Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldvoorziening vanaf 1940 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Type Archiefselectielijst
Publication 2007-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 31 juli 2007, nr. aca-2007.03984/1);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geldvoorziening, over de periode vanaf 1940’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument geldvoorziening 1940–

Voor de volgende zorgdragers:

– Minister van Financiën

– Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Vastgesteld / augustus 2007

Samenstelling: drs N.P. van Egmond

PWAA / Rotterdam 2007

1. Lijst van afkortingen

BSD: Basisselectiedocument

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

MW: Muntwet

PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

2. Definitie van het BSD

Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.

Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.

Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie leeswijzer onder 3.8).

In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.

Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.

3. Functies van het BSD

Het BSD heeft de volgende functies:

4. Verantwoording

4.1. Het doel en werking van het BSD

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).

4.2. Definitie en afbakening van het beleidsterrein.

Het beleidsterrein ‘geldvoorziening’ vormt een onderdeel van het financieel-economisch en monetair beleidsterrein, waarvoor het Ministerie van Financiën de verantwoordelijkheid draagt. Anno 1995 bestaat het financieel-economisch en monetair beleidsterrein uit de volgende deelonderwerpen :

Gezien zijn omvang is het financieel-economische beleidsterrein ten behoeve van het PIVOT-onderzoek verdeeld in een aantal deelonderwerpen. In de loop der jaren zijn er diverse selectielijsten vastgesteld (of althans vervaardigd).

Het PIVOT-institutioneel onderzoeksrapport ‘Smelten, pletten, ponsen en slaan’ vormt de grondslag voor het voorliggende BSD. Het in 1994 verschenen rapport (nummer 22) geeft een overzicht van actoren en beschrijft het handelen van (rijksoverheids)instellingen – voorzover vallend onder de Archiefwet 1962 – van 1940 tot 1994 op het terrein van de ‘geldvoorziening’.

Het RIO bevat niet de handelingen met betrekking tot de euro. Sinds 2002 is de Euro het wettig betaalmiddel en heeft het Ministerie van Financiën een andere rol. De regelgeving, ook op het gebied van munten en bankbiljetten, wordt nu door Europa verricht (ECB en EG). De handelingen met betrekking tot de (invoering van de) euro zijn evenmin in het BSD opgenomen.

Het BSD heeft betrekking op het handelen van de op het terrein van de ‘geldvoorziening’ actieve rijksoverheidsinstellingen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de betreffende zorgdragers. Dat zijn in dit BSD de Minister van Financiën en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

In de selectielijst zijn alle handelingen opgenomen die in de periode 1940–1993 door (overheids)actoren op het terrein van de ‘geldvoorziening’ werden/worden verricht.

Er is gekozen voor één selectielijst voor zowel de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën in de periode 1940–1945, als de Minister van Financiën vanaf 1945. Hoewel beide actoren staatsrechtelijk een andere rol vervullen, zijn de handelingen die zij verricht(t)en niet afwijkend. Daarom is gekozen voor één selectielijst in plaats van twee identieke selectielijsten.

Enkele van de algemene handelingen onder paragraaf 10.1.1 zijn uit praktische overwegingen niet gewaardeerd (handeling 176 en 177). Voor de bijbehorende waarderingen wordt verwezen naar gelijksoortige handelingen in het BSD.

Een aantal handelingen in het onderliggende BSD hebben een overlap met het beleidsterrein Geldzuivering. Ze zijn in dit BSD opgenomen omdat ze niet alleen de geldzuivering aangaan, maar ook raakvlakken hebben met monetaire zaken. Zie voor de naoorlogse geldzuivering het PIVOT-rapport nummer 151 en het bijbehorende BSD dat in 2007 zal verschijnen.

Diverse actoren zijn om uiteenlopende redenen uit dit BSD weggelaten, terwijl ze in het RIO wel als actor voorkomen.

De Nederlandsche Bank is buiten beschouwing gelaten, aangezien deze instantie momenteel een eigen BSD laat vervaardigen. Hetzelfde is van toepassing voor de handelingen van de actoren Ambtenaren der Belastingen/Inspecteur der Belastingen/Rijksbelastingkantoren en van de Ambtenaren van de invoerrechten en accijnzen. Deze zullen worden opgenomen in een BSD dat door de Belastingdienst zelf wordt opgesteld. De Algemene Rekenkamer heeft inmiddels een eigen selectielijst vastgesteld.

De handelingen van de actor Minister (van Verkeer en) Waterstaat (belast met de zorg voor de ptt) en de actor Directeur-Generaal der posterijen/directeuren van de kantoren der posterijen zijn evenmin in dit BSD opgenomen. De desbetreffende archiefbescheiden bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn reeds in een eerder stadium geselecteerd op basis van een vernietigingslijst. Die archieven die voor bewaring in aanmerking kwamen zijn reeds overgedragen aan het Nationaal Archief.

De archiefbescheiden voortvloeiende uit de handelingen van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied (en waarvoor de Minister van Financiën zorgdrager was) zijn reeds overgedragen aan het NIOD.

De handelingen zijn per actor opeenvolgend genummerd. In de datering van de handelingen betekent de aanduiding 1940– dat de handeling ook in 1994 nog wordt uitgevoerd. Indien er een vermoeden bestaat dat de handeling inmiddels is afgesloten, maar er geen eindjaar is te achterhalen, is het eindjaar tussen haakjes vermeld maar zonder eindjaar). Indien er geen zekerheid over het eindjaar bestaat, is het vermoedelijke eindjaar tussen haakjes vermeld, bijv. 1940–(1987).

De te bewaren stukken moeten 20 jaar na vaststelling aan het Algemeen Rijksarchief worden overgedragen. Die termijn is vastgelegd in de Archiefwet 1995.

4.3. De doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein

Het handelen van rijksoverheidsinstellingen op het terrein van de ‘geldvoorziening’ omvat op hoofdlijnen :

Het beleid ten aanzien van de ‘geldvoorziening’ wordt voor wat betreft het muntgeld (munten en muntbiljetten) in belangrijke mate bepaald door de Minister van Financiën. Voor wat betreft het beleid ten aanzien van de uitgifte van bankbiljetten is een belangrijke rol weggelegd voor De Nederlandsche Bank (als enige in Nederland daartoe gerechtigd). N.B. de handelingen van De Nederlandsche Bank komen zoals gezegd niet in dit BSD voor, aangezien De Nederlandsche Bank is bezig met een eigen BSD.

Het handelen van de overheid op het terrein van de ‘geldvoorziening’ is grotendeels vastgelegd in wet- en regelgeving. De rijksoverheid schept daarmee de kaders die voor een goed functionerend geldstelsel noodzakelijk zijn.

4.4. De actoren op het beleidsterrein, voorzover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen.

– Minister van Koloniën / Minister zonder portefeuille / Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen

5. Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven. Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

6. Selectiecriteria

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijn

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op(her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

7. Verslag vaststellingsprocedure

Op 16 januari 2007 is het ontwerp-BSD door het Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA) namens de Minister van Financiën en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juni 2007 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van de studiezaal en op de website van het Nationaal Archief evenals op de website van het Ministerie van OCW, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 31 juli 2007 bracht de RvC advies uit (kenmerk aca-2007.03984/1), hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 13 augustus door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en door de projectdirecteur van het PWAA namens de Minister van Financiën (kenmerk C/S&A/07/1957) en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kenmerk C/S&A/07/1958) vastgesteld.

8. Leeswijzer

(X):

Dit is het volgnummer van de handeling.

Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.

Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Bijvoorbeeld: Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.

Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945- genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend, kan op twee manieren worden vermeld.

(1)

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)

(2)

De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3

NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.

Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘V jaar na voltooiing project’. Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium. Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

9. Actorenoverzicht

Actoren waarvan de zorg voor het archief onder de Minister van Financiën valt

De Minister van Financiën draagt zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving op het terrein van de geldvoorziening. Tevens is de Minister verantwoordelijk voor de coördinatie van het beleid op dat terrein. Jaarlijks brengt hij verslag uit aan ‘Ons’ omtrent de toestand van het Nederlandse muntwezen (tot 1987) of publiceert jaarlijks een door ’s Rijks Muntmeester daarover opgesteld verslag (sinds 1987). Ook beantwoordt de Minister (schriftelijke en mondelinge) vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal (de leden der Staten-Generaal hebben recht van interpellatie; daarnaast beschikken zij over een individueel vragenrecht). Tenslotte beantwoordt de Minister vragen van de Commissies voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer, en beantwoordt hij vragen van individuele burgers.

Het BSD bevat niet de handelingen met betrekking tot de (voorbereiding op de) invoering van de euro. Sinds 2002 is de Euro het wettig betaalmiddel en heeft het Ministerie van Financiën een andere rol. De regelgeving, ook op het gebied van munten en bankbiljetten, wordt nu door Europa verricht (ECB en EG). De handelingen met betrekking tot de (invoering van de) euro zullen in een actualisatie van het BSD worden opgenomen.

Daar waar verreweg de meeste BSD’s lopen vanaf 1945, begint het BSD Geldvoorziening in 1940. Volgens het ‘Decreet van de Führer over de uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland’ van 18 mei 1940 was Rijkscommissaris Seyss-Inquart belast met het opperste regeringsgezag; als zodanig gerechtigd tot het uitvaardigen van verordeningen met de kracht van wet.

Gedurende de Duitse bezetting – bij afwezigheid van de Minister van Financiën – was de SG van het Ministerie van Financiën belast met de zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving, onder gezag van de Rijkscommissaris voor het bezette gebied Nederland.

Deze actor was belast met het doen van aangiftes bij de officier van justitie in geval van het in handen krijgen van munten, welke vermoed werden vals, vervalst of geschonden te zijn.

De Bankraad adviseert de Minister van Financiën inzake de vaststelling, wijziging en intrekking van besluiten houdende voorschriften omtrent de begrenzing van het gezamenlijk bedrag der omlopende bankbiljetten, bankassignatiën en creditsaldi in rekening courant bij De Nederlandsche Bank.

De Commissie Bijzondere Muntuitgiften 1987 en 1989 adviseerde de Minister van Financiën over de keuze van beeldenaars van de munt die in 1987 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig huwelijksfeest van prinses Juliana en prins Bernhard, alsmede van de munt die in 1989 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van koning stadhouder Willem III en zijn gemalin koningin Mary Stuart.

De Commissie Bijzondere Muntuitgiften 1990 en 1991 adviseerde de Minister van Financiën over de keuze van de beeldenaars van de munt die in 1990 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat in 1990 het Koninkrijk der Nederlanden 100 jaar ononderbroken door vorstinnen wordt geregeerd, alsmede van de munt die in 1991 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig huwelijksfeest van Koningin Beatrix en Prins Claus.

De Commissie Contouren Numismatisch Beleid adviseerde de Minister van Financiën over de hoofdlijnen van het numismatisch beleid.

Deze commissie adviseerde de Minister van Financiën over de keuze van een ontwerp voor het borstbeeld van koningin Beatrix ten behoeve van de voorzijde van ’s Rijks munten. Tevens adviseerde zij over een keuze van een ontwerp voor de afbeelding op de keerzijde van ’s Rijks munten.

Van 1947 tot 1950 adviseerde deze commissie de Minister van Financiën inzake de keuze van een ontwerp voor het borstbeeld van koningin Wilhelmina, later koningin Juliana, ten behoeve van de voorzijde van ’s Rijks munten.

Deze commissie is ingesteld in 1909. Tot 1957 was zij belast met het examineren van hen die voor een benoeming tot essaieur van ’s Rijks Munt of van de controle bij ’s Rijks Munt in aanmerking willen komen. ’s Rijks Muntmeester was lid en voorzitter; de overige (twee) leden werden door de Minister van Financiën benoemd.

De Commissie voor het Muntwezen onderzocht in opdracht van de Minister van Financiën of nieuw vervaardigde munten aan de wettelijke eisen van gewicht en gehalte voldeden. Dergelijke onderzoeken vonden plaats op verzoek van de Muntmeester, indien deze zich niet kon verenigen met de resultaten van het onderzoek van de ambtenaren der controle van de Munt.

Jaarlijks stelde de commissie een verslag op tbv de Staten-Generaal inzake het onderzoek van nieuw uitgevaardigde en door de Muntmeester goedgekeurde en uitgeleverde munten.

De Muntcommissie 1945 adviseerde de Minister van Financiën ten aanzien van de te nemen maatregelen tot zuivering van de bestaande muntcirculatie, de inrichting van de muntcirculatie in de toekomst en de eventuele codificatie van muntvoorschriften.

Van 1968 tot 1971 adviseerde deze commissie de Minister van Financiën over de samenstelling van een toekomstige muntreeks.

’s Rijksmuntmeester is belast met de dagelijkse leiding van ’s Rijks Munt. Hij adviseert de

Minister van Financiën ten aanzien van het muntbeleid. Ook beheert hij het aan ’s Rijks Munt verbonden Muntkabinet en is het zijn taak te beoordelen munten welke vermoed worden vals, vervalst of geschonden te zijn. ’s Rijksmuntmeester doet uitspraak in geschillen van allooi en essaai, en treedt op als getuige deskundige in rechtszaken. Jaarlijks stelt hij ten behoeve van de Minister een verslag op omtrent de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt en de toestand van het Nederlandse muntwezen.

’s Rijksmunt is belast met het munten en ontmunten van in de wet voorziene muntdenominaties. Tot 1982 was ’s Rijksmunt gerechtigd tot het slaan van gouden munten ten behoeve van particulieren. Onder door de Minister vastgestelde voorwaarden is hij gerechtigd tot het slaan van munten voor buitenlandse mogendheden.

Zoals de naam al aangeeft, adviseerde deze werkgroep de Minister van Financiën over de mogelijkheden van de activiteiten van ’s Rijksmunt.

Actoren waarvan de zorg voor het archief onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties valt

Deze Minister was betrokken bij de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving op het terrein van het ‘geldwezen’ voor zover het Nederlands-Indië en, later, Nieuw-Guinea betreft.

Selectielijsten

10. Actoren onder de zorg de Minister van Financien (1945–)

Gedurende de Duitse bezetting – bij afwezigheid van de Minister van Financiën – was de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën belast met de zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving, onder gezag van de Rijkscommissaris.

10.1. Actor: de Secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën (1940–1945) en de Minister van Financiën (1945–)

10.1.1. Algemene Handelingen

N.B. : deze handelingen zijn alleen van toepassing indien bij de andere paragrafen van hoofdstuk 10 een soortgelijke handeling nog niet is opgenomen.

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1945–

Opmerking: Zie voor de bijbehorende waardering de handelingen 2, 101 of 141

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1945–

Product: O.a. wetten, AMvB’s, koninklijke besluiten, Ministeriële regelingen

Opmerking: Zie voor de bijbehorende waardering de handelingen 1, 100 of 140.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Opmerking: Bewaring op het hoogste niveau betekent dat kwartaalverslagen alleen worden bewaard als er geen jaarverslagen zijn, en maandverslagen alleen als er geen jaar- en kwartaalverslagen zijn, etcetera.

Waardering: B 3 voor verslagen op het hoogste niveau

V 2 jaar voor verslagen op onderliggend niveau

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de kamers der Staten-Generaal inzake het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1945–

Waardering: B 3

Handeling: Het informeren van de Commissie voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1945–

Waardering: B 3

Handeling: Het informeren van de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1982–

Waardering: B 3

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 3 jaar, m.u.v. één exemplaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het instellen van commissies voor advisering over het beleid, de uitvoering daarvan en wet- en regelgeving ten aanzien van het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: B 4

Handeling: Het benoemen van leden van adviescommissies, werkgroepen e.d. ten aanzien van het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Opmerking: Deze handeling gaat ook over plaatsvervangende leden, secretaris en adjunct-secretaris.

Waardering: V 5 jaar na einde betrekking

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het gebied van het beleidsterrein geldvoorziening waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat bij het Ministerie berust

Periode: 1940–

Waardering: B 5

Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het gebied van het beleidsterrein geldvoorziening waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij het Ministerie berust

Periode: 1940–

Waardering: V 5 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het verlenen van subsidies aan instellingen die een adviserende of uitvoerende taak hebben op het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 7 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het behandelen van bezwaarschriften betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 10 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 3 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en van de resultaten van interne (wetenschappelijke) studies betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: B 2

Handeling: Het begeleiden van intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het beleidsterrein

Periode: 1940–

Waardering: V 5 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 5 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het financieren van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 7 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het opstellen van een plan van aanpak voor projecten betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: B 5

Handeling: Het initiëren, begeleiden en evalueren van projecten betreffende het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1940–

Waardering: V 5 jaar, m.u.v. de evaluatie B 5

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het detacheren/benoemen van ambtenaren bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EG

Periode: 1958–

Product: Besluit

Opmerking: Wanneer sprake is van rechtspositionele verhoudingen moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt).

Waardering: V 5 jaar na einde benoeming

Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan expertgroepen van de Europese Commissie inzake het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1958–

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie op het gebied van geldvoorziening

Periode: 1958–

Opmerking: De interdepartementale WBCN stelt de informatiefiches vast. De handeling hiervoor is opgenomen in het concept-RIO ‘Gedane Buitenlandse Zaken’.

Produkt; Concept-fiches

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1958–

Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;

– De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten;

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raadswerkgroepen.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1958–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;

De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten;

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raden/Attachés.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1958–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;

De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van Buitenlandse Zaken;

De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot concept-instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten;

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van de vergaderingen van het Coreper.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1958–

Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;

– De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten.

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van High Level groepen.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1958–

Opmerking: – Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo);

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van Europees belang inzake het beleidsterrein geldvoorziening

Periode: 1945–

Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken Ministers.

Waardering: B 1

Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité

Periode: 1958–

Opmerking: De Raad benoemt de leden van de comités.

Wanneer sprake is van rechtspositionele verhoudingen moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt).

Waardering: V 10 jaar na einde benoeming

Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening, die besproken worden in een raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité

Periode: 1958–

Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;

– Wanneer meerdere departementen betrokken zijn leidt het eerstverantwoordelijke Ministerie het coördinatie-overleg;

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités;

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over de Europese Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen met betrekking tot het beleidsterrein geldvoorziening, voor zover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden besproken in commissies en werkgroepen

Periode: 1958–

Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven;

– Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het eerstverantwoordelijke Ministerie het coördinatie-overleg;

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités;

– Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.

Waardering: B 1

10.1.2. Muntwezen

Zie ook paragraaf 10.1.1 Algemene handelingen

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het gebied van het muntwezen.

Periode: 1940–

Grondslag: Grondwet art. 178 en 179; sinds 1948 art. 184 en 185; sinds 1972 art. 191 en 192;

sinds 1983 art. 106

Opmerking: Voor een overzicht van de wetten zie hfst. 6 van het RIO

Waardering: B (1)

Handeling: Het voorbereiden en vaststellen van beleidsnota’s inzake het muntwezen.

Periode: 1940–

Opmerking: Het opstellen van beleidsnota’s is als zodanig niet in de grondwet vastgesteld. Het maakt echter deel uit van de voorbereiding van de totstandkoming van wet- en regelgeving.

Waardering: B (1)

Handeling: Het opstellen van jaarrekeningen ten behoeve van de Staten-Generaal ter verantwoording van de bedragen verkregen uit aanmuntingen voor rekening van het Rijk’.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Muntwet 1901, Stb. 132, art. 3 bis

Produkt: Jaarrekeningen

Opmerking: Bij Wet den 29sten november 1935, Stb. 685, tot verlaging van de openbare uitgaven, werd bepaald dat de renten van het ‘Fonds uit … etc.’ in afwijking van het bepaalde in artikel 3bis gedurende de jaren 1936–1940 ten bate van de gewone dienst van de Rijksbegroting zouden komen. Bij Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën van 22 januari 1941, Stcrt. 1941, Nr. 21, betreffende de verantwoording van de renten van de kapitalen van het ‘Fonds uit … etc.’ werd bepaald dat dit ook gedurende de jaren 1941–1945 het geval zou zijn.

Waardering: B (3)

Handeling: Het stellen van nadere regels inzake de liquidatie van het ‘Fonds uit de zuivere winsten, verkregen uit aanmuntingen voor rekening van het Rijk’.

Periode: 1948–1969

Grondslag: Muntwet 1948, Stb. I 156, art. 11, lid 1

Opmerking: De liquidatie van het Fonds is definitief geregeld in de begrotingswetten van 1968 en 1969.

Waardering: B (5)

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten

Periode: 1940–

Grondslag: Muntwet 1901, Stb. 132, art. 12

Muntwet 1948, Stb. I 156, art. 4, lid 1, later lid 2 [1969], later lid 5 [1972]; art. 4, lid 3 [sinds 1972]; art. 5, lid 1; art. 7

Muntwet 1955, art. 8, lid 3

Muntwet 1987, Stb. 451, art. 5, lid 1; art. 6, lid 3; art. 7

Produkt; Koninklijke Besluiten

Besluit van 24 december 1957, Stb. 562, houdende regelen omtrent het gewichts- en gehalteonderzoek van monsters, genomen uit door ’s Rijks Munt vervaardigde gouden of zilveren munten.

– op basis van artikel 12 van de Muntwet 1901

1.

Besluit van 7 mei 1926, Stb. 112, houdende aanwijzing der kantoren, waar de pasmunt tegen Rijksdaalders, guldens en halve guldens kan worden ingewisseld.

– op basis van artikel 4 van de Muntwet 1948

2.

Besluit van 13 juli 1948, Stb. I 293, tot uitvoering van artikel 4, lid 1, der Muntwet 1948 (vaststellen van de beeldenaar).

3.

Besluit van 28 juli 1954, Stb. 361, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar der zilveren rijksdaalders en guldens.

4.

Besluit van 14 november 1967, Stb. 569, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren en de nikkelen rijksdaalders en guldens.

5.

Besluit van 19 februari 1970, Stb. 119, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren tienguldenstuk.

6.

Besluit van 7 mei 1973, Stb. 254, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren tienguldenstuk, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 1948.

7.

Besluit van 2 september 1978, Stb. 470, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van de keerzijde van de rijksdaalder met het jaartal 1979.

8.

Besluit van 12 juli 1980, Stb. 406, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van de rijksdaalder en gulden die in 1980 worden uitgegeven ter gelegenheid van der troonopvolging

9.

Besluit van 18 januari 1982, Stb. 23, regelende de beeldenaar van een aantal van ’s Rijksmunten

10.

Besluit van 29 mei 1982, Stb. 331, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren vijftigguldenstuk, dat in 1982 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat Nederland en de Verenigde Staten van Amerika in 1982 gedurende tweehonderd jaar diplomatieke betrekkingen onderhouden.

11.

Besluit van 11 april 1984, Stb. 259, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren vijftigguldenstuk, dat in 1984 wordt uitgegeven ter herdenking van de 400ste sterfdag van Willem van Oranje op 10 juli 1984.

12.

Besluit van 7 januari 1987, Stb. 4, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren vijftigguldenstuk, dat in 1987 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig huwelijk van hunne Koninklijke Hoogheden Prinses Juliana en Prins Bernhard op 7 januari 1937.

– op basis van artikel 7 van de Muntwet 1948

13.

Besluit van 15 juli 1948, Stb. I 314, houdende aanwijzing der kantoren, waar munten tegen onbeperkt wettig betaalmiddel, onbeperkt wettig betaalmiddel tegen munten en munten van iedere nominale waarde tegen munten van andere nominale waarde kunnen worden verwisseld of ingewisseld.

– op basis van artikel 5 van de Muntwet 1948

14.

Besluit van 13 juli 1948, Stb. I 294, houdende vaststelling van de bedragen tot welke ’s-Rijksmunten, bedoeld in artikel 2, onder 1 b en c van de Muntwet 1948, mogen worden geslagen.

15.

Besluit van 7 juli 1954, Stb. 302, houdende vaststelling van de bedragen tot welke ’s-Rijks munten, bedoeld in artikel 2, onder 1 b en c van de Muntwet 1948, mogen worden geslagen.

16.

Besluit van 7 februari 1983, Stb. 77, houdende de intrekking van het Koninklijk Besluit van 7 juli 1954, Stb. 302

17.

Besluit van 3 november 1987, Stb. 508, houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder en aanwijzing van de kantoren waar inwisseling kan plaatsvinden van munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel tegen andere dergelijke munten of tegen ander wettig betaalmiddel en van ander wettig betaalmiddel tegen dergelijke munten.

18.

Besluit van 17 januari 1992, Stb. 41, ter uitvoering van artikel 7 Muntwet 1987.

19.

Besluit van 23 december 1992, Stb. 720, tot uitvoering van artikel 7 van de Muntwet 1987 inzake inwisseling van munten.

– op basis van artikel 5, lid 1, van de Muntwet 1987

20.

Besluit van 3 november 1987, Stb. 509, tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van het vijf-guldenstuk.

21.

Besluit van 21 juni 1988, Stb. 317, houdende de vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren vijftigguldenstuk dat in 1988 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van de overtocht van Prins Willem III van Oranje Nassau en de kroning van Prins Willem III en zijn Britse gemalin Prinses Mary Stuart tot Koning en Koningin van Engeland, Schotland en Ierland en de daarop gevolgde vrijwel 300 jaar ononderbroken vriendschap tussen het Nederlandse en Britse Volk.

22.

Besluit van 2 november 1989, Stb. 512, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren vijftigguldenstuk dat in 1990 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat in 1990 het Koninkrijk der Nederlanden 100 jaar ononderbroken door vorstinnen wordt geregeerd.

23.

Besluit van 30 november 1990, Stb. 590, houdende vaststelling van enkele bestanddelen van de beeldenaar van het zilveren vijftigguldenstuk dat in 1991 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige huwelijksfeest van Hare Majesteit de Koningin en Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Claus der Nederlanden op 10 maart 1991.

Opmerking: De Munt wet 1987 voorziet verder in de mogelijke vaststelling van besluit(en) om munten, stempels en ontwerpen van stempels voor munten niet aan ’s-Rijks Munt te laten vervaardigen (op basis van artikel 6, lid 3).

Waardering: B (1)

Handeling: Het vaststellen, intrekken en wijzigen van Ministeriële regelingen, waarin de Minister bepaalt welk deel van de uit te geven zilveren tienguldenstukken uitsluitend op bestelling bij ’s Rijks Munt verkrijgbaar zal zijn op door hem vast te stellen voorwaarden en tegen door hem vast te stellen prijzen.

Periode: 1972–1987

Grondslag: Muntwet 1948, art. 4, lid 4

Produkt: Ministeriële regelingen :

1.

Beschikking van 8 augustus 1973, Nr. A 73 – 15347, Stcrt. 9 augustus 1973, Nr. 153, houdende vaststelling van de voorwaarden waarop en de prijs waarvoor de tienguldenstukken als bedoeld in artikel 4, lid 2, van de Muntwet 1948, die uitsluitend op bestelling bij ’s Rijks Munt verkrijgbaar zijn, kunnen worden verkregen.

2.

Beschikking van 9 april 1974, Nr. A 74 – 5692, Stcrt. 10 april 1974, Nr. 71, houdende vaststelling van de oplaag van numismatische jubileumtientjes.

Waardering: B (1)

Handeling: Het opstellen van jaarlijkse overzichten waarin wordt meegedeeld hoeveel van elke muntsoort er in het afgelopen jaar voor rekening zowel van bijzondere personen als van het Rijk is aangemunt en van Rijkswege is ingetrokken, ter publicatie in de Staatscourant.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Muntwet 1901, art. 15

Produkt: Jaaroverzichten

Waardering: B (3)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur

Periode: 1940–

Grondslag: Muntwet 1901, art. 18; art. 19; art. 23

Muntwet 1909, art. 2; art. 3; art. 4; art. 12

Muntwet 1948, art. 10, lid 2; art. 12, lid 1

Muntwet 1955, art. 4; art. 6

Muntwet 1987, art. 3; art. 4, lid 1; art. 8, lid 1; art. 8, lid 2

Produkt: AMvB’s :

– op basis van artikel 18 van de Muntwet 1901

1.

Besluit van 12 december 1901, Stb. 265, regelende de wijze van intrekking van munten, die ingevolge artikel 18, eerste lid, der Muntwet 1901 moeten worden ingetrokken en vermunt.

– op basis van artikel 19 van de Muntwet 1901

2.

Besluit van 29 juni 1911, Stb. 198, waarbij … de gemeenten zijn aangewezen, waar de bepaling van artikel 19, eerste lid der Muntwet 1901 niet geldt.

– op basis van artikel 10, lid 2, van de Muntwet 1948

3.

Besluit van 31 juli 1948, Stb. I 349, tot uitvoering van artikel 10, lid 1, der Muntwet 1948 (het intrekken en ontmunten van beschadigde, c.q. voor de omloop ongeschikt geworden munten).

– op basis van artikel 12, lid 1, van de Muntwet 1948, tot uitvoering van artikel

4.

Besluit van 15 september 1948, Stb. I 416, 12, lid 1, der Muntwet 1948 (het stellen van regels inzake het buiten omloop stellen van anders dan uit goud geslagen munten welke niet in de wet zijn voorzien, en van ingevolge bezettingsregelingen geslagen zinken munten).

5.

Besluit van 18 juli 1950, Stb. K 296, ter uitvoering van artikel 12, lid 1, der Muntwet 1948 (het stellen van regels inzake het buiten omloop stellen van munten).

6.

Besluit van 12 september 1952, Stb. S 467, ter uitvoering van artikel 12, lid 1, der Muntwet 1948 (het stellen van regels inzake het buiten omloop stellen van munten).

7.

Besluit van 11 september 1953, Stb. 450, regelende de buitenomloopstelling van de zinken dubbeltjes en de overeenkomstig de Muntwet 1901 geslagen bronzen centen.

8.

Besluit van 16 februari 1955, Stb. 53, regelende de buitenomloopstelling van de overeenkomstig de Muntwet 1901 geslagen gangbare zilveren guldens.

9.

Besluit van 3 oktober 1958, Stb. 463, regelende de buitenomloopstelling van de overeenkomstig de Muntwet 1901 geslagen gangbare zilveren rijksdaalders.

10.

Besluit van 11 januari 1960, Stb. 3, regelende de buitenomloopstelling van de overeenkomstig de Muntwet 1901 geslagen gangbare zilveren dubbeltjes.

– op basis van artikel 3 en artikel 4, lid 1, van de Muntwet 1987

11.

Besluit van 3 november 1987, Stb. 507, houdende vaststelling van de bedragen tot welke de munten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Muntwet 1987 de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben, en vaststelling van de materialen waaruit deze munten zijn vervaardigd, alsmede de gewichten en afmetingen van deze munten.

12.

Besluit van 15 maart 1990, Stb. 156, houdende vaststelling van de bedragen tot welke de munten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Muntwet 1987 de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben, en vaststelling van de materialen waaruit deze munten zijn vervaardigd, alsmede de gewichten en afmetingen van deze munten.

AMvB’s :

– op basis van artikel 4 van de Wet 1901

1.

Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van den inrichting van ’s Rijksmunt

– op basis van artikel 12 van de Wet 1901

2.

Besluit van 19 maart 1910, Stb. 88, tot uitvoering van artikel 12 der wet van 28 mei 1901, Stb. 130, etc. (Besluit tot regeling van het onderzoek van munten door de Commissie voor het Muntwezen).

– op basis van artikel 2 en 3 van de Wet 1901

3.

Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het Rijk aan ’s Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd.

– indirect op basis van artikel 12, lid 2, van de Wet 1901

4.

Besluit van den 30sten december 1933, Stb. 811, regelende de kosten van aanmunting ten behoeve het Rijk, van Nederlands-Indië, van Suriname en van Curaçao.

N.B. In de aanhef van dit Besluit wordt verwezen naar artikel 2, tweede lid, van de Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt, naar de Muntwet 1901, naar de Indische Muntwet 1912, naar het gewijzigde Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, en naar het Besluit van 3 februari 1913, Stb. 90, gewijzigd bij Besluit van 2 september 1919, Stb. 128.

– indirect op basis van artikel 3, lid 3, van de Wet 1901

5.

Besluit van

N.B. In de aanhef van dit Besluit wordt verwezen naar artikel 3, derde lid, van de Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der munt; dit artikel voorziet in het bij AMvB stellen van voorwaarden inzake de vervaardiging van muntstempels; over stempels ‘geen muntstempels of medaillestempels zijnde’ en hulpmiddelen geen stempels zijnde wordt in dat artikel niet expliciet gesproken; deze AMvB vloeit dus niet direct uit dat artikel voort.

Vgl. Besluit van 20 jauari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het Rijk aan ’s Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd; in de aanhef van dit besluit wordt weer verwezen naar het Besluit van 1911.

– op basis van artikel 4 van de Wet 1955

6.

Besluit van 24 december 1957, Stb. 560, houdende nadere regeling omtrent de inrichting van de dienst van ’s Rijks Munt.

– op basis van artikel 6 van de Wet 1955

7.

Besluit van 24 december 1957, Stb. 561, tot vaststelling van de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan Nederland aan ’s Rijks Munt bepaalde werkzaamheden verricht kunnen worden.

Opmerking: Verder biedt de Muntwet 1901 de mogelijkheid tot het uitvaardigen van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van gemeenten, waar gelegenheid wordt gegeven tot verwisseling van munten, die in Duitsland en van munten, die in België in de publieke kassen worden aangenomen, gedurende een maand na het in werking treden van deze wet (op basis van artikel 23).

De Muntwet van 1987 voorziet verder in de mogelijkheid van vaststelling van algemene maatregelen van bestuur tot regeling van de buitenomloopstelling van munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel (op basis van artikel 8, lid 1) en algemene maatregelen van bestuur waarin regels ingesteld worden inzake de inwisseling van buitenomloopgestelde munten tegen vergoeding van de vroegere nominale waarde gedurende drie maanden (op basis van artikel 8, lid 2).

Waardering: B (1/4)

Handeling: Het publiceren van jaarlijkse verslagen omtrent de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt en de toestand van het Nederlandse muntwezen.

Periode: 1987–

Grondslag: Muntwet 1987, art. 12

Produkt; Jaarverslagen

Waardering: B (3)

Handeling: Het binnen de in artikel 1 van het Besluit bepaalde grenzen vaststellen van de bedragen, voor welke de aldaar genoemde munten worden geslagen.

Periode: 1948–1987

Grondslag: Besluit van 13 juli 1948, Stb. I 294, houdende vaststelling van de bedragen tot welke ’s Rijks munten, bedoeld in artikel 2, onder 1 b en c van de Muntwet 1948, mogen worden geslagen;

Besluit van 7 juli 1954, Stb. 302, houdende vaststelling van maximum-aanmuntingsbedragen voor guldens, kwartjes, dubbeltjes, stuivers en centen, alsmede voor gouden dukaten

Produkt: Ministeriële regelingen, o.a.

1.

Beschikking van 18 september 1948, Nr. 33

2.

Beschikking van 17 maart 1949, Nr. 224

3.

Beschikking van 2 juli 1949. Nr. 68

4.

Beschikking van 13 maart 1950, Nr. 81

5.

Beschikking van 24 oktober 1950, Nr. 198

6.

Beschikking van 22 januari 1951, Nr. 169

7.

Beschikking van 19 maart 1951, Nr. 252

8.

Beschikking van 6 juni 1951, Nr. 213

9.

Beschikking van 28 juli 1951, Nr. 60

10.

Beschikking van 26 oktober 1951, Nr. 226

11.

Beschikking van 13 december 1951, Nr. 211

12.

Beschikking van 27 juni 1952, Nr. 138

13.

Beschikking van 10 januari 1953, Nr. 156

14.

Beschikking van 2 mei 1953, Nr. 156

15.

Beschikking van 5 augustus 1953, nr. 189

16.

Beschikking van 11 augustus 1953, nr. 130

17.

Beschikking van 22 januari 1954, Nr. 129

18.

Beschikking van 8 juni 1954, Nr. G 176

19.

Beschikking van 23 augustus 1954, Nr. G 2244

20.

Beschikking van 23 december 1954, Nr. G 5520

21.

Beschikking van 5 april 1955. Nr. G 8664

22.

Beschikking van 25 november 1955, Nr. B 23341

23.

Beschikking van 5 oktober 1956, Nr. B/611008

24.

Beschikking van 2 februari 1983, Nr. 383 – 1451, Stcrt. 1983, Nr. 25

N.B. Het onder ‘regelgeving’ genoemde besluit van 7 juli 1954 werd ingetrokken in 1983 (zie handeling 7, produkt 16). De navolgende regelingen zijn echter van dezelfde strekking en verwijzen direct naar het in die besluiten genoemde artikel 5 van de Muntwet 1948

25.

Beschikking van 18 april 1984, Nr. 384 – 4846, Stcrt. 24 april 1984, Nr. 80

26.

Beschikking van 7 maart 1986, Nr. 386 – 1962, Stcrt. 18 maart 1986, Nr. 54

Waardering: B (5)

Handeling: Het verlengen/weer openstellen van de termijnen waarbinnen gelegenheid bestaat tot het omwisselen van munten.

Periode: 1948–(…)

Grondslag: Besluit van 15 september 1948, Stb. I 416, art. 2, lid 2; Besluit van 18 juli 1950, Stb. K 296; Besluit van 12 september 1952, Stb. 467; Besluit van 11 september 1953, Stb. 450; Besluit van 16 februari 1955, Stb. 53; Besluit van 3 oktober 1958, Stb. 463; Besluit van 11 januari 1960, Stb. 3

Produkt: Ministeriële regelingen, o.a.

1.

Beschikking van 28 april 1949, Nr. 268

2.

Beschikking van 19 februari 1951, Nr. 108

3.

Beschikking van 12 februari 1954, Nr. 224

4.

Beschikking van 5 maart 1956, Nr. B 6/2438

5.

Beschikking van … 1959, Nr. …

6.

Beschikking van 23 augustus 1960, Nr. AO/11971, Stcrt. 5 september 1960, Nr. 171

Waardering: B (5)

Handeling: Het verstrekken van vergoedingen aan De Nederlandsche Bank in verband met werkzaamheden door de Bank verricht in het kader van de inwisseling van munten.

Periode: 1993–

Grondslag: Besluit van 23 december 1992, Stb. 720, tot uitvoering van artikel 7 van de Muntwet 1987 inzake inwisseling van munten, art. 2.b

Produkt: Vergoedingen

Waardering: V, 10 jaar na uitbetaling

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren van de controle (en hun plaatsvervangers) van ’s Rijks Munt, alsmede van leden van de Commissie voor het Muntwezen, die onderzoeken of de door ’s Rijks Munt vervaardigde munten aan de wettelijke eisen van gewicht en gehalte voldoen.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Muntwet 1909, art. 7, art. 11

Produkt: Beschikkingen inzake benoeming

Opmerking: Wanneer sprake is van rechtspositionele verhoudingen moet gebruik worden

gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt).

Waardering: V, 10 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren der controle van ’s Rijks Munt, alsmede het aanwijzen van (onafhankelijke) deskundigen die onderzoeken of de door ’s Rijks Munt afgeleverde nieuwe munten, dan wel monsters van gouden en/of zilveren munten, aan de wettelijke eisen van gewicht en gehalte voldoen.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Muntwet 1955, art. 7; art. 8

Produkt: Ministeriële regelingen, o.a.

Opmerking: Wanneer sprake is van rechtspositionele verhoudingen moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt).

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het op basis van door ’s Rijks Munt danwel (externe) deskundigen verrichte controles vaststellen of de door ’s Rijks Munt vervaardigde nieuwe Nederlandse munten, danwel (monsters van) gouden en/of zilveren munten aan de wettelijke eisen van gewicht en gehalte voldoen.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Wet 1955, artikel 7; artikel 8

Produkt: Processen-verbaal inzake de goedkeuring van munten

Waardering: V, 5 jaar na controle

Handeling: Het opstellen van jaarlijkse verslagen (‘aan Ons’) omtrent de toestand van het Nederlands muntwezen.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Muntwet 1955, art. 11

Produkt: Jaarverslagen Nederlands muntwezen

Waardering: B (3)

Handeling: Het aanwijzen van de leden van de Commissie voor benoeming tot essaieur van ’s Rijks Munt of van de controle bij ’s Rijks Munt.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Muntwet 1909, art. 10

Produkt: Beschikking inzake benoeming

Opmerking: Wanneer sprake is van rechtspositionele verhoudingen moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt).

Waardering: V, 10 jaar

B 6 voor de periode 1940–1945

Handeling: Het benoemen van ’s Rijks Muntmeester en het voorzien in de waarneming van zijn functie bij diens afwezigheid.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Muntwet 1955, art. 2, lid 2

Produkt: Beschikkingen (of koninklijke besluiten?) inzake benoeming

Waardering: B (4)

Handeling: Het goedkeuren van de door ’s Rijks Muntmeester vastgestelde instructies voor de uitvoering van de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van ’s Rijks Munt, art. 7

Produkt: Ministeriële regelingen

Waardering: B (5)

Handeling: Het vaststellen van de bedragen waarvoor de muntmeester zekerheden ten behoeve van de staat dient te stellen.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van ’s Rijks Munt, art. 31

Product: Ministeriële regelingen

Waardering: V, 10 jaar na einde zekerheidstelling

Handeling: Het opstellen van jaarlijkse opgaven van de soorten en de hoeveelheden der in het afgelopen jaar nieuw vervaardigde en van ’s Rijks Munt afgeleverde munten, ter toezending aan de Commissie van het Muntwezen.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Besluit van 19 maart 1910, Stb. 88, tot uitvoering van artikel 12 der wet van 28 mei 1901, Stb. 130 (Besluit tot regeling van het onderzoek van munten door de Commissie van het Muntwezen), art. 7

Product: Jaaropgaven

Waardering: B (3)

Handeling: Het doen van mededeling aan de Minister van Koloniën van de soorten en van de hoeveelheden van de ten behoeve van de koloniën of bezittingen vervaardigde munten die de Commissie van het Muntwezen aan een onderzoek wil onderwerpen.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Besluit van 19 maart 1910, Stb. 88, art. 9, tot uitvoering van artikel 12 der wet van 28 mei 1901, Stb. 1930 (Besluit tot regeling van het onderzoek van munten door de Commissie van het Muntwezen).

Product: Correspondentie, overzichten

Waardering: V, 5 jaar na mededeling

Handeling: Het verlenen van machtigingen tot en het per geval vaststellen van de voorwaarden waaronder aan ’s Rijks Munt het aanmunten van species (art. 16) of het vervaardigen van muntstempels (art. 26) voor rekening van buitenlandse regeringen kan plaatsvinden.

Periode: 1940–1957

Grondslag: Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, art. 16; art. 26 (gewijzigd bij Besluit van 11 april 1935, Stb. 184; Besluit van 3 september 1951, Stb. 412; ingetrokken 1957, Stb. 561)

Product: Beschikkingen, o.a.

1.

Besluit van 23 januari 1951, nr. 18 (Indonesië)

2.

Besluit van 13 juni 1951, nr. 13 (Indonesië)

3.

Besluit van 31 januari 1952, nr. 10 (Indonesië)

4.

Besluit van 6 mei 1952. nr. 31 (Indonesië)

5.

Besluit van 9 januari 1953, nr. (Libanon)

6.

Besluit van 22 september 1954, nr. (Venezuela/Uruguay)

Waardering: B (5)

Handeling: Het per muntsoort vaststellen van de hoeveelheden te verpakken goedgekeurde munten.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Besluit van 24 december 1957, Stb. 560, art. 26, lid 1 (gewijzigd bij Besluit van 19 maart 1970, Stb. 120; Besluit van 30 juni 1982, Stb. 422; Besluit van 18 mei 1983, Stb. 246)

Product: Ministeriële regelingen, o.a.

– Beschikking van 2 januari 1958, Nr. B 6/14634

– Beschikking van 12 maart 1970, Nr. A 70 – 3629

– Beschikking van 2 februari 1983, Nr. 383 – 1452

Waardering: V, 10 jaar na vervallen

Handeling: Het vaststellen van het muntloon voor de aanmaak van gouden dukaten.

Periode: 1958–1982

Grondslag: Besluit van 24 december 1957, Stb. 561, art. 1, lid 1 (gewijzigd bij Besluit van 11 december 1975)

Product: Ministeriële regelingen, o.a.

– Beschikking van 22 juli 1960, Nr. A 0 – 9273, Stcrt. 25 juli 1960, Nr. 141

– Beschikking van 30 juni 1971, Nr. A 71 – 9364, Stcrt. 6 juli 1971, Nr. 127

– Beschikking van 29 december 1975, Nr. 37 – 507169, Stcrt. 30 december 1975, Nr. 251

Waardering: V, 10 jaar na vervallen

Handeling: Het vaststellen van richtlijnen voor het opstellen van prijscalculaties door ’s Rijks Muntmeester voor de aanmaak van munten, niet genoemd in artikel 2 van de Muntwet, van medailles en van stempels.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Besluit van 24 december 1957, Stb. 561, art. 2 (gewijzigd bij Besluit van 11 december 1975, Stb. 683; besluit van 18 mei 1983, Stb. 247)

Product: Ministeriële regelingen

Waardering: B (5)

Handeling: Het verlenen van machtigingen aan ’s Rijks Munt voor de aanmaak van munten en stempels van munten, niet genoemd in artikel 2 van de Muntwet, en het goedkeuren van de voorwaarden voor de aanmaak van die munten en muntstempels.

Periode: 1958–1987

Grondslag: Besluit van 24 december 1957, Stb. 561, art. 3 (gewijzigd bij Besluit van 11 december 1975, Stb. 683; besluit van 18 mei 1983, Stb. 247)

Product: Beschikkingen, machtigingen

Waardering: B (5)

Handeling: Het stellen van nadere regels (lid 3) inzake, danwel het stellen van een termijn voor (lid 1), de inlevering van buiten omloop gestelde zilveren rijksdaalders en zilveren guldens.

Periode: 1972–

Grondslag: Wet van 29 juni 1972, Stb. 347, houdende buitenomloopstelling van zilveren guldens en rijksdaalders, art. 2, lid 1, art 2, lid 3

Product: Ministeriële regelingen, zoals :

– Beschikking van 12 december 1972, Nr. A 72 – 21713, Stcrt. 14 december 1972, Nr. 244

– Beschikking van 21 juni 1973, nr. A 73 – 11911, Stcrt. 22 juni 1973, Nr. 119

– Beschikking van 4 december 1973, nr. A 73 – 23722, Stcrt. 5 december 1973, Nr. 236

Waardering: B (5)

Handeling: Het stellen van nadere regels inzake de inwisseling van buitenomloop gestelde centen en de vergoeding daarvan tegen de nominale waarde.

Periode: 1982–

Grondslag: Wet van 14 oktober 1982, Stb. 593, houdende buitenomloopstelling van de cent en afschaffing van het recht van aanmunting van gouden dukaten, art. II

Product: Ministeriële regelingen, o.a.

– Beschikking van 7 februari 1983, Nr. 383 – 1450, Stcrt. 8 februari, Nr. 27

Waardering: B (5)

Handeling: Het bij beschikking verlenen van toestemming voor het aanmaken, uitgeven, aannemen of doorgeven van hulpgeld.

Periode: 1941–1945

Grondslag: Besluit van den 21sten oktober 1941, betreffende de circulatie van niet geautoriseerde betaalmiddelen, Verordeningenblad Nr. 206/1941, art. 1

Product: Beschikkingen

Opmerking: Onder hulpgeld wordt verstaan alles wat bestemd of geschikt is om in een min of meer beperkte kring van persoenen als betaalmiddel te worden gebezigd, in het bijzonder penningen, bonnen, betaalzegels, spaarzegels en andere voorwerpen met gelijke functie.

Waardering: B (6)

Handeling: Het verlenen van vergunningen tot het niet na komen van de verplichting tot inlevering van zilveren rijksdaalders, guldens, halve guldens, vijf-en-twintig-centstukken en tien-centstukken, nikkelen stuivers, bronzen twee-en-een-halve-centen en centen.

Periode: 1942–1945

Grondslag: Besluit van de secretarissen-generaal der departementen van financiën en van justitie van 21 september 1942, Stcrt. 1942, Nr. 183, betreffende de inlevering van buitenomloopgestelde munten, art. 1, lid 3

Product: Beschikkingen

Waardering: B (6)

Handeling: Het verbeurd verklaren van buiten omloop gestelde munten, die niet binnen de gestelde termijn zijn ingeleverd en waarvoor geen ontheffing van inlevering is verstrekt.

Periode: 1942–1945

Grondslag: Besluit van de secretarissen-generaal der departementen van financiën en van justitie van 21 september 1942, Stcrt. 1942, Nr. 183, betreffende de inlevering van buitenomloopgestelde munten, artikel 2, lid 1

Product: Processen-verbaal

Waardering: B (6)

Handeling: Het controleren of buiten ’s Rijks Munt geslagen munten van het Rijk in Europa, alvorens zij in omloop worden gebracht, voldoen aan de wettelijke vereisten in de Muntwet 1901 gesteld.

Periode: 1944–(…)

Grondslag: Besluit van 20 juli 1944, Stb. E 54, houdende bijzondere voorzieningen tot het aanmunten van zilveren teeken- en pasmunt buiten ’s Rijks Munt en voor het in omloop brengen van deze munt, art. 3

Product: Controlerapporten

Waardering: V, 5 jaar na controle

Handeling: Het vaststellen van alle nodig geachte bepalingen met betrekking tot de zuivering van het geldwezen.

Periode: 1945– (…)

Grondslag: Besluit van 3 augustus 1945, Stb. F 183, houdende vaststelling van het Machtigingsbesluit Geldzuivering, artikel 1

Product: Ministeriële regelingen, o.a.

1.

Beschikking van 20 september 1945, Stb. F 178, houdende verbod tot het oppotten of opgepot houden van zinken pasmunt.

2.

Beschikking van 22 september 1945, Stb. F 183, houdende vaststelling van de Zuiveringsbeschikking zilveren, nikkelen, bronzen en zinken munten.

gewijzigd bij:

2a. Beschikking van 20 november 1945, Stb. F 297.

3.

Beschikking van 20 november 1945, Stb. 296, houdende intrekking van de beschikking van 20 september 1945

Opmerking: De Minister werd daartoe gemachtigd voor een periode van een jaar.

Waardering: B (1)

Handeling: Het in beslag nemen en verbeurd verklaren van zilveren, nikkelen, bronzen en zinken munten waarvan vermoed wordt dat zij, hetzij bij wijze van betaling, hetzij op enige andere wijze, anders dan tegen nominale waarde zullen worden overgedragen, of door versmelting, verminking of anderszins aan hun bestemming zullen worden onttrokken (zonder dat daarvoor toestemming is verleend – Besluit van 20 november).

Periode: 1945–

Grondslag: Beschikking van 22 september 1945, Stb. F 183, artikel 3; Beschikking van 20 november 1945, Stb. 297

Product: Processen-verbaal

Waardering: V, 20 jaar na datum van verbeurdverklaring

Handeling: Het onder voorwaarden verlenen van vergunningen tot het overdragen, hetzij bij wijze van betaling, hetzij op enige andere wijze, van ’s Rijks munten in zilver, nikkel, brons en zink anders dan tegen nominale waarde, of tot het onttrekken van dergelijke munten aan hun bestemming door versmelting, verminking of anderszins.

Periode: 1945– (…)

Grondslag: Beschikking van 20 november 1945, Stb. 297, artikel 1

Product: Vergunningen, beschikkingen

Waardering: V, 20 jaar na vervallen van de vergunning

Handeling: Het vaststellen van beschikkingen tot instelling van adviescommissies op het terrein van het muntwezen.

Periode: 1945–

Product: Beschikkingen

Waardering: B (4)

10.1.3. Bankbiljetten.

Zie ook paragraaf 10.1.1 Algemene handelingen

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake bankbiljetten.

Periode: 1940–

Grondslag: Grondwet, art. 106 (sinds 1983)

Product: Wetten

Opmerking: Vóór 1983 bevatte de grondwet geen bepalingen die betrekking hadden op bankbiljetten.

Waardering: B (1)

Handeling: Het voorbereiden en vaststellen van beleidsnota’s inzake de uitgifte en circulatie van bankbiljetten.

Periode: 1940–

Product: Beleidsnota’s

Opmerking: Het opstellen van beleidsnota’s is als zodanig niet in de Grondwet opgenomen. Het maakt echter deel uit van de voorbereiding van de totstandkoming van wet- en regelgeving.

Waardering: B (1)

Handeling: Het opstellen van bijzondere wetten krachtens welke (een) circulatiebank(en) mag(mogen) worden opgericht en/of buitenlandse circulatiebanken hun bankbiljetten hier te lande in omloop mogen brengen.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 1

Waardering: B (1)

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van besluiten tot vaststelling van dagen waarop de kantoren van De Nederlandsche Bank niet zullen worden opengesteld voor het verwisselen van bankbiljetten.

Periode: 1965–

Grondslag: Bankwet 1948, artikel 11, lid 2 (zoals gewijzigd bij Wet van 9 december 1965, Stb. 566 – toevoeging artikel 11, lid 2)

Product: Ministeriële regelingen, o.a.

– Besluit van 13 maart 1968, Nr. 62, Stcrt. 28 maart 1968, Nr. 63 (… inzake aanwijzing van de Goede Vrijdag als dag, waarop de kantoren van De Nederlandsche Bank N.V., niet zullen worden opengesteld voor het verwisselen van bankbiljetten).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)