Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldzuivering, over de periode 1942–1986 (Minister van Verkeer en Waterstaat)

Type Archiefselectielijst
Publication 2007-10-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geldzuivering, over de periode 1942–1986’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers

Minister van Financiën

Minister van Justitie

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Verkeer en Waterstaat

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Op het beleidsterrein

Geldzuivering

1942–1986

Versie SDU september 2007

Lijst van afkortingen

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

BSD: Basisselectiedocument

BZK: (ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Def: (ministerie van) Defensie

EZ: (ministerie van )Economische Zaken

Fin: (ministerie van) Financiën

Jus: (ministerie van) Justitie

KB: Koninklijk Besluit

KvK: Kamer van Koophandel

LNV: (ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

MvA: Memorie van Antwoord

MvT: Memorie van Toelichting

NA: Nationaal Archief

OCW: (ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

TK: Tweede Kamer

VROM: (ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VenW: (ministerie van) Verkeer en Waterstaat

ZBO: Zelfstandig Bestuursorgaan

1. Verantwoording

1.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

1.2 Afbakening van het beleidsterrein

De geldzuivering die na de Tweede Wereldoorlog plaatsvond is voor Nederland een unieke operatie geweest. Het ministerie van Financiën draagt de verantwoordelijkheid

voor de voorbereiding van het algemeen financieel-economisch beleid, het doelmatig beheer van ’s Rijks financiën, de belastingpolitiek en fiscale wetgeving en voor de heffing, inning en controle van de door de rijksoverheid geheven belastingen1Voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Financiën (IX B) voor het jaar 1995, Memorie van Toelichting, p. 13..

Er zijn vier beleidsterreinen te onderscheiden:

De beleidsterreinen waarop het ministerie van Financiën zich beweegt zijn in de periode na 1940 niet al te zeer veranderd. Het ministerie van Financiën speelde naast de hiervoor geschetste beleidsterreinen een belangrijke rol bij de afhandeling van de (financieel-economische) gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Het betreft dan onder andere schadevergoedingsregelingen maar ook de sanering van het geldwezen. De geldzuivering uit 1945 is het dichtst te plaatsen als onderdeel van het eerste geformuleerde beleidsterrein: het financieel-economische en monetaire beleidsterrein.

1.3 Ontwikkelingen op het beleidsterrein Geldzuivering

Gedurende de bezetting was enerzijds door intensief handelsverkeer richting Duitsland en anderzijds door het laten draaien van de drukpersen de maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland enorm toegenomen. Tegenover de grote geldvoorraad stond een beperkte verkrijgbaarheid van goederen. Het gevaar van grote inflatie was dan ook aanwezig. De koopkracht van het publiek moest naar normale proporties teruggebracht worden en zwarthandel uitgebannen. Ook de overheidsfinanciën moesten weer gezond gemaakt worden. Door blokkering en afroming van overtollige of ten onrechte verkregen geldmiddelen en het heffen van (achterstallige) belastingen kon de overheid zijn financiën weer op orde krijgen.

Er zijn een drietal belangrijke fasen binnen de totale geldzuivering te onderscheiden:

1.3.1 Historische ontwikkeling van het beleidsterrein

Het eerste begin: bezet Nederland

Ook de bezetter had al getracht greep te krijgen op het geldwezen en trof maatregelen met betrekking tot de waardeloos verklaring en omwisseling van bankbiljetten van f 500 en f 1000. De bezetter voerde ook andere (zinken) munten in en trof maatregelen ter beperking van het betalingsverkeer2Witboek betreffende de maatregelen tot zuivering van het geldwezen in Nederland, ’s-Gravenhage, 1946, p. 17–20; The Dutch Money purge: the monetary concequences of German occupation and their redress after liberation, 1940-1952, Jaap Barendregt, Amsterdam, 1993, p. 290..

Vanuit Nederlands initiatief werd al tijdens de bezetting door verschillende groeperingen en personen, zowel in ambtelijke als particulier kring, nagedacht over het herstel nadat de oorlog voorbij was en de noodzaak van doorvoering van een geldzuivering hiertoe. Soms werd geheel zelfstandig gewerkt aan een plan, soms ook werd de Nederlandse regering in Londen op de hoogte gebracht. Zo waarschuwde de door de bezetter afgezette Secretaris-generaal van Financiën en President van De Nederlandsche Bank mr. L.J.A. Trip, via de legatie in Bern, de Nederlandse regering in Londen dat kort na de bevrijding een geldzuivering moest plaatsvinden3Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12, eerste helft, dr L. de Jong, ’s-Gravenhage, 1988, p. 269..

De plannen van de Weyergroep en de Verrijn Stuartgroep/Groep van Tien

Het plan van de Weyergroep uit 1944 voorzag in een bankenmoratorium en het gelijktijdig buiten omloop stellen van alle munt- en bankbiljetten. De munt- en bankbiljetten zouden ingeleverd moeten worden. Hierdoor zou een vermogensregistratie ontstaan die later bij belastingheffing gebruikt kon worden4Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12, eerste helft, dr. L. de Jong, ’s-Gravenhage, 1988, p. 271.. De Weyergroep pleitte voor inschrijving van overgebleven geblokkeerde saldi in een Grootboek nadat belastingheffing had plaatsgevonden5Witboek betreffende de maatregelen tot zuivering van het geldwezen in Nederland, ’s-Gravenhage, 1946, p. 31–32..

De Verrijn Stuartgroep legde zijn aanbevelingen in 1945 neer in de ‘Nota inzake de monetaire en budgettaire positie in Nederland’. Eerst zou de monetaire sanering plaats moeten vinden, daarna de budgettaire sanering6Nota inzake de monetaire en budgettaire positie in Nederland, Amsterdam, 1945, p. 5.. De commissie stond een stelsel voor van een geleide economie die kon overgaan naar een vrije economie. De primaire doelstelling van de monetaire sanering werd als volgt geformuleerd: een snelle terugkeer naar een vrij betalingsverkeer op basis van een gesaneerd, niet door inflatie bedorven geldwezen. Kortweg adviseerde de groep tot:

Budgettaire sanering kon bereikt worden door hergroepering van schulden, door consolidatie en conversie.

De regering in Londen

Er werd in Londen wel nagedacht over de situatie na de bevrijding op financieel-economisch gebied en het herstel daarvan.

In 1942 werd geopperd om de soldaten die Nederland zouden bevrijden te voorzien van speciale dollarbiljetten. Ook werd gedacht aan de verspreiding van zogenaamd United Nations Money. Bovendien bestond de mogelijkheid om Britse troepen uit te rusten met ponden of gemerkte ponden. De Nederlandse regering gaf echter de voorkeur aan eigen geld.

Om zoveel mogelijk geld beschikbaar te krijgen voor wederopbouw na de oorlog werden verschillende blokkeringbesluiten en in- en uitvoerverboden van deviezen afgekondigd (zie Stbldn. E 89, E 90, E 91, E 92) terwijl, om te voorkomen dat na de bevrijding bij banken grote bedragen opgenomen zouden worden, een bankenmoratorium afgekondigd werd (Stb. E 28)8Geschiedenis van De Nederlandsche Bank, Vijfde deel, Trips tijdvak 1931–1948, Amsterdam, 1994, p. 405..

Na de bevrijding

Na de bevrijding werd dr. p. Lieftinck aangezocht om minister van Financiën te worden. Hij zou de geldsanering gaan leiden. Lieftinck formuleerde de doelstellingen van het naoorlogse herstel als volgt:

Binnen de doelstelling van het financiële herstel was het herstel van het monetaire evenwicht het belangrijkst, daarna kwam de budgettaire sanering10Witboek betreffende de maatregelen tot zuivering van het geldwezen in Nederland, ’s-Gravenhage, 1946, p. 14..

Ter voorbereiding van de geldzuivering werden juli 1945 (Stb. F 115) de munt- en bankbiljetten van f 100 ingetrokken. Het Besluit hield in dat alle biljetten ingeleverd konden worden. De tegenwaarde werd op een renteloze geblokkeerde rekening geschreven. De grote slag liet nog op zich wachten tot september 1945. Ondertussen werd een plan van te nemen maatregelen opgesteld. Dit plan werd ook wel ‘het grote veldtochtplan’ genoemd. Zo werd het noodzakelijk geacht een inleveringweek vast te stellen waarin totale blokkering van al het geld bereikt zou worden. In die inleveringweek moest men al het buiten omloop gestelde geld ingeleverd hebben en werden alle rekeningen geblokkeerd.

Ter verdere voorbereiding van de geldzuiveringsoperatie werd officieel geregeld dat de minister van Financiën bevoegd was alle maatregelen te treffen die hij noodzakelijk achtte. Dit werd vastgelegd in Het Machtigingsbesluit Geldzuivering van 3 augustus 1945, Stb. F 133.

Vanaf september 1945

Tussen 19 en 25 september 1945 konden de Nederlanders geld met een waarde van f 10 inleveren (omruilen) tegenover uitreiking van door de Staat uitgegeven biljetten van f 1 en f 2,50 (‘het tientje van Lieftinck’ bestond dus uit gulden- en rijksdaalderbiljetten). Op 26 september 1945 werd al het overige papiergeld uit de circulatie genomen. Die week kon alleen met nieuw geld (dus de tien gulden) betaald worden, iedereen had dezelfde koopkracht11The Dutch Money purge: the monetary concequences of German occupation and their redress after liberation, 1940-1952, Jaap Barendregt, Amsterdam, 1993, p. 291..

Op 28 september werd door Lieftinck het bankgeheim opgeheven zodat de Belastingdienst kon nagaan hoe groot de saldi op geblokkeerde rekeningen waren. Bij De Nederlandsche Bank en enkele belangrijke banken kwamen belastingambtenaren te zitten12idem., p. 276..

Men introduceerde ook het gebruik van speciale girale rekeningen waardoor toch (in een geblokkeerd circuit) betalingen verricht konden worden. Hiermee werd het probleem van een tekort aan bankbiljetten ondervangen13The Dutch Money purge: the monetary concequences of German occupation and their redress after liberation, 1940-1952, Jaap Barendregt, Amsterdam, 1993, p. 291..

Nadat in de laatste week van september 1945 de blokkering volledig was kon geleidelijk met deblokkering begonnen worden. Vrije rekeningen werden beschikbaar voor bepaalde overheidscomptabelen, diplomaten en weldadigheidsinstellingen14Geschiedenis van De Nederlandsche Bank, Vijfde deel, Trips tijdvak 1931-1948, Amsterdam, 1994, p. 463.. En in de regelgeving werden ook andere betalingen, bijvoorbeeld van salarissen en belastingen, vrijgegeven. Geleidelijk en ten slotte per 1-1-1946 geheel werden de girale rekeningen gedeblokkeerd en opgeheven15Geschiedenis van De Nederlandsche Bank, Vijfde deel, Trips tijdvak 1931-1948, Amsterdam, 1994, p. 463;The Dutch Money purge: the monetary concequences of German occupation and their redress after liberation, 1940-1952, Jaap Barendregt, Amsterdam, 1993, p. 134..

Kapitaalverkeer

Ten aanzien van het kapitaalverkeer werden ook maatregelen getroffen. Zo moesten volgens de Beschikking Molestverzekeringsuitkeringen 1945, Stbldn. F 235, F 295, G 61, bepaalde verzekeringsuitkeringen gestort worden op een rekening (herstelrekening) bij de Herstelbank. De Beschikking Levensverzekeringsuitkeringen regelde dat periodieke (lijfrenten, pensioenen) en niet periodieke uitkeringen geheel of gedeeltelijk op geblokkeerde-, vrije- of girale rekeningen gestort dienden te worden. Hypotheekbetalingen en -⁠verstrekkingen uit/naar geblokkeerde rekeningen werden geregeld in de Deblokkeringbeschikking 1945. Deblokkering werd nader geregeld in de Achtste Aanvullingsbeschikking Deblokkering 1945, Stb. G 57, en de Tiende Uitvoeringsbeschikking Deblokkering 1945.

Vanaf juli 1945 werd al het schatkistpapier geregistreerd, Stb. F 197. Banken mochten beleggen in geblokkeerd schatkistpapier, herbelegging van ontstane tegoeden door aflossing van schatkistpapier was toegestaan. Artikel 6, lid 1, Beschikking Deblokkering 1945 bepaalde dat betaling op vervallen waardepapieren slechts door tussenkomst van De Nederlandsche Bank en leden van de Bedrijfsgroepen kon plaatsvinden op geblokkeerde rekeningen. De Negende Aanvullingsbeschikking Deblokkering 1945, Stb. G 90, bepaalde weer dat bij overdracht of verval van schatkistpapier in bepaalde gevallen weer mocht worden goedgeschreven op vrije rekeningen16Witboek betreffende maatregelen tot zuivering van het geldwezen in Nederland, ’s-Gravenhage, 1946, p. 158..

In november 1945 werd een commissie van deskundigen ingesteld die in januari 1946 adviseerde over regeling van het kapitaalverkeer. De commissie van deskundigen oordeelde dat het hele kapitaalverkeer onder blokkadeverband gebracht moest worden en dat daarna individuele beoordelingen deblokkering moest bewerkstelligen maar zag in dat praktische onoverkomelijkheden hiertoe een belemmering zouden zijn. Lieftinck koos voor de methode van manipulatie van de gang van zaken (door voor een aantal aspecten in het kapitaalverkeer regels te stellen) waarbij individuele beoordeling niet nodig zou zijn17Witboek betreffende maatregelen tot zuivering van het geldwezen in Nederland, ’s-Gravenhage, 1946, p. 139-141..

Belastingheffing

Vanaf juni 1945 werd een aanvang gemaakt met het innen van achterstallige belastingen over de oorlogsjaren. Er werd de mogelijkheid geboden om zekerheidstellingen te doen voor eventueel verschuldigde belastingen. De geldzuivering werd ook aangegrepen voor vermogensregistratie. Instellingen dienden opgaven te verstrekken aan de Belastingdienst van (geblokkeerde) saldi. De Belastingdienst kreeg een stem bij verzoeken tot deblokkering en oefende toezicht uit op deblokkering als gevolg van algemene vergunningen van De Nederlandsche Bank.

Bij de Wet van 11 juli 1947, Stb. H 238, werd een eenmalige buitengewone belastingheffing ingevoerd. Deze voor eenmaal te heffen belasting kreeg de naam van ‘vermogensheffing ineens’. Het betrof een directe belasting van natuurlijke personen. De grondslag was het zuivere vermogen dat vast te stellen viel middels bepalingen in de Wet vermogensbelasting 1892 en de Wet vermogensaanwasbelasting. De belasting werd bij aanslag geheven.

Net als de vermogensaanwasbelasting was ook de vermogensheffing ineens een eenmalige heffing bestemd om de tijdens de bezettingsperiode opgeblazen geldvoorraad weg te zuiveren. Ook werden de vermogens van zwarthandelaren en collaborateurs door de eenmalige heffingen aangepakt.

De afwikkeling

Vanaf 1946 vindt steeds verdergaande deblokkering plaats. De machtiging die de minister van Financiën heeft om de door hem nodig geachte maatregelen te treffen met betrekking tot de zuivering van het geldwezen wordt een aantal malen verlengd. Ook de Beschikking

Deblokkering wordt een aantal malen hernieuwd vastgesteld. Aansluitend op de Beschikking Afwikkeling Geldzuivering 1947 werd in 1949 de Wet Afwikkeling Geldzuivering aangenomen18Voor een uitgebreidere behandeling van de inhoud van de Afwikkelingswet raadplege men het hoofdstuk waarin enkele van de belangrijkste besluiten en wetten nader worden toegelicht.. Belanghebbenden worden in staat gesteld inschrijvingen te doen in het Grootboek 1946. Resterende geblokkeerde tegoeden kunnen omgewisseld worden tegen certificaten. In 1950, in de Vijfde Uitvoeringsbeschikking Wet Afwikkeling Geldzuivering wordt bekend gemaakt wanneer resterende geblokkeerde tegoeden of aan de Schatkist of aande Agent overgemaakt moeten worden. De afwikkeling van de geldzuivering, en dan met name de deblokkering, was in praktische zin in 1952 voltooid. De Afwikkelingswet en het Machtigingsbesluit werden in 1986, Stb. 631, ingetrokken. Ook de Beschikking Beursverkeer 1947 wordt in 1986 ingetrokken. De laatste uitbetalingen op inschrijvingen in het Grootboek 1946, dat een looptijd heeft van 50 jaar en vanaf 1 maart 1949 in 47 termijnen afgelost moet worden, zijn vóór het einde van de 20e eeuw (volgens het aangekondigde schema) verricht.

1.4 Totstandkoming BSD

Voorafgaand aan het Basisselectiedocument (BSD) is er een institutioneel onderzoek verricht naar de taakontwikkeling van het ministerie van Financiën in de periode na 1945. Dit leidde tot het opstellen van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Geld speelt een hoofdrol. Een institutioneel onderzoek naar het handelen in het kader van de geldzuivering, onderdeel van het financieel-economische en monetaire beleidsterrein waarvoor de minister van Financiën verantwoordelijk is 1942–1986. Dit rapport is verschenen 2003 in de PIVOT reeks onder nummer 151. De auteur van dit rapport is P.C.A. Lamboo.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.