Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom vanaf 1946 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2007, nr. aca-2007.04045/4);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom over de periode vanaf 1946’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument mededingingsbeleid 1946–
Voor de zorgdragers:
Minister van Economische Zaken
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister van Financiën
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Versie SDU november 2007
Ministerie van EZ / Drs. N. van Heezik
PWAA / drs. P. Fijnheer
Rotterdam
1. Overzicht van afkortingen
ABC: Aanvullend beschermingscertificaat
AIPPI: Association Internationale pour la Protectrion de la Propriété Industrielle
AMVB: Algemene maatregel van bestuur
AWB: Algemene Wet Bestuursrecht
BIE: Bureau voor de Industriële Eigendom
BIE: Bijblad van de Industriële Eigendom
BIRPI: Bureaux Internationales Reunies pour la Propriété Intellectuelle
BMB: Benelux Merkenbureau
BMM: Benelux-vereniging voor Merken- en Modellenrecht, Arnhem
BMW: Benelux-merkenwet
BTMW: Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen
CEM: Commissie Economische Mededinging
CIDST: Comite voor Wetenschappelijk-technologische documentatie en informatie van de EEG
CKO: Centrum voor Kennisbescherming en Octrooi-informatie
COCO: Coördinatiecommissie (= CEIA: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken)
COREPER: Comité des Représentants Permanents (EG)
CREPAT: Paris Union Comittee for International Cooperation in International Retrieval among Patent
EC: Europese Commissie
ECD: Economische Controledienst
ECOSOC: Economische en sociale commissie van de Verenigde Naties
EEG: Europese Economische Gemeenschap
EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
EGV: Europees gemeenschapsverdrag
EOB: Europees Octrooibureau
EOV: Europees Octrooiverdrag
EU: Europese Unie
EZ: [Ministerie van] Economische Zaken
GATT: General Agreement for Tariffs and Trade
HdTK: Handelingen der Tweede Kamer
IIB: Institut International des Brévets
IPC: International Patent Classification
ITH: Internationale Technische Hulp
KB: Koninklijk Besluit
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
KvK: Kamer van Koophandel
MvA: Memorie van Antwoord
MvT: Memorie van Toelichting
Mw: Mededingingswet
NIDER: Nederlands Instituut voor Documentatie en Registratuur
Nma: Nederlandse Mededingingsautoriteit
NNI: Nederlands Normalisatie Instituut
O&O: Onderzoek en Ontwikkeling
OHIM: Organisatie voor harmonisatie binnen de interne markt (Europees Merkenbureau te Alicante)
PbEG: Publicatieblad van de Europese Gemeenschap/Europese Unie
PBO: Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening
PCT: Verdrag van Washington tot samenwerking inzake octrooien
R&D: Research and development, zie O&O
ROW: Rijksoctrooiwet
SER: Sociaal-economische Raad
SEW: Sociaal-economische wetgeving (tijdschrift)
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
TA: Technische bijstand in het kader van Internationale Technische Hulp
TNO: (Nederlandse organisatie voor) Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
Trb: Tractatenblad
TRIPS: Trade Related Aspects of Intellectual Property, (GATT-overeenkomst inzake bescherming van industriële eigendommen bij de handel)
TRT: Verdrag van Wenen inzake de internationale inschrijving van merken
UB: Uniforme Beneluxwet
VBO: Verzoek om een besluit tot octrooiverlening
VVO: Verzoek om voorlopig onderzoek van een uitvinding bij een octrooiaanvrage
WEM: Wet op de economische mededinging
WIPO: Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom
WNR: Wet naburige rechten (van de Auteurswet)
WTO: Wereldhandelsorganisatie
WTW: Winkeltijdenwet
ZBO: Zelfstandig bestuursorgaan
2. Definitie van het BSD
Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.
Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.
Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie hfst. Leeswijzer onder 8).
In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.
Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.
3. Functies van het BSD
Het BSD heeft de volgende functies:
4. Verantwoording
4.1 Het doel en de werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
4.2 Het Beleidsterrein
Dit basisselectiedocument is vastgesteld aan de hand van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Mededingingsbeleid, Een institutioneel onderzoek naar het overheidshandelen inzake de economische mededinging over de periode 1946–1998, waaronder begrepen het handelen van het Bureau Industriële Eigendom en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (PIVOT-rapport 93). Dat rapport beschrijft alle handelingen van de in de titel vermelde instellingen van de rijksoverheid en de daarbij betrokken actoren op het gebied van economische mededinging vanaf 1945, maar verwerkt daarin ook de processen van het Bureau Industriële Eigendom (BIE) op die op eerdere regelgeving zijn gebaseerd. Voor het Bureau Industriële Eigendom is inmiddels een eigen selectielijst vastgesteld (Scrt. 2002/187).
In het RIO wordt een onderverdeling gemaakt in verschillende (deel)beleidsterreinen. Daarin wordt onder de titel ‘de Minister van Economische Zaken’ een hoofdstuk gewijd aan het economische verkeer. Vervolgens worden er hoofdstukken gewijd aan industrieel eigendom en bedrijfsordening. Hierna wordt apart het mededingingsbeleid beschreven. Tot slot besteedt het RIO aandacht aan detailhandel en aan de Mededingingswet.
Deze selectielijst is in 2000 ter beoordeling voorgelegd aan een aantal beleidsmedewerkers van het Ministerie van Economische Zaken. Naar aanleiding van hun commentaar zijn in de contextbeschrijvende teksten enige wijzigingen aangebracht ten opzichte van de teksten in het RIO, omdat in hun ogen de teksten in het RIO de werkwijze en inzichten van het Ministerie niet juist weergaven. Nadat deze wijzigingen zijn aangebracht is het BSD in 2003 weer ter beoordeling voorgelegd aan de beleidsmedewerkers. Gezien de grote tijdspanne die verlopen is tussen deze beide rondes, zijn dit niet dezelfde medewerkers geweest. In 2005 is binnen het Ministerie van Economische Zaken een afstemmingsronde uitgevoerd om de selectiecriteria bij de handelingen intern vast te stellen.
N.B. De wijzigingen in het BSD ten opzichte van de teksten in het RIO zijn niet meer na te gaan. De gehanteerde werkwijze was dat opmerkingen direct in het Wordbestand zijn gemaakt via de optie Wijzigingen bijhouden. Ze zijn op die manier verwerkt en dus niet meer te achterhalen.
Het concept-BSD is van commentaar voorzien door:
Er is een deels in te trekken vernietigingslijst voor het BSD Mededingingsbeleid. Dat is de Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken behorende tot het archief van het Ministerie van Economische Zaken(beschikkingnr: 465/878 M&H, 14 juni 1965 en nr. 117173 O.K.N. 7 september 1965). In te trekken zijn:
4.3 Definitie, doelstellingen en afbakening
4.3.1 Economisch verkeer
Het Mededingingsbeleid maakt deel uit van een groter beleidsterrein, het economische verkeer, dat tegenwoordig gericht is op de bevordering van de vrije marktwerking, zoals overeengekomen in art. 85-86 van het EG-verdrag van 1958. Het doel is de regeling van de vereiste goede economische omgangsvormen. Het institutioneel onderzoek beslaat de volgende deelterreinen:
In de loop van de vorige eeuw heeft op het gebied van economisch verkeer de rechterlijke macht een belangrijke rol gespeeld bij de formulering van rechtsregels met betrekking tot het economisch verkeer. Na de Tweede Wereldoorlog zijn tal van formele afspraken van particuliere organen tot stand gekomen in de vorm van standaardcontracten, gedragscodes van beroepsorganisaties en andere vormen van zelfregulering waarnaar de wetgever in zijn regels verwijst als hij termen ‘behoorlijk’ gebruikt.
De overheid kan daarnaast zelf sturen omdat zij in het landsbelang regels vaststelt. Het beleid ten aanzien van het economisch verkeer bestaat uit afwegingen over de wenselijkheid en/of noodzaak en de effectiviteit van deze maatregelen. Deze afwegingen worden mede aangestuurd door internationale verdragen, regelgeving door de Benelux Unie (vanaf 1950) en door de verschillende Europese verdragsgemeenschappen. Tijdens de opstelling van het RIO heeft het Ministerie van Economische Zaken de volgende doelstelling voor zijn beleid vastgesteld:
In het RIO wordt nader ingegaan op de internationale kaders die mede tot het administratief handelen van de Minister heeft geleid en bijgevolg tot gegevens in de bureaus van zijn Ministerie. Deze kaders zijn:
De handhaving van behoorlijk economisch verkeer vertoont raakpunten met beleidsterreinen van verschillende Ministeries. Handelingen die in strijd zijn met behoorlijk economisch verkeer kunnen als economische misdrijven worden aangemerkt. Een en ander is daadwerkelijk gebeurd in art. 1 van het Besluit berechting economische delicten (Stb. No E 135), dat werd vervangen door de Wet op de economische delicten, (Stb. 1951, 214). De daarin omschreven handelingen zijn strafbare handelingen van ondernemingen. De vaststelling van de strafbaarheid geschiedt of is geschied in het kader van beleidsterreinen van verschillende Ministeries, zoals:
4.3.2 Industrieel Eigendom
In het economische verkeer zijn een aantal exclusieve rechten gedefinieerd, waarvan de houder zich met behulp van diverse civielrechtelijke maatregelen kan verweren tegen inbreuk door derden. Daarnaast is inbreuk op deze rechten strafbaar gesteld. De rechten worden geregistreerd bij een door de overheid ingesteld bureau. De belangrijkste rechten zijn:
Deze rechten worden gewaarborgd als gevolg van internationale afspraken, Europese regelgeving, regionale wetgeving en nationale wetgeving. Er wordt een erkende autoriteit benoemd die de rechten registreert en de daarbij behorende bijlagen als bewijsstukken bewaard. De overheid is bevoegd heffingen vast te stellen voor de registratie en instandhouding van deze rechten. De autoriteit is voorzover de regels dit toelaten bevoegd om zelf een onderzoek in te stellen voordat ze de aangemelde rechten registreert. De rechten worden beschouwd als vermogensrechten, waarmee rechtshandelingen kunnen worden verricht als overdracht, verpanding, vererving of inbeslagname. Als uitvoerend bureau is blijkens artikel 1 van de Merkenwet aangewezen het Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE). Het BIE bestaat vanaf 1893 als instituut van openbaar gezag voor het gedeponeerde handelsmerk, vanaf 1910 is binnen het BIE de Octrooiraad ingesteld.
In het RIO wordt niet nader ingegaan op kwesties met betrekking tot de handelsnaam als industriële eigendom. De rol van de Kamers van Koophandel met betrekking tot het handelsregister is beschreven in het institutioneel onderzoek naar de Kamers van Koophandel.
Een octrooi is een van overheidswege toegekend uitsluitend recht met betrekking tot de uitvinding van een nieuw voortbrengsel of een nieuwe werkwijze. Octrooien zijn vermogensrechten die als zodanig zijn geregistreerd in een octrooiregister. Octrooien zijn openbaar. Dit kan bij uitvindingen van militaire betekenis in strijd zijn met belang van de veiligheid van de staat en zijn bondgenoten. De Rijksoctrooiwet kent vanaf de wijziging van 1956 (Stb. 685) expliciet aan de Minister van Defensie bevoegdheden toe om in te grijpen in het octrooirecht ter wille van de verdediging van het Koninkrijk. Het recht van de octrooihouder wordt, voorzover het niet door anderen wordt aangetast door het inroepen van nietigheid, onder meer beperkt door de bevoegdheid van de rijksoverheid om dwanglicenties op te leggen.
De bevoegdheden van het rijk om nader te mogen ingrijpen in het belang van houders van merken en erkende modellen of tekeningen is nader geregeld in de Wet bestrijding namaakproducten, waarbij het rijk op verzoek van een houder tegen betaling van bij AMVB vastgestelde administratiekosten namaakproducten mag opsporen. De uitvoering van deze opsporingswerkzaamheden berust bij de Economische Controledienst.
4.3.3 Bedrijfsordening
In 1938 kwam een bedrijfsvergunningenwet tot stand. Deze wet gaf aan de Minister de bevoegdheid om door middel van AMVB te bepalen dat bepaalde bedrijven zonder vergunning zich niet mochten vestigen of uitbreiden. De Bedrijfsvergunningenwet (Stb. 1954, 339) beperkt zich tot de industriële sector. Deze wet maakte het mogelijk om bij AMVB een Bedrijfsvergunningenbesluit uit te vaardigen waarbij het verboden werd om een bepaald bedrijf van nijverheid zonder vergunning uit te oefenen. De wet tot intrekking van de Bedrijfsvergunningenwet verscheen uiteindelijk op 4 oktober 1995 in het Staatsblad. In het RIO is aangenomen dat er vanaf 1993 geen beslissingen meer zijn overwogen ten aanzien van de uitvoering van deze wet en dat er na de afloop van het enige malen verlengde Bedrijfsvergunningenbesluit betonmortelindustrie (Stb. 1981, 567) geen vergunningen meer zijn aangevraagd.
4.3.4 Mededingingsbeleid
Het huidige mededingingsbeleid bevat drie aspecten:
De regelgeving wordt tegenwoordig eenduidig bepaald door internationale afspraken.
De Nederlandse regering heeft zich niet van meet af aan tegen afspraken van bedrijven onderling als zodanig gericht, die tot kartelvorming konden leiden. Anders dan in de Verenigde Staten zagen de Europese landen kartelvorming niet louter als een bedreiging van de economie. Als misbruiken ten gevolge van kartelvorming werden beschouwd1MVT Wet op de Economische Mededinging, HdTK 1954–1955, 3295, nr. 7 (ibid.).:
De Nederlandse regelgeving heeft eerst in 1968 de Europese regels expliciet in de eigen wetgeving opgenomen. Een en ander geschiedde om te voorkomen dat maatregelen van de Europese Commissie en maatregelen op nationaal terrein tot dubbele sancties zouden kunnen leiden.2Zie bijvoorbeeld de rapportage Borschette, Handelingen Europees Parlement van 12 februari 1973, p. 13–14. In 1997 verscheen de nieuwe wet in het Staatsblad (242). Deze wet verschilt in veel opzichten van zijn voorganger:
4.3.5 Detailhandel
Het Unieverdrag van Parijs verbindt de lidstaten oneerlijke concurrentie te bestrijden. In Lissabon is er in 1958 het verbod aan toegevoegd ‘om het publiek in verwarring te brengen omtrent de aard, wijze van vervaardiging, kenmerken, bruikbaarheid of hoeveelheid der waren’.3Aangehaald in Drucker en Bodenhausen 1976, p. 205. Dit laatste aspect zal voor een deel nader worden uitgewerkt in het PIVOT-rapport dat betrekking heeft op consumentenbescherming. Van belang is in dit verband ook de warenwetgeving, waarvoor in eerste instantie de Minister verantwoordelijk is die belast is met volksgezondheid.
Een belangrijk aspect van de detailhandel zijn prijs- en andere mededingingsafspraken, die in het RIO zijn behandeld in de regelgeving met betrekking tot mededinging. Gedacht moet worden aan afspraken van vestigingen in winkelcentra en supermarktketens, waarover regels zijn gemaakt in het kader van de Mededingingswet. De hier beschreven beleidsterreinen hebben specifiek te maken met wetten inzake het economisch verkeer van de detailhandel als zodanig, waarbij de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk is voor de uitvoering.
4.3.6 De Mededingingswet
De Mededingingswet, aangenomen in 1997 en van kracht met ingang van 1 januari 1998, moet worden beschouwd als een aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan Europese richtlijnen en verordeningen. Zij, heeft een apart lichaam in het leven geroepen dat belast is met de handhaving van mededingingsregels: de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma). Dit lichaam heeft bevoegdheden die parallel lopen met die van de Europese Commissie ten aanzien van Europese mededingingsregels. De Nederlandse regels zijn niet van toepassing in gevallen waarvoor Europese regels gelden, of waarvoor bij EU-verordening groepsvrijstelling is verleend. Dit leidt onder meer tot de volgende consequenties.
De Mededingingswet is evenals het communautaire stelsel gebaseerd op drie verboden. De wet trad per 1 januari 1998 in werking, en daarmee begon ook het optreden van de directeur-generaal van de Nma. Dit lichaam heeft speciale bevoegdheden inzake ‘overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemerverenigingen en onderling afgestemde gedragingen van ondernemingen die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen’ (art. 6, lid 1). De Minister heeft zelf nog de bevoegdheid om in uitzonderingsgevallen bij uitvoeringshandelingen van het Nma in te grijpen met het oog op het landsbelang.
De Mededingingswet bevat de mogelijkheid om concurrentiebeperkende afspraken die niet onder een van de groepsvrijstellingen valt, een ontheffing te verlenen van het kartelverbod. Bepaalde concurrentiebeperkende afspraken kunnen namelijk een positieve bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling. Dit is vooral afhankelijk van de inhoud van de afspraak en de situatie op de markt waarin de afspraak wordt gemaakt.
4.4 De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen
Van onderstaande actoren zijn handelingen in het BSD opgenomen:
5. Selectiedoelstelling
De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven. Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.
6. Selectiecriteria
Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Overigens verlangt art. 5, onder e van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd: ‘Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd’.
7. Verslag van de vaststellingsprocedure
Op 17 oktober 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Economische Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 september 2007 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van de studiezaal en op de website van het Nationaal Archief evenals op de website van het Ministerie van OCW, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
In het kader van de terinzagelegging heeft het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) een advies over de selectielijst uitgebracht. De zienswijze van het ING heeft naast tekstuele correcties aanleiding gegeven tot het aanbrengen van de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
Op 13 november 2007 bracht de RvC advies uit (kenmerk aca-2007.04045/4), hetwelk naast enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.
Daarop werd het BSD op 7 december 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en door de projectdirecteur van het PWAA namens de Minister van Economische Zaken (kenmerk C/S&A/07/2939), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kenmerk C/S&A/07/2938), de Minister van Financiën (kenmerk C/S&A/07/2940), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (kenmerk C/S&A/07/2941), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (kenmerk C/S&A/07/2942), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kenmerk C/S&A/07/2943) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (kenmerk C/S&A/07/2944) vastgesteld.
8. Leeswijzer van de handelingen
De handelingen worden beschreven in handelingenblokken. Daarin worden de volgende items beschreven:
Dit is het unieke volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.
Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.
Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.
Vermeld worden:
Een paar voorbeelden:
Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.
Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.
Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.
Waardering van de handeling als B (bewaren) of V (vernietigen). Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn. Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.
Eventueel een nadere toelichting op de waardering.
9. Actorenoverzicht
Op het beleidsterrein economische mededinging zijn verschillende actoren actief. Tijdens de periode die het institutioneel onderzoek bestrijkt heeft het Ministerie van Economische Zaken het grootste deel van de taken op dit beleidsterrein uitgevoerd. Hieronder volgt een overzicht van de actoren die actief zijn geweest op dit beleidsterrein. Deze zijn in eerste instantie zoveel mogelijk gerangschikt naar zorgdrager en in tweede instantie alfabetisch. Van elke actor is een korte beschrijving gegeven.
Actoren die vallen onder het zorgdragerschap van de Minister van Economische Zaken
Het Ministerie van Economische Zaken is ingesteld in 1946. Met het mededingingsbeleid zijn een aantal specifieke directies belast geweest die als afdelingen van het Ministerie functioneerden. Dat zijn:
Inzake het industriële eigendom heeft het Ministerie wel ondersteunende activiteiten verricht, maar het beleid werd aangestuurd door het Bureau Industrieel Eigendom en dat bureau werd ondersteund door stafafdelingen van het Ministerie.
Met de Winkelsluitingswet en de Uitverkopenwet zijn belast geweest de directoraten-generaal belast met Middenstandszaken, Consumentenbeleid en Ordeningsvraagstukken.
In art. 28 van de Wet op de Economische Mededinging (WEM) wordt het bestaan van de Commissie Economische Mededinging vastgesteld, die bestaat uit vooraanstaande personen die het algemeen belang vertegenwoordigen. De commissie werd in het kader van de Aanpassingswet herziening adviesstelsel opgeheven (Stb 1997, 63).
Het advies van de commissie geschiedt door middel van een vastgestelde inspraakprocedure: De commissie doet, zodra door de Minister advies is aangevraagd over een kwestie, mededeling in de Staatscourant. Zij legt de voorgelegde mededelingsregeling ter inzage en hoort belanghebbenden en de desbetreffende beroeps-, bedrijfs- en belangenorganisaties (bijvoorbeeld de Consumentenbond). Bij haar advies legt ze alle ontvangen stukken over, ook de verslagen van de besprekingen met de gehoorde organisaties. Indien afgezien wordt van een verbindendverklaring van een prijsregeling, en het verzoek wordt ingetrokken, wordt ook hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant. Hierin wordt ook de motivatie tot intrekking bekend gemaakt, zodat kan worden vastgesteld welke vormen van mededingingsregels van kartels in strijd met het algemeen belang zijn en daarom onverbindend verklaard zullen worden
Van 1964 tot 1967 adviseerde deze commissie de Minister van EZ inzake het beleid betreffende het ordelijk economisch verkeer.
De bevoegdheden van het rijk op het gebied van handhaving en opsporing op de (deel)beleidsterreinen economisch verkeer, industriële eigendom en mededing berusten bij de Economische Controledienst.
De Nederlandse Mededingings Autoriteit Nma heeft met ingang van 1 januari 1998 de bevoegdheden van de ECD in dit verband overgenomen. Te denken valt aan ingrijpen in het belang van houders van merken en erkende modellen of tekeningen; en de opsporing van economische delicten op publiekrechtelijk terrein, zoals inbreuk op het merkenrecht. Het secretariaat van de ECD, die in 1935 werd ingesteld, lag bij het Ministerie van Economische Zaken.
Art. 92 lid 1 van het EG-verdrag verbiedt steunmaatregelen van staten die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen. Staatssteun dient aan de Europese commissie te worden aangemaald. De Europese commissie beoordeelt of de desbetreffende maatregel verenigbaar is met de Europese markt. In 1998 zijn vanuit de Nederlandse vertegenwoordiging van de Europese Unie nieuwe regelingen met betrekking tot de aanmelding van overheidssteun tot stand gekomen. Voortaan dient het uitgangspunt te worden gehanteerd dat de verantwoordelijkheid voor specifieke steunzaken en regelingen ligt bij het primair betrokken departement. (Summier) uitgewerkt houdt dit het volgende in:
De Mededingingswet, aangenomen in 1997 en van kracht met ingang van 1 januari 1998, moet worden beschouwd als een aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan Europese richtlijnen en verordeningen. Zij heeft een apart lichaam in het leven geroepen dat belast is met de handhaving van mededingingsregels: de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma). Dit lichaam heeft bevoegdheden die parallel lopen met die van de Europese Commissie ten aanzien van Europese mededingingsregels. De directeur-generaal van de Nma heeft ook de bevoegdheid om Europese regels toe te passen. De Nederlandse regels zijn niet van toepassing in gevallen waarvoor Europese regels gelden, of waarvoor bij EU-verordening groepsvrijstelling is verleend. Dit leidt onder meer tot de volgende consequenties.
Met ingang van 1 januari 1998 geldt in Nederland de Mededingingswet, die evenals het communautaire stelsel is gebaseerd op drie verboden. Voor wat betreft de materiele regels (kartelverbod, verbod misbruik te maken van economische machtspositie en de concentratiecontrole) sluit de Mw zoveel mogelijk aan bij het Europese recht. Sommige bepalingen zijn nagenoeg letterlijk overgenomen; sommige definities zijn ontleend aan de Europese rechtspraak, voor andere wordt verwezen naar het EG-verdrag. Voorts heeft de regering tot uitgangspunt gekozen dat de Mw niet strenger en niet soepeler zal worden toegepast dan het Europese mededingingsrecht.
De wet trad per 1 januari 1998 in werking, en daarmee begon ook het optreden van de directeur-generaal van de Nma. Dit lichaam heeft bevoegdheden inzake ‘overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemerverenigingen en onderling afgestemde gedragingen van ondernemingen die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen’ (art. 6, lid 1) en bij machtsconcentraties. De Minister kan alleen – op grond van het landsbelang – een concentratievergunning verlenen tegen het besluit van de Nma in.
In 1938 kwam een bedrijfsvergunningenwet tot stand. Deze wet gaf aan de Minister de bevoegdheid om door middel van AMVB te bepalen dat bepaalde bedrijven zonder vergunning zich niet mochten vestigen of uitbreiden. Het Rijksbureau voor Handel en Nijverheid is in de periode 1946 tot 1950 actief geweest bij het bemiddelen van aanvragen van vergunningen van ondernemingen van industriële en groothandelsbedrijven van artikelen onder hun ressort. Het Kartelbesluit van de Secretaris-Generaal van Handel, Nijverheid en Scheepvaart van 1941, gewijzigd in 1943, is ook na de bevrijding van kracht gebleven. In 1950 werden er wijzigingen in aangebracht om de toepassing ervan nader mogelijk te maken. Dit besluit geeft aan de Minister de bevoegdheid om alle bedrijfsregelingen ofwel afspraken tussen twee of meer bedrijven met betrekking tot de mededinging tussen personen, te toetsen op eerlijke concurrentieverhoudingen.
Actoren die vallen onder het zorgdragersschap van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
In het Vijfde Kabinet Drees had het Ministerie als gevolg van taakstellingen van de kabinetsformatie van 1956 een taak met betrekking tot bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO). Om die reden speelde het ook een belang bij overleg inzake kartelvorming. Deze taakstelling was nauw verbonden aan de Rooms-Rode coalitie, die in 1959 werd ontbonden.
De Minister van Financiën stelt richtlijnen op inzake de aanmeldingen van overheidssteun bij de Europese Commissie.
De Minister van LNV stelt richtlijnen op inzake de aanmeldingen van overheidssteun bij de Europese Commissie.
De Minister van OCW stelt richtlijnen op inzake de aanmeldingen van overheidssteun bij de Europese Commissie.
De Minister van SZW stelt richtlijnen op inzake de aanmeldingen van overheidssteun bij de Europese Commissie.
De Minister van SZW stelt richtlijnen op inzake de aanmeldingen van overheidssteun bij de Europese Commissie. aanmeldingsprocedures, notificaties
Selectielijsten
10. Deel A Handelingen van de Minister van Economische Zaken
10.1 Actor: de Minister van Economische Zaken
10.1.1 Algemene handelingen
Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen coördineren en evalueren van het beleid betreffende economische mededinging
Periode: 1946–
Product: nota Ondernemen op niveau, Activiteitenplan mededingingsbeleid. 1985
Opmerking: Voor het voorbereiden van beleid op deelterreinen, zie de desbetreffende hoofdstukken.
Waardering: B (1)
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamer der Staten-Generaal betreffende economische mededinging en daarmee samenvallende zaken.
Periode: 1946–
Product: Correspondentie
Waardering: B (3)
Handeling: Het informeren van de Commissie voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamer der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende economische mededinging en daarmee samenvallende zaken.
Periode: 1946–
Grondslag: Unieverdrag van Parijs, art. 10
Product: Correspondentie
Waardering: B (3)
Handeling: Het beantwoorden van vragen van burgers, bedrijven en instellingen betreffende economische mededinging en daarmee samenvallende zaken.
Periode: 1946–
Product: Correspondentie
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het voorbereiden van intern onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten betreffende economische mededinging
Periode: 1946–
Product: Bijvoorbeeld: instelling van de commissie Wetgeving Markt en Overheid (commissie Cohen)
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern onderzoek betreffende economische mededinging.
Periode: 1946–
Product: Rapport
Waardering: B (1), eindrapport
V, 5 jaar na vaststelling eindrapport
10.1.2 Het internationale kader
10.1.2.1 Benelux-Unie
Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de Permanente Commissie voor de Handelspolitiek, later Permanente Commissie van de Benelux m.b.t. regels inzake economische mededinging
Periode: 1956–
Grondslag: Beneluxverdrag 1960
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in het Comité van Ministers van de Benelux m.b.t. regels inzake economische mededinging
Periode: 1960–
Grondslag: Beneluxverdrag 1960
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de ambtelijke werkgroepen en in de Raad van de Economische Unie m.b.t. regels inzake economische mededinging
Periode: 1956–
Grondslag: EG-Almanak
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Waardering: B (1)
10.1.2.2 Europese Gemeenschap van Kolen en Staal
Handeling: Het in samenwerking met andere Ministers leveren van bijdragen aan de totstandkoming van Nederlandse standpunten bij de vaststelling van directieven en beschikkingen (=verordeningen) van de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal met betrekking tot economische mededinging.
Periode: 1953–
Grondslag:
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Waardering: B (1)
10.1.2.3 Raadsbesluiten
Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan werkgroepen van de Europese Commissie inzake het mededingingsbeleid.
Periode: 1958–
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Opmerking: Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen over de geleverde inbreng in de werkgroepen
Waardering: B (5)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot Europese verdragsbepalingen inzake het mededingingsbeleid
Periode: 1958–
Product: Notities, instructies, correspondentie, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven. De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten. Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raadswerkgroepen.
Waardering: B (5)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot de nadere uitvoering van verdragsartikelen inzake economische mededinging
Periode: 1958–
Product: Notities, instructies, correspondentie, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven. De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten.
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés.
Waardering: B (5)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot mededingingsvraagstukken.
Periode: 1958–
Product: Notities, instructies, correspondentie, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot concept-instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten. Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van het Coreper.
Waardering: B (5)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot het mededingingsbeleid
Periode: 1958–
Product: Notities, instructies, correspondentie, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot concept-Instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten. Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van High Level groepen.
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot het mededingingsbeleid.
Periode: 1958–
Product: Notities, correspondentie
Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo).
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake het mededingingsbeleid.
Periode: 1993–
Product: Notities, correspondentie
Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken Ministers.
Waardering: B (5)
10.1.2.4 Uitvoeringsbepalingen van de Europese Commissie
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het mededingingsbeleid, die besproken worden in raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité.
Periode: 1958–
Product: Notities, correspondentie
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven. Wanneer meerdere departementen betrokken zijn leidt het eerstverantwoordelijke Ministerie het coördinatie-overleg. Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités. Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over door de Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen, voorzover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden gecoördineerd in commissies en werkgroepen.
Periode: 1958–
Product: Notities, instructies, correspondentie, verslagen
Waardering: B (5)
10.1.2.5 Implementatie van Europese regelgeving
Handeling: Het opstellen van een plan ter implementatie van een door de Raad vast te stellen besluit
Periode: 1993–
Grondslag: Aanwijzingen voor regelgeving (1992, Stcrt. 230),nr. 334
Product: Implementatieplan
Opmerking: Het betreft hier plannen ter implementatie van richtlijnen en verordeningen die onderworpen zijn aan de samenwerkingsprocedure of de medebeslissingsprocedure (co-decisie) van Raad en Europees Parlement. Het implementatieplan moet binnen een maand nadat de Raad het gemeenschappelijk standpunt heeft vastgesteld voorgelegd worden aan de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Waardering: B (5)
10.1.3 De Industriële Eigendom
10.1.3.1 Internationaal beleidskader
Handeling: Het (mede) leveren van bijdragen aan de totstandkoming van internationale verdragen.
Periode: 1946–
Product: Notities, correspondentie
Waardering: B (1)
Handeling: Het (mede) voorbereiden van besluiten tot toetreding tot en tot het opzeggen van internationale verdragen.
Periode: 1946–
Product: Notities, correspondentie
Waardering: B (1)
Handeling: Het (mede) voorbereiden van de opstelling van akten voor het Koninkrijk als partij bij het Internationale Gerechtshof bij geschillen inzake internationale verdragen.
Periode: 1946–
Grondslag: De daarnaar verwijzende bepalingen in deze verdragen
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan besluiten van algemene vergaderingen van organen en bijzondere commissies tot instandhouding van verdragsorganen.
Periode: 1946–
Product: Notities, correspondentie, verslagen
Waardering: B (1)
Handeling: Het corresponderen over de betaling van contributies aan internationale verdragsorganisaties.
Periode: 1946–
Grondslag: De diverse verdragen en uit de verdragen voortkomende arrangementen
Product: Correspondentie
Waardering: V, 7 jaar
10.1.3.2 De Internationale Unie ter Bescherming van de Industriële Eigendom
Handeling: Het leveren van bijdragen aan conferenties van de Internationale Unie ter bescherming van het Industriële Eigendom en de daaruit voortkomende arrangements en de herzieningen daarvan.
Periode: Notities, correspondentie, verslagen
Grondslag: Unieverdrag van Parijs, art. 15
Product: Schikking inzake de bewaring en het herstel van het industriële eigendomsrechten die door de Tweede Wereldoorlog zijn aangetast, Neuchâtel, 1948. Schikking inzake de oprichting van een internationaal octrooibureau, 6 juni 1947. Herziene afspraken inzake een internationaal depot voor modellen en tekeningen van nijverheid Overeenkomst van Nice inzake de internationale classificatie van waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, Trb. 1962. Overeenkomst van Locarno inzake een internationale classificatie van tekeningen en modellen van nijverheid, Trb. 1969, 935. Schikking inzake de oprichting van de World Intellectual Property Organization WIPO, goedgekeurd in Stb. 1974, 398. Overeenkomst van Straatsburg inzake de internationale classificatie van octrooien, 1975. Overeenkomst van Wenen tot regeling van de internationale classificatie van beeldbestanddelen van merken, 1973, Trb. 1985, 100
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan besluiten van de Algemene Vergaderingen van bijzondere Unies, voortkomend uit internationale afspraken of arrangements.
Periode: 1946–
Grondslag: De desbetreffende overeenkomsten of arrangements
Product: Beschikkingen, correspondentie, verslagen
Opmerking: Het betreft: De Unie van Madrid inzake het internationaal depot van merken, vanaf 1893; De Unie van ‘s-Gravenhage inzake het internationaal depot van modellen en tekeningen, vanaf 1925, nader geregeld in 1979; De Unie van Straatsburg inzake de internationale classificatie van octrooien, vanaf 1975; De Unie van Locarno inzake de internationale classificatie van modellen en tekeningen, vanaf 1977; De Unie van Wenen inzake de internationale classificatie van beeldbestanddelen van merken, vanaf 1985; De vergaderingen hebben de bevoegdheid om de verslagen van de ingestelde bureaus te toetsen en zelf verslag uit te brengen; Conferenties te organiseren om de regels van de bureaus of de vastgestelde classificaties te herzien; financiële reglementen, begrotingen, rekeningen en contributies goed te keuren.
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan stuurgroepen, commissies van deskundigen en andere besturen van commissies en instituten, voortkomend uit verdragen en arrangementen inzake de internationale classificatie van beeldbestanddelen van merken
Periode: 1945–
Grondslag: De desbetreffende overeenkomsten
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan algemene vergaderingen, uit te schrijven door organen, voortkomend uit verdragen en arrangementen inzake de internationale classificatie van beeldbestanddelen van merken.
Periode: 1945–
Grondslag: De desbetreffende overeenkomsten
Product: Notulen, agenda’s, notities, correspondentie
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het sluiten van overeenkomsten met het Internationaal Octrooibureau inzake de huisvesting en andere faciliteiten.
Periode: 1947– 1977
Grondslag: Akte van 30 mei 1969 inzake de vestiging van het recht van erfpacht en opstal op het land van het instituut; Overeenkomst van 6 februari 1974 over het gebruik van een kantoorgebouw; Overeenkomst van 31 mei 1977 inzake de overdracht van de zoekdocumentatie.
Product: Overeenkomst betreffende de oprichting van een internationaal octrooibureau
Waardering: V, 10 jaar
10.1.3.3 Het Verdrag van Washington tot samenwerking inzake octrooien (PCT)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de werkzaamheden van de Commissie van Technische Bijstand van de PCT-unie.
Periode: 1979–
Grondslag: PCT-verdrag, art. 51
Product: Uitzendingsprogramma’s
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming en uitvoering van projecten ten behoeve van ontwikkelingslanden
Periode: 1979–
Grondslag: Jaarberichten BIE
Product: Opdrachten, verslagen van werkzaamheden
Opmerking: Hierbij is tevens de eindverantwoording van het project inbegrepen. Het gaat hier in concreto om bijstand met betrekking tot regelgeving inzake industriële eigendom door ontwikkelingslanden, waarover inhoudelijke rapporten worden uitgebracht.
Waardering: B (5)
V 10 jaar, bescheiden rond uitvoering en verrekening
10.1.3.4 Het Verdrag van Boedapest
Handeling: Het verzoeken om erkenning van een depositaris van te registreren micro-organismen.
Periode: 1977–
Grondslag: Verdrag van Boedapest, art. 3
Opmerking: Als depositaris is in 1978 het Centraal Bureau voor Schimmelcultures te Baarn aangewezen.
Waardering: V 10 jaar na vervallen erkenning
10.1.3.5 Overige mondiale activiteiten
Handeling: Het leveren van bijdragen in het TRIPS overleg in het kader van het GATT-verdrag.
Periode: 1986–1991
Grondslag: Gervais, The TRIPS agreement...
Product: Notities, correspondentie
Waardering: B (5)
Handeling: Het verlenen van subsidie en/of faciliteiten voor internationale manifestaties ten behoeve van de bescherming van de industriële eigendom.
Periode: 1946–
Product: Subsidiebeschikkingen, correspondentie
Opmerking: Voorbeelden zijn: steunverlening aan de conferentie van de AIPPI.
Waardering: V 7 jaar
10.1.3.6 Europese verdragen
Handeling: Het leveren van bijdragen aan Europese overeenkomsten inzake industriële eigendom.
Periode: 1947–
Product: Europees verdrag over de formaliteiten voor octrooiaanvragen van Parijs, 1953, Trb. 1954, 102 en 165Art. 12–45 van het Euratomverdrag inzake uitwisseling van gegevens inzake atoomwetenschappenVerdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht [binnen de Raad van Europa], Trb. 1964, 173Europees Octrooiverdrag van München, Trb. 1976, 101 Gemeenschapsoctrooiverdrag
Opmerking: Als begindatum is het tijdstip gekozen waarop onder druk van het Marshallplan is begonnen met voorstellen tot Europese economische samenwerking.
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan verordeningen en richtlijnen van de Europese gemeenschap inzake industriële eigendom.
Periode: 1958–
Grondslag: EEG-verdrag, art. 85 jo. Art.10 Unieverdrag van Parijs
Product: Gemeenschapsmerkenverordening Raad 1994, 40 EG-richtlijn over biotechnologie Europese verordeningen inzake de bestrijding van namaakproducten (Verordening van de Raad 1986, nr. 3842.)
Opmerking: De EEG is als zodanig niet aangesloten bij de Unie van Parijs en stelt onafhankelijk daarvan regels vast met betrekking tot de handhaving van industriële eigendomsrechten.
Waardering: B (1)
10.1.3.7 Het Europees Octrooibureau van München
Handeling: Het leveren van bijdragen aan besluiten van de Raad van Bestuur van het Europees Octrooibureau (EOB).
Periode: 1977–
Grondslag: Europees Octrooiverdrag, art. 26, lid 1
Waardering: B (5)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de werkzaamheden van het Dagelijks Bestuur van het EOB.
Periode: 1977–
Grondslag: Europees Octrooiverdrag, art. 28
Opmerking: Nederlandse gedelegeerden participeren bij toerbeurt in het dagelijks bestuur.
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de organisatie van manifestaties en seminars van het EOB.
Periode: 1977–
Grondslag: Europees Octrooiverdrag, art. 28
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het sluiten van overeenkomsten met het EOB inzake de vestiging van een bijkantoor in Nederland.
Periode: 1977–
Product: Verdrag van 19 oktober 1977, Trb. 1978, 16 en nadere contracten
Opmerking: Onderwerp van onderhandeling kunnen zijn: huur van het gebouw, immuniteit van het personeel en vrijstelling van belasting en/of andere heffingen. In 1997 vestigde het EOB zich in een kantoor in de Patentlaan in Rijswijk.
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het doen uitvoeren van overeenkomsten met het EOB inzake de vestiging van een bijkantoor in Nederland.
Periode: 1977–
Grondslag: Verdrag van 19 oktober 1977, Trb. 1978, 16 en nadere contracten
Opmerking: In 1997 vestigde het EOB zich in een kantoor in de Patentlaan in Rijswijk. Een en ander kan leiden tot gegevens die leiden tot handelingen van de Rijksgebouwendienst Rgd. Zie hiervoor het PIVOT-rapport 45: Het rijk onder dak.
Waardering: V 10 jaar
10.1.3.8 Het EG-Bureau voor Harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan besluiten van de Raad van Bestuur van het Bureau voor Harmonisatie.
Periode: 1993–
Grondslag: EU-Gemeenschapsmerkverordening, art. 122
Product: Notities, correspondentie
Waardering: B (5)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan besluiten van het Begrotingscomité en van het Bureauvoor Harmonisatie.
Periode: 1993–
Grondslag: EU-Gemeenschapsmerkverordening, art. 133
Product: Notities, memo’s, correspondentie
Opmerking: Het comité heeft de bevoegdheid de begroting van het Harmonisatiebureau vast te stellen, de financiële controle te regelen en de formatie-omvang van het personeel vast te stellen.
Waardering: B (5)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan besluiten van het Comité voor vraagstukken inzake de taksen, de uitvoeringsverordeningen en de procesvoering voor de kamers van beroep van het Bureau voor Harmonisatie.
Periode: 1993–
Grondslag: EU-Gemeenschapsmerkverordening, art. 141
Product: Notities, correspondentie
Opmerking: Vastgesteld zijn: Uitvoeringsverodening EG 1995, 2868; Taksenverordening EG 1995, 2869; Verordening inzake het procesreglement 1996, 216
Waardering: B (5)
10.1.3.9 Bilaterale betrekkingen
Handeling: Het samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken sluiten van bilaterale overeenkomsten met niet bij de Unie van Parijs aangesloten landen met betrekking tot de erkenning van industriële eigendomsrechten.
Periode: 1946–
Product: overeenkomsten
Opmerking: Deze soorten verdragen komen na de sluiting van het PCT-verdrag en het Europees Octrooiverdrag praktisch niet meer voor.
Waardering: B (1)
Handeling: Het sluiten van bijzondere overeenkomsten met buitenlandse regeringen inzake wederzijdse industriële eigendommen of daarvoor in de plaats te stellen vergoedingen.
Periode: 1946–1975
Product: Overeenkomsten met Duitsland, Italië en Oostenrijk over de teruggave van tijdens de oorlog in beslag genomen industriële eigendommen; Wet, houdende voorzieningen aangaande fabrieks- en handelsmerken, die ingevolge het besluit vijandelijk vermogen op de staat in eigendom zijn overgegaan. Stb. 1950 K 217 Overeenkomsten met de republieken Indonesië en Suriname in verband met de soevereiniteitsoverdracht van 1949 en 1975 Regelingen met de Nederlandse Antillen en Aruba, voorzover niet in de octrooiwetgeving voorzien; Wet houdende voorzieningen in verband met de beëindiging van de toepasselijkheid op de Nederlandse Antillen van de overeenkomst van Madrid [...], Stb. 1953, 270
Opmerking: Voorbeelden zijn: Overeenkomsten met betrekking tot in beheer genomen industriële eigendommen van voormalige oorlogsvijanden;
Overeenkomsten met betrekking tot industriële eigendomsregelingen in voormalige overzeese gebiedsdelen;
Overeenkomsten met betrekking tot het industriële eigendom in ontwikkelingslandenHierbij zijn ook wettelijke bepalingen vastgesteld. Voor regelingen met betrekking tot ontwikkelingslanden werden later voorzieningen in het PCT-verdrag opgenomen.
Waardering: B (5)
Handeling: Het restitueren van buitenlandse industriële eigendommen of het toekennen van daarvoor in de plaats te stellen vergoedingen.
Periode: 1950–1956
Grondslag: Wet, houdende voorzieningen aangaande fabrieks- en handelsmerken, die ingevolge het besluit vijandelijk vermogen op de staat in eigendom zijn overgegaan. Stb. 1950 K 217
Product:
Opmerking: Gedacht moet worden aan: Tijdens de oorlog geconfisceerde Duitse, Italiaanse of Oostenrijkse industriële eigendommen, beheerd door het Nederlands Beheersinstituut.Tijdens de oorlog door de Verenigde Staten in beheer genomen Nederlandse industriële eigendommen.
Waardering: B (6), Tweede Wereldoorlog
Handeling: Het vorderen van door het buitenland geconfisceerde Nederlandse Industriële eigendommen of daarvoor in de plaats te stellen. Vergoedingen.
Periode: 1946–1956
Product: Beschikkingen
Opmerking: Een concreet voorbeeld is: Tijdens de oorlog door de Verenigde Staten in beheer genomen Nederlandse industriële eigendommen, waarvan de hoofdfirma in vijandelijke handen was gevallen.
Waardering: B (6), Tweede Wereldoorlog
10.1.3.10 Regelgeving in Nederland
Handeling: Het mede met andere Ministers vaststellen van overgangsregelingen in verband met de wetgeving inzake industriële eigendom van zelfstandig geworden overzeese gebiedsdelen.
Periode: 1948–
Bron: Archief van de gouverneur van Suriname, Algemeen
Product: Overgangsregelingen
Opmerking: De Rijksoctrooiwet stelt regels voor zowel Nederland als de overzeese gebiedsdelen vast. Als gevolg hiervan moet bij het zelfstandig worden der overzeese gebiedsdelen een regeling worden getroffen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van door het rijk verleende octrooien na de soevereiniteitsoverdracht.
Waardering: B (5)
Handeling: Het vaststellen van nadere overgangs- en invoeringsbepalingen van wetten inzake de industriële eigendom.
Periode: 1946–
Product: Bepalingen bij de wijzigingen van de Rijksoctrooiwet Stb 1963, 260; 1968, 565; 1977, 160; 1978, 706; Wet, houdende voorzieningen op het gebied van het industriële eigendom met het oog op de buitengewone omstandigheden, verband houdende met de oorlog. Stb. 1946, G202
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen aan wettelijke regelingen van andere Ministers in het belang van de industriële eigendom.
Periode: 1946–
Product: Wijzigingen van de Auteurswet 1912, Stb. 1994. 521, 653; 1995, 527, in het bijzonder betreffende computerprogramma’s.
Waardering: B (1)
Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet.
Periode: 1946–1974
Grondslag: Rijksoctrooiwet
Product: Octrooireglement, gewijzigd 1949 Stb. J108 en later 1979, 72; Overgangsbepalingen bij wijzigingen van het Octrooireglement; Besluit Bureau voor de Industriële Eigendom, Stb. 1970, 587
Opmerking: De Minister heeft de volgende bevoegdheden:
– de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van het BIE en de Octrooiraad (art. 15).
– Het stellen van nadere regels voor de indiening van een aanvrage om een octrooi
– Na 1963: Het stellen van vormvoorschriften en andere regels voor de inrichting van de beschrijving en tekeningen van een uitvinding (art. 22B).
– Na 1956: Het vaststellen van jaarlijkse bedragen (taksen) die gedurende het verloop van de procedure van een octrooiaanvraag aan de Octrooiraad dienen te worden betaald (art. 22D).
– Na 1956: Het vaststellen van leges die indieners van octrooiaanvragen medebelanghebbenden in een octrooi dienen te betalen bij de indiening van een verzoekschrift om nader onderzoek of getuigenverhoor tijdens een octrooiprocedure (art. 22G-J, )
– Het stellen van nadere regels voor de aanmelding van internationale aanvragen en de ontvangst van daaraan verbonden taken door de Octrooiraad.
– Het stellen van nadere regels voor de vertaling van Europese octrooien en de daaraan verbonden kosten bij deponering bij de Octrooiraad (art. 29P, lid 1 en 7).
– Het vaststellen van leges voor de inschrijving van licenties door de Octrooiraad (art. 33, lid 2)
– Het vaststellen van de jaarlijkse belasting voor octrooihouders (art. 35) en van de verhogingen van het bedrag na de vervaldag (art. 35, lid 4).
– Het vaststellen van leges voor de inschrijving van overdrachtshandelingen en in pand stelling van octrooirechten in het octrooiregister. (art. 38, art. 40)
Waardering: B (1)
Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995.
Periode: 1994–
Grondslag: Rijksoctrooiwet 1995
Product: KB houdende regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet, Stb. 1995, 108;
KB houdende regels met betrekking tot octrooien, Stb. 1995, 51
Opmerking: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMVB het volgende vast te stellen:
– De taksen voor inschrijving in het octrooiregister (art. 17. lid 2)
– Regels met betrekking tot het Reglement van het BIE
– Regels met betrekking tot inschrijving in het octrooiregister (art. 19)
– Regels met betrekking tot het verstrekken van schriftelijke inlichtingen uit het octrooiregister
– Regels met betrekking tot nadere definities inzake de samenvoeging van uitvindingen tot een ‘algemene uitvindingsgedachte’.
– De termijnen voor aanmelding van een Europees octrooi (art. 52)
– De leges voor inschrijving van licenties in het octrooiregister (art. 58, lid 6)
– De verhogingen van de jaartaksen (art. 61, lid 3)
Waardering: B (1)
Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regels inzake de uitvoering van de Chipswet.
Periode: 1986–
Grondslag: Wet [...] inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleidersproducten
Product: Uitvoeringsbesluit 1987, Stb. 486
Opmerking: Het AMVB bevat nadere omschrijvingen van bevoegdheden van het bureau tot het toelaten van procedures die de inschrijving kunnen vereenvoudigen.
Waardering: B (1)
10.1.3.11 Wetgeving als gevolg van Beneluxverdragen
Handeling: Het leveren van bijdragen tot de totstandkoming van Beneluxwetten.
Periode: 1946–1972
Product: Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen, Stb. 1973, 303; 1983, 87; 1993, 12 Benelux-merkenwet
Waardering: B (1)
Handeling: Het leveren van bijdragen tot de totstandkoming van uitvoeringsreglementen voor de
BMW.
Periode: 1962–
Grondslag: BMW
Product: Uitvoeringsreglement Trb. 1970, 149; 1974, 218
Opmerking: Het reglement bevat voorschriften over het depot, de inschrijving, de vernieuwing van de inschrijving en de verschuldigde rechten en vergoedingen.
Waardering: V 5 jaar na vervallen regeling
Handeling: Het leveren van bijdragen tot de totstandkoming van uitvoeringsreglementen inzake de Benelux Tekeningen en Modellenwet.
Periode: 1973–
Grondslag: BTMW
Product: Uitvoeringsreglement Trb. 1974
Opmerking: Het reglement bevat voorschriften over het depot, de inschrijving, de vernieuwing van de inschrijving en de verschuldigde rechten en vergoedingen.
Waardering: V 5 jaar na vervallen regeling
10.1.3.12 Organisatie en bevoegdheden Bureau Industriële Eigendom
Handeling: Het bij AMVB vaststellen van regels voor het BIE.
Periode: 1971–
Grondslag: Merkenwet, art. 1, lid 2, BMW, art. 4
Product: Wijziging Reglement Industriële Eigendom Stb. 1954, 266; 1957, 120; 1963, 497; 1965, 88; 1966, 512; Besluit Bureau voor de Industriële Eigendom Stb. 1970, 587; 1976, 319; 1987, 487; 1995, 115
Waardering: B (4)
Handeling: Het goedkeuren van door de directeur opgestelde reglementen van het BIE.
Periode: 1971–
Grondslag: Besluit Bureau voor de Industriële Eigendom, art. 5, lid 2
Product: Beschikkingen
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het goedkeuren van door de directeur voorgestelde sluitingsdagen van het BIE.
Periode: 1971–
Grondslag: Besluit Bureau voor de Industriële Eigendom, art. 7, lid 2
Product: Beschikkingen
Waardering: V 1 jaar
Handeling: Het toetsen van verslagen en verantwoordingen van het BIE over zijn
werkzaamheden.
Periode: 1946–
Grondslag: Merkenwet art. 1, lid 3; Besluit Bureau voor de Industriële Eigendom, art. 8
Product: Evaluaties
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het verlenen van subsidie en/of faciliteiten voor conferenties ten behoeve van de bescherming van de industriële eigendom.
Periode: 1945–
Grondslag: Besluiten, correspondentie
Product: Voorbeeld: Viering van het zestigjarige jubileum van de Vereniging van Hogere Ambtenaren bij de Octrooiraad. Conferentie ‘Ondernemen met kennis’, Amsterdam 1997
Waardering: V 7 jaar
10.1.3.13 De Octrooiraad
Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot benoeming van de voorzitter en de leden van de Octrooiraad.
Periode: 1910–1995
Grondslag: Rijksoctrooiwet, art. 14
Product: Benoemingen
Opmerking: De voorzitter is tevens directeur van het Bureau van de Industriële Eigendom.
Waardering: V 5 jaar na einde zittingsperiode
10.1.3.14 Octrooigemachtigden
Handeling: Het opstellen van vervangingsroosters van de voorzitter van de Octrooiraad door ondervoorzitters
Periode: 1946–
Grondslag: Octrooireglement art. 12
Product: Vervangingsroosters
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het bij AMVB stellen van nadere regels inzake de toelating van octrooigemachtigden.
Periode: 1946–1977
Grondslag: Rijksoctrooiwet 1914, art. 29 sub g; Rijksoctrooiwet 1977, art. 18A
Product: Octrooigemachtigden-reglement, gewijzigd Stb 1959, 114; 1968, 594; 1979, 646
Opmerking: In 1935 is een afzonderlijk tariefbesluit vastgesteld voor de vergoeding van octrooigemachtigden.
Waardering: B (5)
10.1.3.15 Octrooien, internationale bemiddeling
Handeling: Het bemiddelen bij de toezending van door de Octrooiraad geregistreerde octrooidocumenten naar het Internationaal Octrooibureau
Periode: 1947–1977
Grondslag: Overeenkomst betreffende de oprichting van een internationaal octrooibureau, art. 2
Product: Correspondentie
Opmerking: De stukken worden afgedaan door de Octrooiraad zonder dat de Minister enige adviesbevoegdheid heeft bij de besluiten van de raad.
Waardering: V, 1 jaar na toezending
10.1.3.16 Subsidies
Handeling: Het vaststellen van subsidieregels ten behoeve van octrooiaanvragers
Periode: 1946–1995
Grondslag: Regelingen
Product: Besluit Gratis admissie octrooiverleningsprocedure (Gratis Admissieregeling GAR), Stcrt. 1976, 239
Waardering: B (5)
Handeling: Het verlenen van subsidie aan minder vermogende individuele aanvragers van octrooien ter bekostiging van hun procedure.
Periode: 1976–1995
Grondslag: Besluit Gratis admissie octrooiverleningsprocedure, art. 1
Product: besluiten
Opmerking: De Octrooiraad en het BIE zijn uiteindelijk bij de uitvoering van de subsidieregeling betrokken.
Waardering: V 7 jaar na beëindiging van subsidie
10.1.3.17 Dwanglicenties
Handeling: Het opleggen van dwanglicenties aan octrooihouders in het algemeen belang.
Periode: 1977–
Grondslag: Rijksoctrooiwet, art. 34, lid 1; rijksoctrooiwet 1995, art. 57, lid 1
Product: Beschikking
Opmerking: Hieronder wordt ook verstaan: het voeren van onderhandelingen met octrooihouders tot het verkrijgen van een vrijwillige overeenkomst, en de acties die de Minister onderneemt om daarvoor zekerheid te verkrijgen. Indien de Minister uiteindelijk tot dwang over gaat, staat tegen zijn besluit beroep open bij de Kroon, na 1989 bij de Raad van State, en na 1995 bij de arrondissementsrechtbank in Den Haag.
Waardering: B (5)
Vervallen.
Handeling: Het mede voorbereiden van een kroonbesluit dat aan de Staat de exclusieve licentiebevoegdheid van een octrooi toekent.
Periode: 1956–
Grondslag: Rijksoctrooiwet 1956, 1977 art. 34A
Product: Besluit, correspondentie
Opmerking: Krachtens dit besluit mag bepaald worden dat alleen de staat de in het octrooi omschreven handelingen mag verrichten of doen verrichten. De staat dient met de octrooihouder een vergoeding overeen te komen.
Waardering: B (5)
Handeling: Het voorbereiden van een Kroonbesluit op een beroep tegen aan octrooihouders opgelegde dwanglicenties.
Periode: 1946–1989
Grondslag: Rijksoctrooiwet, art. 34
Product: Besluit, correspondentie
Waardering: V 10 jaar
10.1.3.18 Merken, modellen en tekeningen
Handeling: Het aanmelden van bezwaren en verzoeken tot nietigverklaring van een inschrijving van een model of tekening van nijverheid in het internationaal register.
Periode: 1976–
Grondslag: Schikking van Den Haag, art. 5
Product: Modellen, tekeningen, correspondentie
Opmerking: Het betreft modellen en tekeningen waarvan de inschrijving geweigerd is door het Beneluxbureau voor Modellen en Tekeningen.
Waardering: V 3 jaar
Handeling: Het instrueren van douane- of ECD-ambtenaren inzake beslaglegging op door merkhouders aangegeven namaakproducten.
Periode: 1986–
Grondslag: EG-verordening 1986, nr. 3842, art 3
Product: instructies
Waardering: V 5 jaar na vervallen instructie
Handeling: Het bij AMVB doen vaststellen van kosten voor het optreden in het belang van merkhouders en houders van modellen en tekeningen.
Periode: 1992–
Grondslag: BMW passim
Product: KB van 29 april 1993, houdende vaststelling van administratiekosten voor acties tot uitvoering van de Wet bestrijding namaakprodukten
Opmerking: Houders van merken zijn mede krachtens deze wet gerechtigd schadevergoeding te vorderen
Waardering: V 1 jaar na de vastgestelde wijziging of vervallenverklaring KB
10.1.4. Bedrijfsordening
10.1.4.1 Wet- en regelgeving
Handeling: Het (mede) voorbereiden van wetten inzake bedrijfsordening
Periode: 1946–
Product: Bedrijfsvergunningenwet bijzondere omstandigheden (ingetrokken); Bedrijfsvergunningenwet, Stb.1954, 339; Wet tot intrekking van de Bedrijfsvergunningenwet, Stb. 1995.
Waardering: B (1)
Handeling: Het verstrekken van vergunningen aan ondernemingen van industriële en groothandelsbedrijven
Periode: 1946–1956
Bron: Art. 2-4 Bedrijfsvergunningenbesluit
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het van toepassing verklaren van het Bedrijfsvergunningenbesluit voor bedrijfstakken, zijnde geen industriële en/of groothandelsbedrijven
Periode: 1946–1956
Bron: Art. 5 Bedrijfsvergunningenbesluit
Waardering: B (5)
Handeling: Het geven van voorschriften over de aanvrage van vergunningen door ondernemingen van industriële en groothandelsbedrijven
Periode: 1946–1956
Product: Circulaires, mandaten
Bron: Art. 7 Bedrijfsvergunningenbesluit
Waardering: V 5 jaar na vervallen voorschrift
Handeling: Het verlenen van ontheffing aan ondernemingen van industriële en groothandelsbedrijven van een vergunningsplicht
Periode: 1946–1956
Product: Beschikking
Bron: Art. 5 Bedrijfsvergunningenbesluit
Waardering: B (5)
Handeling: Het verlenen van vrijstelling aan bedrijfstakken van een vergunningsplicht
Periode: 1946–1956
Product: ‘Ontheffingsbeschikking’
Opmerking: Aan deze vrijstelling kunnen nadere voorwaarden of beperkingen worden verbonden
Bron: Art. 5 Bedrijfsvergunningenbesluit
Waardering: B (5)
10.1.4.2 Bedrijfsvergunningenwet 1954
Handeling: Het bij AMVB van toepassing verklaren van de Bedrijfsvergunningenwet op een bedrijfstak
Periode: 1955–1993
Product: Bedrijfsvergunningenbesluit kogellager en rollageindustrie, 1955–1961; Bedrijfsvergunningenbesluit koolzuurindustrie, 1956–1968; Bedrijfsvergunningenbesluit vensterglasindustrie, 1956, vervangen 1959–1964; Bedrijfsvergunningenbesluit soda-industrie 1956–1964; Bedrijfsvergunningenbesluit aluminiumwalsindustrie Stb 1956, 418. 1956–1958; Bedrijfsvergunningenbesluit industriële broodbakkerij Stb. 1976, 383, met verlengingen tot 1984; Bedrijfsvergunningenbesluit betonmortelindustrie Stb. 1981, 567
Opmerkingen: Hierbij is ook inbegrepen het voor het verlopen van de termijn intrekken van bedrijfsvergunningenbesluiten. In een bedrijfsvergunningenbesluit kan worden voorgeschreven welke gegevens bij aanvrage van een vergunning moeten worden verstrekt (art. 8, lid 1) welke bedragen bij aanvrage van een vergunning moeten worden betaald (art. 8, lid 2) welke beperkingen er bij een toekenning van een vergunning kunnen worden verleend en welke voorschriften eraan kunnen worden verbonden (art. 9, lid 1) of bij de totstandkoming van het besluit uitbreiding van de capaciteit een bestaand en doorwerkend bedrijf is toegestaan (art. 21, lid 4) welke maximum-capaciteiten er zonder toepassing van het besluit zijn toegelaten (art. 23)
Niet alle regels worden in een besluit toegepast.
Bron: Bedrijfsvergunningenwet art. 3
Waardering: B (5)
Handeling: Het in afwachting van een bedrijfsvergunningenbesluit bij Ministeriele verbieden van het uitoefenen van een bedrijf.
Periode: 1955–1993
Product: Sperregeling of Bedrijfsvergunningenbeschikking
Waardering: B (5)
Handeling: Het verstrekken van vergunningen aan ondernemingen van bedrijven waarvoor een
bedrijfsvergunningenbesluit of -beschikking is uitgevaardigd
Periode: 1955–1986
Opmerkingen: De vergunningen worden verstrekt aan de hand van regels die in het bedrijfsvergunningenbesluit zijn opgenomen. De vergunning kan worden ingetrokken indien achteraf blijkt dat zij op grond van onjuiste gegevens is verstrekt. Tegen beschikkingen van de Minister kan in eerste instantie door middel van een bezwaarschrift voorziening worden aangevraagd bij de Minister. Dit moet in dat geval advies inwinnen bij de SER.
Bron: Bedrijfsvergunningenwet, art. 7-9
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het treffen van voorzieningen op bezwaarschriften tegen beschikkingen op aanvragen van vergunningen en toelatingen op grond van een bedrijfsvergunningenbesluit of -beschikking
Periode: 1956–1986
Opmerkingen: Indien er tegen beschikkingen bezwaarschriften worden ingediend, wordt de SER ingeschakeld voor nader onderzoek. Als verplicht te horen adviesinstantie is de SER bevoegd om de belanghebbenden bij dit bewaarschrift nader te horen.
Bron: Bedrijfsvergunningenwet, art. 16
Waardering: V 5 jaar
10.1.5 Mededingingsbeleid
10.1.5.1 Algemeen
Handeling: Het (mede) voorbereiden van wetten inzake kartelvorming en economische mededinging
Periode: 1946–
Product: Wet schorsing bedrijfsregelingen, Stb. 1950, 401; Wet economische mededinging, Stb. 1956, 40, met wijzigingen; Wet tot uitvoering van EG-verordening nr. 17, Stb. 1968, 395; Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen, Stb. 1993, 212; Mededingingswet, Stb. 1997, 242
Waardering: B (1)
10.1.5.2 Kartelbesluit
Handeling: Het (mede) voorbereiden van AMVB’s inzake kartelvorming en economische mededinging.
Periode: 1946–
Product: Wijziging van het Kartelbesluit 1941 en 1943, Stb. 1950, K258
Waardering: B (1)
Handeling: Het vaststellen van nadere regels voor de uitvoering van het Kartelbesluit.
Periode: 1946–1956
Product: Circulaires en richtlijnen
Bron: Kartelbesluit, art. 23, lid 1
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van richtlijnen en/of afspraken in verband met het houden van toezicht op kartels.
Periode: 1950–1958
Bron: Kartelbesluit 1943, art. 8 en 9. (Snijders, p. 115-116)
Waardering: B (5)
Handeling: Het uitoefenen van toezicht en het op grond daarvan geheel of gedeeltelijk nietig verklaren van niet aangemelde bedrijfsregelingen of uitvoeringsregelingen.
Periode: 1950–1958
Opmerkingen: Deze verklaringen hebben nimmer plaats gevonden.
Bron: Kartelbesluit 1941, art. 6 Kartelbesluit 1943, art. 19, sub 3
Waardering: B (5)
10.1.5.3 Overige regelgeving
Handeling: Het bij AMVB vaststellen van regels voor de goede uitvoering van de Wet Economische Mededinging
Periode: 1958–
Product: Besluit van 11 november 1958, Stb. 498
Opmerkingen: In deze AMVB wordt in ieder geval bepaald welke beschikkingen in overleg met de Minister, belast met publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie moeten worden getroffen.
Bron: WEM, art. 40
Waardering: B (5)
Handeling: Het bij AMVB vaststellen van regels voor de Commissie Economische Mededinging
Periode: 1956–1997
Product: Besluit werkwijze commissie economische mededinging, Stb. 1958, 489
Besluit houdende vaststelling van een rooster van aftreding, Stb. 1993, 500.
Bron: WEM, art. 31, lid 4
Waardering: B (4)
Handeling: Het jaarlijks inlichten van de Staten-Generaal over de toepassing van de Wet
Economische Mededinging.
Periode: 1956–1960
Opmerkingen: In dit verslag wordt alleen melding gemaakt van de mededingingsregelingen. De jaarverslagen over 1960 tot 1982 werden gepubliceerd in de Staatscourant; de daarop volgende verslagen dienden als bijlagen bij de Rijksbegroting.
Bron: WEM, Art. 43
Waardering: B (3)
Handeling: Het bij AMVB nader aanmerken van overeenkomsten en burgerrechterlijke (of verenigings-)besluiten als mededingingsregel
Periode: 1958–
Product: Besluit horizontale prijsbinding, Stb. 1964, 110, met wijzigingen en verlengingen van de geldigheidsduur. Besluit aanwijzing mededingingsregels zeevervoer, Stb. 1984, 118
Opmerkingen: Gedacht wordt hierbij ook aan regels die als zodanig geen afspraken zijn met betrekking tot economische mededinging maar wel gevolgen daarvoor hebben regels die niet rechtsbindend zijn, maar die echter wel schriftelijk als afspraak (bijvoorbeeld in een notariële akte of in notulen) zijn vastgelegd; ‘Gedragscodes’, e.d. De besluiten hebben een tijdelijk karakter en kunnen in geldigheidsduur worden verlengd.
Bron: Art. 1, lid 2-3, WEM
Waardering: B (5)
Handeling: Het bij AMVB aanwijzen van vrije beroepen die tijdelijk onder de Wet op de Economische Mededinging komen te vallen
Periode: 1987–
Opmerkingen: De Minister heeft tot 1 september 19955Wetswijzinging 1994, Stb. 501. de bevoegdheid gehad om naast een aantal beroepen, omschreven in art. 1a van de wet, vrije beroepen aan te wijzen, die gedurende vijf jaar onder de WEM komen te vervallen. Indien de noodzaak zich daartoe aandient, kan het desbetreffende wetsartikel worden gewijzigd, dat een limitatieve opgave van de vrije beroepen bevat die permanent onder de WEM komen te vallen.
Bron: WEM, Art. 1a
Waardering: V 5 jaar na vervallen aanwijzing
10.1.5.4 Commissie Economische Mededinging
Handeling: Het voordragen tot en het voorbereiden van een KB tot benoeming van de voorzitter, de secretarissen en de leden van de commissie economische mededinging
Periode: 1958–1998
Opmerkingen: De benoeming van de leden geldt voor zes jaar; telkens na twee jaar treedt eenderde af volgens een bij AMVB vastgesteld rooster van aftreden. De aftredenden zijn terstond herbenoembaar.
Bron: WEM, art. 28, lid 2
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het toekennen van vergoedingen aan de leden en het personeel van de commissie economische mededinging
Periode: 1958–1998
Bron: WEM, art. 28, lid 6
Waardering: V 7 jaar
10.1.5.5 Toetsen van mededingingsregelingen
Handeling: Het stellen van regels voor de aanmelding van mededingingsregelingen
Periode: 1958–
Product: Beschikking mededeling mededingingsregels 1958, Stcrt. 221; Beschikking mededeling mededingingsregels 1987, Stcrt. 92
Opmerkingen: Van deze regels moet mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Bron: WEM, art. 2
Waardering: V 5 jaar na vervallen
Handeling: Het toetsen van aangemelde mededingingsregelingen
Periode: 1958–
Product: Beschikking, houdende verbod, toelating of tijdelijke ontheffing
Bron: WEM, art. 2
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het vrijstellen van categorieën mededingingsregelingen van de aanmeldingsplicht als
zijnde niet-economisch
Periode: 1958–
Opmerkingen: Vrijstellingen worden medegedeeld in de Staatscourant. Enkele vrijstellingen zijn later opgenomen in de Toelichting bij het formulier tot mededeling van mededelingsregelingen, behorend bij de Beschikking mededeling mededingingsregels 1987, Stcrt. 92; hierin zijn ook enkele vrijstellingen ingetrokken, met name met betrekking tot prijsbindingen.In 1987 waren vrijgesteld: Regelingen die niet langer dan een maand geldig zijn en niet worden verlengd; Regelingen, die zijn goedgekeurd of waarop toezicht wordt uitgeoefend ingevolge de wetgeving op de gezondheidszorg (zie hiervoor het desbetreffende institutionele onderzoek) Regelingen waarbij op economisch terrein geen andere zaken worden geregeld dan gezamenlijke inkoop (inkoopcombinaties), echter zonder prijsafspraken voor de verkoop; de verplichting van één leverancier om aan één afnemer te leveren, de verplichting van één afnemer om van één leverancier af te nemen en de verplichting van één tussenpersoon om als agent van één principaal op te treden; concurrentiebedingen in arbeidsovereenkomsten (verbod om na ontslag bij de ene onderneming bij een andere te gaan werken); exportkartels met regelingen die niet voor Nederland gelden het internationale vervoer (ook als toepassing van EG-verordeningen!)
Bron: WEM, art. 4
Waardering: V 5 jaar na vervallen
Handeling: Het op verzoek van verenigingen en organisaties verlenen van ontheffing van de aanmeldingsplicht. van zijn mededelingsregels
Periode: 1958–
Bron: WEM, art. 4
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het administreren van aangemelde kartels en de getroffen maatregelen in het kader van de WEM
Periode: 1958–
Product: Kartelregister
Opmerkingen: In de Staatsalmanak van 1978 wordt vermeld dat de Directie Mededingingen en Fusies van het Directoraat-Generaal van de Prijzen, Mededinging en Fusies belast is met ‘het beheer van het kartelregister’. Dit betekent dat van de aangemelde kartels en de daarbij betrokken ondernemingen een permanente administratie wordt bijgehouden. De wet bevat echter waarborgen inzake de geheimhouding van namen van deelnemende personen en/of ondernemingen. In 1986 werd een voorstel tot het houden van een openbaar kartelregister door de Eerste Kamer verworpen.6HdEK 1985–1986 16.555. Voor het overige vallen besluiten over gegevens met betrekking tot de uitvoering van de WEM onder de Wet Openbaarheid van Bestuur. Een en ander betekent dat er weliswaar een administratie van kartels heeft bestaan, maar dat de Minister niet de bevoegdheid had om daar op aanvrage inlichtingen uit te verstrekken.
Bron: Staatsalmanak van 1978
Waardering: B (5)
Handeling: Het verlenen van ontheffing van het verbod om bij wet of besluit vastgestelde
kartelmaatregelen van andere staten na te leven
Periode: 1958–
Opmerkingen: Het naleven van kartelmaatregelen van andere staten is verboden en wordt bestraft als een misdrijf. Maatregelen van internationale organen kunnen vrijelijk worden nageleefd. Maatregelen van andere staten kunnen in strijd zijn met de wet of dienen te worden aangemeld om de coördinatie inzake goede kartelregeling te bevorderen. Deze problemen doen zich met name voor in verband met wetgeving van de Verenigde Staten. Deze regels worden zo geïnterpreteerd dat agentschappen van bedrijven met vestigingen in andere staten geen ontheffing behoeven te vragen, omdat zij onder de jurisdictie van het desbetreffende land vallen. De beschikkingen inzake ontheffing en de motivatie worden nader beschreven in de verslagen omtrent de economische mededinging. Tot 1993 werden deze beschikkingen in de Staatscourant gepubliceerd.
Bron: WEM, Art. 39.
Waardering: B (5)
10.1.5.6 Algemeen verbindend verklaren van mededingingsregels
Handeling: Het algemeen verbindend verklaren van aangemelde mededingingsregelingen
Periode: 1958–
Product: Bijvoorbeeld: het algemeen verbindend verklaren van minimum-suikerprijzen;
Het algemeen verbindend verklaren van verwijderingsheffingen op basis van milieu- afspraken door branche-organisaties
Opmerkingen: De bepaling is vanaf .1987 ook van toepassing op vrije beroepsgroepen. De algemeenverbindendverklaring is tijdelijk van aard en wordt na verstrijking van de termijn ingetrokken.
Bron: WEM, art. 6
Waardering: B (5)
Handeling: Het in bijzondere gevallen voortijdig intrekken van algemeen verbindend verklaarde mededingingsregelingen
Periode: 1958–
Bron: WEM, art. 6
Waardering: B (5)
Handeling: Het verlenen van vrijstellingen van algemeen verbindend verklaarde
mededelingsregelingen
Periode: 1958–
Opmerkingen: Aan de vrijstellingen kunnen voorwaarden worden gesteld; deze kunnen financiële
verplichtingen betreffen; de vrijstellingen worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Bron: WEM, art. 8
Waardering: V 5 jaar na vervallen
Handeling: Het op verzoek verlenen van ontheffingen van bedrijven van bepalingen in algemeen verbindend verklaarde mededingingsregelingen
Periode: 1958–
Opmerkingen: Ontheffingen worden vooral aangevraagd en verleend wanneer er sprake is van productquoteringen. Dit zijn afspraken van reeds gevestigde bedrijven, die daaraan geen rechten mogen ontlenen om de vestiging van nieuwe bedrijven te verhinderen; zij kunnen ontheffing aanvragen, maar de quotering moet dan wel nader worden geregeld. Aan dit soort ontheffingen kunnen derhalve voorwaarden worden gesteld; deze kunnen financiële verplichtingen betreffen. Ontheffingen kunnen worden ingetrokken en tegen de beschikking kan door belanghebbenden beroep worden aangetekend.
Bron: WEM, art. 8
Waardering: V 10 jaar na vervallen
10.1.5.7 Algemeen onverbindend verklaring van mededingingsregels
Handeling: Het bij AMVB algemeen onverbindend verklaren van specifieke bepalingen inmededingingsregelingen
Periode: 1958–
Product: KB’s inzake bepalingen betreffende disciplinaire administratieve rechtspraak, Stb. 1962, 307 (later verwerkt in art. 9b-9d van de WEM); KB inzake verticale prijsbinding van duurzame goederen, Stb. 1964, 110; 352; 353); KB inzake bepalingen inzake horizontale prijsbinding, Stb. 1983, 80; Besluit mededingingsregelingen in de bouwsector, Stb. 1986, 676; KB inzake bepalingen inzake aanbesteding, Stb, 1994, 55; KB inzake bepalingen inzake marktverdelingsregelingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)