Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Type Archiefselectielijst
Publication 2012-04-05
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode 1945–1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1945–1993

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van het handelen van de zorgdragers

Minister van Justitie,

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Minister van Algemene Zaken,

Minister van Buitenlandse Zaken,

Minister van Financiën,

Minister van Defensie,

Minister van Economische Zaken,

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Minister van Verkeer en Waterstaat,

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

op het beleidsterrein ‘politie’

in de periode 1945–1993

Versie SDU

Oktober 2007

Ministerie van Justitie

Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA)

in samenwerking met Nationaal Archief

Lijst van afkortingen

Ab 1995: Archiefbesluit 1995

ACW: Adviescentrum Wagenparkbeheer Politie

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

APB: Algemeen Politieblad

ARA: Algemeen Rijksarchief

ARBARP: Ambtenarenreglement voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

ARRP: Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie

ARGP: Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie

AVD: Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie

Aw 1995: Archiefwet 1995

Awb: Algemene wet bestuursrecht

BSD: basis-selectiedocument

CID: Criminele Informatiedienst

CRI: Centrale Recherche Informatiedienst

GOP: Georganiseerd Overleg Politie

GVP: Geneeskundige Verzorging Politie

KB: Koninklijk Besluit

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

LSOP: Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

PB: Politiebesluit

PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn

PTD: Politietechnische Dienst der Rijkspolitie

PVD: Politie Verbindingsdienst

PW: Politiewet

RAD: Rijksarchiefdienst

RDB: Recherchedienst Betalingsverkeer

RIO: rapport institutioneel onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

VDKH: Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

Overheidsorgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein

Complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid

De selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

De selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

1. Verantwoording

1.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

1.2 Definitie van het beleidsterrein

In artikel 28 van de Politiewet 1957 staat de taak van de politie algemeen omschreven. ‘De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven’. De handhaving van de rechtsorde kan onderverdeeld worden in twee onderling verweven componenten: de handhaving van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Handhaving van de openbare orde is de zorg voor de naleving van regels, bij niet naleving waarvan de orde en rust in het openbare leven wordt verstoord. Dit omvat enerzijds het voorkomen of beëindigen van verstoringen van de openbare orde en anderzijds de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving, bijvoorbeeld door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen of inbeslagneming.

Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is in aanleg repressief gericht. Het omvat hoofdzakelijk de daadwerkelijke voorkoming, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van beslissingen van de rechter of het openbaar Ministerie in strafzaken.

Ook de hulpverlenende taak van de politie hangt samen met haar opdracht de rechtsorde te handhaven. Hieronder kan men verstaan het verlenen van bijstand en raad aan het publiek, bijvoorbeeld het waarschuwen voor dreigende calamiteiten, het oplossen van noodsituaties of het verwijzen naar andere hulpverlenende instanties.

1.3 Afbakening van het beleidsterrein

Zoals hierboven staat beschreven, kan de taak van de politie worden omschreven als het handhaven van de rechtsorde en het verlenen van hulp. De politie is daarmee onderdeel van het Nederlandse rechtssysteem. Het beleidsterrein ‘politie’ heeft daarom veel raakvlakken met de andere beleidsterreinen die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie vallen. Ook op andere beleidsterreinen dan ‘politie’ komt de rechtsorde namelijk aan bod.

In sommige gevallen, zoals in situaties van oorlog of van rampen wordt de rechtsorde echter niet gehandhaafd maar hersteld. Verder is op bepaalde beleidsterreinen de handhaving van de rechtsorde wel een taak, maar is uitvoering ervan een voorwaarde om het doel van het overheidsbeleid op die beleidsterreinen te bereiken. Zo moet de politie de uitvoering van de zogenaamde bijzondere wetten controleren, zoals de Opiumwet, de Drank- en horecawet, de Vreemdelingenwet, de Wet wapens en munitie, de Wet op de kansspelen, de Winkelsluitingswet, de Visserijwet, het Besluit Toezicht handel te water, de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties.1De handelingen die ingevolge deze wetten worden verricht, worden behandeld in RIO’s over de afzonderlijke beleidsterreinen. Het einddoel van de uitvoering van deze taak is niet de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde of hulp aan hen die deze behoeven. Controle op de handhaving van de bijzondere wetten is slechts een middel om het einddoel te bereiken. Zo is bijvoorbeeld het einddoel van de Visserijwet is beheer van de visstand.

Om de primaire politietaken te kunnen verrichten, moeten ook secundaire taken verricht worden. Voorbeelden hiervan zijn logistiek, personeels-, informatie- en financieel beheer. Deze ondersteunende taken behoren tot andere beleidsterreinen en worden dus behandeld in andere rapporten. Wanneer echter deze secundaire politietaken op een bijzondere manier worden verricht, komen deze taken en de daaruit voortvloeiende handelingen in dit RIO aan de orde. Zo bestaat er een personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid dat specifiek gericht is op de politie.

1.4 Historische ontwikkeling op het beleidsterrein

Volgens de Gemeentewet van 1851 was de politiezorg gescheiden in een gemeentelijke politiezorg en een rijkspolitiezorg. De gemeentelijke politiezorg rustte op de plaatselijke verordeningen en omvatte alles wat het huishoudelijk belang van de gemeente betrof. Alles wat het bovenlokaal belang raakte en te maken had met de handhaving van zogenaamde Rijkswetten, kwam rijkspolitiezorg te heten.

De totstandkoming van de Gemeentewet in 1851 mag worden gezien als het begin van de discussie over het politiebestel die zich tot op heden voortsleept, met slechts een korte tussenpoos gedurende de Duitse bezetting. Het duale bestel bleek een bron van ongenoegen, zowel binnen de politie als daarbuiten. Er bestond veel onduidelijkheid over wie bevoegd was voor welke taak. Verder werkte het verdeelde bestel onderlinge concurrentie in de hand en kwamen zaken als bijvoorbeeld de opbouw van het politieonderwijs nauwelijks van de grond. Meerdere onderzoekscommissies beten tussen 1851 en 1940 hun tanden stuk op dit ‘politievraagstuk’. De vraag welke organisatievorm voor de politie de beste zou zijn bleef in wezen onbeantwoord. Het was uiteindelijk de Duitse bezetter die in 1940 een abrupt einde maakte aan het duale stelsel en in 1942 de Staatspolitie invoerde.

Na de bezetting ging de discussie over het politievraagstuk weer op dezelfde voet voort. Om de politieorganisatie na de Duitse bezetting te regelen nam de Nederlandse regering in Londen het Buitengewoon Politiebesluit (Stb. 1944, E 123). Dit besluit bestempelde alle politiezorg tot rijkspolitiezorg en plaatste de gehele politie onder de leiding van de Minister van Justitie. Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250). Het was voor het eerst in de Nederlandse politiegeschiedenis dat er één regeling voor ongeveer het gehele algemene politiewezen werd gegeven, zij het dat het Politiebesluit met grote haast en vlak voor de heropening van het Parlement tot stand kwam. In die zin is dit besluit herhaaldelijk als een antiparlementaire daad aangemerkt.

Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.

Het Politiebesluit bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.

De periode tot aan de jaren zestig was er één van wederopbouw. Dat gold niet alleen voor Nederland als geheel, dat zich in rap tempo herstelde van de bezettingstijd, maar evenzeer voor het politieapparaat. De Nederlandse politie was de bezetting niet ongeschonden uitgekomen. Politiemensen waren direct of indirect betrokken geweest bij de maatregelen van de Duitse bezetter. Direct na de bevrijding werd dan ook een proces van zuivering in gang gezet. De afwikkeling van dit proces nam meer tijd in beslag dan men aanvankelijk in regeringskringen had geschat. Om het personeel aan te vullen werden tal van maatregelen getroffen. Zo werden onder meer de toelatingseisen verlaagd. Het personeelstekort droeg ook bij tot het nemen van het eerder genoemde Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie.

Zowel bij de gemeentepolitie als bij het Korps Rijkspolitie kwamen in de eerste naoorlogse jaren tal van specialismen van de grond. Bij de gemeentepolitie gebeurde dit veelal op lokaal niveau. De sturing van bovenaf was gering. Bij het Korps Rijkspolitie lag dit anders. Hier had de Minister van Justitie als direct verantwoordelijk bewindspersoon en als budgethouder wel een grote invloed op de totstandkoming van specialistische onderdelen. Bij de oprichting werden reeds op districtsniveau verkeersgroepen samengesteld. Aanvankelijk hadden deze nog een geringe omvang, maar vanwege de snelle groei van de automobiliteit en het wegenverkeersnet groeiden ook deze eenheden uit tot volwassen onderdelen. Tussen 1959 en 1961 werden de verkeersgroepen grondig gereorganiseerd en uitgebreid.

Voor wat betreft de uitvoering van de recherchetaak besloot de Minister van Justitie in november 1946 om aan iedere districtscommandant twee ambtenaren voor recherchewerkzaamheden toe te voegen. In de loop van de jaren vijftig werd de recherchetaak verbreed.

Op het terrein van de grootschalige ordehandhaving was er gedurende de jaren veertig en vijftig nog nauwelijks behoefte aan een vorm van specialisme. Was er ergens sprake van een rel dan verleende onderdelen van gemeente- of rijkspolitie bijstand. Zij waren hier niet speciaal voor opgeleid. Bij de parlementaire behandeling van de Politiewet 1957 sprak men voor het eerst over de noodzaak van speciale eenheden. Dit omdat de Koninklijke Marechaussee aan de burgerlijke politietaak zou worden onttrokken. De eerste Mobiele Eenheden werden In 1959 opgericht.

In 1969 presenteerde de regering haar eerste voorstellen voor een herziening van de Politiewet van 1957. Zij deed dit in het boekje Herziening Politiewet. Dit ontwerp sprak onder meer over de inrichting van gemeenschappelijke korpsen van gemeentepolitie in het stedelijk gebied. De korpsen werden zodoende tot samenwerking gedwongen. De bevoegdheden van de centrale overheid met betrekking tot de organisatie van gemeentepolitiekorpsen werden in dit ontwerp uitgebreid. Binnen en buiten het parlement maakte men korte metten met deze voorstellen.

De stijgende criminaliteit stelde de politie voor geheel nieuwe problemen. De oplossing leek dus te liggen in een schaalvergroting van de politieorganisatie. Dit uit oogpunt van doelmatigheid, zodat een einde zou kunnen worden gemaakt aan de wildgroei van (te) kleine gemeentelijke politiekorpsen. Beide Ministers dachten aan de instelling van een gedeconcentreerde regionale politie, met daarnaast een aantal landelijk opererende diensten korpsen, waaronder een recherche en een verkeersdienst.2J.M. Boek, 284 Het was echter niet mogelijk om afstand te doen van de bestaande gezagsdualiteit. Er bleef in hun ogen een wezenlijk verschil bestaan tussen de administratieve en de justitiële onderdelen van de politietaak. Dit betekende dat onderdelen van de politietaak over de beide politieMinisteries verdeeld zouden blijven.

De Tweede Kamer bleek vooral over dit laatste punt te vallen. Een aantal Kamerleden zetten zich af tegen de handhaving van het gezagsdualisme. Zij waren van opvatting dat de preventieve kant van het politiewerk steeds meer en de repressieve kant steeds minder belangrijk werd. Mocht men dus een einde aan het gezagsdualisme dan zou met zich meebrengen dat het Ministerie van Justitie zijn zeggenschap over de politie zou verliezen.

Het wilde niet vlotten. Ondanks herhaalde beloften slaagde de regering er pas in mei 1981 in om een nieuw voorstel voor een herziene Politiewet aan de Tweede Kamer voor te leggen. In dit voorstel waren rijks- en gemeentepolitie tot één geheel gevormd, verdeeld over 26 regionale korpsen, conform de nieuwe provinciale herindeling. Het algemeen beheer van de provinciale politie kwam in handen van de commissaris der Koningin. De officieren van justitie behielden hun verantwoordelijkheid voor de opsporing van strafbare feiten. Daarnaast was er ruimte voor de genoemde landelijke diensten. De centrale overheid zou tevens bevoegd zijn om in kwesties als opleiding, bewapening, uitrusting, materieelvoorziening, automatisering te beslissen. Het gezagsdualisme bleef aldus gehandhaafd. Volgens de rechtshistoricus Boek kwam dit voorstel er in grote lijnen neer op een politieorganisatie die op bestuurlijk grotere schaal werd georganiseerd, met afschaffing van het onderscheid rijks- en gemeentepolitie, maar met handhaving van de traditionele politiefunctie en daaraan verbonden gezags- en beheersstructuren.3J.M. Boek, 287

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.