← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling EFRO doelstelling 3 programmaperiode 2007–2013

Geldende tekst a fecha 2008-11-01

Gelet op artikel 56, derde lid, van Kaderverordening 1083/2006, artikel 3 en 8, eerste lid, van de Kaderwet EZ-subsidies en de artikelen 2 en 3 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Als Europees Programma, bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013 wordt aangewezen:

Artikel 3
1.

De Minister kan op aanvraag projectsubsidie verlenen indien eveneens projectsubsidie ten laste van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling verkregen is of wordt. De projectsubsidie wordt verleend aan:

2.

Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de projectsubsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om projectsubsidie is opgetreden.

3.

Indien een subsidie ten laste van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling nog niet is verkregen, wordt de projectsubsidie verleend onder de ontbindende voorwaarde dat de subsidie ten laste van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling verkregen is.

Artikel 4

Het subsidieplafond voor de projectsubsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is:

Artikel 5
1.

De aanvraag om subsidieverlening wordt gedaan bij de managementautoriteit van het desbetreffende Europees Programma, genoemd in artikel 2.

2.

De Minister beslist binnen 13 weken op de aanvraag, bedoeld in artikel 3.

Artikel 6
1.

De Minister wijst de aanvraag in ieder geval af indien deze strekt tot het krachtens deze regeling projectsubsidie verkrijgen ter hoogte van het geheel van de subsidiabele kosten van het project.

2.

De Minister verleent de projectsubsidie zonodig onder de opschortende voorwaarde van tijdige toekenningsbeslissingen door de beoogde overige cofinanciers.

3.

De Minister kan de aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijzen indien:

Artikel 7
1.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

2.

In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend indien een project valt in prioriteit 1 en het project niet in voldoende mate bijdraagt aan ten minste twee van de volgende doelstellingen:

Artikel 8

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag aan rijkscofinanciering op volgorde van binnenkomst van de aanvraag, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

Artikel 9

De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip, tenzij de managementautoriteit heeft ingestemd met het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.

Artikel 10
1.

De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan de Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

2.

De subsidieontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de Minister, niet:

Artikel 11
1.

Als projectkosten worden uitsluitend de door het Comité van Toezicht van de Managementautoriteit van het desbetreffende programma goedgekeurde kostensoorten in aanmerking genomen.

2.

De projectkosten worden slechts toegerekend aan een bepaald project voor zover deze rechtstreeks toe te rekenen zijn aan dat project en zij proportioneel en doelmatig zijn.

3.

Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door de Minister, door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan projectsubsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan de totale waarde van de projectkosten die voor deze subsidie in aanmerking komen.

Artikel 12

De Minister verbindt zodanige verplichtingen aan de projectsubsidie dat de subsidieontvanger aan de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit de voor hun taakvervulling nodige medewerking verleent.

Artikel 13
1.

De Minister verleent op aanvraag en naar rato van de mate waarin deze cofinanciering bijdraagt aan de totale financiering van het project een voorschot van 100% van de verleende subsidie:

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Minister éénmalig op aanvraag een voorschot van ten hoogste 10% van de verleende subsidie geven indien dit voor de start van het project noodzakelijk is.

3.

In afwijking van het percentage, bedoeld in het eerste lid, bedragen voorschotten na toepassing van het tweede lid 90% van de subsidie.

4.

De aanvraag gaat vergezeld van stukken waaruit blijkt dat is voldaan aan de criteria voor voorschotverlening.

Artikel 14

Als toezichthouder op deze regeling voor het programma, bedoeld in artikel 2, onder c, worden aangewezen de ambtenaren van de Auditdienst van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 15

De Minister verstrekt op aanvraag een programmasubsidie aan de managementautoriteit van het programma, bedoeld in artikel 2, onderdeel a of b, voor het financieren van projecten die vallen onder prioriteit 1 of 4 van het desbetreffende programma.

Artikel 16

Het subsidieplafond voor de programmasubsidie bedoeld in artikel 15 is:

Artikel 17

De ontvanger van een programmasubsidie financiert geen projecten ten laste van de programmasubsidie zonder voorafgaande schriftelijke instemming van de Minister.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 1. Begripsbepalingen

§ 2. Aangewezen programma’s

§ 3. Projectsubsidies EMR

§ 4. Programmasubsidie Nederland-Duitsland en Vlaanderen-Nederland

Artikel 18

De Minister onthoudt de instemming, bedoeld in artikel 17, indien:

Artikel 19
1.

De Minister verleent op aanvraag ten hoogste vier maal en ten hoogste eenmaal per jaar een voorschot van 20% van het bij de subsidieverlening beschikte bedrag.

2.

Rentebaten over een voorschot worden besteed aan projecten waarmee de Minister heeft ingestemd.

Artikel 20

De artikelen 8, 10 en 11, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op programmasubsidies.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 21

De programma’s, genoemd in artikel 2, worden ter inzage gelegd bij het Informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, Bezuidenhoutseweg 30 te Den Haag.

Artikel 22

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 23

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling EFRO doelstelling 3 programmaperiode 2007–2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.