Besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem (Besluit bodemkwaliteit)
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2007, nr. DJZ2007057947, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de voor de bouw bestemde produkten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (PbEG L 220);
Gelet op richtlijn nr. 06/12/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEG, L 114), ter vervanging van richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 29 september 2003 (PbEU L 284);
Gelet op de artikelen 1.1, zevende lid, 8.1, tweede lid, 8.5, 8.40, 8.45, 8.49, vijfde lid,10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.52, 11.1, 11.2 en 11.3 van de Wet milieubeheer, de artikelen 6, 7, 8, 12a, 12b, 15, 16a, 17, 36, 38, 39b, 70, 71, 72, 76o en 91 van de Wet bodembescherming, de artikelen 1 derde lid, 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 12, tweede lid van de Wet belastingen op milieugrondslag en artikel 40a van de Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 10 september 2007, nr. W08.07.0189/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 november 2007, nr. DJZ2007113029, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt voor het toepassen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee in werking op 1 oktober 2008 (Stb. 2008/382).
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;
- afleverbon: begeleidend document bij een partij van een bouwstof of een partij grond of baggerspecie dat bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt verstrekt en dat tot doel heeft de partij te identificeren als partij waarop de verklaring betrekking heeft;
- baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;
- bodem: bodem als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet;
- bodemfunctie: bodemfunctie als bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zoals aangegeven in het omgevingsplan;
- bodemfunctieklasse: bodemfunctieklasse als bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarin de ontvangende landbodem in het omgevingsplan is ingedeeld;
- bodemkwaliteitskaart: kaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid;
- bouwstof: materiaal dat is bestemd om te worden toegepast, waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium en aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, met uitzondering van vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie;
- certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de certificering geldende normdocument;
- erkenning bodemkwaliteit: op grond van artikel 9, eerste lid, gegeven beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;
- grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;
- instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere instelling, die beoordeelt of een persoon, stof, product, installatie, voorziening of ander object overeenstemt met een normdocument;
- landbodem: bodem, niet zijnde waterbodem;
- mijnsteen: bouwstof, in hoofdzaak bestaande uit gebroken schalie en zandsteen met bijmengingen van kolengruis, die als nevengesteente is vrijgekomen bij de winning van steenkool;
- milieuverklaring bodemkwaliteit: overeenkomstig dit besluit afgegeven schriftelijke verklaring over de kwaliteit van een partij bouwstof, grond, baggerspecie, mijnsteen, vermengde mijnsteen of de bodem en die bedoeld is om, behoudens bewijs van onjuistheid of onvolledigheid, als wettig bewijsmiddel te dienen dat aan de toepasselijke kwaliteitseisen is voldaan;
- normdocument: op grond van artikel 25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm waarin eisen zijn opgenomen ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;
- persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;
- Raad voor Accreditatie: Raad voor Accreditatie als bedoeld in artikel 1 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie;
- tarragrond: aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van het gewas na de oogst;
- vermengde mijnsteen: bouwstof, bestaande uit mijnsteen die met ten hoogste 80 gewichtsprocent grond of baggerspecie is vermengd;
- waterbodem: bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust;
- werkzaamheid: op grond van artikel 8a aangewezen werkzaamheid.
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt een hoeveelheid bouwstoffen als een partij aangemerkt als de bouwstoffen een vergelijkbare aard en samenstelling en dezelfde herkomst of producent hebben en als eenheid worden verhandeld of toegepast.
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt een hoeveelheid grond, baggerspecie, mijnsteen of vermengde mijnsteen als een partij aangemerkt als dat materiaal een vergelijkbare aard en samenstelling heeft en een eenheid vormt die is ontstaan door:
- a. het ontgraven van een hoeveelheid van het materiaal, die van oorsprong in de bodem:
- 1°. fysiek aaneengesloten is; of
- 2°. gedeeltelijk onderbroken is en waarbij de onderlinge afstand tussen de niet aaneengesloten hoeveelheden niet meer dan 25 m bedraagt;
- b. het ontgraven van een van oorsprong in de bodem niet fysiek aaneengesloten hoeveelheid van dat materiaal die niet meer dan 25 m3 bedraagt;
- c. het bewerken van het materiaal; of
- d. het samenvoegen of splitsen van partijen van het materiaal.
Een milieuverklaring bodemkwaliteit kan de vorm hebben van een verklaring op grond van een partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring, fabrikant-eigenverklaring, verklaring op grond van een bodemonderzoek of verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart.
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Hoofdstuk 2. Kwaliteit van de uitvoering van een werkzaamheid
Afdeling 1. Erkenning van personen en instellingen
Artikel 9
Onze Minister kan op aanvraag voor een werkzaamheid een erkenning bodemkwaliteit verlenen aan een persoon of een instelling.
De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van de natuurlijk persoon die werkzaam is voor de erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen uitvoert.
Een erkenning bodemkwaliteit wordt voor onbepaalde tijd verleend.
Onze Minister stelt lijsten met erkende personen en instellingen beschikbaar via een door Onze Minister aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de Staatscourant geplaatst.
Een erkenning bodemkwaliteit is niet overdraagbaar.
Artikel 10
Een aanvraag voor een erkenning bodemkwaliteit wordt door middel van een door Onze Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Minister.
Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
- a. de naam en het adres van de aanvrager;
- b. de werkzaamheid waarop de aanvraag betrekking heeft;
- c. het certificaat of de accreditatie voor de werkzaamheid;
- d. de vestigingsplaats van de persoon of instelling;
- e. indien van toepassing, de naam en een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden, van de natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.
Artikel 11
Onze Minister beslist binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Onze Minister verleent de erkenning bodemkwaliteit geheel of gedeeltelijk, indien de desbetreffende persoon of instelling:
- a. niet in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert; en
- b. heeft voldaan aan artikel 10, tweede lid.
Bij regeling van Onze Minister wordt aangegeven of een erkenning bodemkwaliteit voor een werkzaamheid wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie.
Een erkenning bodemkwaliteit kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien de desbetreffende persoon of instelling of een bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie jaren voorafgaande aan de aanvraag een overtreding heeft begaan van een wettelijk voorschrift dat is gesteld bij of krachtens dit besluit of de Omgevingswet, een krachtens dit besluit aangewezen normdocument of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.
Een erkenning bodemkwaliteit kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.