspraak

Handeling: Het geven van nadere regels met betrekking tot de afwikkeling van legale loterijen die als gevolg van de wetswijziging van 1950 geen voortgang meer mogen vinden

Periode: 1951–1964

Grondslag: Wet houdende wijziging van de Loterijwet 1905 en vaststelling van enige met het loterijwezen verband houdende bepalingen (Stcrt. 1950, K619) art. III, lid 3; vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483)

Opmerking: Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de termijn waarbinnen de afwikkeling moet zijn gerealiseerd of dat een maatschappij het af te wikkelen loterijbedrijf in een afzonderlijke rechtspersoon moet onderbrengen

Waardering: B 5

Handeling: Het benoemen van een liquidateur die de afwikkeling van een loterijbedrijf uitvoert

Periode: 1951–1964

Grondslag: Wet houdende wijziging van de Loterijwet 1905 en vaststelling van enige met het loterijwezen verband houdende bepalingen (Stb. 1950, K619) art. III, lid 4; vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483)

Waardering: V 30 jaar

Handeling: Het verlenen en intrekken van een vergunning voor het houden van prijsvragen

Periode: 1961–

Grondslag: Loterijwet, art. 18, lid 1; zoals ingevoegd in 1961 (Stb. 1961, 312)

Wet op de kansspelen, art. 28, lid 1 (Stb. 1964, 483)

Opmerking: Een vergunning is nodig wanneer het totale prijs en premiegeld meer is dan een bepaald bedrag. In 1964 werd dit bedrag op duizend gulden (= 450 euro) gesteld, maar dit is sindsdien meerdere keren verhoogd.

Voorts is een dergelijke vergunning niet nodig wanneer van de deelnemers een wetenschappelijke, kunstzinnige of technische prestatie wordt verwacht. Vergunning kan verder alleen worden verleend voor gelegenheden, ‘opengesteld teneinde met de opbrengst enig algemeen belang te dienen.’

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten waarbij nadere regels worden gegeven met betrekking tot prijsvragen waarvoor een vergunning is verleend alsmede over de voorwaarden die aan een dergelijke vergunning worden verbonden

Periode: 1964–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 6 en 29 (Stb. 1964, 483)

Product: Kansspelenbesluit (Stb. 1964, 509) en (Stb. 1997, 616)

Waardering: B 5

Handeling: Het opstellen van de voorschriften die worden verbonden aan een vergunning voor het houden van prijsvragen

Periode: 1961–

Grondslag: Loterijwet, art. 23, lid 1; zoals in 1961 (Stb. 1961, 312); ingetrokken in 1964 (Stb 1964, 483)

Wet op de kansspelen, art. 5 en 29 (Stb. 483)

Waardering: B 5

Handeling: Het vaststellen van het percentage waarmee de maximale waarde van de prijzen bij winkelweekacties en kleine kansspelen wordt verhoogd

Periode: 1974–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 7e; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441)

Product: Beschikking van de staatssecretaris van Justitie van 31 oktober 1994 (Stcrt. 1994, 214)

Opmerking: In de wet worden zowel voor winkelacties als voor kleine kansspelen restricties gegeven ten aanzien van de (totale) waarde van de prijzen. Wanneer in een jaar het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie ten minste tien procent afwijkt van het indexcijfer van het jaar waarin de genoemde bedragen zijn vastgesteld, schrijft de wet voor dat de maxima worden aangepast. De Minister van Justitie bepaald dan de mate waarin dit gebeurt.

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij het bedrag wordt vastgesteld dat wordt betaald bij de aanvraag van een vergunning voor het houden van een winkelweekactie

Periode: 1974–

Grondslag: Wet op de Kansspelen, art. 7b, lid 7; zoals ingevoegd in (Stb. 1974, 441)

Product: Besluit van 17 augustus 1974 tot vaststelling van het bedrag bedoeld in artikel 7b, zevende lid, van de Wet op de kansspelen (Stb. 1974, 476)

Beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 31 oktober 1994 (Stcrt. 1994, 214)

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij vormen van kansspel worden aangewezen als een klein kansspel

Periode: 1974–

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 7d; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441)

Product: AMvB

Waardering: B 5

De Staatsloterij

Handeling: Het geven van nadere regels ten aanzien van de inrichting van de Staatsloterij

Periode: 1951–1992

Grondslag: Loterijwet, art. 7, lid 4; art. 8 lid 1; art. 9 lid 1; art. 11, lid 3; zoals ingevoegd in (Stb. 1950, K619); vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483)

Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483), art. 9, lid 7 en 8; vervallen in 1992 (Stb. 1992, 282)

Product: Beschikking Staatsloterij (Uitvoering van de art. 7, leden 1, 3 en 4; 8, lid 1; en 11, leden 3 en 4, der Loterijwet) (Stcrt. 1952, 125)

Beschikking Staatsloterij (Uitvoering artikel 9 van de Wet op de kansspelen) (Stcrt. 1964, 253)

Beschikking Staatsloterij (Uitvoering artikel 9 Wet op de kansspelen) (Stcrt. 1973, 148)

Vaststelling prijzen Staatsloterij (Stcrt. 1983, 71)

Opmerking: Deze bepalingen hebben betrekking op:

– het aantal loterijen dat jaarlijks plaatsvindt;

– het aantal series en klassen per loterij;

– de verkoopprijs van de loten;

– het aantal bewijzen van het aandeel waarin de loten zijn verdeeld;

– de aantallen en de hoogte van de in elke klasse te trekken prijzen;

– de wijze waarop de trekkingen plaatsvinden;

– regels omtrent de teruggave van een deel van de aankoopprijs van een lot (tot 1964);

– andere zaken die nodig zijn om een behoorlijk functioneren van de Staatsloterij te bevorderen;

– De Minister dient hierbij te blijven binnen de kaders die in de Wet op de kansspelen ten aanzien van de Staatsloterij zijn vastgelegd.

Waardering: B 5

Handeling: Het geven van aanwijzingen over de wijze waarop de firma ‘Verkoopkantoor van Nederlandse Staatsloten’ wordt geliquideerd

Periode: 1945–1951

Grondslag: Besluit van den Minister van Financiën, ter uitvoering van het besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Financiën en Justitie van 15 October 1943 betreffende het loterijbedrijf (Stcrt. 1945, 122) art. 13, lid 2

Opmerking: Het bedoelde verkoop kantoor was opgericht in het kader van aanpassingen die onder de bezetting waren gedaan in de organisatie van de Staatsloterij. De activiteiten van het kantoor werden bij het Ministeriële besluit van 1945 beëindigd.

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming van de Wet Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij

Periode: 1990–

Product: Wet Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (Stb. 1992, 282)

Opmerking: Van deze handeling is de looptijd gezet vanaf 1990, omdat vanaf dat jaar de eerste kamerstukken aanwezig zijn.

Waardering: B 5

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Financiën inzake het verlenen of intrekken van de vergunning tot het organiseren van de staatsloterij en het vaststellen, wijzigen of intrekken van de voorwaarden die aan een dergelijke vergunning worden verbonden

Periode: 1992–

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483), art. 9, lid 1; zoals laatstelijk gewijzigd in 1992 (Stb. 1992, 282)

Waardering: B 5

Sportprijsvragen en de lotto

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij:

– categorieën van sportverenigingen en ondernemingen worden aangewezen die formulieren voor deelname aan een lotto of een sportprijsvraag beschikbaar kunnen stellen,

– voorschriften worden gegeven ten aanzien van de wijze waarop een lotto of een sportprijsvraag worden georganiseerd

Periode: 1974–1992

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483), art. 27d, lid 1; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1992 (Stb. 1992, 636)

Product: Lotto-toto-besluit (Stb. 1974, 477)

Opmerking: De voorschriften betreffen de verspreiding, de administratie en de inname van formulieren, de administratie en de afdracht van de ter zake ontvangen gelden, alsmede de vergoeding welke aan individuele medewerkers uit de aangewezen categorieën ter zake van hun medewerking toekomt.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen, verlengen en intrekken van een vergunning tot het houden van sportprijsvragen en het opstellen, wijzigen of aanvullen van de daaraan verbonden voorwaarden

Periode: 1959–

Grondslag: Loterijwet, art. 3; art. 18, lid 1 en 23, lid 1; zoals ingevoegd in 1961 (Stb. 1961, 312); vervallen in 1964 (Stb. 1964, 483) en Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) art. 16, lid 1 en 21, lid 2; zoals laatstelijk gewijzigd in 1974 (Stb. 1974, 441)

Product: Vergunning tot het aanleggen en houden van sportprijsvragen d.d. 3 januari 1963 nr. LO 620/068/136

Beschikking van de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 21 december 1964, houdende vergunning voor het aanleggen en houden van sportprijsvragen

Vaststelling vergunning tot het aanleggen en houden van sportprijsvragen (Stcrt. 1968, 146); (Stcrt. 1969, 138); (Stcrt. 1970, 145); (Stcrt. 1973, 126); (Stcrt. 1974, 164 en 173); (Stcrt. 1976, 2); (Stcrt. 1981, 223); (Stcrt. 1982, 253); (Stcrt 1985, 230); (Stcrt.1986, 13); (Stcrt. 1987, 65); (Stcrt. 1988; 24); (Stcrt. 1989, 14); (Stcrt. 1989, 247); (Stcrt. 1991, 36); (Stcrt. 1992, 102); (Stcrt. 1992, 102); Stcrt. 1992, 46) en Beschikking Sporttotalisator (Stcrt. 1992, 244); (Stcrt. 1995, 251); (Stcrt. 1997, 197); (Stcrt. 1997, 249); (Stcrt. 1999, 246)

Opmerking: Bij de vergunning worden tevens de voorwaarden vastgesteld. Aangezien de vergunning voor een relatief korte duur, doorgaans enkele jaren, wordt verleend, dient deze regelmatig verlengd te worden. Hierbij zijn van tijd tot tijd ook wijzigingen en aanvullingen doorgevoerd in de voorwaarden. Sinds 1992 wordt de vergunning voor het houden van sportprijsvragen, het organiseren van een cijferspel en de lotto, verleend met één beschikking, de Beschikking Sporttotalisator. Vanaf 1996 horen de Ministers bij het verlenen van de vergunning en het vaststellen van de voorwaarden het College van toezicht op de kansspelen om advies te vragen.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen, verlengen en intrekken van een vergunning voor het organiseren van een lotto aan instellingen die toestemming hebben voor het houden van sportprijsvragen alsmede het opstellen, wijzigen of aanvullen van de hieraan verbonden voorschriften

Periode: 1974–

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483), art. 27b, lid 1, 27 c, lid 1 en art. 27f; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441) en gewijzigd in 1992 (Stb. 1992, 636)

Product: Vergunning voor het organiseren van een lotto (Stcrt. 1974, 164); (Stcrt. 1976, 2); (Stcrt. 1982, 253); (Stcrt. 1985, 230); (Stcrt. 1986, 101); (Stcrt. 1987, 65); (Stcrt. 1988; 24); (Stcrt. 1989, 14); (Stcrt. 1989, 247); (Stcrt. 1991, 36); (Stcrt. 1992, 147); (Stcrt. 1992, 46)

Beschikking Sporttotalisator (Stcrt. 1992, 244); (Stcrt. 1994, 242); (Stcrt. 1995, 251); (Stcrt. 1997, 197); (Stcrt. 1997, 249); (Stcrt. 1999, 246)

Opmerking: In feite kon hiermee alleen vergunning worden verleend aan de Stichting de Nationale Sporttotalisator. Na 1992 wordt de vergunning verleend en de voorschriften vastgesteld met de Beschikking Sporttotalisator. Over het voornemen tot verlening of intrekking van de vergunning wordt vanaf 1996 het College van toezicht op de kansspelen gehoord.

Waardering: B 5

Handeling: Het goedkeuren van de (wijziging van de) statuten en reglementen van de Stichting De Nationale Sporttotalisator

Periode: (1961) 1968–1992

Grondslag: Lotto-toto-besluit (Stb. 1974, 477), art. 8, lid 3; ingetrokken in 1992 (Stb. 1992, 636), Vergunning tot het aanleggen en houden van sportprijsvragen (Stcrt. 1968, 146); (Stcrt. 1972, 129); (Stcrt. 1974, 173); (Scrt. 1976, 2) art. 14, Vergunning tot het organiseren van de lotto (Stcrt. 1974, 173) art. 1, Vergunning tot het organiseren van een kansspel (Stcrt. 1981, 208) lid 1, Beschikking Sporttotalisator (Stcrt. 1992, 244); (Stcrt. 1994, 242); (Stcrt. 1995, 251); (Stcrt. 1997, 197); (Stcrt. 1997, 249) art. 3, lid 2

Opmerking: Het reglement voor de aan de lotto medewerking verlenende ondernemers in het midden- en kleinbedrijf behoeft tevens de goedkeuring van de Minister belast met sportzaken.

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de samenstelling, de taak en de werkwijze van de commissie die een vervangende uitslag vaststelt van afgelaste sportwedstrijden die worden gebruikt voor een sportprijsvraag

Periode: 1968–1974

Grondslag: Opnieuw vaststelling vergunning tot het aanleggen en houden van sportprijsvragen (Stcrt. 1968, 146) art. 14 en Vergunning tot het houden van sportprijsvragen voor de Stichting ‘De Nationale Sporttotalisator’ (Stcrt. 1972, 129) art. 14

Opmerking: Deze handeling vervalt in 1974 omdat toen bij de wijziging van de Wet op de kansspelen de bepaling ten aanzien van vervangende uitslagen werd aangepast en er daar niet langer sprake was van een speciaal hiervoor bestemde commissie.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de wijze waarop vervangende wedstrijduitslagen bij sportprijsvragen worden bepaald en vastgesteld

Periode: 1974–1992

Grondslag: Vergunningen tot het organiseren van lotto en sportprijsvragen (Stcrt. 1974, 173) art. 6; vervallen in 1992 (Stcrt. 1992, 244)

Opmerking: In de Wet op de kansspelen was aanvankelijk bepaald dat een speciaal hiervoor bestemde commissie de vervangende uitslagen diende vast te stellen. Na 1974 werd in de wet alleen vastgesteld dat vervangende uitslagen konden worden bepaald. Enige regeling hieromtrent is niet meer terug te vinden in de Beschikking Sponsorloterij 1992.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de raming van de exploitatiekosten door de stichting De Nationale Sporttotalisator

Periode: 1974–

Grondslag: Vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen (Stcrt. 1974, 173); (Stcrt. 1976, 2) art. 12a en 13, Vergunning tot het organiseren van de lotto (Stcrt. 1974, 173); (Stcrt. 1976, 2) art. 12a; (Stcrt. 1981, 223) art. 12a en art. 13 en Beschikking sporttotalisator (Stcrt. 1992, 244) art. 12, lid 2

Opmerking: Vanaf 1974 schreven de vergunningen aan de SNS voor dat de stichting een taakstellende begroting moest opstellen van haar exploitatiekosten. Wanneer de stichting andere kosten dan in de vergunning was voorzien wilde beschouwen als exploitatiekosten diende de Minister belast met sportzaken dit goed te keuren. Beide activiteiten moeten onder deze handeling worden gerekend. In de Beschikking sporttotalisator vervalt de goedkeuring van de begroting, en moet de Minister van Justitie de raming van de exploitatiekosten mede goedkeuren.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van richtlijnen met betrekking tot de jaarlijkse rapportages inzake de financiële uitkomsten van de georganiseerde prijsvragen en lotto

Periode: 1974–

Grondslag: Vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen (Stcrt. 1974, 173; Stcrt. 1976, 2) art. 17, Vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen d.d. 18 december 1980, art. 23,

Vergunning tot het organiseren van de lotto (Stcrt. 1974, 173; Stcrt. 1976, 2) art. 17,

Vergunning tot het organiseren van de lotto d.d. 18 december 1980, art. 23 en Beschikking sporttotalisator (Stcrt. 1992, 244) art. 15

Waardering: V 5 jaar

Casinospelen

Handeling: Het instellen van de Raad voor de Casinospelen

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 27, lid 2; zoals ingevoegd bij Stb. 1974, 441; vervallen bij Stb. 1995, 300

Waardering: B 4

Handeling: Het benoemen, schorsen of ontslaan van onafhankelijke deskundigen voor de Raad voor de Casinospelen

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 482), art. 27i, lid 3 jo. lid 6; zoals ingevoegd bij in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1995 (Stb. 1995, 300)

Opmerking: De Raad voor de Casinospelen bestaat uit ten hoogste twaalf leden, voor de helft uit onafhankelijke deskundigen en voor andere helft uit ambtenaren. De deskundigen worden benoemd voor een periode van twee jaar, terwijl voor elk lid ook een plaatsvervanger kan worden benoemd.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die zitting hebben in de Raad voor de Casinospelen

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 27i, lid 3; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1995 (Stb. 1995, 300)

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij regels worden gegeven voor de wijze waarop leden van de Raad voor de Casinospelen kunnen worden ontslagen of geschorst

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 27i, lid 6; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1995 (Stb. 1995, 300)

Product: Besluit van 27 februari 1975 tot uitvoering van artikel 27i, zesde lid, van de Wet op de kansspelen (Stb. 1975, 63)

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden van koninklijke besluiten waarbij de voorzitter van de Raad voor de Casinospelen wordt benoemd of ontslagen

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen, art. 27j, lid 1; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1995 (Stb. 1995, 300)

Product: KB

Opmerking: De voorzitter wordt voor onbepaalde tijd benoemd. Bij ontslag moeten de Ministers advies vragen aan de Raad voor de Casinospelen

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de secretaris van de Raad voor de Casinospelen

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 482), art. 27k, lid 1; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1995 (Stb. 1995, 300)

Opmerking: De secretaris heeft in de Raad een raadgevende stem

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de nadere regels die door de Raad voor de Casinospelen worden gesteld ten aanzien van haar werkwijze

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 482), art. 27l, lid 1; zoals ingevoegd in (Stb. 1974, 441); vervallen in (Stb. 1995, 300)

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het verlenen en intrekken van een vergunning aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid voor het organiseren van speelcasino’s

Periode: 1974 –

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483), art. 27h, lid 1; zoals laatstelijk gewijzigd in 1995 (Stb. 1995, 300)

Product: Organisatiebeschikking casinospelen (Stcrt. 1975, 252)

Opmerking: De vergunning wordt verleend voor een hierbij bepaalde tijd. Tot 1996 dienden de Ministers alvorens zij deze vergunning verleenden advies in te winnen bij de Raad van de Casinospelen.

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van een gemeente waar een speelcasino mag worden gevestigd

Periode: 1974–1996

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483, art. 27p lid 1; zoals ingevoegd in 1974 (Stb. 1974, 441); vervallen in 1995 (Stb. 1995, 300)

Product: beschikkingen:

Valkenburg-Houthem en Zandvoort (Stcrt. 1975, 252); Den Haag (Stcrt. 1979, 19); Amsterdam (Stcrt. 1986, 82); Groningen (Stcrt. 1987, 58); Eindhoven (Stcrt. 1992, 60); Enschede (Stcrt. 1993, 237); Utrecht (Stcrt. 1994, 1); Haarlemmermeer (Stcrt. 1995, 42)

Opmerking: Een voorstel tot het aanwijzen van gemeenten werd in eerste instantie gedaan door de Raad voor de casinospelen. De definitieve aanwijzing geschiede nadat de gemeenteraad van de betreffende gemeente hiermee had ingestemd.

Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 1995 verviel de bepaling dat de Ministers bij aparte beschikking de vestigingsgemeenten voor casino’s moesten aanwijzen. In het vervolg werden de gemeenten waar de vergunninghouders casino’s mocht exploiteren genoemd in de vergunning, dus in de beschikking casinospelen.

Waardering: B 5

Handeling: Het intrekken van een vergunning voor het organiseren van speelcasino’s

Periode: 1974–

Grondslag: Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483, art. 27k; zoals laatstelijk gewijzigd in 1995 (Stb. 1995, 300)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)