Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel 1945–
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager
Minister van Verkeer en Waterstaat
Minister van Algemene Zaken
Minister van Buitenlandse Zaken
Minister van Justitie
Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)
Vastgestelde versie november 2007
Lijst van afkortingen
AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur
art.: artikel
AZ: Ministerie van Algemene Zaken
BSD: Basis Selectie Document
BZK: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BZ: Ministerie van Buitenlandse Zaken
BW: Burgerlijk Wetboek
Def: Ministerie van Defensie
EZ: Ministerie van Economische Zaken
Fin: Ministerie van Financiën
GW: Grondwet
Jus: Ministerie van Justitie
KB: Koninklijk Besluit
LNV: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
MvT: Memorie van Toelichting
NA: Nationaal Archief
NBW: Nieuw Burgerlijk Wetboek
OCW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
SZW: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Trb.: Traktatenblad
V&W: Ministerie van Verkeer en Waterstaat
VROM: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Verantwoording
Doel en Werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (financieel beleid, bijvoorbeeld) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Definitie en afbakening van het beleidsterrein 1 Voor een uitgebreide beschrijving van het beleidsterrein verwijzen we naar de hoofdstukken 2–9 van het rapport institutioneel onderzoek Adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel.
De hoofdlijnen van het handelen van de overheid op het beleidsterrein adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel behelst het ontwikkelen, regelgeven en uitvoeren van het beleid met betrekking tot het verlenen van adellijke titels en het toekennen van onderscheidingstekens. Onderscheiden worden adelsbeleid en adelsrecht en daarnaast het decoratiestelsel.
Adelsbeleid na 1945
Sinds de invoering van artikel 63 in de Grondwet van 1848 tot 1953 is de bepaling dat ‘De Koning adeldom verleent’ ongewijzigd gebleven. Hetzelfde artikel bepaalde dat ‘vreemde adeldom door geen Nederlander kan worden aangenomen.’ Een verandering in het beleid was het (informeel) besluit van de Raad van ministers op 21 november 1953:
Artikel 74 lid 1 van de Grondwet 1972 heeft als basis gediend bij het toekennen van titels aan (toekomstige) leden van het Koninklijk Huis, zoals aan Claus von Amsberg en de kinderen die uit zijn huwelijk met H.K.H. Prinses Beatrix geboren zouden worden. Ook op basis daarvan zijn voorzieningen getroffen in verband met het huwelijk van H.K.H. Prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven. De volgende aanpassingen vonden bij de invoering van de Wet op de adeldom ten opzichte van de Grondwet 1953 plaats: erkenning, inlijving en verheffing.
In artikel 74 van de Grondwet 1972 stond nog steeds slechts vermeld:‘de koning verleent adeldom’, maar niet aan wie, waarom en wanneer adeldom verleend kon worden, hoeveel ervoor betaald moest worden en wie hierin adviseert. Het adelsbeleid dat tot dusver gevoerd was, had een te smalle juridische basis en de Tweede Kamer wilde dat daar verbetering in kwam. Daarom werd in de Grondwet van 1983 additioneel artikel XXV (Staatsblad 70) in plaats van artikel 74 lid 1 opgenomen, waarin werd vastgelegd dat deze zaken bij wet geregeld moesten worden. Een wet kan namelijk gemakkelijker veranderd of ingetrokken worden dan een Grondwet.
Tot slot kan nog worden vermeld dat het omgekeerde van verlening, het verlies van adeldom, zich onder omstandigheden (bijvoorbeeld door een strafrechtelijk vonnis of door het zonder toestemming in dienst treden van een buitenlandse Soeverein) kan voordoen, met name door royement. Royement is echter niet wettelijk geregeld, maar ‘men mag aannemen, dat degene die adeldom verleent (de Koning) deze ook weer kan ontnemen en dat dit derhalve bij Koninklijk besluit zal dienen te geschieden.’ Het heeft zich in deze eeuw slechts nog één keer voorgedaan: jonkheer Pieter Laurens van Beyma werd op eigen verzoek uit de Nederlandse adel geroyeerd. Royement op eigen verzoek wordt ontraden, omdat eventuele na royement geboren afstammelingen niet tot de adel zullen behoren. Van 1945 tot 1994 zijn acht Koninklijk besluiten tot erkenning van adeldom tot stand gekomen en 26 personen ingelijfd. Er is ook een aantal verzoeken tot adelsverlening geweigerd.
In 1989 werd aan de voorbereiding van een wet op de adeldom begonnen; deze wet werd op 2 juni 1994 in het Staatsblad gepubliceerd. Deze bevat een wettelijke regeling voor het verlenen van adeldom, het heffen van taxa en het geven van een wettelijke basis voor de Hoge Raad van Adel en zijn taken. Het adelsrecht werd gezien als een historisch gegroeid instituut, dat als zodanig alleen kan worden gehandhaafd, maar dat zijn grondslag verliest als men zou proberen het naar eigentijdse denkbeelden te wijzigen of in te richten. Daarom is ervan afgezien het adelsrecht opnieuw te codificeren. Op grond van artikel 8 van de Wet op de adeldom kunnen alle personen die bij de inwerkingtreding van de wet reeds Nederlander waren gedurende een periode van vijf jaar, een verzoek tot inlijving doen.
Anno 1998 is het voeren van een adellijk distinctief (titel of predicaat) het enige voorrecht voor de Nederlandse adel. Ingevolge artikel 2 van het Soeverein besluit van 13 februari 1815, nr. 60 worden titels toegekend of verleend door de Koning.
De Hoge Raad van Adel
Ingevolge het Soeverein besluit van 24 juni 1814, nr. 10 werd de Hoge Raad van Adel ingesteld en belast met de behandeling van alle adelsaangelegenheden, zoals het aanleggen van filiatieregisters van degenen die een adelsgunst hadden verkregen en van hun wettige afstammelingen in mannelijke lijn. Ook is hier voor het eerst sprake van heffing van Adelstaxa. De Raad kreeg de bevoegdheid tot het doen betalen van bedragen voor allerlei handelingen, zoals bijvoorbeeld voor het verlenen van adelsdiploma’s. Deze bedragen zouden gevoegd worden bij een afzonderlijk fonds, het adelsfonds (later het Fonds van de Hoge Raad van Adel). De Raad bestaat uit een voorzitter en vier leden en wordt bijgestaan door een secretaris.
Terwijl de Raad vóór Thorbecke een eigen secretarie bezat die alle werkzaamheden verrichtte die voortvloeiden uit ’s Raads adviserende taak aan de Koning, beperkt de werkkring van de Raad zich daarna tot het geven van advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken c.q. Justitie en werd de secretarie onderdeel van genoemde ministeries.
Op 6 juli 1859 (Koninklijk besluit nr. 46) werd de behandeling van de adelsaangelegenheden evenals de verdere werkzaamheden van de Raad opgedragen aan het Departement van Justitie. Dat is zo gebleven tot 1937, toen de toenmalige minister-president, dr. H. Colijn, bij brief van 16 november aan de Hoge Raad van Adel meedeelde, dat hij overwoog de werkzaamheden, die tot dusver op het Departement van Justitie plaats vonden, en kort daarvoor waren overgenomen door het Ministerie van Algemene Zaken grotendeels over te dragen en te delegeren aan de Hoge Raad van Adel. De Raad ging hiermee akkoord en beschikt sindsdien dus weer, net als voor 1853, over een eigen secretarie.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de Hoge Raad van Adel zich in hoofdzaak moeten beperken tot het behandelen van kwesties betreffende gemeente- en waterschapswapens. Daarnaast werd de Raad in 1941 belast met het onderzoek van de zogenaamde dubbele geslachtsnamen- een gevolg van het besluit bevolkingsboekhouding van 1936 (artikel 63 lid 3). Dragers van dubbele namen moesten kunnen aantonen, dat hun naam op officiële wijze tot stand was gekomen, zo niet, dan moesten ze er alsnog geld voor betalen. Dit onderzoek veroorzaakte nogal wat commotie. In 1947 werd de Raad uit hoofde van bezuiniging door de minister van Binnenlandse Zaken aan wie de Raad sinds 1945 adviseert weer van deze taak ontheven. Zo had de raad gedurende korte tijd ook te maken met de bevolkingsadministratie.
In 1948 voorkwam de Hoge Raad dat enkele provincies, zonder het advies van de Hoge Raad van Adel eerst in te winnen, een voorstel tot het invoeren van een eigen provincievlag zouden indienen bij de Provinciale Staten van hun eigen gewest. De Raad heeft zich toen tot de minister van Binnenlandse Zaken gewend om op dit gebied uniformiteit en juiste behandeling te waarborgen. De minister heeft toen een circulaire doen uitgaan aan Gedeputeerde Staten van de verschillende provincies, waarin de wenselijkheid werd uitgesproken, dat eerst advies hierover van de Hoge Raad van Adel gevraagd zou worden. Het gevolg is, dat de Raad nu onder meer ook als taak heeft, over vlaggen van gemeenten en waterschappen te adviseren.
Anno 1998 is de Hoge Raad van Adel een extern adviescollege en heeft als belangrijkste taken:
Daarnaast is de Raad belast met het, in het algemeen, verstrekken van advies en voorlichting op genealogisch en heraldisch gebied aan rechtspersonen en particulieren.
Het decoratiestelsel
Vóór de Tweede Wereldoorlog werd elk decoratievoorstel met een voorgestelde graad van Ridder in de Orde van Oranje-Nassau of hoger voorgelegd aan de Raad van Ministers (verder te noemen ‘de Ministerraad’), terwijl de eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau zelfstandig door de ministeries werden afgehandeld.
In de periode 1844–1940 was het aantal toegekende civiele onderscheidingen per jaar beperkt tot circa 500. Het meeste werk lag op het terrein van de Militaire Willems-Orde (soldij-) administratie. Bij de verschillende acties, voornamelijk in het voormalig Nederlands Oost-Indië werden in die periode 2635 onderscheidingen toegekend.
Door de relatieve rust in het decoratiestelsel nam de bemoeienis van de Kanselier met het beleid steeds verder af. Zijn positie van beheerder én beleidsondersteuner werd langzamerhand een van beheerder. In 1937 werd de Kanselarij onder de verantwoordelijkheid van het zojuist opgerichte Ministerie van Algemene Zaken gebracht.
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de regeringszetel in 1940 tijdelijk verplaatst naar Londen. In verband met het grote aantal te verlenen dapperheids-onderscheidingen, alsmede het toenemende aantal civiele onderscheidingen, ontstond de behoefte aan een orgaan dat de Ministerraad zou ontlasten. Daartoe werd de Raad voor Onderscheidingen en Eerbetoon in het leven geroepen, bestaande uit de Minister-president en de Ministers van Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Marine, Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, en Oorlog. Van 1945 tot november 1946 werden de taken van deze Raad waargenomen door de Inter-departementale Commissie voor Onderscheidingen en Eerbetoon.
Op 30 april 1940 kwam een – reeds voorziene – herziening tot stand van de Wet op de Militaire Willems-Orde, welke op 20 mei van dat jaar in werking trad. Een van de veranderingen was dat voortaan ook burgers voor daden van moed, beleid en trouw – in de strijd bewezen – konden worden opgenomen in de orde. Vanaf mei 1940 stelde men andere criteria voor ‘verdiensten voor het vaderland’, waaronder vanaf dat moment begrippen als ‘strijdbaarheid’ en ‘verzet’ komen te vallen.
Na de bevrijding moesten degenen die geacht werden in de Tweede Wereldoorlog ‘fout’ te zijn geweest verantwoording afleggen. In 1947 werd door de Kanselarij der Nederlandse Orden begonnen met de voorbereidende werkzaamheden om van ‘foute’ gedecoreerde Nederlanders hun eerder toegekende onderscheiding te ontnemen. De leden der ridderorden werden in dat verband onder de loep genomen aan de hand van de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden van 18 september 1946 (Stb. 1946, nr. G 261). Daartoe werden in 1948 twee adviescommissies ingesteld, één voor de civiele orden en één voor de Militaire Willems-Orde en het Ereteken voor Belangrijke Krijgsverrichtingen. Zij oefenden hun taak uit op grond van een instructie die werd gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 20 september 1948, nr. 181.
Door de Kanselarij der Nederlandse Orden werden 153 dragers van de Orde van de Nederlandse Leeuw en Orde van Oranje-Nassau, de Militaire Willems-Orde en het Ereteken voor Belangrijke Krijgsverrichtingen ter zuivering aan de regering voorgelegd, uiteindelijk werden van 93 personen één der orden of beiden ontnomen. Op 13 maart 1952 werden per Koninklijk Besluit nr. 27 de adviescommissies opgeheven.
In april 1946 werd het Kapittel der Militaire Willems-Orde ingesteld. De Rijkswet op de Militaire Willems-Orde van 1815 kende al de mogelijkheid om een Kapittel in te stellen, waarvan echter tot op dat moment geen gebruik was gemaakt.
De werkzaamheden van dit kapittel hebben tussen 1946 en heden geleid tot 53 benoemingen in de orde. In november 1946 werd de Decoratiecommissie ingesteld. Deze commissie, bestaande uit de Ministers van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Marine (deze laatste werd later opgevolgd door de Minister van Defensie), bracht adviezen uit aan de Ministerraad inzake de verlening van koninklijke onderscheidingen in de beide orden van verdienste. In de praktijk werden de taken van deze ‘ministeriële Decoratiecommissie’ gedelegeerd aan de zogenoemde ‘ambtelijke Decoratiecommissie’, bestaande uit de directeuren kabinet en protocol van de genoemde ministeries met hun ondersteunend apparaat.
De commissie verkreeg in november 1947 een zelfstandige rol van betekenis: elk decoratievoorstel vanaf de eremedaille in goud, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau tot en met de graad van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw werd door dit orgaan afgehandeld. Toekenning van de graden van Commandeur en hoger in beide orden behoefde de goedkeuring van de ministerraad. De eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau in zilver en brons werden zelfstandig afgehandeld door de ministeries. In de periode 1945–1995 nam het aantal toegekende onderscheidingen in deze orden per jaar toe van circa 2.000 in 1945 tot circa 5.500 in 1995. Formeel bestond de decoratiecommissie in deze opzet tot 1 mei 1996.
In 1948 stelde de regering richtlijnen vast voor het verlenen van koninklijke onderscheidingen, die in hun uiteindelijke vorm zouden bestaan uit ruim 70 aanwijzingen. Onder invloed van een aantal factoren verstarde het decoratiestelsel in de loop van de 20e eeuw, met name na de Tweede Wereldoorlog: de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau – waarvan de eerste traditioneel-historisch de hoogste is – werden in de praktijk vervlochten tot één ridderorde van acht graden; verdienstelijke personen werden mede op basis van een combinatie van rang, functie en aantal dienstjaren gedecoreerd, waarbij deze laatste elementen in hoge mate bepalend waren voor de toe te kennen graad. Hierbij deden automatismen hun intrede. Een groot aantal eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau werd verleend voor ‘langdurige dienst’. Gedurende de jaren ’50 nam de roep toe om het decoratiestelsel te democratiseren en met name de positie van de eremedailles nader te bezien.
In 1963 werd de commissie-Houben geïnstalleerd, die in 1965 een rapport uitbracht met daarin de volgende aanbevelingen:
Over het advies kwam men in de Ministerraad uiteindelijk niet tot overeenstemming, waardoor geen van de aanbevelingen werd geïmplementeerd. Daarna werden er lange tijd geen noemenswaardige pogingen ondernomen tot herziening van het decoratiestelsel.
In 1982 werd vervolgens de commissie-Portheine geïnstalleerd (vóór november 1982 genaamd de commissie-Koning), die in 1985 een rapport uitbracht met daarin de volgende aanbevelingen:
Eind 1985 werd een voorstel van Rijkswet aanhangig gemaakt tot wijziging van de wet op de Orde van de Nederlandse Leeuw van 1815 en de wet op de Orde van Oranje-Nassau (1892). Uiteindelijk werd dit wetsvoorstel in 1994 aanvaard met als gevolg dat:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.