Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 november 2007, nr. WJZ 7130350, houdende de Rijkscofinanciering voor EFRO-programma's 2007–2013 voor doelstelling 2

Type Ministeriële regeling
Publication 2012-02-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 56, derde lid, van de Kaderverordening 1083/2006, artikelen 3, vijfde lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet EZ-subsidies en de artikelen 2 en 3 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013;

Besluit:

Artikel 1

Als Europees Programma, bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013, wordt aangewezen:

Artikel 2
1.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van deze regeling wordt gedelegeerd aan de managementautoriteit van het desbetreffende programma, genoemd in artikel 1.

2.

De managementautoriteit van het programma, genoemd in artikel 1, kan op aanvraag subsidie verlenen aan degene die een project tot stand brengt dat past in dat programma.

Artikel 3

De managementautoriteit stelt de subsidieplafonds voor de rijkscofinanciering en Europese financiering voor de uitvoering van deze regeling vast en maakt deze bekend met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4

De managementautoriteit kan een formulier vaststellen voor de aanvraag. In voorkomend geval draagt de managementautoriteit zorg voor bekendmaking van het formulier met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5
1.

De managementautoriteit wijst de aanvraag af indien deze strekt tot het krachtens deze regeling subsidie verkrijgen ter hoogte van het geheel van de subsidiabele kosten van het project.

2.

De managementautoriteit verleent de subsidie zonodig onder de opschortende voorwaarde van tijdige toekenningsbeslissingen door de beoogde overige cofinanciers.

3.

De managementautoriteit kan de aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijzen indien:

4.

De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 6
1.

De managementautoriteit beslist afwijzend op een aanvraag indien:

2.

In aanvulling op het eerste lid maakt de managementautoriteit de criteria, bedoeld in artikel 65, onder a, van de Kaderverordening, als beleidsregel voor de toekenning van subsidie op grond van deze regeling bekend met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7
1.

De managementautoriteit verdeelt het beschikbare bedrag aan rijkscofinanciering en middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling op volgorde van binnenkomst van de aanvraag, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de managementautoriteit de aanvragen rangschikken en het beschikbare bedrag verdelen in de volgorde van die rangschikking.

3.

Bij toepassing van het tweede lid maakt de managementautoriteit voorafgaand aan de aanvraagperiode de criteria die de rangschikking bepalen, de periode waarin de aanvraag kan worden ingediend en het voor die periode als deelplafond geldende subsidieplafond bekend met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8
1.

De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens schriftelijke ontheffing van de managementautoriteit voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.

2.

De subsidieontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de managementautoriteit voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

3.

De in artikel 57, eerste lid, van de Kaderverordening bedoelde termijn van vijf jaar wordt in geval van een MKB-ondernemer verkort tot drie jaar.

4.

Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 9
1.

De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten, aangegane verplichtingen en verrichte betalingen en de eventueel aan het project toe te rekenen opbrengsten kunnen worden afgelezen gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 10, eerste en tweede lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de kosten bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, onderdeel 1° en tweede lid, een door middel van een inzichtelijke tijdschrijving controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

2.

De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de managementautoriteit van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

3.

De subsidieontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de managementautoriteit, niet:

4.

Aan een ontheffing als bedoeld in het derde lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 10
1.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten in aanmerking genomen:

2.

Indien geen loonkosten worden gemaakt als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, maar desniettemin als bijdrage in natura arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de deelnemers aan het project ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 35.

3.

In afwijking van het eerste lid kunnen op aanvraag van de subsidieontvanger voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan in de beschikking tot subsidieverlening vaste bedragen worden vermeld tot een totaalbedrag van ten hoogste € 50.000.

4.

De in het eerste, tweede en derde lid genoemde kosten zijn slechts toe te rekenen aan het project voor zover zij proportioneel en doelmatig zijn.

5.

De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen of niet gecompenseerd wordt uit het BTW-compensatiefonds als genoemd in artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

6.

Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Europese commissie subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan de totale waarde van projectkosten die voor deze subsidie in aanmerking komen.

Artikel 11
1.

De managementautoriteit kan voorwaarden verbinden aan de subsidie.

2.

Indien het project geheel of gedeeltelijk voorziet in het door de subsidieontvanger op zijn beurt bij wijze van subsidie of anderszins verstrekken van middelen aan derden, verbindt de managementautoriteit aan de subsidieverlening tenminste zodanige voorwaarden dat de voorschriften van de Kaderverordening, de EFRO-verordening, het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013 en van deze regeling ook op die derde van toepassing zijn.

3.

De managementautoriteit verbindt zodanig voorwaarden aan de subsidie dat de subsidieontvanger de voor hun taakvervulling nodige medewerking verleent aan de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit.

Artikel 12
1.

Als toezichthouder op deze regeling worden aangewezen:

2.

De in het eerste lid aangewezen personen beschikken niet over de bevoegdheden genoemd in artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 13
1.

De managementautoriteit vermeldt in de subsidiebeschikking het bedrag dat krachtens deze regeling bij wijze van rijkscofinanciering wordt verleend.

2.

De managementautoriteit heeft aanspraak op vergoeding door de Minister van Economische Zaken van het bedrag, bedoeld in het eerste lid.

3.

Vooruitlopend op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 jaarlijks in januari een voorschot verleend van 25 procent van het saldo dat resteert na vermindering van 87,5 procent van het bedrag, genoemd in het vijfde lid, met het totale tot en met 31 december 2011 als vergoeding betaalde bedrag.

4.

Het tweede lid is van toepassing voor zover de certificeringsautoriteit de betrokken betaalaanvraag of betaalaanvragen heeft goedgekeurd.

5.

De aanspraak op vergoeding van rijkscofinanciering uit ’s Rijks kas bedraagt in totaal ten hoogste:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.