Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 augustus 2007, nr. aca-2007.03872/5);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein regulering van en het toezicht op de centrale bank, het kredietwezen, het effectenverkeer, het giroverkeer (en de Rijkspostspaarbank), het voorkomen van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden en het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden over de periode vanaf 1940’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument ‘Geregeld Toezicht’
(toezicht bank- en kredietwezen) 1940–
Voor de volgende zorgdragers:
Versie SDU oktober 2007
Drs. N.A. Van Egmond / 1998
Drs. W.A. Fijnheer
Rotterdam
Lijst met afkortingen
BSD: Basisselectiedocument
DNB: De Nederlandsche Bank
EG: Europese Gemeenschap
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
NIOD: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
OCW: Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen
PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging
PCGD: Post Cheque- en Girodienst
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PWAA: Project Wegwerken Archiefachterstanden
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
RPS: Rijkspostspaarbank
RvC: Raad voor Cultuur
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
WTB: Wet toezicht beleggingsinstellingen
WTE: Wet toezicht effectenverkeer
WTK: Wet toezicht op het kredietwezen
1 Definitie van het BSD
Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.
Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.
Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie leeswijzer onder 3.8).
In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.
Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.
2 Functies van het BSD
Het BSD heeft de volgende functies:
3 Verantwoording
3.1 Doel en werking van het BSD
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
Er is een aantal wijzigingen in het BSD ten opzichte van het RIO.
– Bij handeling 282 is voor een van de betrokken actoren, de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914, een nieuwe, aparte handeling geformuleerd, handeling 844.
Handeling: Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften omtrent:
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.
– Voor de Ministers van Financiën en van Justitie wordt een nieuwe handeling geformuleerd, ‘Het instellen van de projectorganisatie automatisering Meldpunt Ongebruikelijke Transacties’. Het nummer van de nieuwe handeling wordt 845.
Periode: 1994
– Handeling 6, ‘Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in specifieke wet- en regelgeving) op het terrein van: (…)’
gewijzigd in:
‘Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere (inter-)nationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in specifieke wet- en regelgeving) op het terrein van: (…)’
(Dus in plaats van internationale is het geworden (inter-)nationale)
– Handeling 6: er is een opmerking aan toegevoegd, waarin wordt vermeld dat ook personen die geen vertegenwoordigers van het Ministerie zijn, kunnen worden benoemd, geschorst en ontslagen.
– Handeling 754:‘Het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van heling van geld en naar de verbetering van de methoden om heling van geld te voorkomen en op te sporen’
gewijzigd in:
‘Het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme en naar de verbetering van de methoden om witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme te voorkomen en op te sporen’.
– Handeling 756: ‘Het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van de heling van geld aan de bedrijfstakken, aan het openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten en aan het publiek.’
gewijzigd in:
‘Het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van witwassen, de heling van geld en financieren van terrorisme aan de bedrijfstakken, aan het openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten en aan het publiek.’
– Handeling 757: ‘Het onderhouden van contacten met buitenlandse, van overheidswege aangewezen instellingen met een vergelijkbare taak’, bij ‘Opmerking’ een voorbeeld van zulke contacten gegeven, namelijk de Financial Intelligence Units. Dit betreft de internationale context van het Meldpunt Ongebruikelijk Transacties.
– Bij de actor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties is de formulering van een aantal handelingen uitgebreid. Dit heeft te maken met hoe de Wet MOT op dit moment luidt. Door de aanpassing sluit de handeling precies aan bij het de dossiers van het dynamisch archief van het Meldpunt. Zie hiervoor handeling 753, 754, 755, 756, 758, 760. Van handeling 753 en 758 is de grondslag aangepast.
3.2 Definitie van het beleidsterrein
Het PIVOT-rapport ‘Geregeld Toezicht’1‘Geregeld toezicht’. Een institutioneel onderzoek naar actoren en handelingen op het terrein van de regulering van en het toezicht op de centrale bank, het kredietwezen, het effectenverkeer en het giroverkeer (en de Rijkspostspaarbank), het voorkomen van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden, en het financiële verkeer in buitengwone omstandigheden, 1940–1995., Den Haag, 1996 (PIVOT-rapport nr. 40). vormt de grondslag voor het voorliggende basis-selectiedocument (BSD). Beide bestrijken de periode 1940 tot en met 1995. Genoemd rapport geeft een overzicht van actoren2Het door PIVOT gehanteerde onderzoeksmodel en de daarbij gehanteerde begrippen worden beschreven in ‘Handelend optreden. Overheidshandelen: modellen, onderzoeksmethoden en toepassingen.’, Den Haag, 1994. – zowel overheids als particulier – op het terrein van:
Naast de actoren beschrijft het rapport ook de handelingen van die instellingen, die vallen onder de Archiefwet 1995.
Aan de hand van het rapport ‘Geregeld Toezicht’ en het daarop gebaseerde BSD implementeren de Algemene Rijksarchivaris en vertegenwoordigers van het Ministerie van Financiën (en van de direct onder de verantwoordelijkheid van die Minister vallende instellingen) het bepaalde in artikel C van het convenant ‘institutioneel onderzoek’, dat op 25 juni 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën werd gesloten.
Het BSD heeft niet alleen betrekking op het handelen van de Minister van Financiën c.s. Ook van andere overheidsinstellingen – zelfstandig of vallend onder de verantwoordelijkheid van een andere Minister van algemeen bestuur – zijn handelingen opgenomen. Met deze instellingen, die niet vallen onder de werking van het convenant van 25 juni 1992, worden afzonderlijke afspraken gemaakt over de implementatie. In het actorenoverzicht wordt weergegeven welke overheidsinstanties het betreft.
Het voorliggende BSD is uitgangspunt bij de bewerking van (alle) archieven (of informatieverzamelingen) op de hierboven onder a. tot en met d. genoemde (deel)terreinen. Van elke bewerking dient na afloop een proces-verbaal te worden opgemaakt, waarin wordt aangegeven of, en zo ja, waar en vooral ook waarom de bewerker tijdens de bewerking van de in het BSD geformuleerde selectiebeslissingen is afgeweken.
3.3 Afbakening van het beleidsterrein
Het BSD heeft betrekking op de volgende deelbeleidsterreinen:
Deze deelbeleidsterreinen – tezamen aangeduid als ‘de zorg voor financiële instellingen en markten’ of ‘de zorg voor een adequate financiële infrastructuur’ – maken deel uit van het – veel bredere – financieel-economische en monetaire beleidsterrein.
Het financieel-economisch en monetair beleidsterrein omvat een aantal verschillende aspecten (situatie 1995):
Gezien zijn omvang is het financieel-economische beleidsterrein ten behoeve van het PIVOT-onderzoek verdeeld in een aantal deelonderwerpen. In de loop der jaren zijn er diverse selectielijsten vastgesteld (of althans vervaardigd).
(voorzover bekend is er voor het deelbeleidsterrein algemene vraagstukken mbt financiele en economische Politiek geen apart BSD vervaardigd).
Diverse actoren zijn om uiteenlopende redenen uit dit BSD weggelaten, terwijl ze in het RIO wel als actor voorkomen.
De archiefbescheiden voortvloeiende uit de handelingen van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied en het Militair Gezag zijn reeds overgedragen aan resp. het NIOD en het Nationaal Archief.
Ook de archiefbescheiden van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat inzake het toezicht op de PTT, PCGD en RPS (tot de verzelfstandiging en de oprichting van de Postbank) zijn al bewerkt en vernietigd, of overgedragen aan het Nationaal Archief. In het BSD zijn echter wel handelingen voor deze actoren opgenomen. Mochten er nog archiefbescheiden van bovengenoemde actoren opduiken, dan kunnen alsnog geselecteerd worden.
De Algemene Rekenkamer en de Raad van State (Stcrt. 1996/153) hebben in een eerder stadium een eigen selectielijst vastgesteld.
Ook voor de volgende actoren is reeds een eigen BSD vastgesteld :
Tenslotte zijn de handelingen van het College van beroep voor het Bedrijfsleven, de Verzekeringskamer en van de Nederlandsche Bank buiten beschouwing gelaten, aangezien deze instanties een eigen BSD zullen (laten) vervaardigen.
3.4 Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein
Al voor de Tweede Wereldoorlog was de regering op het sociale en economische vlak regelend en corrigerend opgetreden. Dat ingrijpen droeg in die periode echter nog een voornamelijk fragmentarisch karakter.
Na 1945 echter werd een andere lijn gevolgd: de omvang van de sociaal-economische problemen – aanvankelijk voortkomend uit en samenhangend met (de nasleep van) de Tweede Wereldoorlog, later vooral met de snelle industrialisatie – maakte een meer structureel ingrijpen wenselijk, cq. noodzakelijk.
De groeiende betekenis van banken en financiële markten voor het economische leven – een belangrijk deel van het handelen van de (Rijks- en lagere) overheid en de expansie en modernisering van het bedrijfsleven werden via deze kanalen gefinancierd – leidde ertoe, dat de Rijksoverheid in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate regulerend ging optreden. Het aanvankelijk gehanteerde systeem van ‘een summier toezicht’ van overheidswege, gekoppeld aan ‘een uitgebreide zelfregulering’ door de bank- en effectenwereld, bleek onder de gewijzigde omstandigheden niet afdoende. Ook de toenemende internationalisering van het krediet- en effectenverkeer en de daarmee samenhangende groei van de concurrentie op de financiële markten, maakten een verdergaand overheidsingrijpen gewenst en noodzakelijk. In Europees verband tenslotte werd aangedrongen op coördinatie van het toezicht en ook dat leidde tot aanpassing en uitbreiding van de wet- en regelgeving.
Met de wet- en regelgeving op het terrein van de financiële infrastructuur beoogt de wetgever een aantal verschillende (beleids)doeleinden. In de eerste plaats wil de overheid greep houden op de waarde van de Nederlandse gulden. Deze dient zodanig te worden gereguleerd ‘als voor ’s lands welvaart het meest dienstig is’. Om dat doel te bereiken dient de overheid invloed te kunnen uitoefenen op de totale geldhoeveelheid. In de Bankwet is de taak van de regulering van de geldwaarde in eerste instantie toevertrouwd aan De Nederlandsche Bank (DNB). Als circulatiebank is zij verantwoordelijk voor de uitgifte van bankbiljetten. Door middel van het ‘monetair toezicht’ kan zij richting geven aan de kredietverlening door banken en andere geldscheppende instellingen en deze binnen de perken houden. De Bankwet biedt aan de overheid de mogelijkheid om in te grijpen als zij het – in het kader van de algemeen financiële en economische politiek – niet eens is met de door De Nederlandsche Bank gevolgde lijn.
In de tweede plaats wil de overheid door het (doen) uitoefenen van toezicht het vertrouwen van spaarders en beleggers in de financiële sector (bankwezen en financiële markten) handhaven en versterken. Door middel van dat toezicht wil de overheid voorkomen dat aantasting van het vertrouwen in bij voorbeeld een afzonderlijke bank of effecteninstelling leidt tot aantasting van het vertrouwen in de gehele sector. De overheid richt zich met name op de bescherming van de belangen van de ‘particuliere geldgever’, d.w.z. de niet-professionele spaarder en de belegger. Dezen moeten er vanuit kunnen gaan dat zij voldoende beschermd zijn tegen malafide praktijken en tegen ondeskundig optreden. Daarnaast moeten zij de garantie hebben, dat zij de noodzakelijke informatie ontvangen (‘transparantie van de markt’).
Ook het beleid met betrekking tot de voorkoming van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden is – deels – gericht op de handhaving van de integriteit van het financiële stelsel.3Met de zgn. ‘anti-witwasregelingen’ beoogt de overheid ook een fiscaal doel.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.