Besluit Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Meteorologie (Minister van Verkeer en Waterstaat)

Type Archiefselectielijst
Publication 2008-01-09
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 november 2007, aca-2007.04114/4);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Meteorologie’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

De lijst ‘Taken van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut over de periode 1951 tot heden’ vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Verkeer en Waterstaat, nr. RAD.B&T.98.7.RWS/AG d.d. 9 maart 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 61 d.d. 1998) wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Selectielijst beleidsterrein meteorologie vanaf 1945

Selectielijst, ingevolge hoofdstuk II van het Archiefbesluit 1995 , ten bewaring dan wel betreffende vernietiging de KNMI archiefbescheiden.

Dit BSD geldt voor de Zorgdrager:

Minister van V&W

Agentschap KNMI

Versie december 2007

Den Haag

1. Inleiding over het KNMI en haar taken

Het KNMI heeft zich van meet af aan tot doel gesteld de natuurkundige verschijnselen in de dampkring, aan het aardoppervlak en in de zee te onderzoeken. In 1974 is daar ook het onderzoek in de aarde bijgekomen. De takken van wetenschap op basis waarvan deze verschijnselen in de loop der tijd zijn onderzocht zijn meteorologie, klimatologie, oceanografie, geofysica – waarbij deze laatste bestaat uit seismologie, aardmagnetisme en ionosfeer. In 1987 werden aardmagnetisme en ionosfeer als onderzoeksgebieden afgestoten.

De resultaten van de onderzoeken worden dienstbaar gemaakt aan de veiligheid, het economisch nut en het maatschappelijk welzijn. Voor de toepassingen zijn verschillende doelgroepen te onderscheiden, zoals onder andere de scheepvaart en later ook de luchtvaart, het landverkeer en de [land-]bouw. Kenmerkend voor het KNMI is dat wetenschappelijk onderzoek wordt gekoppeld aan sociale en economische dienstverlening en dat men zich sterk bewust is van de noodzaak tot internationale samenwerking.

Het KNMI werd als rijksinstituut erkend bij Koninklijk Besluit van 31 januari 1854 en werd toen ondergebracht bij de afdeling Nijverheid en Telegrafie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Marine. In de loop van de tijd heeft het instituut onder verschillende Ministeries geressorteerd, maar het valt sinds 1954 rechtstreeks onder het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De taakstelling kent al vanaf het begin de bovengenoemde kenmerken en in wezen is deze globaal nog ongewijzigd. Wel zijn, als gevolg van technologische ontwikkelingen, de toepassingsmogelijkheden en het aantal objecten van dienstverlening, waarvoor bij het KNMI wetenschappelijk onderzoek wordt gepleegd, in de loop van de tijd uitgebreid.

– De periode voor 1951 in vogelvlucht

Van begin af aan hield het KNMI zich bezig met het waarnemen van meteorologische verschijnselen, het bewerken van de gegevens der waarnemingen en het ter beschikking stellen van de bewerkte gegevens. Het ter beschikking stellen van weersverwachtingen op de korte termijn voorzag al in de 19e eeuw duidelijk in een behoefte, onder meer van de scheepvaart.

Met de regelmatige uitgifte van meteorologische jaarboeken vanaf 1851 [of eigenlijk, met ‘terugwerkende kracht’ 1848] werd een aanzet gegeven tot klimatologisch onderzoek. In het begin van de 20e eeuw kwam het onderzoek naar weersomstandigheden over de lange termijn echter pas goed op gang en vond er binnen de Klimatologische Afdeling van het KNMI een ontwikkeling plaats van de bijzondere takken van de klimatologie. Zo ontstond de landbouwmeteorologie en de microklimatologie, waarbij het KNMI specifieke diensten ging verlenen aan bijzondere doelgroepen. In het eerste geval was dit ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw, in het tweede geval ten behoeve van het inzicht in de plaatselijke klimaatveranderingen als gevolg van het afsluiten en droogleggen van zeearmen.

De weerkundige en klimatologische processen voltrekken zich over grote oppervlakten, die over het algemeen de territoriale grenzen overschrijden. Dit maakte een internationaal netwerk van waarnemingsstations noodzakelijk, evenals een internationale standaardisatie voor de wijze van registreren van waarnemingen en de uitwisseling van gegevens. Daarom was er vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in toenemende mate sprake van internationaal overleg. Hierin speelde het KNMI steeds een belangrijke rol. In 1873 werd in Wenen de grondslag gelegd voor de Internationale Meteorologische Organisatie. Van het Comité Permanent dat de organisatie gestalte gaf, was C.H.D. Buys Ballot de eerste voorzitter.

Een ander aspect dat tot internationale samenwerking aanzette was de snelle ontwikkeling die de burgerluchtvaart na de Eerste Wereldoorlog doormaakte; de veiligheid van het internationale luchtverkeer moest onder meer kunnen worden bevorderd door een snelle uitwisseling van meteorologische gegevens.

De in deze periode sterk herziene Internationale Meteorologische Organisatie spande zich er voor in dat op internationaal niveau gebruik van technologische ontwikkelingen voor de toepassing bij communicatiemiddelen en de voortschrijdende wetenschappelijke ontwikkelingen werden afgestemd op het stijgend aantal toepassingsgebieden.

Als gevolg van de ontwikkelingen moest de taakstelling en de organisatie van het KNMI regelmatig worden aangepast. De belangrijkste wijziging vond plaats in 1933, met de vaststelling van een nieuw reglement per Koninklijk Besluit. Dit reglement leverde, behoudens de wijzigingen die in de loop der tijd plaatsvonden, de basisstructuur voor het KNMI tot 1974.

De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog stonden vooral in het teken van wederopbouw en herstel. De geleden schaden was groot en bovendien waren de buitenlandse ontwikkelingen, onder meer op luchtvaart-meteorologisch gebied, als gevolg van de oorlogshandelingen in een stroomversnelling geraakt, waarbij Nederland weer aansluiting moest zien te vinden. Het vooroorlogse waarnemingsnetwerk werd hersteld en aangevuld met stations op de vliegvelden.

Al in de jaren dertig kwam de vraag ter sprake of het niet beter was de niet-officiële status van vrij congres van de IMO, met niet voor de nationale regeringen bindende resoluties, in te wisselen voor een internationaal lichaam dat berustte op de officiële erkenning van de regeringen, gedaan op een door die regeringen geratificeerde conventie. De discussie rond dit vraagstuk resulteerde uiteindelijk in de oprichting in 1947 van de World Meteorological Organization (WMO), als ‘specialized agency’ van de Verenigde Naties. Nederland trad formeel toe in 1951.

– De periode 1951–1995

De periode 1951–1994 kenmerkt zich door de voortgaande snelle ontwikkelingen ten aanzien van de taken van wetenschap welke tot het terrein van het KNMI behoren. De toepassingsmogelijkheden hiervan voor de moderne maatschappij alsmede de technische hulpmiddelen zoals telecommunicatiesystemen, computers, meteorologische satellieten en dergelijke. Dit gebeurt onder andere via de verdere intensivering van de internationale samenwerking. Als gevolg hiervan groeit de vraag naar het verrichten van diensten aan de Nederlandse overheid en samenleving, en vindt er een grote uitbreiding plaats van het aantal doelgroepen.

– Nationale en internationale waarnemingsnetwerken

Na de Tweede Wereldoorlog moet zowel het nationale als het internationale waarnemingsnetwerk weer worden opgebouwd. De netwerken verschaffen gegevens aan de afdelingen Weerdienst en Klimatologische Dienst van het KNMI. Continuïteit in de waarnemingen is essentieel, niet alleen voor de weersverwachtingen maar ook voor de kwaliteit van de langjarige klimatologische reeksen. Daartoe is de instandhouding van een netwerk van waarnemingsstations van groot belang. Het KNMI heeft zelf een aantal van deze stations en daarnaast worden ook nog gegevens van derden betrokken: meteorologische diensten van andere landen, internationale organisaties, particulieren en nationale overheden. Tot de laatste categorie behoren onder andere het Loodswezen, Rijkswaterstaat, de Koninklijke Luchtmacht, de Koninklijke Marine en het RIVM.

Ten behoeve van het burgerluchtverkeer boven de Atlantische Oceaan werd vanaf 1946 via het toen ondertekende Weerschepenverdrag voorzien in een permanente stationering van schepen voor hulp aan vliegtuigen in nood en het doen van meteorologische waarnemingen. De leiding en coördinatie hiervan lag in handen van de ICAO. De lidstaten kregen taken toebedeeld; Nederland, dat het verdrag in 1949 ondertekende, bemande permanent twee waarnemingsstationschepen. Administratief werden de schepen ondergebracht bij de Luchtvaartdienst, met een aantal KNMI-waarnemers aan boord. Deze waarnemingen werden in de loop van de tijd verricht in het kader van de door de WMO geïnitieerde World Weather Watch, een geïntegreerd mondiaal waarnemings- en communicatiesysteem, waar ieder land zijn bijdrage aan leverde. Hierbij werd gestreefd naar een vrije beschikbaarheid en een kosteloze uitwisseling van alle meteorologische basisgegevens voor alle nationale diensten.

Het KNMI betrok tevens een belangrijk deel van de waarnemingen ter zee van koopvaardijschepen, de Koninklijke Marine en de vissersvloot. De waarnemingen door koopvaardijschepen gebeurde op basis van vrijwilligheid en voor de volledigheid van het geheel van waarnemingen ter zee waren deze schepen onmisbaar. Om dit waarneemnetwerk in stand te houden benaderde het KNMI de rederijen voor deelname.

Als tegenprestatie zorgde het KNMI – naast weerberichten voor de scheepvaart – voor de opleiding van stuurlui tot meteorologische waarnemers en voor het ijken van meetapparatuur.

Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig begon bij de instandhouding van de nationale en internationale waarnemingsnetwerken het kostenaspect steeds zwaarder te drukken. In toenemende mate was er sprake van een kwantitatieve teruggang in de via het zeewaarnemingnetwerk ingewonnen meetgegevens.

Het in bedrijf houden van weerschepen in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan werd als gevolg van de slechtere financiële situatie van de deelnemende landen steeds moeilijker. Ook werd het waarnemingsnetwerk van vrijwillige koopvaardijschepen kleiner, als gevolg van het mondiaal dalend aantal koopvaardijschepen.

Internationaal werd getracht voor de toekomst voldoende waarnemingen te garanderen door onder andere te streven naar het automatiseren en combineren van waarnemingssystemen. Getracht werd het dalend aantal waarnemingen van koopvaardijschepen aan te vullen met waarnemingen van meetboeien en satellieten.

Zo streefde men ernaar om de beschikbare gegevens over bijvoorbeeld de Noordzee te handhaven op het kwaliteitspeil van eind jaren zeventig. Onder andere werd in samenwerking tussen het KNMI, Rijkswaterstaat en het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (V en W) een automatisch basismeetnet op de Noordzee tot stand gebracht. Deels als vervangend, deels als aanvullend waarnemingssysteem werd het gebruik van meetboeien ingevoerd. Ook werd in samenwerking met Rijkswaterstaat waarnemingsapparatuur geplaatst op een aantal boorplatforms. Als verzekering voor de toelevering van meetgegevens aan het KNMI werd het verrichten van waarnemingen op boorplatforms vastgelegd in de mijnwetgeving. Nederland nam voorts in Europees kader deel aan de ontwikkeling van een experimenteel netwerk van meetboeien in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan.

Als gevolg van de stijgende lastendruk werden er kostenbesparende maatregelen door het KNMI genomen, onder andere door vermindering of opheffing van de personele en permanente bezetting van posten, automatisering. Ook werd ter vermindering van de lastendruk, meer nog dan voorheen, aansluiting gezocht bij reeds bestaande meetnetten van derden, zoals het RIVM en Rijkswaterstaat. Bij het uitzien naar nieuwe en/of vervangende waarnemingssystemen, zoals satellieten, automatische meetapparatuur aan boord van vliegtuigen en meetboeien, was het KNMI aangewezen op internationale samenwerking, niet alleen in het kader van de WMO, maar ook binnen Europa. Hierbij was het noodzaak mee te werken aan de voorstudies en de uitwerking van nieuwe meet- en verwerkingstechnieken. Tevens werd in toenemende mate bij waarneming gebruik gemaakt van radar.

In de nota ‘Het ruimtevaartbeleid in de jaren 80’ werd het Nederlandse voornemen tot participatie in een operationeel meteorologisch satellietprogramma aangegeven. Tot dan toe had Nederland geen bijdrage geleverd aan de ontwikkeling in internationaal verband van satellietsystemen voor operationele meteorologie. Eerder, in 1972, kon Nederland al deelnemen aan het Europese Meteosat-programma, maar koos toen voor deelname aan de oprichting van het European Centre for Medium Range Weather Forecasts (ECMWF), dat in 1979 operationeel werd. In 1977 kreeg het KNMI toch de beschikking over beelden van Meteosat-1, hoewel Nederland niet meebetaalde. In 1983 ondertekende Nederland het verdrag tot oprichting van EUMETSAT. Onder andere door de beëindiging van de Internationale Overeenkomst ter Financiering van Weerschepenstations op de Noord-Atlantische Oceaan in 1986, kon Nederland de weg vrijmaken voor een bijdrage aan het Europese operationele Meteosat Programma.

Aan het eind van de jaren tachtig wordt Nederland in toenemende mate betrokken bij de internationale plannen voor permanente observatie van de aarde en de weersomstandigheden. Vanuit het Ministerie van Economische Zaken wordt de opkomende Nederlandse ruimtevaartindustrie ondersteund. Er is internationale druk om het ruimtevaartbudget te verhogen. Departementale en interdepartementale werkgroepen onderzoeken de mogelijkheden hiervan. Vanaf 1988 coördineert het KNMI de betrokkenheid van Verkeer en Waterstaat bij de toepassing van de ruimtevaarttechnologie voor aardobservatie. Op de begroting van Verkeer en Waterstaat worden tevens voor het KNMI middelen ter beschikking gesteld om naar behoren aan internationale programma’s deel te nemen.

Het programma van de jaren negentig van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA omvat programma’s voor ruimteonderzoek, microzwaartekrachtonderzoek, bemande ruimtevaart en aardobservatie. Uitbreiding van het ESA-programma is van groot belang voor onder andere de monitoring van het mondiale klimaat alsmede klimaat- en milieustudies. Voor klimaatonderzoek en de dagelijkse weersverwachtingen is aardobservatie als aanvulling op de traditionele waarnemingsvormen onontbeerlijk. Europa geeft hiermee ook invulling aan wereldwijde samenwerking op dit terrein.

In 1991 beslist de Ministersconferentie van de ESA over de aardobservatieprogramma’s voor de komende tien jaar. In het kader van de voorbereiding hiervan besluit de Nederlandse regering tot volledige deelname aan het samenhangend Europese aardobservatieprogramma van ESA en EUMETSAT, als onderdeel van een mondiaal satellietnetwerk ten behoeve van de operationele meteorologische dienstverlening, het onderzoek en de monitoring van het klimaat en het milieu alsmede van een verdere ontwikkeling van toepassingen voor het regionale en mondiale milieubeleid.

Bij de besluitvorming hierover stellen de Ministers van EZ, O&W, VenW, VROM, LNV (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en OS (Ontwikkelingssamenwerking), aardobservatie prioritair binnen hun budgettaire mogelijkheden, waardoor een verbreding van het financiële draagvlak binnen de rijksoverheid tot stand komt.

Toepassingen hiervoor liggen in het klimaat- en milieuonderzoek, de operationele meteorologie en het regionaal beheer van water en land. Er zijn onder andere toepassingsmogelijkheden bij het beheer van de Noordzee en grote binnenwateren, waarmee ook het bedrijfsleven zij voordeel kan doen.

In 1992 wordt in de nota ‘Nederlands Aardobservatiebeleid voor de jaren 90’ het beleid voor de komende periode geformuleerd. Rekening wordt hierbij gehouden met de bijdrage die Nederland met de in ESA en EUMETSAT samenwerkende Europese landen levert aan de toekomstige mondiale infrastructuur, zowel in de ruimte als op aarde.

Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat legt de nadruk op het nut van toepassingen van ruimtevaarttechnologie voor de gebruikers en de bevordering van de toepassing van satellietwaarnemingen. Hiermee hangt het bevorderen van de toepassing van remote sensing nauw samen. Remote sensing (RS) is een verzamelnaam voor een aantal waarnemingstechnieken, waarmee men op afstand in korte tijd van grote gebieden gegevens verzamelt, in dit geval over de reflectie en emissie van elektromagnetische straling door aardse objecten. Deze waarnemingstechnieken worden zowel met behulp van vliegtuigen als van satellieten toegepast.

Voor het Nationaal Remote Sensing Programma, dat op initiatief van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen in 1986 van start gaat, krijgt het Ministerie van Verkeer en Waterstaat de coördinatie. Een van de doelstellingen van het programma is het op termijn bereiken van een blijvende verankering van het operationeel gebruik van RS in de gebruikerssectoren binnen de overheid, onder andere bij het KNMI. De toepassing van remote sensing-technieken is van belang bij het oplossen van mondiale vraagstukken betreffende milieu en klimaat.

– Voorlichting en advies

Om aan de groeiende vraag naar voorlichting en advies over het weer te voldoen, streefde het KNMI naar een verbetering van de flexibiliteit in de dienstuitvoering en naar de verhoging van efficiency. De berichtgeving werd zoveel mogelijk afgestemd op de afnemers. Er zijn door de tijd heen globaal twee hoofdgroepen gebruikers te onderscheiden: de anonieme belanghebbenden en belangstellenden en de georganiseerde belanghebbenden.

Anonieme belanghebbenden en belangstellenden: deze groep maakt gebruik van weerberichtgeving via radio, krant en vanaf de jaren vijftig de TV en telefoon. Om aan de uiteenlopende behoeften van deze grote groep zoveel mogelijk tegemoet te komen, werd in de loop van de zestiger, zeventiger en tachtiger jaren het aanbod in weerberichtgeving gedifferentieerd. Zo kwamen er recreatie- en standweerberichten en werden er in samenwerking met de ANWB mist- en gladheidswaarschuwingen uitgegeven. Vanaf 1980 ging het KNMI weerberichten op achtereenvolgens Viditel, Videotex Nederland en Teletekst verzorgen. Werd er al vanaf het eind van de zestiger jaren een driedaagse weersverwachting gemaakt op grond van computergegevens uit de Verenigde Staten, vanaf 1980 ging het KNMI op basis van gegevens van het ECMWF vijfdaagse weersverwachtingen opstellen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.