Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom vanaf 1946 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2007, nr. aca-2007.04045/4);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom over de periode vanaf 1946’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument mededingingsbeleid 1946–
Voor de zorgdragers:
Minister van Economische Zaken
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister van Financiën
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Versie SDU november 2007
Ministerie van EZ / Drs. N. van Heezik
PWAA / drs. P. Fijnheer
Rotterdam
1. Overzicht van afkortingen
ABC: Aanvullend beschermingscertificaat
AIPPI: Association Internationale pour la Protectrion de la Propriété Industrielle
AMVB: Algemene maatregel van bestuur
AWB: Algemene Wet Bestuursrecht
BIE: Bureau voor de Industriële Eigendom
BIE: Bijblad van de Industriële Eigendom
BIRPI: Bureaux Internationales Reunies pour la Propriété Intellectuelle
BMB: Benelux Merkenbureau
BMM: Benelux-vereniging voor Merken- en Modellenrecht, Arnhem
BMW: Benelux-merkenwet
BTMW: Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen
CEM: Commissie Economische Mededinging
CIDST: Comite voor Wetenschappelijk-technologische documentatie en informatie van de EEG
CKO: Centrum voor Kennisbescherming en Octrooi-informatie
COCO: Coördinatiecommissie (= CEIA: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken)
COREPER: Comité des Représentants Permanents (EG)
CREPAT: Paris Union Comittee for International Cooperation in International Retrieval among Patent
EC: Europese Commissie
ECD: Economische Controledienst
ECOSOC: Economische en sociale commissie van de Verenigde Naties
EEG: Europese Economische Gemeenschap
EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
EGV: Europees gemeenschapsverdrag
EOB: Europees Octrooibureau
EOV: Europees Octrooiverdrag
EU: Europese Unie
EZ: [Ministerie van] Economische Zaken
GATT: General Agreement for Tariffs and Trade
HdTK: Handelingen der Tweede Kamer
IIB: Institut International des Brévets
IPC: International Patent Classification
ITH: Internationale Technische Hulp
KB: Koninklijk Besluit
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
KvK: Kamer van Koophandel
MvA: Memorie van Antwoord
MvT: Memorie van Toelichting
Mw: Mededingingswet
NIDER: Nederlands Instituut voor Documentatie en Registratuur
Nma: Nederlandse Mededingingsautoriteit
NNI: Nederlands Normalisatie Instituut
O&O: Onderzoek en Ontwikkeling
OHIM: Organisatie voor harmonisatie binnen de interne markt (Europees Merkenbureau te Alicante)
PbEG: Publicatieblad van de Europese Gemeenschap/Europese Unie
PBO: Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening
PCT: Verdrag van Washington tot samenwerking inzake octrooien
R&D: Research and development, zie O&O
ROW: Rijksoctrooiwet
SER: Sociaal-economische Raad
SEW: Sociaal-economische wetgeving (tijdschrift)
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
TA: Technische bijstand in het kader van Internationale Technische Hulp
TNO: (Nederlandse organisatie voor) Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
Trb: Tractatenblad
TRIPS: Trade Related Aspects of Intellectual Property, (GATT-overeenkomst inzake bescherming van industriële eigendommen bij de handel)
TRT: Verdrag van Wenen inzake de internationale inschrijving van merken
UB: Uniforme Beneluxwet
VBO: Verzoek om een besluit tot octrooiverlening
VVO: Verzoek om voorlopig onderzoek van een uitvinding bij een octrooiaanvrage
WEM: Wet op de economische mededinging
WIPO: Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom
WNR: Wet naburige rechten (van de Auteurswet)
WTO: Wereldhandelsorganisatie
WTW: Winkeltijdenwet
ZBO: Zelfstandig bestuursorgaan
2. Definitie van het BSD
Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.
Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.
Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie hfst. Leeswijzer onder 8).
In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.
Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.
3. Functies van het BSD
Het BSD heeft de volgende functies:
4. Verantwoording
4.1 Het doel en de werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
4.2 Het Beleidsterrein
Dit basisselectiedocument is vastgesteld aan de hand van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Mededingingsbeleid, Een institutioneel onderzoek naar het overheidshandelen inzake de economische mededinging over de periode 1946–1998, waaronder begrepen het handelen van het Bureau Industriële Eigendom en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (PIVOT-rapport 93). Dat rapport beschrijft alle handelingen van de in de titel vermelde instellingen van de rijksoverheid en de daarbij betrokken actoren op het gebied van economische mededinging vanaf 1945, maar verwerkt daarin ook de processen van het Bureau Industriële Eigendom (BIE) op die op eerdere regelgeving zijn gebaseerd. Voor het Bureau Industriële Eigendom is inmiddels een eigen selectielijst vastgesteld (Scrt. 2002/187).
In het RIO wordt een onderverdeling gemaakt in verschillende (deel)beleidsterreinen. Daarin wordt onder de titel ‘de Minister van Economische Zaken’ een hoofdstuk gewijd aan het economische verkeer. Vervolgens worden er hoofdstukken gewijd aan industrieel eigendom en bedrijfsordening. Hierna wordt apart het mededingingsbeleid beschreven. Tot slot besteedt het RIO aandacht aan detailhandel en aan de Mededingingswet.
Deze selectielijst is in 2000 ter beoordeling voorgelegd aan een aantal beleidsmedewerkers van het Ministerie van Economische Zaken. Naar aanleiding van hun commentaar zijn in de contextbeschrijvende teksten enige wijzigingen aangebracht ten opzichte van de teksten in het RIO, omdat in hun ogen de teksten in het RIO de werkwijze en inzichten van het Ministerie niet juist weergaven. Nadat deze wijzigingen zijn aangebracht is het BSD in 2003 weer ter beoordeling voorgelegd aan de beleidsmedewerkers. Gezien de grote tijdspanne die verlopen is tussen deze beide rondes, zijn dit niet dezelfde medewerkers geweest. In 2005 is binnen het Ministerie van Economische Zaken een afstemmingsronde uitgevoerd om de selectiecriteria bij de handelingen intern vast te stellen.
N.B. De wijzigingen in het BSD ten opzichte van de teksten in het RIO zijn niet meer na te gaan. De gehanteerde werkwijze was dat opmerkingen direct in het Wordbestand zijn gemaakt via de optie Wijzigingen bijhouden. Ze zijn op die manier verwerkt en dus niet meer te achterhalen.
Het concept-BSD is van commentaar voorzien door:
Er is een deels in te trekken vernietigingslijst voor het BSD Mededingingsbeleid. Dat is de Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken behorende tot het archief van het Ministerie van Economische Zaken(beschikkingnr: 465/878 M&H, 14 juni 1965 en nr. 117173 O.K.N. 7 september 1965). In te trekken zijn:
4.3 Definitie, doelstellingen en afbakening
4.3.1 Economisch verkeer
Het Mededingingsbeleid maakt deel uit van een groter beleidsterrein, het economische verkeer, dat tegenwoordig gericht is op de bevordering van de vrije marktwerking, zoals overeengekomen in art. 85-86 van het EG-verdrag van 1958. Het doel is de regeling van de vereiste goede economische omgangsvormen. Het institutioneel onderzoek beslaat de volgende deelterreinen:
In de loop van de vorige eeuw heeft op het gebied van economisch verkeer de rechterlijke macht een belangrijke rol gespeeld bij de formulering van rechtsregels met betrekking tot het economisch verkeer. Na de Tweede Wereldoorlog zijn tal van formele afspraken van particuliere organen tot stand gekomen in de vorm van standaardcontracten, gedragscodes van beroepsorganisaties en andere vormen van zelfregulering waarnaar de wetgever in zijn regels verwijst als hij termen ‘behoorlijk’ gebruikt.
De overheid kan daarnaast zelf sturen omdat zij in het landsbelang regels vaststelt. Het beleid ten aanzien van het economisch verkeer bestaat uit afwegingen over de wenselijkheid en/of noodzaak en de effectiviteit van deze maatregelen. Deze afwegingen worden mede aangestuurd door internationale verdragen, regelgeving door de Benelux Unie (vanaf 1950) en door de verschillende Europese verdragsgemeenschappen. Tijdens de opstelling van het RIO heeft het Ministerie van Economische Zaken de volgende doelstelling voor zijn beleid vastgesteld:
In het RIO wordt nader ingegaan op de internationale kaders die mede tot het administratief handelen van de Minister heeft geleid en bijgevolg tot gegevens in de bureaus van zijn Ministerie. Deze kaders zijn:
De handhaving van behoorlijk economisch verkeer vertoont raakpunten met beleidsterreinen van verschillende Ministeries. Handelingen die in strijd zijn met behoorlijk economisch verkeer kunnen als economische misdrijven worden aangemerkt. Een en ander is daadwerkelijk gebeurd in art. 1 van het Besluit berechting economische delicten (Stb. No E 135), dat werd vervangen door de Wet op de economische delicten, (Stb. 1951, 214). De daarin omschreven handelingen zijn strafbare handelingen van ondernemingen. De vaststelling van de strafbaarheid geschiedt of is geschied in het kader van beleidsterreinen van verschillende Ministeries, zoals:
4.3.2 Industrieel Eigendom
In het economische verkeer zijn een aantal exclusieve rechten gedefinieerd, waarvan de houder zich met behulp van diverse civielrechtelijke maatregelen kan verweren tegen inbreuk door derden. Daarnaast is inbreuk op deze rechten strafbaar gesteld. De rechten worden geregistreerd bij een door de overheid ingesteld bureau. De belangrijkste rechten zijn:
Deze rechten worden gewaarborgd als gevolg van internationale afspraken, Europese regelgeving, regionale wetgeving en nationale wetgeving. Er wordt een erkende autoriteit benoemd die de rechten registreert en de daarbij behorende bijlagen als bewijsstukken bewaard. De overheid is bevoegd heffingen vast te stellen voor de registratie en instandhouding van deze rechten. De autoriteit is voorzover de regels dit toelaten bevoegd om zelf een onderzoek in te stellen voordat ze de aangemelde rechten registreert. De rechten worden beschouwd als vermogensrechten, waarmee rechtshandelingen kunnen worden verricht als overdracht, verpanding, vererving of inbeslagname. Als uitvoerend bureau is blijkens artikel 1 van de Merkenwet aangewezen het Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE). Het BIE bestaat vanaf 1893 als instituut van openbaar gezag voor het gedeponeerde handelsmerk, vanaf 1910 is binnen het BIE de Octrooiraad ingesteld.
In het RIO wordt niet nader ingegaan op kwesties met betrekking tot de handelsnaam als industriële eigendom. De rol van de Kamers van Koophandel met betrekking tot het handelsregister is beschreven in het institutioneel onderzoek naar de Kamers van Koophandel.
Een octrooi is een van overheidswege toegekend uitsluitend recht met betrekking tot de uitvinding van een nieuw voortbrengsel of een nieuwe werkwijze. Octrooien zijn vermogensrechten die als zodanig zijn geregistreerd in een octrooiregister. Octrooien zijn openbaar. Dit kan bij uitvindingen van militaire betekenis in strijd zijn met belang van de veiligheid van de staat en zijn bondgenoten. De Rijksoctrooiwet kent vanaf de wijziging van 1956 (Stb. 685) expliciet aan de Minister van Defensie bevoegdheden toe om in te grijpen in het octrooirecht ter wille van de verdediging van het Koninkrijk. Het recht van de octrooihouder wordt, voorzover het niet door anderen wordt aangetast door het inroepen van nietigheid, onder meer beperkt door de bevoegdheid van de rijksoverheid om dwanglicenties op te leggen.
De bevoegdheden van het rijk om nader te mogen ingrijpen in het belang van houders van merken en erkende modellen of tekeningen is nader geregeld in de Wet bestrijding namaakproducten, waarbij het rijk op verzoek van een houder tegen betaling van bij AMVB vastgestelde administratiekosten namaakproducten mag opsporen. De uitvoering van deze opsporingswerkzaamheden berust bij de Economische Controledienst.
4.3.3 Bedrijfsordening
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.