Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945– (Minister van Verkeer & Waterstaat)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/4);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer & Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag voor de zorgdragers
de Minister van Economische Zaken,
en de daaronder ressorterende actoren,
de Minister van Defensie,
de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
de Minister van Binnenlandse Zaken,
de Minister van Justitie,
de Minister van Financiën,
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, en
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
op het beleidsterrein
1945–
Overzicht van gebruikte afkortingen
AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur
AWB: Algemene Wet Bestuursrecht
BAVK: Besluit Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf
BCN: Bestuurscommissie Noorden des lands
BLM: Bedrijfslocatiemonitor
BNL: Beleidsnotitie Zuid-Limburg
BOB: [Stimuleringsregeling] Bedrijfsomgevingsbeleid
BOM: Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij
BOSOM: Bodemsanering Ontwikkeling en Marktwerking/Bodemsanering op maat
BRT: Bijzondere Regionale Toeslag
BSB: Commissie Bodemsanering in gebruik zijnde Bedrijfsterreinen
BSRI: Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten
BZK: [Ministerie van] Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden
CB: Communautair Bestek van de Europese Structuurfondsen
CBIN: Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland
CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek
CIMK: (Centraal) Coördinerend Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf
CoCo: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen
CoCoHan: Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau
CPB: Centraal Planbureau
CRM: [Ministerie van] Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
CvT: Comité van Toezicht
DGES: Directoraat-generaal Economische Structuur
DGIR: Directoraat-generaal voor Industrie en Regionaal Economisch Beleid.
DUW: Dienst Uitvoerende Werken
EC: Europese Commissie
EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
EG: Europese gemeenschap
EPD: Enkelvoudig/Enig Programmeringsdocument van de EG-Structuurfondsen.
ESF: Europees Sociaal Fonds
ETD/ETI: Economisch-Technologische Dienst, Economisch Technologisch Instituut van een provincie
EU: Europese Unie
EURES-IGA: European Employment Services voor investeringen van grensoverschrijdende activiteiten
EZ: (Ministerie van) Economische Zaken
FES: Fonds Economische Structuurversterking
GOM: Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij
GS: Gedeputeerde Staten (van een provincie)
HdTK: Handelingen der Tweede Kamer (der Staten-Generaal)
IBN: Industrialisatiebureau voor het Noorden
IC: Innovatiecentrum
ICO: International Coffee Organization
ICES: Interdepartementale Commissie voor Economische Structuurversterking
IMT: Integrale Milieutaakstelling
INSTIR: Subsidieregeling Innovatiestimulering
Interreg: Interregio-subsideprojecten van het EFRO
IPR: Investeringspremieregeling
IPO: Interprovinciaal Overleg
ISP: Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands
ISV: Infrastructurele voorzieningen
KB: Koninklijk Besluit
KNOV: Koninklijk Nederlands Ondernemersverbond
KvK: Kamer(s) van Koophandel en Fabrieken
LIOF: Limburgs Ontwikkelingsfonds
LNV: [Ministerie van ] Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
[Ministerie van] Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (vanaf 2003)
MCRB: Ministeriele Commissie voor Regionaal Beleid
MDW: (Projectgroep) Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit
MKB: Midden- en Kleinbedrijf
MTI: (Project ) MKB, Toerisme en Industrie
MvT: Memorie van Toelichting
MvA: Memorie van Antwoord
NBW: Nieuw Burgerlijk Wetboek
NCC: Noordelijke Contactcommissie
NCOV: Nederlands Christelijk Ondernemersverbond
NEI: Nederlands Economisch Instituut
NOM: Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij
NOVEM: Nederlandse Organisatie voor Energie en Milieu
NPB: Nationaal Planbureau
NREB: Nota Regionaal Economisch Beleid; Nota Ruimtelijk Economisch Beleid
OEEI: Onderzoeksprogramma Economische Effecten Infrastructuur
ONL: [Project] Ontwikkeling Nationale Luchthaven
OOM: Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij
PBO: Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie
PBTS: (Regeling) Programmabegeleiding Bedrijfsgerichte Technologie Stimulering
PMR: Project Mainport Rotterdam
PNL: Perspectievennota Zuid-Limburg
PPM: Particuliere Participatiemaatschappij
PS: Provinciale Staten
PSOL: Premieregeling Stimulering Ontwikkeling Lelystad
PVVP: Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan
R & D: Research and Development
RARO: Raad voor de Ruimtelijke Ordening
REAP: Regionaal Actieprogramma
REON: Ruimte Economisch Ontwikkelingsplan Noord Nederland
RIMK: Regionaal Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf
ROM: Regionale Ontwikkelingsmaatschappij
ROMA: Samenwerkingsverband van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
ROP: Regionaal Ontwikkelingsplan
ROT: Ruimtelijke Ordeningstoelage
RPC: Rijks Planologische Commissie
RROM : Raad voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
RSEB: Regionaal sociaal-economisch beleid
RTS: Afdeling Regio’s, Toerisme en Steden van het bureau van het Ministerie van EZ.
SEOL: Sociaal-economisch Orgaan Limburg
SER: Sociaal-Economische Raad
SG: Secretaris-Generaal
SIO: Stimuleringsregeling voor Industriële Ontwikkeling
SIOL: Stimuleringsregeling voor Industriële Omschakeling in Limburg
SIR: (Wet) Selectieve Investeringsregeling
SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland
SNOECK: Organisatie voor Energiecomsulenten voor de Kwartaire Sector in Noord-Nederland
SOS: Stichting Ontwikkeling en Samenwerking
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
STiREA: (Besluit) Stimulering Ruimte voor Economische Activiteiten
SVEN: Stichting Voorlichting Energiebesparing Nederland
TIPP: Tender Investeringsprogramma Provincies
TNO: [Nederlandse Organisatie voor] Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
UCLAF: Fraude-opsporingsorgaan van de EU
URBAN: Door het EFRO gesteunde projecten tot stimulering van de economie in grote steden.
V&W: [Ministerie van] Verkeer en Waterstaat.
VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten
VNO: Vereniging van Nederlandse Ondernemers
VVK: Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken (Nederland)
VRO: [Ministerie van] Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
VROM: [Ministerie van] Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Vijno: Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
WBB: Wet Bodembescherming
WIR: Wet Investeringsrekening
Wm: Wet Milieubeheer
WRO: Wet op de Ruimtelijke ordening
ZBO: Zelfstandige Bestuursorganen
I. Verantwoording
1.1 Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur vastgesteld door de Minister van OCW en de Minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
1.2 Het doel en de werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
1.2.1 Functies van het BSD
De selectielijsten in het BSD bieden de grondslag voor de vernietiging en overbrenging van archiefbescheiden waarvoor een zorgdrager verantwoordelijk is. (Archiefwet 1995, art. 5, eerste lid). Voor de zorgdrager is het BSD van belang voor de bedrijfsvoering als mogelijke basis voor archiefordening volgens bedrijfsprocessen.
Voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de ter inzage legging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder d).
Voor de Minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder c).
Voor de Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.
1.3 Het Beleidsterrein
Dit basisselectiedocument is opgesteld aan de hand van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid, Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid, 1945–2002 (PIVOT-rapport 150, door dr. J.A.A. Bervoets en I.J. van Riet). Het onderzoek is in 2002 afgerond en behandelt de periode 1945–2002. Het conceptrapport is van commentaar voorzien door mr. E.J. de Vries, directeur Ruimtelijk Economisch Beleid.
Het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) beschrijft de handelingen van overheidsorganen op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid.
Het regionaal economisch beleid richt zich als steunbeleid op (wisselende) delen van Nederland. De aansturing van dit beleid is vooral financieel gericht. Het ruimtelijk economisch beleid geldt voor heel Nederland, ook al heeft het per regio zijn eigen accenten.
Voor wat betreft het onderdeel economische crisisbeheersing steunt het BSD mede op het RIO (Pivot-nummer 169) ‘Handelen met kennis van zaken’ (auteur drs. R. Haans, DOXiS, Leidschendam 2002/2005).
1.4 Definitie en doelstellingen
Een rapport van de Sociaal-Economische Raad (SER) uit 1973 geeft de volgende definitie van het regionaal beleid van de regering1SER, Advies inzake een selectieve investeringsregeling […], 1973.. Het regionaal (economisch) beleid van de regering ‘houdt zich in de eerste plaats bezig met de vraag of […] zowel nationaal als in de verschillende landsdelen, een verhoging van het welzijn mogelijk is door specifieke, op bepaalde regio’s gerichte maatregelen.’
De overheid had aanvankelijk de volgende doelstellingen voor ogen:
De doelstellingen van het regionaal beleid zijn in de loop van de jaren regelmatig verschoven. Belangrijke discussiepunten werden onder andere gevormd door de vraag of sterke regio’s ook bij het regionaal beleid betrokken moesten worden en door de vraag of het regionaal beleid centraal of decentraal moest worden vormgegeven.
In de nota ‘Regio’s zonder grenzen’ stelde de Minister dat het regionaal beleid tot 1980 zich beperkte tot het ‘verkleinen van de achterstand’, met als doel een ‘grotere gelijkwaardigheid van de regionale welvaart’ te bewerkstelligen2Ministerie van EZ, Regio’s zonder grenzen, 1990–1994(Nota). Vanaf 1981 streeft het Ministerie naar ‘vergroting van de bijdrage van alle regio’s aan de nationale welvaartsontwikkeling’. Dat betekende een decentralisatiebeleid op economisch terrein en bovendien een ‘voorwaardenscheppend beleid’, gericht op verbetering van de infrastructuur. Vanaf 1991 publiceert het Ministerie geen nota’s Regionaal (Sociaal-) Economisch Beleid meer. Er werd vanuit gegaan dat het terrein onderdeel vormt van het ruimtelijk economisch beleid.
Het ruimtelijk economisch beleid wordt tegenwoordig thematisch door het Directoraat-generaal Ondernemen & Innovatie aangestuurd.3De huidige organisatie van het Ministerie van Economische Zaken is , o.a. weergegeven in een organogram, te raadplegen op de website: www.ez.nl. De volgende onderwerpen zijn daarbij van belang:
Samenvattend is te stellen dat uit het institutioneel onderzoek is gebleken dat het beleidsterrein, wat betreft het overheidshandelen, zich op hoofdlijnen laat splitsen in een drietal uitgangspunten:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.