Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)

Type Archiefselectielijst
Publication 2007-11-28
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 augustus 2007, nr. aca-2007.03872/5);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein regulering van en het toezicht op de centrale bank, het kredietwezen, het effectenverkeer, het giroverkeer (en de Rijkspostspaarbank), het voorkomen van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden en het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden over de periode vanaf 1940’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument ‘Geregeld Toezicht’

(toezicht bank- en kredietwezen) 1940–

Voor de volgende zorgdragers:

Versie SDU oktober 2007

Drs. N.A. Van Egmond / 1998

Drs. W.A. Fijnheer

Rotterdam

Lijst met afkortingen

BSD: Basisselectiedocument

DNB: De Nederlandsche Bank

EG: Europese Gemeenschap

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

NIOD: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie

OCW: Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen

PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging

PCGD: Post Cheque- en Girodienst

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

PWAA: Project Wegwerken Archiefachterstanden

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

RPS: Rijkspostspaarbank

RvC: Raad voor Cultuur

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

WTB: Wet toezicht beleggingsinstellingen

WTE: Wet toezicht effectenverkeer

WTK: Wet toezicht op het kredietwezen

1 Definitie van het BSD

Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.

Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.

Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie leeswijzer onder 3.8).

In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.

Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.

2 Functies van het BSD

Het BSD heeft de volgende functies:

3 Verantwoording

3.1 Doel en werking van het BSD

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).

Er is een aantal wijzigingen in het BSD ten opzichte van het RIO.

– Bij handeling 282 is voor een van de betrokken actoren, de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914, een nieuwe, aparte handeling geformuleerd, handeling 844.

Handeling: Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften omtrent:

Periode: 1940–1992

Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.

– Voor de Ministers van Financiën en van Justitie wordt een nieuwe handeling geformuleerd, ‘Het instellen van de projectorganisatie automatisering Meldpunt Ongebruikelijke Transacties’. Het nummer van de nieuwe handeling wordt 845.

Periode: 1994

– Handeling 6, ‘Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in specifieke wet- en regelgeving) op het terrein van: (…)’

gewijzigd in:

‘Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere (inter-)nationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in specifieke wet- en regelgeving) op het terrein van: (…)’

(Dus in plaats van internationale is het geworden (inter-)nationale)

– Handeling 6: er is een opmerking aan toegevoegd, waarin wordt vermeld dat ook personen die geen vertegenwoordigers van het Ministerie zijn, kunnen worden benoemd, geschorst en ontslagen.

– Handeling 754:‘Het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van heling van geld en naar de verbetering van de methoden om heling van geld te voorkomen en op te sporen’

gewijzigd in:

‘Het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme en naar de verbetering van de methoden om witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme te voorkomen en op te sporen’.

– Handeling 756: ‘Het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van de heling van geld aan de bedrijfstakken, aan het openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten en aan het publiek.’

gewijzigd in:

‘Het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van witwassen, de heling van geld en financieren van terrorisme aan de bedrijfstakken, aan het openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten en aan het publiek.’

– Handeling 757: ‘Het onderhouden van contacten met buitenlandse, van overheidswege aangewezen instellingen met een vergelijkbare taak’, bij ‘Opmerking’ een voorbeeld van zulke contacten gegeven, namelijk de Financial Intelligence Units. Dit betreft de internationale context van het Meldpunt Ongebruikelijk Transacties.

– Bij de actor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties is de formulering van een aantal handelingen uitgebreid. Dit heeft te maken met hoe de Wet MOT op dit moment luidt. Door de aanpassing sluit de handeling precies aan bij het de dossiers van het dynamisch archief van het Meldpunt. Zie hiervoor handeling 753, 754, 755, 756, 758, 760. Van handeling 753 en 758 is de grondslag aangepast.

3.2 Definitie van het beleidsterrein

Het PIVOT-rapport ‘Geregeld Toezicht’1‘Geregeld toezicht’. Een institutioneel onderzoek naar actoren en handelingen op het terrein van de regulering van en het toezicht op de centrale bank, het kredietwezen, het effectenverkeer en het giroverkeer (en de Rijkspostspaarbank), het voorkomen van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden, en het financiële verkeer in buitengwone omstandigheden, 1940–1995., Den Haag, 1996 (PIVOT-rapport nr. 40). vormt de grondslag voor het voorliggende basis-selectiedocument (BSD). Beide bestrijken de periode 1940 tot en met 1995. Genoemd rapport geeft een overzicht van actoren2Het door PIVOT gehanteerde onderzoeksmodel en de daarbij gehanteerde begrippen worden beschreven in ‘Handelend optreden. Overheidshandelen: modellen, onderzoeksmethoden en toepassingen.’, Den Haag, 1994. – zowel overheids als particulier – op het terrein van:

Naast de actoren beschrijft het rapport ook de handelingen van die instellingen, die vallen onder de Archiefwet 1995.

Aan de hand van het rapport ‘Geregeld Toezicht’ en het daarop gebaseerde BSD implementeren de Algemene Rijksarchivaris en vertegenwoordigers van het Ministerie van Financiën (en van de direct onder de verantwoordelijkheid van die Minister vallende instellingen) het bepaalde in artikel C van het convenant ‘institutioneel onderzoek’, dat op 25 juni 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën werd gesloten.

Het BSD heeft niet alleen betrekking op het handelen van de Minister van Financiën c.s. Ook van andere overheidsinstellingen – zelfstandig of vallend onder de verantwoordelijkheid van een andere Minister van algemeen bestuur – zijn handelingen opgenomen. Met deze instellingen, die niet vallen onder de werking van het convenant van 25 juni 1992, worden afzonderlijke afspraken gemaakt over de implementatie. In het actorenoverzicht wordt weergegeven welke overheidsinstanties het betreft.

Het voorliggende BSD is uitgangspunt bij de bewerking van (alle) archieven (of informatieverzamelingen) op de hierboven onder a. tot en met d. genoemde (deel)terreinen. Van elke bewerking dient na afloop een proces-verbaal te worden opgemaakt, waarin wordt aangegeven of, en zo ja, waar en vooral ook waarom de bewerker tijdens de bewerking van de in het BSD geformuleerde selectiebeslissingen is afgeweken.

3.3 Afbakening van het beleidsterrein

Het BSD heeft betrekking op de volgende deelbeleidsterreinen:

Deze deelbeleidsterreinen – tezamen aangeduid als ‘de zorg voor financiële instellingen en markten’ of ‘de zorg voor een adequate financiële infrastructuur’ – maken deel uit van het – veel bredere – financieel-economische en monetaire beleidsterrein.

Het financieel-economisch en monetair beleidsterrein omvat een aantal verschillende aspecten (situatie 1995):

Gezien zijn omvang is het financieel-economische beleidsterrein ten behoeve van het PIVOT-onderzoek verdeeld in een aantal deelonderwerpen. In de loop der jaren zijn er diverse selectielijsten vastgesteld (of althans vervaardigd).

(voorzover bekend is er voor het deelbeleidsterrein algemene vraagstukken mbt financiele en economische Politiek geen apart BSD vervaardigd).

Diverse actoren zijn om uiteenlopende redenen uit dit BSD weggelaten, terwijl ze in het RIO wel als actor voorkomen.

De archiefbescheiden voortvloeiende uit de handelingen van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied en het Militair Gezag zijn reeds overgedragen aan resp. het NIOD en het Nationaal Archief.

Ook de archiefbescheiden van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat inzake het toezicht op de PTT, PCGD en RPS (tot de verzelfstandiging en de oprichting van de Postbank) zijn al bewerkt en vernietigd, of overgedragen aan het Nationaal Archief. In het BSD zijn echter wel handelingen voor deze actoren opgenomen. Mochten er nog archiefbescheiden van bovengenoemde actoren opduiken, dan kunnen alsnog geselecteerd worden.

De Algemene Rekenkamer en de Raad van State (Stcrt. 1996/153) hebben in een eerder stadium een eigen selectielijst vastgesteld.

Ook voor de volgende actoren is reeds een eigen BSD vastgesteld :

Tenslotte zijn de handelingen van het College van beroep voor het Bedrijfsleven, de Verzekeringskamer en van de Nederlandsche Bank buiten beschouwing gelaten, aangezien deze instanties een eigen BSD zullen (laten) vervaardigen.

3.4 Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein

Al voor de Tweede Wereldoorlog was de regering op het sociale en economische vlak regelend en corrigerend opgetreden. Dat ingrijpen droeg in die periode echter nog een voornamelijk fragmentarisch karakter.

Na 1945 echter werd een andere lijn gevolgd: de omvang van de sociaal-economische problemen – aanvankelijk voortkomend uit en samenhangend met (de nasleep van) de Tweede Wereldoorlog, later vooral met de snelle industrialisatie – maakte een meer structureel ingrijpen wenselijk, cq. noodzakelijk.

De groeiende betekenis van banken en financiële markten voor het economische leven – een belangrijk deel van het handelen van de (Rijks- en lagere) overheid en de expansie en modernisering van het bedrijfsleven werden via deze kanalen gefinancierd – leidde ertoe, dat de Rijksoverheid in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate regulerend ging optreden. Het aanvankelijk gehanteerde systeem van ‘een summier toezicht’ van overheidswege, gekoppeld aan ‘een uitgebreide zelfregulering’ door de bank- en effectenwereld, bleek onder de gewijzigde omstandigheden niet afdoende. Ook de toenemende internationalisering van het krediet- en effectenverkeer en de daarmee samenhangende groei van de concurrentie op de financiële markten, maakten een verdergaand overheidsingrijpen gewenst en noodzakelijk. In Europees verband tenslotte werd aangedrongen op coördinatie van het toezicht en ook dat leidde tot aanpassing en uitbreiding van de wet- en regelgeving.

Met de wet- en regelgeving op het terrein van de financiële infrastructuur beoogt de wetgever een aantal verschillende (beleids)doeleinden. In de eerste plaats wil de overheid greep houden op de waarde van de Nederlandse gulden. Deze dient zodanig te worden gereguleerd ‘als voor ’s lands welvaart het meest dienstig is’. Om dat doel te bereiken dient de overheid invloed te kunnen uitoefenen op de totale geldhoeveelheid. In de Bankwet is de taak van de regulering van de geldwaarde in eerste instantie toevertrouwd aan De Nederlandsche Bank (DNB). Als circulatiebank is zij verantwoordelijk voor de uitgifte van bankbiljetten. Door middel van het ‘monetair toezicht’ kan zij richting geven aan de kredietverlening door banken en andere geldscheppende instellingen en deze binnen de perken houden. De Bankwet biedt aan de overheid de mogelijkheid om in te grijpen als zij het – in het kader van de algemeen financiële en economische politiek – niet eens is met de door De Nederlandsche Bank gevolgde lijn.

In de tweede plaats wil de overheid door het (doen) uitoefenen van toezicht het vertrouwen van spaarders en beleggers in de financiële sector (bankwezen en financiële markten) handhaven en versterken. Door middel van dat toezicht wil de overheid voorkomen dat aantasting van het vertrouwen in bij voorbeeld een afzonderlijke bank of effecteninstelling leidt tot aantasting van het vertrouwen in de gehele sector. De overheid richt zich met name op de bescherming van de belangen van de ‘particuliere geldgever’, d.w.z. de niet-professionele spaarder en de belegger. Dezen moeten er vanuit kunnen gaan dat zij voldoende beschermd zijn tegen malafide praktijken en tegen ondeskundig optreden. Daarnaast moeten zij de garantie hebben, dat zij de noodzakelijke informatie ontvangen (‘transparantie van de markt’).

Ook het beleid met betrekking tot de voorkoming van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden is – deels – gericht op de handhaving van de integriteit van het financiële stelsel.3Met de zgn. ‘anti-witwasregelingen’ beoogt de overheid ook een fiscaal doel.

In de derde plaats wil de overheid zicht houden op de totale structuur van de financiële sector. Daarbij gaat het vooral om het voorkomen van ongewenste machtsconcentraties, die tot een ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen zouden kunnen leiden. In dat kader past ook het voor alle financiële instellingen algemeen bindend verklaren van bijzondere regelingen (bij voorbeeld inzake de verkoop van spaarbewijzen en de identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening), waardoor oneigenlijke concurrentie kan worden voorkomen.

Door middel van een uitgebreide wet- en regelgeving heeft de overheid het kader geschapen voor een verregaand toezicht. De uitvoering daarvan wordt in de meeste gevallen overgelaten aan anderen. Kern van de wetgeving is, dat het bedrijfsmatige optreden van instellingen in de financiële sector gebonden is aan vergunningen. Die vergunningen worden alleen verstrekt, als de betreffende instellingen aan bepaalde – algemeen geldende of bijzondere – voorwaarden voldoen. Vergunningen kunnen worden ingetrokken als bij controle blijkt dat dat niet meer het geval is. Daarnaast worden bepaalde handelingen in de wetgeving gebonden aan ‘verklaringen van geen bezwaar’. Dat houdt in dat zij alleen mogen worden uitgevoerd met toestemming van de toezichthouder.

3.5 Situatie tijdens de bezettingsperiode

Daar waar verreweg de meeste BSD’s lopen vanaf 1945, begint het BSD Toezicht Bank- en kredietwezen in 1940. Volgens het ‘Decreet van de Führer over de uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland’ van 18 mei 1940 was Rijkscommissaris Seyss-Inquart belast met het opperste regeringsgezag; als zodanig gerechtigd tot het uitvaardigen van verordeningen met de kracht van wet.

Gedurende de Duitse bezetting – bij afwezigheid van de Minister van Financiën – was de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën belast met de zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving, onder gezag van de Rijkscommissaris.

Hieronder wordt per onderwerp van het beleidsterrein toezicht bank- en kredietwezen, zoals weergegeven in deel A van het BSD, een korte uitleg gegeven over de situatie tijdens de Duitse bezetting. Die onderwerpen die pas na 1945 aan de orde zijn gekomen, zoals anti-witwas wetgeving, blijven uiteraard buiten beschouwing.

De centrale bank is sinds 1814 een naamloze vennootschap. Aanvankelijk was de centrale bank werkzaam als een circulatiebank, die als enige gemachtigd was bankbiljetten in omloop te brengen. Tijdens de bezetting onderging de status van de Bank een ingrijpende wijziging. Medio 1943 werd de centrale bank gemaakt tot een publiekrechtelijk lichaam, rechtstreeks ondergeschikt aan de Rijkscommissaris en te leiden en te beheren volgens door die Commissaris te geven richtlijnen en onder zijn toezicht.

Bij Koninklijk Besluit werd in april 1945 bepaald dat de bevoegdheden betreffende de centrale bank weer werden uitgeoefend door de Minister van Financiën.

Het vrijwillige toezicht van DNB op de banken dateert vanaf het begin van de jaren dertig. Bij Besluit van 16 december 1941 was de secretaris-generaal van het departement voor Bijzondere Economische Zaken (ook de Minister van dit departement zat in Londen) gerechtigd tot het uitvaardigen van voorschriften met betrekking tot kredietinstellingen en de uitoefening van het kredietbedrijf. Ook was hij belast met het algemeen toezicht op kredietinstellingen (in overleg met De Nederlandsche Bank). Een aantal zaken werd nader geregeld in het Eerste Uitvoeringsbesluit Banken van juni 1943.

Met de bevrijding werd het door de bezetter ingevoerde systeem van toezicht dat overigens nog niet of nauwelijks van de grond was gekomen, direct weer buiten werking gesteld.

Ofschoon de Minister van Financiën op grond van de Beurswet 1914 gemachtigd was voorschriften op het gebied van effectenhandel vast te stellen, werd voor 1940 niet of nauwelijks gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. De overheid vertrouwde op de regelgeving van de Vereeniging voor den Effectenhandel. De Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 was namens de Minister belast met een deel van het toezicht.

Reeds in juli 1940 kwam hier verandering in. Met de Beursvoorschriften 1940 werd het departement verantwoordelijk voor het vaststellen van allerlei (beurs)regels. Het hoofd van het departement – de secretaris-generaal – kon verder de bevoegdheden waarover hij (= eigenlijk de Minister) uit hoofde van de Beurswet beschikte, overdragen aan de Commissie van Bijstand voor de Uitvoering van de Beurswet 1914 (art. 1.5).

Het Bedrijfsvergunningenbesluit van 24 juni 1941 stelde de handel in effecten afhankelijk van een vergunning. In 1942 werd bij het beschikken over effecten de tussenkomst van een lid van de Vereeniging voor den Effectenhandel verplicht gesteld (commissionairsdwang). In 1943 tenslotte werd in het Besluit betreffende de uitoefening van den effectenhandel de handel in effecten voorbehouden aan leden van de Vereeniging.

Een deel van de door de bezetter genomen maatregelen bleef in de eerste jaren na de oorlog geheel of gedeeltelijk van kracht. In 1947 echter kwam een nieuwe Beschikking Beursverkeer tot stand. Daarmee keerde men terug naar de situatie van voor 1940: een summiere algemene controle door de overheid met daarnaast een uitgebreide zelfregulering.

Voor 1940 was de vervanging van onverhandelbaar geworden of verloren gegane effecten onbevredigend geregeld. De bijzondere gebeurtenissen van 1940 maakten een wettelijke regeling van deze zaak urgent. Door de oorlogsomstandigheden waren niet alleen veel effecten verloren gegaan, maar ook de administraties van eigenaren van effecten of van hun bankiers of commissionairs in het ongerede geraakt.

Met het Effectenbesluit 1941 werd de vervanging van waardepapieren welke verloren waren gegaan dan wel onverhandelbaar waren geworden, geregeld. Na de oorlog bleef dit Besluit, aangezien deze bevredigend had gewerkt, tot 1965 van kracht.

Bij Wet van 29 december 1928 was de PTT aangewezen als staatsbedrijf. Op grond van het Girobesluit 1934 en de Girowet 1936 had de Minister belast met de zorg voor de PTT een aantal (verregaande) regelgevende en toezichthoudende bevoegdheden, ook ten aanzien van de van overheidswege opgerichte Postcheque- Girodienst (PCGD). De rol van de Minister van Financiën beperkte zich voornamelijk tot die van mede-wetgever en mede-toezichthouder.

De Tweede Wereldoorlog leidde tot een veranderde status van de PCGD. Bij Besluit van de secretarissen-generaal van Binnenlandse Zaken (deze was belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT) en van Financiën van 11 september 1940, VB 139/1940, echter werd aan de PCGD rechtspersoonlijkheid toegekend. Alle goederen, rechten en verplichtingen van de staat ‘de PCGD betreffende’, gingen daarbij over op de PCGD. De verhouding tot de PTT wijzigde niet. Wel gingen bij Verordening van 31 maart 1941, VB 67/1941, betreffende de organisatie van het Staatsbedrijf der PTT alle goederen, rechten en verplichtingen van de staat ‘de PTT betreffende’ over op de rechtspersoon PTT. Bij Besluit van de secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken van 30 januari 1943 werd i.v.m. de oorlogsomstandigheden een beperking van het aantal nieuw te openen postrekeningen ingevoerd.

Het internationale giroverkeer werd in mei 1940 direct gestaakt, met uitzondering van dat met Duitsland.

Na de bevrijding werden de maatregelen van de Duitsers pas zeer geleidelijk aan teruggedraaid.

3.6 Activiteiten van de Nederlandse regering in Londen (1940–1945)

De Nederlandse Regering in Londen hield zich vooral bezig met de financiering van de terugkeer naar bevrijd gebied (als dat zou komen), het beheer van het Londense apparaat, het bewaren en beheren van Nederlands vermogen in het buitenland en de zorg (lees: financiering) voor hulpverlening. Een belangrijk aspect is geweest dat De Regeering de Besluiten A1 en A6 afkondigde. Het eerste regelde min of meer dat transacties/ handelingen vanaf het bezet gebied geen rechtskracht hadden en dat alle Nederlandse eigendommen buiten het bezette gebied in fiduciar bezit kwamen van de Staat. Ook het beheer van de eigendommen werd geregeld. De Nederlandse regering kon vanuit Londen niet veel toezicht uitoefenen op de banken in Nederland.

De archieven van de Nederlandse regering in Londen zijn reeds overgedragen aan het Nationaal Archief.

3.7 De actoren op het beleidsterrein, voorzover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen

Minister van Financiën

Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën

Thesaurier-Generaal van het Ministerie van Financiën

Afdeeling Effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel

Agentschap van het Ministerie van Financiën

College van Advies inzake de uitvoering van de Collectieve Garantieregeling WTK

Commissie De Vries

Commissie Giraal Effectenverkeer (Commissie Ras)

Commissie Giraal Geldverkeer

Commissie van Advies in Beurszaken

Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914

Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt

Commissie van Toezicht op de Optiebeurs

Commissie voor de Waardebepaling

Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld

Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer

Stichting Effectenvernieuwingsbureau

Stichting Toezicht Effectenverkeer

Toezichthouder op het Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer

Minister van Algemene Zaken

VakMinister

SG van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Raad van Hooofdcommissarissen

VakMinister

Minister van Buitenlandse Zaken

VakMinister

Minister van handel, nijverheid en scheepvaart

Secretaris-Generaal voor bijzondere Economische Zaken

Minister van Economische Zaken (EZ)

Economische Controledienst

VakMinister

Minister van Justitie

Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie

Begeleidingscommissie meldpunt ongebruikelijke transacties

Meldpunt ongebruikelijke transacties

Projectorganisatie meldpunt ongebruikelijke transacties

VakMinister

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

VakMinister

Minister belast met de zorg voor het staatsbedrijf der PTT

Commissie van advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekkking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld

Commissie van advies inzake de Rijkspostspaarbank

Directeur-generaal der PTT

PTT-Raad

Raad van toezicht op de Rijkspostspaarbank

VakMinister

4 Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven. Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

5 Selectiecriteria

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting:

Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting:

Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting:

Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting:

Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting:

Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting:

Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

6 Leeswijzer

In het BSD dient een leeswijzer opgenomen worden welke duidelijk maakt, welke informatie in een handelingenblok te vinden is. Dit kan met behulp van het onderstaande voorbeeld

Dit is het volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.

Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces. Bijvoorbeeld: Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.

Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945– genoemd. In enkele gevallen is een vraagteken vermeld.

Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd, bijvoorbeeld 1945– . Dit geldt ook bij de vermelding 1940– … De aanduiding 1940–(?) betekent dat niet duidelijk is in welk jaar de handeling is vervallen. Soms is niet precies na te gaan of een bepaalde handeling in een specifiek eindjaar eindigt, maar is er wel een vermoeden dat het vermelde eindjaar het daadwerkelijke eindjaar is. Bijvoorbeeld 1945–(1985).

Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend, kan op twee manieren worden vermeld.

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)

De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3

NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.

Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

Bij het gebruiken van dit BSD voor de selectie van archieven verdient het aanbeveling een digitale versie van het RIO te raadplegen, aangezien hierin de producten bij de handelingen zijn beschreven.

7 Vaststellingsprocedure

Op 13 februari 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Financiën, de Minister van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Justitie, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer & Waterstaat aan de Minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juni 2007 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van de studiezaal en op de website van het Nationaal Archief evenals op de website van het Ministerie van OCW, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 6 augustus 2007 bracht de RvC advies uit (kenmerk aca-2007.03872/5), hetwelk naast enkele tekstuele correcties aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

In het kader van de terinzagelegging heeft het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) een advies over de selectielijst uitgebracht. De zienswijze van het ING heeft naast tekstuele correcties aanleiding gegeven tot het aanbrengen van de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

In het kader van de terinzagelegging heeft De Nederlandsche Bank een zienswijze naar voren gebracht, hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.

8 Actorenoverzicht

Deel A Minister van Financiën

Minister van Financiën (1940–....)

N.B. Binnen het Ministerie van Financiën is de Generale Thesaurie, i.c. de Afdeling, later Directie (Binnenlands) Geldwezen verantwoordelijk voor het beleidsterrein. De Thesaurier-Generaal wordt door de Minister van Financiën benoemd. De TG neemt als adviseur deel aan de vergaderingen van de Bankraad.

De taken van de Minister van Financiën strekken zich uit over verschillende deelbeleidsterreinen. Ook voor andere actoren met uiteenlopende taken c.q. werkzaamheden zoals de Stichting Toezicht Effectenverkeer worden de verschillende taken apart beschreven.

De Minister van Financiën kan aanwijzingen geven aan De Nederlandsche Bank. Ook is hij bevoegd tot het benoemen of het doen van voordrachten inzake benoeming van hoge functionarissen bij de Nederlandse Bank.

De Minister van Financiën wijst representatieve organisaties van het bankwezen aan waaraan het toezicht deels kan worden gedelegeerd. Voorts beschikt hij op bezwaarschriften van kredietinstellingen die zich in hun belangen geschaad achten door beschikkingen van De Nederlandsche Bank.

De Minister van Financiën besliste over tot 1992 opening en sluiting van beurzen. Ook wees de Minister fondsen aan die in de prijscouranten werden opgenomen. Verder stelde hij voordrachten op voor de benoeming van leden van de Commissie van Advies in Beurszaken en benoemde hij voorzitters en leden van de commissies van toezicht.

De Minister van Financiën verleende vrijstellingen, dan wel ontheffingen van in de wet gestelde verboden en eisen met betrekking tot de handel in effecten buiten de beurs om. Daarnaast verleende hij vergunningen voor de uitoefening van het beroep van effectenbemiddelaar en de openstelling van beleggingsfondsen

De Minister van Financiën heeft het toezicht op beleggingsinstellingen gedelegeerd aan De Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank heeft een eigen selectielijst.

De Minister van Financiën stelt beschikkingen op inzake de erkenning van beurzen. Ook verleent hij vrijstelling van in de wet gestelde eisen en verboden. Tevens stelt de Minister voorschriften vast voor houders van effectenbeurzen, en benoemt bestuurders van de rechtspersoon aan wie de Minister zijn bevoegdheden heeft overgedragen. Verder keurt hij wijzigingen goed in de statuten van de rechtspersoon aan wie taken zijn overgedragen, alsmede wijzigingen in het Fondsenreglement van de Vereniging voor de Effectenhandel.

N.B. De Minister heeft een deel van de aan hem op basis van de WTE toegekende bevoegdheden gedelegeerd aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer. Zie hiervoor de beschrijving bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer.

De Minister van Financiën verleent ontheffing van de verplichting om verkrijging van een bepaald belang ook bij de betreffende ter beurze genoteerde onderneming te moeten melden.

N.B. De Minister heeft de bevoegdheden in het kader van deze wet gedelegeerd aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer. Zie hiervoor de beschrijving bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer.

De Minister van Financiën oefent diverse taken uit die vanaf 1941 door de SG van Financiën werden verricht, zoals het stellen van waarborgen mbt de verplichtingen van het Effectenvernieuwingsbureau en het verlenen van benodigde kasvoorschotten.

De Minister van Financiën wijst een Centraal Instituut aan. In dit verband wijst hij een (rechts)persoon aan die namens hem toezicht houdt op het Centraal Instituut. Daarnaast keurt de Minister wijzigingen goed in de statuten van het instituut, en kan hij, op voordracht van de toezichthouder, besluiten van het bestuur van het Centraal Instituut vernietigen. Voorts verleent de Minister goedkeuring aan de door het Centraal Instituut opgestelde regels inzake de toelating als aangesloten instelling. Tenslotte dient hij als beroepsinstantie in geval van weigering van toelating door het Centraal Instituut.

De Minister van Financiën oefende samen met de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT toezicht uit op de girodiensten. Ook was hij medeverantwoordelijk voor de benoeming van leden van de Commissie van Advies betreffende de bemoeiingen van etc. (zie hierna). Verder verleende de Minister vergunningen voor de oprichting van gemeentelijke girodiensten en was hij verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de Rijkspostspaarbank (RPS) als spaarinstelling (1954 ev.). In 1985 werd de RPS geprivatiseerd.

N.B. In 1978 werd het monetair toezicht uit de Girowetgeving gelicht).

De Minister van Financiën wijst representatieve organisaties aan. Hij kan tussen de De Nederlandsche Bank en de representatieve organisaties gesloten overeenkomsten omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen algemeen bindend verklaren.

De Minister van Financiën kan tussen De Nederlandsche Bank en de representatieve organisaties gesloten overeenkomsten algemeen bindend verklaren.

De Minister van Financiën doet – met de Minister van Justitie – voordrachten voor de benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het Meldpunt ongebruikelijke transacties (zie hierna). Verder bepaalt hij met de Minister van Justitie het budget en de sterkte van het Meldpunt. De Minister stelt, eveneens met de Minister van Justitie, de indicatoren vast aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie als ongebruikelijk moet worden aangemerkt. Ook doet hij voordrachten voor de benoeming van de leden van de Begeleidingscommissie en is hij vertegenwoordigd in de Begeleidingscommissie.

De Minister van Financiën is belast met regelgevende en beschikkende bevoegdheden in het kader van het Bankenmoratorium 1940/1944. In geval van buitengewone omstandigheden is hij gerechtigd tot het treffen van regelingen ten aanzien van een groot aantal onderwerpen binnen de grenzen van de Noodwet financieel verkeer. Ook verleent hij bijzondere of algemene vergunningen aan banken e.d. tot het verrichten van bepaalde handelingen.

Secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën (1940–1945)

Gedurende de Duitse bezetting – bij afwezigheid van de Minister van Financiën – was de SG van Financiën belast met de zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving, onder gezag van de Rijkscommissaris.

De SG van Financiën gaf opdrachten aan de Nederlandsche Bank tot het verstrekken van renteloze voorschotten in rekening-courant aan de staat tot tijdelijke versterking van ’s rijks schatkist.

De SG van Financiën kon bevoegdheden waarover hij (= eigenlijk de Minister) uit hoofde van de Beurswet beschikte overdragen aan de Commissie van Bijstand voor de Uitvoering van de Beurswet 1914.

De SG van Financiën stelde voorschriften vast voor de werkwijze van de Stichting Effectenvernieuwingsbureau.

Samen met de SG van Binnenlandse Zaken kende de SG van Financiën bij Besluit van 11 september rechtspersoonlijkheid toe aan de PCGD. Ook verleende de SG toestemming aan de Commissie van Advies betreffende bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld tot openbaarmaking van zijn adviezen. Ook verleende de SG vergunningen aan gemeenten die een girodienst wilden oprichten.

De SG van Financiën stelde regels op inzake de opheffing van het Bankenmoratorium 1940.

Deel B Actoren waarvan de zorg voor het archief onder het zorgdragerschap van de Minister van Financiën valt

De Afdeeling Effectenregistratie van de Raad voor het rechtsherstel verleende vergunningen voor de aankoop en verkoop van effecten (1946–1947), in gevallen waarin deze vergunningen zijn voorgeschreven (1947-..). Voorts verleende deze instantie goedkeuring aan het Effectenvernieuwingsbureau (zie hierna) voor de uitoefening van zijn werkzaamheden.

Het Agentschap van het Ministerie van Financiën beheert de door de Stichting Effectenvernieuwingsbureau in beheer gegeven duplicaten van effecten waaraan een kans op het winnen van een premie is verbonden.

Dit College staat De Nederlandsche Bank bij in de uitvoering van haar taak als uitvoerend orgaan van de in de Wet Toezicht op het Kredietwezen opgenomen collectieve garantieregeling. Het College is samengesteld uit vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van het bankwezen.

Ingesteld in 1945 adviseert de Commissie De Vries de Minister van Financiën ‘nopens versterking van het gemeenschapselement in het statuut van De Nederlandsche Bank ter bereiking van de overgang van De Bank van particuliere in publiekrechtelijke of semi-publiekrechtelijke eigendom’.

Ingesteld bij Beschikking van 19 januari 1970, Stcrt. 20. Deze commissie adviseerde de Minister van Justitie inzake de wenselijkheid van een wettelijke voorziening voor het geval van vervanging van de materiële levering van effecten door een ander stelsel van effectenverkeer.

De Commissie Giraal Geldverkeer is ingesteld door de Minister van Financiën. Zij is belast met een onderzoek naar de mogelijkheid van onderlinge aanpassing van de girale netten van de posterijen, van de stad Amsterdam en van het bankwezen.

De Commissie van Advies in Beurszaken adviseerde de Minister van Financiën en de Commissie van Bijstand voor de Uitvoering van de Beurswet 1914 in alle zaken die betrekking hadden op de uitvoering van de Beurswet.

Namens de Minister van Financiën was de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 belast met de uitvoering van het toezicht op de effectenbeur(s)(zen). In de periode 1940–1947 nam de commissie een deel van de taken en bevoegdheden van de secretaris-generaal, cq. de Minister van Financiën over.

Namens de Minister van Financiën oefende deze commissie bij mandatering toezicht uit op de Financiële Termijnmarkt te Amsterdam. Het secretariaat berust bij het Ministerie van Financiën. De Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt stelde tevens voorschriften op voor de handel aan de financiële termijnmarkt, en wees fondsen aan die in de prijscouranten van de financiële termijnmarkt werden opgenomen.

Namens de Minister van Financiën oefende deze commissie bij mandatering toezicht uit op de Optiebeurs te Amsterdam. Het secretariaat berustte bij het Ministerie van Financiën. De Commissie van Toezicht op de Optiebeurs stelde voorschriften op voor de handel aan de Optiebeurs, en wees fondsen aan die in de prijscouranten van de Optiebeurs worden opgenomen.

Deze commissie is ingesteld bij artikel 6 van de Beursvoorschriften 1940, en beschikt in geschillen tussen geldgevers en geldnemers.

De Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld is belast met het boeken van inschrijvingen in de Grootboeken der Nationale Schuld in verband met de naasting van De Nederlandsche Bank.

Ingesteld bij Beschikking van 11 augustus 1977, Stcrt. 157. Het Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer draagt zorg voor de bewaring van effecten en het effectengiroverkeer ten behoeve van aangesloten instellingen. Het Instituut is interprofessioneel van karakter, waarbij uitsluitend instellingen op het gebied van het effectenbedrijf kunnen zich aansluiten.

Deze stichting stelt vervangende exemplaren beschikbaar van (verlorengegane of) onverhandelbaar geworden effecten. Van april 1988 tot aan de opheffing in november 1999 werd het secretariaat van de stichting gevoerd door het Agentschap van het Ministerie van Financiën. Daarvoor lag het secretariaat bij de Vereniging voor de Effectenhandel. Deze instantie valt niet onder de Archiefwet.

Sinds 1989 tot 1992 was de Stichting Toezicht Effectenverkeer – bij mandatering – bevoegd tot het uitoefenen van toezicht op de Effectenbeurs, de Optiebeurs en de Financiële Termijnmarkt te Amsterdam (zie Beschikking van 24 januari 1989, Stcrt. 23), sinds oktober van dat jaar ook op de Olietermijnmarkt te Rotterdam. De stichting stelde voorschriften op voor de handel ter beurze en wees fondsen aan die in de prijscouranten van de beurzen werden opgenomen.

De Stichting Toezicht Effectenverkeer wijst samen met De Nederlandsche Bank effectenbeurzen aan waar rechten van deelneming van beleggingsmaatschappijen als bedoeld in art. 6.1. van de WTB moeten worden toegelaten.

Bij delegatie is de Stichting Toezicht Effectenverkeer belast met het toezicht op de effectenbeurzen; adviseert de Minister inzake de verlening van vrijstellingen van eisen en verboden; verleent ontheffingen van bepaalde eisen en verboden; houdt een register bij van effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders; stelt voorschriften vast voor houders van effectenbeurzen met betrekking tot door die beurzen te hanteren regels; verstrekt inlichtingen aan buitenlandse toezichthouders; is beroepsinstantie voor wat betreft besluiten van houders van effectenbeurzen inzake de toelating of verwijdering van fondsen uit de notering; adviseert de Minister met betrekking tot goedkeuring van wijzigingen in het fondsenreglement van de Vereniging voor de Effectenhandel.

De Stichting Toezicht Effectenverkeer oefent bij delegatie de taken en bevoegdheden uit welke in de wet aan de Minister van Financiën zijn toegekend. Aandeelhouders moeten bij de Stichting melding maken van de verkrijging of overdracht van zeggenschap of van een belang in ter beurze genoteerde vennootschappen (wanneer dat belang een bepaald percentage overschrijdt of onder een bepaald niveau daalt).

De Stichting Toezicht Effectenverkeer doet voordrachten voor de benoeming van leden van/is vertegenwoordigd in de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

Namens de Minister van Financiën oefent deze Toezichthouder toezicht uit op het Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer.

Deel C Overige actoren

Van 1944 tot 1945 was de Minister van Algemene Zaken verantwoordelijk voor de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT.

De Minister van AZ doet voordrachten aan de Kroon inzake het in werking, dan wel buiten werking stellen van één of meer artikelen van de Noodwet Financieel verkeer.

De SG van het Ministerie van Binnenlandse Zaken stelde beschikkingen vast tot voorziening in de tijdelijke waarneming van de functies van directeur en onderdirecteur van de PCGD, wanneer beiden afwezig zijn.

Ook was de SG van 1940 tot 1945 belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT.

Van 1945 tot 1946 was de Minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT.

De Minister van BZK was medeverantwoordelijk voor de voorbereiding, vaststelling, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving tot goedkeuring en bekrachtiging van door De Nederlandsche Bank aan gemeentelijke girodiensten op te leggen algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering.

Deze raad doet voordrachten voor de benoeming van leden van/is vertegenwoordigd in de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

De Minister van Buitenlandse Zaken is met het van kracht worden van de Noodwet financieel verkeer in 1978 medeverantwoordelijk voor het vaststellen van regels ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen.

De Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart verleende machtigingen aan door De Nederlandsche Bank aangewezen personen om boeken van banken ed. te mogen inzien i.v.m. het verkrijgen van economische statistieken.

De SG had tijdens de oorlog dezelfde bevoegdheden als de Minister.

De SG verleende machtigingen aan door De Nederlandsche Bank aangewezen personen om boeken van banken ed. te mogen inzien i.v.m. het verkrijgen van economische statistieken.

Sinds december 1941 was de SG gerechtigd tot het uitvaardigen van voorschriften met betrekking tot kredietinstellingen en de uitoefening van het kredietbedrijf. Ook was hij belast met het algemeen toezicht op kredietinstellingen (in overleg met De Nederlandsche Bank).

De SG verleende goedkeuring aan door de Bedrijfsgroep Effectenhandel (van de Vereniging voor de Effectenhandel (?)) aan ondernemingen verleende ontheffingen van het verbod om te handelen in effecten, alsmede aan door de Vereniging voor de Effectenhandel vastgestelde regels inzake toelating, schorsing en verwijdering van leden.

De Minister van Economische Zaken is met het van kracht worden van de Noodwet financieel verkeer in 1978 medeverantwoordelijk voor het vaststellen van regels ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen.

De Economische Controledienst doet voordrachten voor de benoeming van leden van/is vertegenwoordigd in de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. Ook is de dienst belast met de opsporing van strafbare feiten en houdt zij toezicht op de naleving van de in de Noodwet Financieel verkeer voorziene regelingen.

De Minister van Justitie is onder andere medeverantwoordelijk voor de voorbereiding van wet- en regelgeving op het terrein van het beheer van de consignatiekas.

De Minister van Justitie doet voordrachten voor de benoeming van bijzondere leden van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Ook adviseert de Minister van Justitie de Minister van Financiën danwel De Nederlandsche Bank inzake het gebruik van gegevens of inlichtingen door buitenlandse toezichthouders.

De Minister van Justitie beslist op verzoeken van buitenlandse toezichthouders in zake het gebruik van gegevens betreffende beleggingsinstellingen voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, en verleent al dan niet goedkeuring tot wijziging van de statuten van beleggingsinstellingen.

De Minister van Justitie beslist op verzoeken van buitenlandse toezichthouders in zake het gebruik van gegevens betreffende financiële markten en instellingen voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt.

De Minister van Justitie is o.a. medeverantwoordelijk voor de voorbereiding van wet- en regelgeving op het terrein van de vervanging van verloren gegane effecten.

De Minister van Justitie is betrokken bij de voorbereiding van wetgeving met betrekking tot het giraal effectenverkeer.

De Minister van Justitie is beheerder van het door het Meldpunt bijgehouden register van meldingen. De Minister is belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van het Meldpunt, en doet met de Minister van Financiën voordrachten voor de benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het Meldpunt. Daarnaast bepaalt hij, eveneens samen met de Minister van Financiën, het budget en de sterkte van het Meldpunt, en stellen zij samen de indicatoren vast aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie als ongebruikelijk moet worden aangemerkt. Tenslotte benoemt de Minister van Justitie de leden van de Begeleidingscommissie (op voordracht van de vertegenwoordigde instanties).

De Minister van Justitie is (mede)belast met (de voorbereiding van) de vaststelling, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving; (mede)verantwoordelijk voor de coördinatie en evaluatie van het beleid.

De SG van Justitie wees van 1943 tot 1945 arrondissementsrechtbanken aan waar berechting van overtreders van de regelgeving op het terrein van de handel in effecten moest plaatsvinden.

Deze projectorganisatie was verantwoordelijk voor de opzet en inrichting van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

Verzamelt, registreert, bewerkt en analyseert gegevens die het verkrijgt uit meldingen; beziet of deze gegevens van belang zijn voor de voorkoming en opsporing van misdrijven; verstrekt persoons- en andere gegevens in overeenstemming met de bepalingen van de Wet melding ongebruikelijke transacties en het bij of krachtens de Wet politieregisters bepaalde; verricht onderzoek naar ontwikkelingen op het terrein van de heling van geld en naar verbetering van de methoden om heling van geld te voorkomen en op te sporen; adviseert de bedrijfstak omtrent de invoering van passende procedures; geeft voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van heling van geld aan de bedrijfstakken, het openbaar Ministerie, andere ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten en aan het publiek; onderhoudt contacten met buitenlandse autoriteiten die een vergelijkbare taak hebben; brengt jaarlijks verslag uit aan de Minister van Justitie; houdt – onder beheer van de Minister van Justitie – een register van meldingen bij; kan nadere regels stellen omtrent de manier waarop een melding moet worden gedaan.

Ingesteld bij artikel 14 van de Wet melding ongebruikelijke transacties; begeleidt het meldpunt in zijn functioneren; adviseert de Minister van Financiën en de Minister van Justitie over o.a. de vaststelling van de indicatoren.

De Minister van LNV is sinds het van kracht worden van de Wet financieel verkeer in 1978 medeverantwoordelijk voor het vaststellen van regels ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen.

N.B.Onder de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT moet worden verstaan:

De Minister van V&W was medeverantwoordelijk voor de voorbereiding, vaststelling, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving tot goedkeuring en bekrachtiging van door De Nederlandsche Bank aan de PCGD op te leggen algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering.

De Minister van V&W beschikte op bezwaarschriften van hen wier rekening door de directeur van de PCGD werd opgeheven. Ook stelde de Minister nadere regels vast ten aanzien van de bedrijfsuitoefening van de PCGD en de instructies voor de directeuren van de PCGD en de RPS. Samen met de Minister van Financiën oefende de Minister van V&W toezicht uit op de girodiensten. De Minister benoemde leden van de Commissie van Advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld. Tevens was hij verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken bij de Rijkspostspaarbank (1954 ev.) en bezat hij benoemingsbevoegdheden met betrekking tot de directie der RPS.

In 1985 werd de RPS geprivatiseerd.

N.B. In 1978 werd het monetaire toezicht uit de Girowetgeving gelicht.

Deze Commissie verving van 1942 tot 1954 de Raad van toezicht op de Rijkspostspaarbank.

Deze commissie werd in 1936 ingesteld (artikel 9 van de Girowet 1936). De commissie diende de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën gevraagd en ongevraagd van advies inzake de uitvoering van de Girowet. Tevens adviseerde zij met betrekking tot de Rijkspostspaarbank.

De Directeur-generaal der PTT adviseerde de Minister van Financiën met betrekking tot de Post Cheque- en Girodienst (PCGD) en de Rijkspostspaarbank (RPS) in hun hoedanigheid van kredietinstelling; aangewezen als representatieve organisatie voor de gelddiensten van de PTT.

De Directeur-generaal der PTT had met name regelgevende bevoegdheden ten aanzien van de werkwijze van PCGD en RPS. Tevens deed de Directeur voordrachten voor de vaststelling van instructies van directeuren van de PCGD en de RPS. Ook beschikte hij op bezwaarschriften van personen aan wie een machtiging tot het openen van een rekening bij de PCGD is geweigerd of wier rekening ambtshalve is opgeheven (1940–1966).

De PTT-Raad diende de directeur-generaal van de PTT van advies met betrekking tot de PCGD en de RPS. Ook oefende de Raad toezicht uit op het beheer en de toestand van de RPS.

Zoals de naam al aangeeft was de Raad van toezicht belast met het toezicht op de RPS. Ook adviseerde de Raad de Minister met betrekking tot de werkzaamheden van de Raad en het toezicht op de RPS, alsmede met betrekking tot de vaststelling van instructies.

Van 1940 tot 1955 was de vakMinister belast met het goedkeuren van door de directeur der PCGD verleende vrijstellingen van de betaling van rechten aan de houders van postrekeningen. Dit betrof rekeningen geopend ten behoeve van (de takken van) ’s rijksdienst (die onder hun Ministerie ressorteerden).

Selectielijsten

9 Deel A Handelingen van de Minister van Financiën

9.1 Minister van Financiën (1945–)

(Tijdens de oorlog trad de SG op in plaats van de Minister van Financiën)

9.1.1 Algemene handelingen (1940–)

Het (mede)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en/of intrekking van (algemene) wet-/regelgeving op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: b (1)

Het verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen en/of ten uitvoer gelegde beleid op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: b (1)

Het informeren van de Staten-Generaal inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1945–....

Waardering: b (3)

Het beantwoorden van schriftelijke en/of mondelinge vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal inzake het beleid op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1945–....

Waardering: b (3)

Het beantwoorden van vragen van individuele burgers inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: v Termijn: 15 jaar na beantwoording

Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in specifieke wet- en regelgeving) op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Opmerking: Deze handeling is ook van toepassing indien het de benoeming betreft van personen die geen vertegenwoordigers zijn van het Ministerie.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na beëindiging van het lidmaatschap

Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over vergaderingen van bestuurs- en overlegorganen van (inter)nationale organisaties op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: b (1)

Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over bijeenkomsten van intra- en interdepartementale overlegorganen die zich bezighouden met het beleid op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: b (1)

Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: b (1)

Het vaststellen van de beleidsorganisatie op het terrein van:

a. de centrale bank;

b. de regulering van en het toezicht op het kredietwezen/de kredietinstellingen;

c. de regulering van en het toezicht op het effectenverkeer/de handel in effecten;

d. de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank;

e. het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden;

f. de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.

Periode: 1940–....

Waardering: b (4)

9.1.2 Regulering van en toezicht op de centrale bank (1940–)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van bijzondere wetten, waarbij circulatiebanken worden opgericht en waarbij aan buitenlandse circulatiebanken wordt toegestaan hun bankbiljetten hier te lande in omloop te brengen.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 1.

Waardering: b (1)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van de termijn, waarvoor De Nederlandsche Bank gerechtigd is om als circulatiebank werkzaam te zijn of tot opzegging van de bereidheid tot verlenging van die termijn.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 2.

Waardering: b (1)

Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming – in het geval van het niet verlengen van de termijn waarvoor De Nederlandsche Bank als circulatiebank mag optreden – van één van de deskundigen die belast is met het schatten van de waarde van de onroerende goederen en het meubilair van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 35.1.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van de inrichting der Bijbank en de agentschappen van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 5.5.

Waardering: b (1)

Het voorbereiden van wetgeving ter vergroting van het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 6.2.

Waardering: b (1)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van de vorming van bijzondere reserves door De Nederlandsche Bank en tot goedkeuring van stortingen in en onttrekkingen aan deze reserves.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 9.; Bankwet 1948, art. 6.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van het Reglement van het Pensioenfonds van het personeel van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 10.; Bankwet 1948, art. 8.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van het verrichten door De Nederlandsche Bank van andere activiteiten dan in de Bankwet genoemd.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 11.2.; Bankwet 1948, art. 21.

Waardering: b (1)

Het (mede)vaststellen van regels inzake het uitoefenen en nakomen van de rechten en verplichtingen samenhangende met het aanhouden van posities en het verrichten van transacties met betrekking tot Nederlandse posities in de Algemene Rekening van het IMF door De Nederlandsche Bank.

Periode: 1973–....

Grondslag: Besluit van 7 mei 1973, Stb. 211 , art. 1.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende nadere regels, volgens welke de centrale bank toezicht zal uitoefenen op het kredietwezen.

Periode: 1948–1956

Grondslag: Bankwet 1948, art. 9.4.

Waardering: b (5)

Het (mede)voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de bemoeiingen van De Nederlandsche Bank met de krachtens deze wet in de consignatiekas in bewaring gegeven effecten en het daarvoor te bedingen loon.

Periode: 1940–

Grondslag: Wet van 27 maart 1936, Stb. 201, art. 3.

Waardering: b (5)

Het (mede)vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels met betrekking tot de uitvoering van deze wet (Wet consignatiekas).

Periode: 1940–

Grondslag: Wet van 27 maart 1936, Stb. 201, art. 11.

Waardering: b (5)

Het – onder voorwaarden – verstrekken van voorschotten aan het fonds dat voor rekening en risico van de staat door aan- en verkoop van schriftelijke en telegrafische uitbetalingen, cheques en ander papier (buitenlands betaalbaar), alsmede van goud, de wisselkoersen op het buitenland tracht te beïnvloeden.

Periode: 1940–

Grondslag: Wet van 30 september 1936, Stb. 403, art. 2.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na terugbetaling

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van wettelijke bepalingen inzake de uitgifte of verpanding van bewijzen van vlottende schuld, waarmee in de voorschotten aan het fonds dat voor rekening en risico van de staat door aan- en verkoop van schriftelijke en telegrafische uitbetalingen, cheques en ander papier (buitenlands betaalbaar), alsmede van goud, de wisselkoersen op het buitenland tracht te beïnvloeden, mag worden voorzien.

Periode: 1940–

Grondslag: Wet van 30 september 1936, Stb. 403, art. 2.2.

Waardering: b (5)

Het uitoefenen van toezicht op het beheer door De Nederlandsche Bank van het fonds dat voor rekening en risico van de staat door aan- en verkoop van schriftelijke en telegrafische uitbetalingen, cheques en ander papier (buitenlands betaalbaar), alsmede van goud, de wisselkoersen op het buitenland tracht te beïnvloeden.

Periode: 1940–

Grondslag: Wet van 30 september 1936, Stb. 403, art. 4.1.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van wetten houdende bepalingen omtrent het tijdstip en de wijze van verantwoording van in het fonds dat voor rekening en risico van de staat door aan- en verkoop van schriftelijke en telegrafische uitbetalingen, cheques en ander papier (buitenlands betaalbaar), alsmede van goud, de wisselkoersen op het buitenland tracht te beïnvloeden gestorte gelden.

Periode: 1940–(

Grondslag: Wet van 30 september 1936, Stb. 403, art. 4.3.

Waardering: b (1)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van De Nederlandsche Bank als kassier van de Rijkspostspaarbank en/of van andere bij wet of door Ons in het leven geroepen instellingen en tot aanwijzing van De Nederlandsche Bank als bewaarder van alle geldswaarden van het Rijk en van die instellingen en van de door het Rijk en die instellingen in pand genomen waarden.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 14.4.; Bankwet 1948, art. 19.4.

Waardering: b (1)

Het geven van opdrachten aan De Nederlandsche Bank tot het verstrekken van renteloze voorschotten in rekening-courant aan de Staat tot tijdelijke versterking van ’s Rijks schatkist.

Periode: 1940–1993

Grondslag: Bankwet 1937, art. 16.; Bankwet 1948, art. 20.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten houdende nadere regels omtrent de begrenzing van het gezamenlijk bedrag der in omloop zijnde bankbiljetten, bankassignatiën en credit-saldi in rekening courant bij De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–1956

Grondslag: Bankwet 1937, art. 23.; Besluit 1 okt. 1945, Stb. F 204, art. 3.2.; Bankwet 1948, art. 17.

Wet van 11 jan. 1956, art. 3.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van de president en de secretaris, respectievelijk de president, de secretaris en de directeuren (de directie) van De Nederlandsche Bank, alsmede tot ontslag van directieleden die weigeren of nalaten aanwijzingen als bedoeld in art. 26 van de Bankwet 1948 op te volgen.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 25.; Bankwet 1948, art. 23.

Waardering: b (4)

Het vaststellen van beschikkingen tot aanwijzing van één of meer personen, die de bevoegdheden, welke ingevolge de Verordening 58/1943 zijn toegekend aan de president van De Nederlandsche Bank en de overige leden van haar directie en die op grond van het Besluit van 17 september 1944, Stb. E 93, tijdelijk door de Minister van Financiën worden uitgeoefend, namens hem kunnen waarnemen.

Periode: 1945

Grondslag: Besluit 26 april 1945, Stb. F 61, art. 2.

Waardering: b (4, 6)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van benoeming van volgens art. 25.2. van de Bankwet aan te stellen directeuren, danwel tot benoeming van een directeur wanneer met de vergadering van aandeelhouders geen overeenstemming kan worden bereikt over een voordracht.

Periode: 1945–1948

Grondslag: Besluit 1 okt. 1945, Stb. F 204, art. 5.

Waardering: b (4)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van de benoeming (door de gemeenschappelijke vergadering van de directie en de raad van commissarissen van De Nederlandsche Bank) van een plaatsvervangend directeur voor een tijdvak langer dan zes maanden.

Periode: 1948–....

Grondslag: Bankwet 1948, art. 24.2.

Waardering: b (4)

Het vaststellen van beschikkingen tot het éénmalig benoemen van de leden van de raad van commissarissen van De Nederlandsche Bank, in overleg met de directie van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1948

Grondslag: Bankwet 1948, art. 38.

Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)

Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van het reglement van werkzaamheden van de Commissie van Advies van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–1948

Grondslag: Bankwet 1937, art. 27.7.

Waardering: b (4)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming van een koninklijk commissaris, die namens de regering toezicht uitoefent op de handelingen van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 29.1.; Bankwet 1948, art. 30.1.

Waardering: b (4)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van een nadere instructie ten behoeve van de koninklijk Commissaris van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 29.4.; Bankwet 1948, art. 30.4.

Waardering: b (4)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring van de vorm van de wekelijks in de Staatscourant te publiceren verkorte balans van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 30.; Bankwet 1948, art. 35.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming – in geval van onenigheid – van één der scheidslieden die moet beoordelen of de balans (en de winst- en verliesrekening) van De Nederlandsche Bank in overeenstemming is (zijn) met de bepalingen van de wet en de statuten van de Bank.

Periode: 1940–....

Grondslag: Bankwet 1937, art. 31.6.; Bankwet 1948, art. 31.2.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het vaststellen van een Ministeriële regeling tot instelling van een commissie belast met de opdracht hem van advies te dienen nopens versterking van het gemeenschapselement in het statuut van De Nederlandsche Bank.

Periode: 1945

Grondslag: Besluit 1 okt. 1945, Stb. F 204, art. 11.

Waardering: b (4)

Het openen van inschrijvingen in het Grootboek der 2½-procents Nationale Schuld ten name van hem, wiens aandeel in De Nederlandsche Bank ingevolge het bepaalde in art. 2 van de Wet naasting is genaast door de Staat.

Periode: 1948–(?)

Grondslag: Wet naasting, art. 3.3.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de inschrijving

Het verlenen van machtigingen aan rechthebbenden om verzoeken aan de directie van De Nederlandsche Bank tot afgifte van schriftelijke verklaringen nopens het recht van degene te wiens behoeve de inschrijving in het Grootboek dient plaats te vinden, buiten de gestelde termijn van tien jaar te doen plaatsvinden.

Periode: 1948–

Grondslag: Wet naasting, art. 5.4.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na verstrekking van de machtiging

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten houdende voorzieningen voor de restitutie van alle rechten en aanspraken van De Nederlandsche Bank en voor de vergoeding der waarde van die vorderingen en aanspraken, voorzover deze door de Staat der Nederlanden zijn gerealiseerd, binnen een jaar na beëindiging van de buitengewone omstandigheden, die geleid hebben tot overgang in eigendom van alle rechten en aanspraken van De Nederlandsche Bank op rekening-courant-saldi en op goud-deposito’s bij de Federal Reserve Bank of New York op de Nederlandse Staat.

Periode: 1944–

Grondslag: Besluit van 18 mei 1944, Stb. E 31, art. 3.

Waardering: b (6)

Het overdragen van de rekening-courant-saldi en gouddeposito’s bij de Federal Reserve Bank of New York, toebehorend aan de Staat der Nederlanden, aan De Nederlandsche Bank en het vergoeden van de waarde dier rekening-courant-saldi en gouddeposito’s, voorzover deze ten behoeve van de Staat der Nederlanden zijn gerealiseerd.

Periode: 1946

Grondslag: Besluit van 16 februari 1946, Stb. G 33, art. 1.

Waardering: b (6)

Het aangaan van een overeenkomst met De Nederlandsche Bank om de in Rijksmarken luidende bezittingen van De Nederlandsche Bank over te doen gaan op de Staat der Nederlanden.

Periode: 1946

Grondslag: Wet van 30 augustus 1946, Stb. G 226, art. 1.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming van 8 leden van de Bankraad en tot aanwijzing van de waarnemend voorzitter van de Bankraad (bij afwezigheid van de als voorzitter fungerende Koninklijke Commissaris).

Periode: 1945–1948

Grondslag: Besluit 1 okt. 1945, Stb. F 204, art. 6.

Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)

Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming van twaalf leden van de Bankraad, op voordracht van door Ons aan te wijzen organen of instanties.

Periode: 1948–....

Grondslag: Bankwet 1948, art. 32.1.; art. 32.2.

Waardering: b (4)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot aanwijzing van de organen en instanties die gerechtigd zijn tot het doen van voordrachten tot benoeming van leden van de Bankraad.

Periode: 1948–....

Grondslag: Bankwet 1948, art. 32.2.

Waardering: b (4)

Het vaststellen van beschikkingen tot aanwijzing van een waarnemend voorzitter van de Bankraad (die het voorzitterschap waarneemt als de koninklijke commissaris afwezig is).

Periode: 1948–....

Grondslag: Bankwet 1948, art. 32.6.

Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum

Het – na raadpleging van de Bankraad – geven van aanwijzingen aan de directie van De Nederlandsche Bank in die gevallen, waarin de Minister zulks ter coördinatie van de monetaire en financiële politiek van de regering en de politiek van de Bank noodzakelijk acht; het voorbereiden van beslissingen met betrekking tot bezwaren van de directie van De Nederlandsche Bank tegen het opvolgen van die aanwijzingen en het publiceren van die bezwaren en de daarop genomen beslissingen in de Staatscourant.

Periode: 1945–....

Grondslag: Besluit van 1 okt. 1945, Stb. F 204, art. 7.; Bankwet 1948, art. 26.

Waardering: b (5)

9.1.3 Regulering van en toezicht op het kredietwezen en de kredietinstellingen (1952–)

Het verlenen van machtiging aan De Nederlandsche Bank om een afdeling of onderafdeling van het register van kredietinstellingen door een ander orgaan te laten bijhouden.

Periode: 1952–1956

Grondslag: WTK 1952, art. 2.3.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van de inrichting van het register van kredietinstellingen.

Periode: 1978–1992

Grondslag: WTK 1978, art. 12.1.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van beschikkingen op beroepschriften van kredietinstellingen tegen besluiten van De Nederlandsche Bank tot:

a.inschrijving van een onderneming of een instelling in een afdeling of onderafdeling van het register van kredietinstellingen;

b.doorhaling van een dergelijke inschrijving.

Periode: 1952–1978

Grondslag: WTK 1952, art. 5.2.; WTK 1956, art. 5.2.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van beschikkingen op beroepschriften van kredietinstellingen tegen besluiten van De Nederlandsche Bank om hun verzoek tot doorhaling van de inschrijving in een afdeling of onderafdeling van het register van kredietinstellingen niet in te willigen.

Periode: 1952–1978

Grondslag: WTK 1952, art. 6.3.; WTK 1956, art. 6.3.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van het bedrag aan eigen middelen of vermogen waarover kredietinstellingen moeten beschikken om in het register van kredietinstellingen te worden ingeschreven, alsmede tot vaststelling van de vermogensbestanddelen die tot die eigen middelen moeten worden gerekend.

Periode: 1952–1992

Grondslag: WTK 1952, art. 3.2.; WTK 1952, art. 3.6.; WTK 1956, art. 3.2.; WTK 1978, art. 10.1.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van beschikkingen op beroepschriften van ondernemingen en instellingen die weigeren inlichtingen te verstrekken aan De Nederlandsche Bank, omdat zij van mening zijn dat de gevraagde inlichtingen niet geacht kunnen worden nodig te zijn om te beoordelen of al dan niet tot inschrijving in het register van kredietinstellingen moet worden overgegaan.

Periode: 1952–1978

Grondslag: WTK 1952, art. 8.6.; WTK 1956, art. 8.6.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking

Het – in afwijking van het bepaalde in artikel 64 (geheimhouding van gegevens die ingevolge deze wet zijn verkregen) – verstrekken van inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn taak aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties, dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties, die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen, die op die markten werkzaam zijn.

Periode: 1993–....

Grondslag: WTK 1992, art. 65.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na verstrekking

Het ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens en inlichtingen met betrekking tot het toezicht op de financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, ten behoeve van instanties uit staten waarmee die verdragen gesloten zijn en die in die staat belast zijn met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het kredietwezen, vragen van inlichtingen of instellen van onderzoeken bij een ieder, die ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt, dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed, dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

Periode: 1993–1994

Grondslag: WTK 1992, art. 66.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum

Het ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens en inlichtingen, dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op de financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, ten behoeve van instanties uit de staten waarmee die verdragen gesloten zijn of die met Nederland vallen onder dezelfde bindende besluiten van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die staat belast zijn met de uitvoering van de wettelijke regelingen inzake het toezicht op het kredietwezen, vragen van inlichtingen of instellen van onderzoeken bij een ieder, die ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt, dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed, dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

Periode: 1994–....

Grondslag: WTK 1992, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 66.; art. 66a.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten, waarbij bepaald wordt, dat het toezicht op de landbouwkredietbanken, de algemene spaarbanken en commissionairs in effecten (1952), of het toezicht op bepaalde groepen van kredietinstellingen, voorzover dit toezicht strekt in het belang van de solvabiliteit en de liquiditeit van de betreffende instellingen, geheel of ten dele zal worden uitgeoefend door andere organen dan De Nederlandsche Bank.

Periode: 1952–....

Grondslag: WTK 1952, art. 9.; WTK 1956, art. 9.; WTK 1978, art. 17.; WTK 1992, art. 4.1.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van representatieve organisaties op het gebied van het kredietwezen.

Periode: 1952–....

Grondslag: WTK 1952, art. 10.1.; art. 11.1.; WTK 1956, art. 10.1.; art. 11.2.; WTK 1978, art. 29.4.; art. 30.4.; WTK 1992, art. 1.1.d.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring, wijziging, verlenging en intrekking van algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering, welke De Nederlandsche Bank aan geregistreerde kredietinstellingen kan opleggen i.v.m. haar taak ten aanzien van de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid (de Bankraad gehoord).

N.B.Voor de Postcheque en Girodienst, de Rijkspostspaarbank en de diensten waarop de Girowet 1936 van toepassing is, worden de besluiten genomen gezamenlijk met de Minister belast met de zorg voor de zaken van het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Binnenlandse Zaken (vgl. art. 28).

Periode: 1952–1992

Grondslag: WTK 1952, art. 10.2.; art. 12; WTK 1956, art. 10.5.; WTK 1978, art. 22.5. [N.B. Zie ook artikel 28.2.]

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling van wetten tot bekrachtiging van besluiten, houdende goedkeuring van de algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering van kredietinstellingen, i.v.m. de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid (1952: indien die besluiten in afwijking van de adviezen van de Bankraad zijn genomen).

N.B.Voor de Postcheque en Girodienst, de Rijkspostspaarbank en de diensten, waarop de Girowet 1936 van toepassing is, worden de wetten voorbereid gezamenlijk met de Minister belast met de zorg voor de zaken van het Staatsbedrijf der PTT, dan wel met de Minister van Binnenlandse Zaken (vgl. art. 28).

Periode: 1952–1992

Grondslag: WTK 1952, art. 10.3.; WTK 1956, art. 10.6.; WTK 1978, art. 22.6.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, niet zijnde kredietinstellingen, die volgens daarbij vast te stellen maatstaven in belangrijke mate hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van gelden, dagelijks of op termijnen van korter dan twee jaren opvorderbaar, waarop De Nederlandsche Bank toezicht mag houden i.v.m haar taak in het kader van de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid.

Periode: 1979–1992

Grondslag: WTK 1978, art. 29.1.

Waardering: b (5)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)